mieke

mieke mantelWAT JE AAN JEZUS GEEFT,BEN JE NIET KWIJT
mieke
mieke mantel
Uit het evangelie volgens MarcusUit
het evangelie volgens Marcus
3, 1-6
Weer ging Jezus naar de
synagoge. Daar was iemand met een verschrompelde hand.
Ze letten op Hem om te zien of Hij die op sabbat zou genezen, zodat ze Hem
zouden kunnen aanklagen.
Hij zei tegen de man met de verschrompelde hand: ‘Kom in het midden staan.’
Aan de anderen vroeg Hij: ‘Wat mag men op sabbat doen: goed of kwaad? Een leven
redden of het vernietigen?’ Maar ze zwegen.
Hij keek hen boos aan, maar ook diepbedroefd vanwege hun hardleersheid, en toen
zei Hij tegen de man die in het midden stond: ‘Steek uw hand uit.’ Hij stak
zijn hand uit en er kwam weer leven in.
De Farizeeën verlieten de synagoge en gingen meteen met de Herodianen
overleggen hoe ze Hem uit de weg zouden kunnen ruimen.
De Joodse sabbatwet was tot in het kleinste detail streng uitgewerkt. Door op de sabbat te genezen wil Jezus laten zien dat het Hem op de eerste plaats gaat om de mens. Niet de uiterlijke daad is de eerste norm van goed of kwaad, maar wel de innerlijke gesteltenis waaruit zij voortkomt.
Jezus zei tegen de man met de verschrompelde hand: ‘Kom in het midden staan.’
Hoeveel mensen lopen er vandaag niet rond met een verschrompelde hand, met een verschrompeld hart... Velen, zeer velen. En misschien horen we er zelf ook wel bij.
Zijn we bereid om net als Jezus, en
vanuit Jezus, tot hen te zeggen: 'Kom, kom in het midden staan. Je bent niet
uitgesloten, je hoort erbij, ik vind je de moeite waard, voor mij ben je mijn
broeder/zuster,...'
Al te vaak komen de verschrompelden over als 'lastige' medemensen, terwijl ze
in zekere zin de Heer belichamen die zegt: 'Ik heb dorst'.
Laten we naar hen toe gaan niet als meerderen, maar als broeders en zusters, als één van hen, om samen met hen de Heer te ontmoeten en te verheerlijken in ons samenzijn waarin Hijzelf ons gebracht heeft.
mieke
mieke mantel
Uit het evangelie volgens MarcusUit
het evangelie volgens Marcus
2, 18-22
De leerlingen
van Johannes en de Farizeeën hadden de gewoonte regelmatig te vasten. Er kwamen
mensen naar Jezus toe, die Hem vroegen: ‘Waarom vasten de leerlingen van
Johannes en de leerlingen van de Farizeeën wel, maar uw leerlingen niet?’
Jezus antwoordde: ‘Bruiloftsgasten kunnen toch niet vasten zolang de bruidegom
bij hen is? Nee, zolang ze de bruidegom bij zich hebben, kunnen ze niet vasten.
Maar er komt een dag dat de bruidegom bij hen wordt weggehaald, en dan is het
hun tijd om te vasten. Niemand verstelt een oude mantel met een lap die nog
niet gekrompen is, want dan trekt de nieuwe lap de oude stof kapot en wordt de
scheur nog groter. Niemand giet jonge wijn in oude leren zakken, want dan
scheuren ze open en gaat de wijn verloren, net als de zakken zelf. Jonge wijn
hoort in nieuwe zakken.
Jezus
bracht geen streng systeem of een ascetische godsdienst. Zijn komst wilde
vreugde brengen. Iets helemaal nieuw. Niet zo maar een soort commentaar op de
oude wet. De nieuwe geest die Hij brengt is helemaal niet verenigbaar met de
praktijken van sommige Joden. Hun praktijken zijn maar lompen en oude klederen
in vergelijking met wat Hij brengt. De christenen van vandaag genieten de
vrijheid die Christus in zijn Kerk bracht.
'Niemand verstelt een oude
mantel met een lap die nog niet gekrompen is, want dan trekt de nieuwe lap de
oude stof kapot en wordt de scheur nog groter. Niemand giet jonge wijn in oude
leren zakken, want dan scheuren ze open en gaat de wijn verloren, net als de
zakken zelf. Jonge wijn hoort in nieuwe zakken', zegt Jezus ons vandaag.
De oude wereld heeft bepaalde zingevingen die beperkt zijn. De nieuwe wereld, de nieuwe schepping heeft Jezus als de zin van alles. Hij is het centrum waaromheen zich het leven van de nieuwe mens opbouwt. Jonge wijn in nieuwe zakken. Geen ongekrompen verstellap op een oud kleed. Bij Jezus hoort een nieuwe levenswijze, een nieuw volk, een nieuwe Kerk, want Hij is voor allen die Hem gehoorzamen, dat wil zeggen: die naar Hem luisteren en die hun leven op zijn leven willen afstemmen, oorzaak geworden van eeuwig heil.
mieke mantel
mieke mantel
Uit het evangelie volgens JohannesUit het evangelie volgens Johannes
1,
35-42
In die dagen stond Johannes er daar met twee van zijn
leerlingen. Toen hij Jezus voorbij zag komen, zei hij: ‘Daar is het lam van
God.’
De twee leerlingen hoorden wat hij zei en gingen met Jezus mee.
Jezus draaide zich om, en toen Hij zag dat ze hem volgden, zei Hij: ‘Wat zoeken
jullie?’
‘Rabbi’, zeiden zij tegen Hem (dat is in onze taal ‘meester’), ‘waar logeert
U?’
Hij zei: ‘Kom maar mee, dan zul je het zien.’
Ze gingen met Hem mee en zagen waar Hij onderdak had gevonden; het was ongeveer
twee uur voor zonsondergang en ze bleven die dag bij Hem.
Een van de twee die gehoord hadden wat Johannes zei en Jezus gevolgd waren, was
Andreas, de broer van Simon Petrus.
Vlak daarna kwam hij zijn broer Simon tegen, en hij zei tegen hem: ‘Wij hebben
de Messias gevonden’ (dat is Christus, ‘gezalfde’), en hij nam hem mee naar
Jezus. Jezus keek hem aan en zei: ‘Jij bent Simon, de zoon van Johannes, maar
voortaan zul je Kefas heten’ (dat is Petrus, ‘rots’).
In die dagen stond Johannes er daar met twee van zijn leerlingen... Johannes was zo'n goede "vriend van de Bruidegom", dat hij niet zijn eigen glorie zocht: hij gaf eenvoudigweg getuigenis van de waarheid (Joh 3,29.26). Zou hij erover denken om zijn leerlingen bij zich te houden en ze beletten om de Heer te volgen? Helemaal niet, hij toont hen zelfs zelf wie ze moeten volgen. Hij verklaart hen: "Waarom hechten jullie je aan mij? Ik ben het Lam van God niet. Daar is het Lam van God, dat is Degene die de zonden van de wereld wegneemt."
Bij het horen van die woorden volgden de twee leerlingen die bij Johannes waren. Jezus draaide zich om, en toen Hij zag dat ze hem volgden, zei Hij: ‘Wat zoeken jullie?’ Ze zeiden: "waar logeert U?" Ze volgden Hem nog niet definitief; wij weten dat ze zich aan Hem gehecht hebben toen Jezus hen opriep om hun boot te verlaten, toen Hij tegen hen zei: "Kom achter mij aan, en Ik zal jullie tot vissers van mensen maken" (Mt 4,19). Vanaf dat moment hebben ze zich aan Hem gehecht om Hem nooit meer te verlaten.
Nu wilden ze zien waar Jezus woonde, en het volgende woord van de Schrift in praktijk brengen: "Als je een verstandig mens vindt, ga hem dan al vroeg in de ochtend bezoeken en laat je voet de drempels van zijn deuren afslijten. Leer van hem de voorschriften van de Heer" (Sir 6,36v).
Jezus toonde hen dus waar Hij verbleef; ze zijn meegekomen en zijn bij Hem gebleven. Wat hebben ze een gelukkige dag doorgebracht! Wat een zalige nacht! Wie zal ons zeggen wat ze uit de mond van de Heer hebben gehoord? Laten wij ook een woning in ons hart bouwen, een huis waar Jezus ons zou kunnen komen onderrichten en een gesprek met ons voeren.
mieke
mieke mantel
Uit het evangelie volgens MarcusUit
het evangelie volgens Marcus
2, 13-17
Jezus vertrok en ging weer naar het meer. Een grote
mensenmenigte kwam naar Hem toe, en Hij onderwees hen.
Toen Hij langs het meer liep, zag Hij Levi, de zoon van Alfeüs, bij het tolhuis
zitten, en Hij zei tegen hem: ‘Volg mij.’
Levi stond op en volgde Hem.
Op een keer was Hij bij Levi thuis uitgenodigd voor een maaltijd, samen met
zijn leerlingen en een groot aantal tollenaars en zondaars, want velen van hen
volgden Hem.
Toen de Farizeese schriftgeleerden zagen dat Hij samen met zondaars en
tollenaars at, zeiden ze tegen zijn leerlingen: ‘Eet Hij met tollenaars en
zondaars?’
Jezus hoorde dit en zei tegen hen: ‘Gezonde mensen hebben geen dokter nodig,
maar zieken wel; Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar
zondaars.’
Ook de roeping van Levi, hoe kort zij ook verhaald wordt, bevat alle elementen van een goddelijke roeping. Gods initiatief, het antwoord van de geroepene, en de samenwerking van vele anderen. Deze roeping is trouwens een teken dat zelfs als zodanig gekende zondaars niet van Gods barmhartigheid zijn uitgesloten. Christus is gekomen om te redden wat verloren was.
Jezus sprak: "Gezonde mensen hebben geen dokter nodig, maar zieken wel; Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars."
Deze
uitspraak kan alleen maar ieder van ons tot diepe dankbaarheid stemmen. Niet ?
Moesten enkel de rechtvaardigen (degenen dus die 'recht' varen, altijd en
overal) geroepen worden... wat zou Jezus weinig volgelingen hebben.
Het
mooie van God is dat Hij bereid is zijn verhaal met ons te schrijven op de
kromme lijnen van ons leven.
Is het verhaal daarom minder ? Nee, integendeel.
Het zal een verhaal zijn van mensen die bemind worden door een God die gelooft
in zijn kinderen, die ieder de moeite waard vindt om hem persoonlijk aan te
spreken, aan te raken, uit te nodigen, zichzelf aan hem te geven in zijn Zoon.
Jezus zal met ons meegaan, niet roepend, niet schreeuwend, de kwijnende vlaspit niet dovend, het geknakte riet niet brekend, maar ieder van ons teder en krachtig optillend uit de bekrompenheid van ons ego om ons op te nemen in z'n eigen leven, opdat we groeiend in geloof en overgave aan Hem, zijn Liefde mogen worden, meer en meer.
Ga eenvoudig naar Hem, zoals Hij ook naar u komt. Omhels elkaar. En ontvang de gave van één-zijn.
Uit het evangelie volgens MarcusUit
het evangelie volgens Marcus
2, 1-12
Toen Jezus terugkwam
in Kafarnaüm, werd bekend dat Hij weer thuis was. Er stroomden zo veel mensen
toe dat er zelfs voor de deur geen plaats meer was, en Hij verkondigde hun de
heilsboodschap.
Er werd ook een verlamde bij Hem gebracht, die door vier mensen gedragen werd.
Omdat ze zich niet door de menigte konden wringen, haalden ze een stuk van het
dak weg boven de plaats waar Jezus zat, en toen ze een opening hadden gemaakt,
lieten ze de verlamde op zijn draagbed naar beneden zakken.
Bij het zien van hun geloof zei Jezus tegen de verlamde: ‘Vriend, uw zonden
worden u vergeven.’
Er zaten ook een paar schriftgeleerden tussen de mensen, en die dachten bij
zichzelf: Hoe durft Hij dat te zeggen? Hij slaat godslasterlijke taal uit:
alleen God kan immers zonden vergeven!
Jezus had meteen door wat ze dachten en dus zei Hij: ‘Waarom denkt u zoiets?
Wat is gemakkelijker, tegen een verlamde zeggen: “Uw zonden worden u vergeven”
of: “Sta op, pak uw bed en loop”? Ik zal u laten zien dat de Mensenzoon
volmacht heeft om op aarde zonden te vergeven.’
Toen zei Hij tegen de verlamde: ‘Ik zeg u, sta op, pak uw bed en ga naar huis.’
Meteen stond hij op, pakte zijn bed en ging weg; allen die dit zagen, stonden
versteld en loofden God. ‘Zoiets hebben we nog nooit gezien', zeiden ze.
Mensen kunnen ons een voorbeeld geven van ongeloof, maar anderzijds blijkt uit hun gedrag soms ook hoe diep zij geloven. Voor Jezus was dat geloof voldoende om de zonden van de lamme te vergeven. Het was voor Hem tevens een teken van zijn goddelijke macht. Men kan dit teken van zijn godheid naast zich neerleggen of aanvaarden in geloof.
God wil zich echter ook aan elke mens heel persoonlijk meedelen en openbaren. Heel persoonlijk worden wij door God aangesproken, met de bedoeling dat dat woord ons raakt en ons in ontmoeting brengt met de Heer. Maar er zijn dikwijls heel wat belemmeringen voor het zover is, zoals ook het geval was bij de vier mannen en hun lamme vriend: drukte, mensen die in de weg zitten, en dat is nog maar de buitenkant. Innerlijk zitten er ook allerlei dingen in de weg die verhinderen dat het woord van God tot je doordringt, die beletten dat je je persoonlijk tot God wendt: drukte in je hoofd, je denkt aan van alles en nog wat, zodat je geest en je hart niet vrij zijn voor Hem. Of je wilt jezelf beschermen, je wilt jezelf veilig stellen, je leven in eigen hand houden. Zo kunnen er allerlei dingen zitten tussen jou en het woord van God.
Dat
was ook het geval met de lamme in dit evangelie. Maar de mannen lieten zich
niet tegenhouden en lieten hun vriend voor de voeten van Jezus neer. Zo
ontstond er toch een moment waarop er niemand en niets was tussen hem en Jezus,
tussen de zondaar en de barmhartige liefde van God.
Jezus zei tot hem:
"Vriend, uw zonden worden u vergeven." Dat was raak, dat
raakte hem! De bron van zijn wezen werd gereinigd.
Dat wat hier in het evangelie gebeurt, kan ook ieder van u gebeuren, namelijk
dat je persoonlijk geraakt wordt door het woord van God. Dat staat altijd aan
de oorsprong van een bekeerd leven.
Het woord van God is een goddelijke kracht die in staat is een heel leven ondersteboven te keren. Als je trouw blijft aan dat woord, aan die goddelijke kracht, je van de nabijheid ervan bewust blijft, eraan gehoorzaamt, ernaar blijft luisteren, in de ban ervan blijft, kun je het een na het ander als het ware moeiteloos uitvoeren. Niet meer door eigen kracht, maar doordat je eigen zwakke kracht is opgenomen in de kracht van God, in de kracht van de heilige Geest.
mieke mantel
mieke mantel
Uit het evangelie volgens MarcusUit
het evangelie volgens Marcus
1, 29-39
Toen Jezus, Jakobus en
Johannes uit de synagoge kwamen, gingen ze rechtstreeks naar het huis van Simon
en Andreas.
Simons schoonmoeder lag met koorts in bed, en ze spraken met Jezus over haar.
Hij ging naar haar toe, pakte haar hand vast en hielp haar overeind. Toen
verliet de koorts haar, en ze begon voor hen te zorgen.
‘s Avonds laat, toen de zon al was ondergegaan, brachten de mensen alle zieken
en bezetenen naar Hem toe; alle inwoners van de stad hadden zich bij de deur
van het huis verzameld.
Hij genas vele zieken van allerlei kwalen en Hij dreef veel demonen uit, maar
stond ze niet toe om iets te zeggen, want ze wisten wie Hij was.
Vroeg in de ochtend, toen het nog helemaal donker was, stond Hij op, ging naar
buiten en liep naar een eenzame plek om daar te bidden.
Maar Simon en de anderen die bij Hem waren, gingen Hem vlug achterna, en toen
ze Hem gevonden hadden zeiden ze tegen Hem: ‘Iedereen is naar U op zoek!’
Toen zei Hij: ‘Laten we ergens anders heen gaan, naar de dorpen hier in de
omtrek, zodat Ik ook daar het goede nieuws kan brengen. Daarvoor ben Ik immers
op weg gegaan.’
In heel Galilea bracht Hij het nieuws in de synagogen en dreef Hij demonen uit.
Het
moet fantastisch geweest zijn om te zien hoe Jezus wonderen deed, hoe Hij
mensen genas van hun lichamelijke kwalen, hoe Hij vergeving schonk in Gods
naam, hoe Hij de mensen onderwees, hoe Hij met zondaars omging, enz...
Maar wat velen niet wisten, beluisteren we in de volgende zin: "Vroeg in de ochtend, toen het
nog helemaal donker was, stond Hij op, ging naar buiten en liep naar een
eenzame plek om daar te bidden."
Jezus had die momenten van gebed nodig. Los van eender welke mens wilde Hij,
moest Hij, af en toe alléén kunnen zijn met de Vader. In het gebed trad Hij als
het ware in het leven van de Vader, en nam de Vader Hem in zich op. Niet dat
buiten die uitdrukkelijke gebedsmomenten de Vader meer verwijderd zou zijn van
Jezus, maar schijnbaar zijn die uitdrukkelijke momenten van gebed van
fundamenteel belang.
Te snel wordt er gezegd dat 'mijn gebedsleven mijn goede werken zijn'. Daar is natuurlijk iets van. Bedoeling is dat we de geest van het gebed levend houden tijdens onze bezigheden. Deze vorm van bidden is zeker ook niet minder dan het uitdrukkelijke gebed. En toch is deze laatste vorm van fundamenteel belang, en gaat ze zelfs vooraf aan het 'biddend in het leven staan'.
Het is
zoals de eerste twee geboden, waarvan de Heer zegt dat ze één zijn: 'Bemin God
bovenal, en uw naaste als uzelf.' Deze geboden zijn dus één, en toch dragen ze
een zekere hiërarchie in zich. Wij kunnen maar onze naaste en onzelf écht
beminnen als we ook God beminnen. We beminnen onszelf en de ander vanuit de
inwoning van God.
Zo is het ook met het gebed. Het uitdrukkelijke gebed en het 'gebed in het
leven' zijn één, doch zit er een hiërarchie in verborgen. Wij kunnen maar écht
biddend in het leven staan, wanneer wij het 'uitdrukkelijk gebed' onderhouden
wat je bent
mieke mantel
Uit het eerste boek SamuëlUit
het eerste boek Samuël
1, 9-20
Na de maaltijd
stond Hanna op en ging naar het heiligdom van de Heer, waar de priester Eli op
een bankje bij de ingang zat. Diep bedroefd bad Hanna tot de Heer.
In tranen legde ze een gelofte af: ‘Heer van de hemelse machten, ik smeek U,
heb toch oog voor mijn ellende. Denk aan mij, uw dienares, vergeet mij niet.
Schenk mij een zoon, dan schenk ik hem voor zijn hele leven aan U: nooit zal
zijn haar worden afgeschoren.’
Terwijl Hanna zo lang bad, keek Eli opmerkzaam naar haar mond. Ze bad namelijk
in stilte: haar lippen bewogen wel, maar haar stem was niet te horen. Daarom
dacht Eli dat ze dronken was.
Hij sprak haar aan en vroeg: ‘Gaat dit nog lang zo duren? Als u dronken bent,
ga dan uw roes uitslapen!’
‘U vergist u, heer’, antwoordde Hanna. ‘Ik heb geen wijn of andere drank
gedronken. Nee, ik ga gebukt onder een zwaar verdriet en stort mijn hart uit
bij de Heer. Denk niet dat ik een slechte vrouw ben; ik bid zo lang omdat ik
overstelpt ben door droefheid en ellende.’
‘Ga dan in vrede’, antwoordde Eli. ‘De God van Israël zal u geven waar u om
hebt gevraagd.’
‘Ik dank u voor uw vriendelijkheid’, zei Hanna, en ze ging terug naar haar
familie. Haar gezicht was opgeklaard en ze at ook weer.
De volgende morgen vroeg bogen ze zich neer voor de Heer, waarna ze zich op de
terugreis begaven.
Thuis in Rama sliep Elkana met zijn vrouw Hanna, en de Heer verhoorde haar.
Hanna werd zwanger en na verloop van tijd baarde ze een zoon. Ze noemde hem
Samuël, ‘want’, verklaarde ze, ‘ik heb hem aan de Heer gevraagd.’
Ofschoon de technische vooruitgang vele mogelijkheden heeft geschapen, gebeurt het toch dikwijls dat vrouwen geen kinderen kunnen krijgen. Waar menselijke middelen schijnbaar falen, ervaart men veel dieper dat alles gave is. Ook in het leven van Hanna werd dit duidelijk en na loutering heeft zij dit aan aanvaard. Zo werd haar kind, Samuël, een gave die zij terugschonk aan de Heer
1 Sam. 2, 1 + 4 + 5 + 6 + 7 + 8abcd
Refr.: De Heer doet mijn hart van vreugde slaan.
Nu
juicht mijn hart dankzij de Heer,
fier heft mijn hoofd zich op, dankzij de Heer,
mijn mond spreekt vrijmoedig tegen mijn vijanden,
want dankzij uw hulp beleef ik vreugde.
De boog
van de helden is gebroken,
en wie wankelen weten zich gesterkt.
Die genoeg hadden, verkopen zich voor brood,
en wie hongerden zijn verzadigd.
De
onvruchtbare baart zeven zonen,
en wie veel kinderen heeft, verwelkt.
De Heer doet sterven en doet leven,
zendt naar het dodenrijk en leidt eruit omhoog.
De Heer
maakt arm en Hij maakt rijk,
vernedert diep en heft hoog op.
De zwakke en de arme helpt Hij overeind,
Hij haalt hen uit het stof en uit het slijk.
Tussen de edelen zet Hij hen neer,
Hij houdt een ereplaats voor hen vrij.
de schepping
mieke mantel
Uit de profeet JesajaUit
de profeet Jesaja
42, 1-4 + 6-7
Zo spreekt de Heer:
'Hier is mijn dienaar, hem zal Ik steunen, hij is mijn uitverkorene, in hem
vind ik vreugde, ik heb hem met mijn geest vervuld. Hij zal alle volken het
recht doen kennen.
Hij schreeuwt niet, hij verheft zijn stem niet, hij roept niet luidkeels in het
openbaar; het geknakte riet breekt hij niet af, de kwijnende vlam zal hij niet
doven. Het recht zal hij zuiver doen kennen.
Ongebroken en vol vuur zal hij het recht op aarde vestigen; de eilanden zien
naar zijn onderricht uit.
In gerechtigheid heb Ik, de Heer, jou geroepen. Ik zal je bij de hand nemen en
je behoeden, Ik neem je in dienst voor mijn verbond met de mensen en maak je
tot een licht voor alle volken, om blinden de ogen te openen, om gevangenen te
bevrijden uit de kerker, wie in het duister zitten uit de gevangenis.'
Zonder twijfel kende Jezus deze profetie van Jesaja. Zij verwees allereerst naar een uitgelezen deel van het volk: de heilige Rest, voorafbeelding van wat eens de Messias zal zijn. Deze uitverkoren Dienaar van God krijgt de opdracht het heil te brengen aan Israël en reeds aan alle naties de kracht en het licht van de ware God te laten aanvoelen
psalm 119:16
mieke mantel
Uit de profeet JesajaUit
de profeet Jesaja
60, 1-6
Sta
op en schitter, je licht is gekomen, over jou schijnt de luister van de Heer.
Duisternis bedekt de aarde en donkerte de naties, maar over jou schijnt de
Heer, zijn luister is boven jou zichtbaar.
Volken laten zich leiden door jouw licht, koningen door de glans van je
schijnsel.
Open je ogen, kijk om je heen: ze stromen in drommen naar je toe; je zonen
komen van ver, je dochters worden op de heup gedragen.
Je zult stralen van vreugde als je het ziet, je hart zal van blijdschap
overslaan.
De schatten van de zee zullen je toevallen, de rijkdom van vreemde volken valt
je in de schoot.
Een vloed van kamelen zal je land overspoelen, jonge kamelen uit Midjan en Efa.
Uit Seba komen ze in groten getale, beladen met wierook en goud.
Zij verkondigen de roemrijke daden van de Heer.
Wanneer de Joden terugkeren uit hun ballingschap, trekken zij op naar Jeruzalem. De stad is verlicht door de kandelaars van de heropgebouwde tempel. De profeet peilt verder dan het schouwspel dat hij voor ogen heeft. Alle volkeren zullen die stoet vervoegen. Zij zijn op weg naar de wereldstad die niet meer van deze aarde is, de volle openbaring van God zelf.
Uit
het evangelie volgens Matteüs
2, 1-12
Toen
Jezus geboren was in Betlehem in Judea, tijdens de regering van Herodes, kwamen
er magiërs uit het Oosten in Jeruzalem aan.
Ze vroegen: ‘Waar is de pasgeboren koning van de Joden? Wij hebben namelijk
zijn ster zien opgaan en zijn gekomen om Hem eer te bewijzen.’
Koning Herodes schrok hevig toen hij dit hoorde, en heel Jeruzalem met hem. Hij
riep alle hogepriesters en schriftgeleerden van het volk samen om aan hen te
vragen waar de Messias geboren zou worden.
‘In Betlehem in Judea’, zeiden ze tegen hem, ‘want zo staat het geschreven bij
de profeet: “En jij, Betlehem in het land van Juda, bent zeker niet de minste
onder de leiders van Juda, want uit jou komt een leider voort die mijn volk
Israël zal hoeden.”’
Daarop riep Herodes in het geheim de magiërs bij zich; hij wilde precies van
hen weten wanneer de ster zichtbaar geworden was, en stuurde hen vervolgens
naar Betlehem met de woorden: ‘Stel een nauwkeurig onderzoek in naar het kind.
Stuur mij bericht zodra u het gevonden hebt, zodat ook ik erheen kan gaan om
het eer te bewijzen.’
Nadat ze geluisterd hadden naar wat de koning hun opdroeg, gingen ze op weg, en
nu ging de ster die ze hadden zien opgaan voor hen uit, totdat hij stil bleef
staan boven de plaats waar het kind was. Toen ze dat zagen, werden ze vervuld
van diepe vreugde.
Ze gingen het huis binnen en vonden het kind met Maria, zijn moeder. Ze wierpen
zich neer om het eer te bewijzen. Daarna openden ze hun kistjes met
kostbaarheden en boden het kind geschenken aan: goud en wierook en mirre.
Nadat ze in een droom waren gewaarschuwd om niet naar Herodes terug te gaan,
reisden ze via een een andere route terug naar hun land.
.
In het midden van dit verhaal staat een citaat van de profeet Micha. Zij die deze profetische teksten zo goed kenden, zijn naar Betlehem gesneld. 'Vreemdelingen' waren het, die zonder hoogmoed hun bevindingen vergeleken met die van de wijzen van Israël, die zo de Messias konden vinden. In hen herkennen wij onszef en zovele anderen, die in de loop der tijden hun offerande aan de voeten leggen van de Koning van het Heelal. Wij zijn allen mensen die op zoek zijn naar het geluk. Wij hebben het dus eigenlijk niet zo moeilijk om ons aan te sluiten bij die "zoekers in de nacht", die van heel ver kwamen. Die Wijzen uit het Oosten, dat zijn eigenlijk de koplopers van een hele lange stoet mensen, die allemaal in het diepst van hun hart op zoek zijn naar het ware geluk... op zoek naar God, dus. Maar in het verhaal van vandaag hoorden wij dat sommigen Hem vinden, anderen echter helemaal niet, en vooral, dat dit afhangt van de manier waarop wij zoeken, van de ingesteldheid van ons hart.
De Wijzen keken in het Oosten naar de sterren. Het komt er eerst en vooral op aan dat ook wij "sterren zien", dwz. dat wij, ook als het donker is, de kleine tekens durven herkennen die zeggen dat er wel nog degelijk goedheid in onze wereld bestaat. Wij merken die sterren van goedheid niet altijd op. Want soms kijken wij teveel naar omlaag, naar onszelf. Die Wijzen keken breed, ver en naar omhoog. Zij nodigen ons uit onze ogen en ons hart wijduit open te zetten om, met bewondering en dankbaarheid, de tintelingen van Gods goedheid op te merken die in onze duistere aarde fonkelen. Als wij ons daarin dagelijks oefenen, dan zullen ook wij gereed zijn om Gods bijzondere ster te zien, diegene die ons de weg wijst naar de plaats waar de Liefde vandaag op onze aarde voor ons wordt geboren.
Het komt er vervolgens op aan die ster dan te "volgen". Wij worden dus uitgenodigd weg te trekken uit het land van onze eigen verworvenheden en zekerheden, om te durven op tocht gaan naar een nieuwe, ongekende horizon. Maar ach, wij, wij blijven dikwijls zo onwrikbaar vasthouden aan onze eigen ideeën. Voor wij het weten, geraken wij verstard, geïmmobiliseerd in onze kleine gewoonten. Dan groeien wij niet meer aan onze binnenkant. Wij blijven ter plaatse trappelen. Wel sturen wij soms anderen op pad om het werk te doen in onze plaats. Maar zelf komen wij zo moeilijk in beweging. Wij worden dan ook innerlijk niet meer bewogen en wij voelen geen bezieling meer. De Wijzen uit het Oosten leren ons dat wij ons beter niet opsluiten binnen de grenzen van onze eigen opvattingen en principes, maar dat wij - hoe oud wij ook zijn - het best met bewogenheid blijven "zoeken naar nieuw leven". Wel mogen wij dan niet verschrikt zijn als dat nieuwe leven ons op een totaal onverwachte en ongewone manier verschijnt: zoals een komeet aan een donkere hemel of zoals de geboorte van een Koningskind tussen eenvoudige mensen.
Het komt er vooral op aan te zoeken "op de goede manier". Want soms zoeken wij eerder zoals Herodes en zijn schriftgeleerden: bang en verontrust. Veel te bang voor allerlei kleinmenselijk opzicht en veel te verontrust over onze eigen macht. Wij beweren wel dat wij erop uit zijn hulde te brengen aan de Heer, maar in feite proberen wij dikwijls vooral onszelf groot te maken en ons eigen prestige te beveiligen. Zo zoeken wij met een bekrompen hart. En op die manier vinden wij het Kind en het echte geluk niet. Bang en verontrust, zo kunnen wij nochtans maanden, soms jaren, bezig zijn.
Maar gelukkig zijn er ook die andere periodes in ons leven, waarop wij namelijk aanvoelen te moeten zoeken op een heel andere manier, eerder zoals de Wijzen uit het Oosten. Het zijn de genadevolle ogenblikken waarop wij, ondanks onze duistere nacht, toch met bewondering en dankbaarheid durven kijken naar onze wereld en ons laten leiden door één of ander stralend teken van hoop. Het zijn de momenten waarop wij voelen, hoe oud wij ook zijn, dat wij zelf in beweging moeten komen, dat wij moeten durven wegtrekken uit het land van onze zekerheden en op ontdekking moeten gaan, zonder vooroordelen, zonder schrik voor het onbekende nieuwe. Het zijn de dagen waarop wij weer beginnen te zoeken met een ontvankelijk en nederig hart. En dan - na een lange en soms moeizame tocht, en ondanks de bekrompenheid van de kleine of de grote tirannen die ons tegenwerken in ons leven - dan vinden wij opnieuw de weg naar de eenvoud en de bescheidenheid. En die leidt ons naar het Kind dat ons het ware geluk en de diepe vrede kan schenken. Dan laten wij onze zelfgenoegzaamheid achter en durven weer in aanbidding neerknielen voor de Liefde, die wij voor onze ogen zien in het kleine. Dan durven wij onze handen openen om te geven... het beste van onszelf, gul en overvloedig.
Mensen, waar moeten wij dus het geluk gaan zoeken? Niet in Jeruzalem, in de versterkte stad van onze verharde standpunten, waar wij onszelf zo belangrijk achten. De ster en de Wijzen wenken ons vandaag om verder te trekken, voorbíj Jeruzalem, naar Bethlehem, naar het huis van bescheidenheid, waar de Liefde ons verwacht. Allen hebben wij in ons leven een Jeruzalem, een domein waar vooral onze hoogmoed overheerst, waar wij denken dat wij ons sterk moeten tonen, maar waar ons hart eigenlijk verstard is geraakt. Maar allemaal hebben wij in ons leven ook ergens een Bethlehem: ons gezin, onze verantwoordelijkheid of het engagement dat wij op ons hebben genomen. Het is de plaats waar wij onszelf heel concreet liefdevol kunnen geven aan diegenen die op ons rekenen. Daar moeten wij naartoe!
Alle mensen uit alle volkeren zijn op zoek naar het geluk. Welnu, voor ieder is het échte geluk uiteindelijk te vinden in het eigen, persoonlijke Bethlehem, dat is die kleine plek in ons leven waar de Liefde ons vandaag verwacht... en nodig heeft.
mieke mantel
mieke mantel
Uit de brief van Paulus aan de HebreeënUit de brief van Paulus aan de Hebreeën
4, 12
Levend en krachtig is het woord van God,
en scherper dan een tweesnijdend zwaard:
het dringt diep door tot waar ziel en geest,
been en merg elkaar raken, en het is in
staat de opvattingen en gedachten van het
hart te ontleden.
Uit de brief van Paulus aan de HebreeënUit de brief van Paulus aan de Hebreeën
13, 20-21
Moge de God van de vrede, die onze Heer Jezus,
de machtige herder van de schapen, door het bloed
van het eeuwig verbond uit de wereld van de doden
heeft weggeleid, u toerusten met al het goede, zodat
u zijn wil kunt doen. Moge Hij in ons datgene tot stand
brengen wat Hem welgevallig is, door Jezus Christus,
aan wie de eer toekomt, tot in alle eeuwigheid.
Amen.