Vlaanderse Kant
Vlaanderse kant is gegroeid uit de Oud-Vlaamse kantsoorten in de 17é eeuw.
Uit die 17é eeuwse kanten is een typische tralie ontstaan,tamelijk vierkant van uitzicht,de zogenaamde Vijfgaatjesgrond of Vlaanderse tralie.
In de Oud-Vlaamse kanten,vooral diegenen die in het Antwerpse zijn geklost,werd deze tralie heel veel gebruikt maar dan hoofdzakelijk in gewrongen slagen gewerkt.
Een Vlaanderse tralie in gewrongen slagen ziet er zwaarder en steviger uit dan de hedendaagse versie die een lichter uitzicht heeft omdat hij deels in gewrongen en deels in halve slagen geklost wordt.
De tekeningen in de Vlaanderse kant worden ontleend aan de natuur.Meestal zijn het bloemen,ranken en dieren .
De motieven worden in linnenslagen gewerkt maar soms ook afwisselend in half linnen om het geheel lichter te maken.
In de hedendaagse Vlaamse kant wordt het volwerk afgeboord met een ring en een sierdraad.
In de vroegere kanten ,uitgezonderd de Mechelse,werd er geen sierdraad verwerkt.
Vlaanderse kant is een kantsoort met doorlopende draden .
In het werk komen veelvuldige versieringen voor,zoals grote en kleine sneeuwvlokken en openluchtjes.
Aan de buitenrand wordt er steeds met inkelogen gewerkt.
Talrijke ontwerpen kregen kleurrijke en folkloristische namen.Denken we maar aan : ’t Blompotje, d’ hoge brugge, den Aap,’t Vliegmachientje,’t Kloefje,’t Pastershoedje enz.













