Uit het boek Daniël
Uit
het boek Daniël
6, 12-28
In die
dagen deden mannen van koning Darius een inval in het huis van Daniël, waar zij
hem aantroffen terwijl hij smeekbeden richtte tot zijn God.
Ze gingen onmiddellijk naar de koning en wezen hem op het koninklijk besluit:
‘Hebt u geen verbod op schrift laten stellen dat ieder mens die de komende
dertig dagen een verzoek tot een god of een mens richt in plaats van tot u,
majesteit, in de leeuwenkuil zal worden geworpen?’
De koning antwoordde: ‘Die verordening ligt even vast als elke wet van de Meden
en de Perzen, ze kan niet worden herroepen.’
Toen zeiden ze tegen de koning: ‘Daniël, een van de Judese ballingen, slaat
geen acht op u, majesteit, noch op het besluit dat u op schrift hebt laten
stellen; driemaal daags verricht hij zijn gebed.’
De koning was zeer ontstemd toen hij deze beschuldiging hoorde, en hij zon op
middelen om Daniël te redden. Tot zonsondergang deed hij alles wat in zijn
macht lag om Daniël te beschermen.
Maar de mannen drongen bij de koning aan en zeiden: ‘Bedenk, majesteit, dat
geen verbod of besluit dat de koning heeft uitgevaardigd veranderd kan worden;
het is een wet van de Meden en de Perzen.’
Hierop gaf de koning bevel Daniël te halen en hem in de leeuwenkuil te werpen.
De koning zei tegen Daniël: ‘Uw God, die u zo vasthoudend dient, zal u redden!’
Er werd een steen gebracht waarmee de opening van de kuil werd afgedekt, en de
koning verzegelde die met zijn zegelring en met de zegelring van zijn
machthebbers, om te verhinderen dat iemand iets aan Daniëls omstandigheden zou
veranderen.
Daarna keerde de koning terug naar zijn paleis en bracht de nacht door zonder
iets te eten; hij kon de slaap niet vatten, maar liet niets ter afleiding
brengen.
Vroeg in de ochtend, toen het licht begon te worden, stond de koning op en
haastte zich naar de leeuwenkuil.
Zodra hij in de buurt van de kuil kwam, riep hij Daniël met bedroefde stem toe:
‘Daniël, dienaar van de levende God, heeft uw God, die u zo vasthoudend dient,
u van de leeuwen kunnen redden?’
En Daniël zei tegen de koning: ‘Majesteit, leef in eeuwigheid! Mijn God heeft
zijn engel gezonden en de leeuwenmuilen gesloten. Ze hebben mij geen kwaad
gedaan, omdat Hij mij onschuldig acht; maar ook u, majesteit, heb ik niets misdaan.’
De koning was bijzonder verheugd en hij beval Daniël uit de kuil te halen.
Daniël werd uit de kuil getrokken, en hij bleek ongedeerd te zijn, want hij had
op zijn God vertrouwd.
Toen gaf de koning bevel de mannen te brengen die Daniël hadden beschuldigd, en
hij liet hen samen met hun kinderen en hun vrouwen in de leeuwenkuil werpen. Ze
hadden de bodem van de kuil nog niet geraakt, of de leeuwen stortten zich op
hen en vermorzelden al hun botten.
Daarop schreef koning Darius aan alle volken en naties, welke taal zij ook
spraken en waar ter wereld zij ook woonden: ‘Moge uw voorspoed groot zijn!
Hierbij beveel ik dat iedereen in het machtsgebied van mijn koninkrijk
eerbiedig ontzag moet tonen voor de God van Daniël. Want Hij is de levende God
die bestaat in eeuwigheid. Zijn koningschap gaat nooit te gronde en zijn
heerschappij is zonder einde. Hij redt en bevrijdt, geeft tekenen en doet
wonderen in de hemel en op aarde; Hij heeft Daniël uit de klauwen van de
leeuwen gered.’
Zo ging het Daniël voorspoedig onder het koningschap van Darius en onder het koningschap van Cyrus de Pers.
Het verhaal van Daniël in de leeuwenkuil was een aanmoediging voor de Joden hun vetrouwen in God nooit op te geven. Hij is immers trouw en laat zijn getrouwen niet in de steek. Zelfs koning Darius was door deze wonderbare redding overtuigd van Gods almacht











