Een doorn in het oog...


Ons enig écht Ros Beiaard is steeds een doorn geweest in het oog van de Aalstenaars. Dit aspect komt op verschillende vlakken tot uiting. Maar er zijn ook aanwijzingen dat het Ros altijd zeer populair geweest is...
In 1557 was een in de Lange Ridderstraat in Aalst een herberg gevestigd met de naam 'Ros Beyaert', in de Gentsestraat droeg in 1634 een huis de naam 'De Vier Heemers'. Ook de spraak van het volk heeft de herinnering aan de sage bewaard. Ene H. Meert schreef in 'Volkskunde (1888, 1e jaargang, pagina 112) dat 'zich geneiren gelijk de Vier Heemskinderen" zoveel betekende als 'zich tevreden stellen met hetgeen men heeft'.
Ene P. Van Nuffel schreef in 'Herfstbloemen' (ui het 'Archief van de Nering van de Winkeliers van Aelst' dat weinig Aalstenaars weten dat in vroeger jaren een Ros Beiaard heeft bestaan in hun stad. Hij opperde verder dat het reuzenpaard ten minste 134 jaar in Aalst zijn ronde had gemaakt. Dit bepaalde 'Ros Beiaard' zou eigendom zijn geweest van de Nering der Winkeliers die Sint-Niklaas als schutsheilige hadden. Dit zou verklaren waarom weinig informatie over het Ros Beiaard van Aalst aanwezig is in het stedelijk Archief van de stad. De herstellingen en het onderhoud gebeurden immers op kosten van de Nering.
Jozef Thys, een kroniekschrijver uit de 17e eeuw beweerde in 1619:'het ros was groot, fel en sterk, pekzwart al dat eraen was en van vooren was het wyd en zeer breed'. Men was geneigd aan te nemen dat het ros hoogstwaarschijnlijk uit hout gebeiteld was en een vrij indrukwekkende verschijning had, althans rekening houdend met de vierentwintig trekpaarden die gebruikt werden om het voort te trekken.
Na 1661 wordt geen gewag meer gemaakt van een Aalsters Ros Beiaard (???).
In 1889 werd echter aan ene Hippoliet Rogghé gevraagd om een 'nieuw' ros te maken. Blijkt dat er een drietal Aalstenaars zich geroepen voelden om in de achterbouw van 'het liberaal lokaal' aan de Zonnestraat een 'ros' te vervaardigen.Een voor de Aalstenaars pijnlijk voorval hieraan verbonden is was het feit dat men de voorgevel van het lokaal diende af te breken om het 'paard' buiten te laten!!! Diezelfde Rogghé vervaardigde samen met zijn drie zonen ook nog drie reuzen, die een voornaam Dendermondenaar, Polydoor De Keyser, parodieerden. Polydorus, Polydora en Polydoorken waren bedoeld om Polydoor De Keyser, die het in 1887 tot Lord-Mayor van Londen bracht in een belachelijk daglicht te stellen.
































