mieke mantel

mieke mantelWAT JE AAN JEZUS GEEFT,BEN JE NIET KWIJT
mieke mantel
mieke mantel
Uit het evangelie volgens MarcusUit
het evangelie volgens Marcus
9, 30-37
Na de
gedaanteverandering vertrokken Jezus en zijn leerlingen weg uit die streek en
reisden door Galilea, maar Hij wilde niet dat iemand dat te weten kwam, want
Hij was bezig zijn leerlingen onderricht te geven.
Hij zei tegen hen: ‘De Mensenzoon wordt uitgeleverd aan de mensen. Die zullen
Hem doden, maar na drie dagen zal Hij uit de dood opstaan.’
Ze begrepen deze uitspraak niet, maar durfden Hem geen vragen te stellen.
Ze kwamen in Kafarnaüm. Toen ze in huis waren, vroeg hij hun: ‘Waarover waren
jullie onderweg aan het redetwisten?’
Ze zwegen, want ze hadden onderweg met elkaar getwist over de vraag wie van hen
de belangrijkste was.
Hij ging zitten en riep de twaalf bij zich. Hij zei tegen hen: ‘Wie de
belangrijkste wil zijn, moet de minste van allemaal willen zijn en ieders
dienaar.’
Hij pakte een kind op en zette het in hun midden neer; hij sloeg zijn arm
eromheen en zei tegen hen: ‘Wie in mijn naam één zo’n kind bij zich opneemt,
neemt mij op; en wie mij opneemt, neemt niet mij op, maar Hem die mij gezonden
heeft.’
Wanneer Jezus zijn leerlingen nog eens duidelijk tracht te maken dat zijn dienen zover zal gaan dat Hij zijn leven zal geven, begrijpen zij dit niet. Zij dachten aan een nieuw, aards rijk, waar zij de voornaamste posten zouden innemen. Zij maken zelfs ruzie om de eerste plaats te krijgen. Jezus wijst hen terecht en herhaalt nog eens dat men in zijn rijk niet moet komen om gediend te worden, maar om te dienen met het hart van een kind.
De minste van allen willen zijn, én ieders
dienaar... dat is de weg waartoe Jezus ons uitnodigt.
Enkel deze weg maakt de mens groot, maakt hem waardig, maakt hem werkelijk tot
Gods kind.
Jezus zelf is ons deze weg voorgegaan. De
evangelies tonen dit tijdens vele momenten.
Denken we bijvoorbeeld aan de voetwassing. Jezus, Gods Zoon, knielt neer voor
zijn leerlingen om hen de voeten te wassen. Jezus maakt zich kleiner dan zijn
leerlingen. Hij knielt voor hen neer en wast hen (naar lichaam en ziel).
Zo mogen wij, naar het voorbeeld van Jezus, en mét Hem, iedere mens benaderen die we ontmoeten: als een dienaar dus, als een mindere, als iemand die bereid is de voeten van die ander te wassen. Dat schept gemeenschap, zo ontstaat Kerk.
Deze weg zal ons behoeden boven de ander te willen
staan, of een machtspositie te misbruiken.
Integendeel, we zullen de ander dienen, en dus het leven dienen, God dienen.
Uit het evangelie volgens MarcusUit
het evangelie volgens Marcus
9, 14-29
Toen Jezus na de
gedaanteverandering terugkwam bij de andere leerlingen, zag Hij een grote
menigte om hen heen staan. Er waren ook schriftgeleerden bij, die met hen aan
het discussiëren waren. De mensen waren verbaasd toen ze Hem zagen, en liepen
meteen naar Hem toe om Hem te begroeten. Hij vroeg hun: ‘Waarover zijn jullie
met hen aan het discussiëren?’
Iemand uit de menigte antwoordde: ‘Meester, ik heb mijn zoon naar U gebracht
omdat hij door een geest bezeten is en niet kan praten; steeds wanneer de geest
hem overweldigt, gooit die hem op de grond, en dan komt het schuim hem op de
mond te staan, hij knarst met zijn tanden en wordt helemaal stijf. Ik zei tegen
uw leerlingen dat ze hem moesten uitdrijven, maar dat konden ze niet.’
Hij zei tegen hen: ‘Wat zijn jullie toch een ongelovig volk, hoe lang moet Ik
nog bij jullie blijven? Hoe lang moet Ik jullie verdragen? Breng hem bij me.’
Ze brachten de jongen bij Hem. Toen de geest Hem zag, deed hij de jongen meteen
stuiptrekken, en met het schuim op de lippen viel hij op de grond en rolde heen
en weer.
Jezus vroeg aan zijn vader: ‘Hoe lang heeft hij hier al last van?’
Hij antwoordde: ‘Al vanaf zijn vroegste jeugd, en hij heeft hem zelfs vaak in
het vuur gegooid en in het water met de bedoeling hem te doden; maar als U iets
kunt doen, heb dan medelijden met ons en help ons.’
Toen zei Jezus tegen hem: ‘Of ik iets kan doen? Alles is mogelijk voor wie
gelooft.’
Meteen riep de vader van het kind uit: ‘Ik geloof! Kom mijn ongeloof te hulp.’
Toen Jezus zag dat er een grote groep mensen toestroomde, sprak Hij de onreine
geest op strenge toon toe en zei: ‘Geest die doof en stom maakt, Ik gebied je:
ga uit hem weg en keer niet meer in hem terug.’
Onder geschreeuw en met hevige stuiptrekkingen ging hij uit hem weg; de jongen
bleef voor dood achter, zodat de mensen zeiden dat hij was gestorven. Maar
Jezus pakte hem bij de hand om hem overeind te helpen en hij stond op.
Hij ging een huis in, en toen ze weer alleen waren, vroegen zijn leerlingen
hem: ‘Waarom konden wij die geest niet uitdrijven?’
Hij antwoordde: ‘Dit soort kan alleen door gebed worden uitgedreven.’
Toen ze weer alleen waren, vroegen
zijn leerlingen Hem: ‘Waarom konden wij die geest niet uitdrijven?’
Hij antwoordde: ‘Dit soort kan alleen door gebed worden uitgedreven.’
Een mens kan uit zichzelf veel goeds doen.
Met Gods genade kan hij nog méér doen, of de dingen die hij doet, ànders doen.
Doch zijn er dingen die men enkel met gebed tot een goed einde kan brengen. Het
zijn zaken waar God wacht op het gebed van de mens om die zaken héél
persoonlijk te komen aanraken.
Heel dikwijls gebruikt Hij de mens als instrument om zijn liefde te tonen. Maar
soms handelt Hij ook bij wijze van spreken 'alleen'. Het is schijnbaar een zaak
tussen dat gebeuren en Hem, zonder een menselijke tussenkomst. Hij wacht op het
gebed van de Kerk, van elke gelovige, om die zaak heel rechtstreeks te komen
vervullen met zijn genade.
We mogen de kracht van het gebed niet
onderschatten. God kan meer met ons gebed dan we doorgaans vermoeden.
We trekken dit dikwijls in twijfel, vooral omdat we ons eigen gebedsleven over
het algemeen zo arm vinden.
Maar God is zoveel groter dan dit menselijk getwijfel. Elk gebed, hoe arm en
onvolmaakt ook, stijgt tot Hem als wierook bij het altaar.
Met dit gebed van de mens treedt Hij de wereld tegemoet: personen, hele volken
en zaken aanrakend met zijn genezende kracht.
Onzichtbaar schenkt Hij op deze wijze leven aan de Kerk, geeft Hij licht aan de
wereld, wekt Hij roepingen, schept eenheid onder mensen en godsdiensten, leidt
Hij mensen naar de hemel, enz...
Laten we geloven in de kracht van het gebed.
Laat ons dagelijks tijd maken voor deze liefdesdaad voor elkaar, de Kerk en de
hele mensheid.
God heeft ons gebed niet nodig om God te zijn.
Anderzijds hunkert Hij naar ons gebed om de wereld heel persoonlijk te komen
bezoeken, aan te raken, te genezen daar waar het nodig is.
Uit het evangelie volgens MarcusUit
het evangelie volgens Marcus
2, 1-12
Toen Jezus enkele dagen
later terugkwam in Kafarnaüm, werd bekend dat Hij weer thuis was. Er stroomden
zo veel mensen toe dat er zelfs voor de deur geen plaats meer was, en Hij
verkondigde hun de heilsboodschap.
Er werd ook een verlamde bij Hem gebracht, die door vier mensen gedragen werd.
Omdat ze zich niet door de menigte konden wringen, haalden ze een stuk van het
dak weg boven de plaats waar Jezus zat, en toen ze een opening hadden gemaakt,
lieten ze de verlamde op zijn draagbed naar beneden zakken. Bij het zien van
hun geloof zei Jezus tegen de verlamde: ‘Vriend, uw zonden worden u vergeven.’
Er zaten ook een paar schriftgeleerden tussen de mensen, en die dachten bij
zichzelf: Hoe durft Hij dat te zeggen? Hij slaat godslasterlijke taal uit:
alleen God kan immers zonden vergeven! Jezus had meteen door wat ze dachten en
dus zei Hij: ‘Waarom denkt u zoiets? Wat is gemakkelijker, tegen een verlamde
zeggen: “Uw zonden worden u vergeven” of: “Sta op, pak uw bed en loop”? Ik zal
u laten zien dat de Mensenzoon volmacht heeft om op aarde zonden te vergeven.’
Toen zei Hij tegen de verlamde: ‘Ik zeg u, sta op, pak uw bed en ga naar huis.’
Meteen stond hij op, pakte zijn bed en ging weg.
Allen die dit zagen, stonden versteld en loofden God. ‘Zoiets hebben we nog
nooit gezien,’ zeiden ze.
Jezus heeft aandacht voor het lijden van mensen in al zijn vormen. Zo schenkt Hij de lamme in Gods naam vergiffenis voor zijn zonden en geneest hem vervolgens. Deze wondere begenadiging en genezing is voor de volgelingen een teken dat God in Jezus Christus zijn belofte houdt en de mensen bevrijdt
Uit de brief van JakobusUit
de brief van Jakobus
3, 1-10
Broeders
en zusters,
u moet niet allemaal leraar willen zijn. U weet dat ons leraren een strenger
oordeel te wachten staat.
En hoe vaak struikelen we niet allemaal! Wie nooit struikelt in het spreken kan
zich een volmaakt mens noemen, die in staat is om zelfs het hele lichaam in
toom te houden.
Paarden doen we een bit in de mond om ze te laten gehoorzamen, en zo kunnen we
hun hele lijf sturen. En kijk eens hoe reusachtige schepen, voortgestuwd door
hevige wind, met een klein roer in de richting worden gestuurd die de stuurman
bepaalt.
Zo is ook de tong een klein orgaan, maar wat een grootspraak kan hij
voortbrengen! Bedenk eens hoe een kleine vlam een enorme bosbrand veroorzaakt.
Onze tong is net zo’n vlam: een wereld van onrecht, die onze lichaamsdelen in
brand steekt. Want hij besmet het hele lichaam, hij steekt het rad van het
leven in brand, met vuur uit de Gehenna.
De mens heeft alle mogelijke soorten dieren weten te temmen, wilde dieren,
vogels, kruipende dieren en zeedieren, maar er is geen mens die de tong kan
temmen, dat onberekenbare kwaad, vol dodelijk venijn.
Met onze tong zegenen we onze Heer en Vader, en we vervloeken er mensen mee die
God heeft geschapen als zijn evenbeeld. Uit dezelfde mond klinkt zegen en
vervloeking. Dat kan toch niet goed zijn, broeders en zusters?
Jakobus maakt er ons opmerkzaam op welke kracht er kan uitgaan van onze woorden. Voortdurend moeten wij deze onder controle houden. Anders zijn zij de bron van onnoemelijk veel kwaad, dat nog nauwelijks te herstellen is.
Vandaag lezen we bij Jakobus: Met onze tong zegenen we onze Heer en Vader,
en we vervloeken er mensen mee die God heeft geschapen als zijn evenbeeld. Uit
dezelfde mond klinkt zegen en vervloeking. Dat kan toch niet goed zijn,
broeders en zusters ?
Inderdaad... de ene moment bidden we , en en een uurtje later roddelen we er rustig op los met vrienden of collega's en stellen anderen in een slecht daglicht of voeden de kick van het oordeel. Ik denk dat we er met regelmaat allen tegen zondigen, op welke wijze ook.
Laten we waakzaam zijn wanneer we spreken. Laat ons doorheen onze woorden opbouwen in plaats van neer te halen. Laat ons in ons spreken verzoening brengen in plaats van verdeeldheid. Laat ons fijne humor brengen. Laten we het goede gesprek voeren. Laat ons woorden gebruiken waarin de warmte van God ieder mens mag bereiken tot wie we spreken.
mieke mantel
mieke mantel
Uit de brief van JakobusUit
de brief van Jakobus
2, 1-9
Broeders en zusters,
het geloof in Jezus Christus, onze glorierijke Heer, staat niet toe dat u
mensen op hun uiterlijk beoordeelt.
Stel dat uw samenkomst wordt bezocht door iemand die prachtige kleren en gouden
ringen draagt, en tegelijkertijd door een arme in vodden. Als u dan de eerste
met alle zorg omringt en tegen hem zegt: 'Neemt u plaats, hier zit u goed',
terwijl u tegen de tweede zegt: 'Ga daar maar staan, of ga maar bij mijn voetenbank
op de grond zitten', maakt u dan geen ongeoorloofd onderscheid en wordt uw
oordeel niet door verkeerde overwegingen bepaald?
Luister, geliefde broeders en zusters: heeft God niet juist hen die naar
wereldse maatstaven arm zijn, uitgekozen om rijk te zijn door het geloof en
deel te krijgen aan het koninkrijk dat Hij heeft beloofd aan wie Hem
liefhebben? Maar u behandelt arme mensen met minachting. Zijn het dan niet de
rijken die u onderdrukken en u voor de rechter slepen? Zijn zij het niet die de
voortreffelijke naam die over u is uitgesproken, door het slijk halen?
Wanneer u echter het koninklijke gebod volbrengt dat de Schrift geeft: 'Heb uw
naaste lief als uzelf', dan handelt u juist. Maar als u op het uiterlijk
afgaat, begaat u een zonde en bestempelt de wet u als overtreders.
Geloven in Christus sluit volgens Jakobus partijdigheid uit. Het sluit eveneens bezorgdheid voor de arme in. Rijken en welgestelden met eerbied en achting benaderen en armen aan hun lot overlaten of zelfs verachten, is in strijd met het evangelie. Bedenken wij daarbij dat God de armen heeft uitverkoren om rijk te zijn in hun geloof
mieke mantel
mieke mantel
Uit de brief van JokobusUit
de brief van Jokobus
1, 19-27
Geliefde broeders en zusters,
onthoud dit goed: ieder mens moet zich haasten om te luisteren, maar traag zijn
om te spreken, traag ook in het kwaad worden. Want de woede van een mens brengt
niets voort dat in Gods ogen rechtvaardig is. Wees daarom zachtmoedig en leg
alle verdorvenheid en elk denkbaar wangedrag af. En aanvaard zo de boodschap
die in u is geplant en die u kan redden.
Vergis u niet: alleen horen is niet genoeg, u moet wat u gehoord hebt ook doen.
Want wie de boodschap hoort maar er niets mee doet, is net als iemand die het
gezicht waarmee hij is geboren in de spiegel bekijkt: hij ziet zichzelf, maar
zodra hij wegloopt is hij vergeten hoe hij eruitzag. Wie zich daarentegen spiegelt
in de volmaakte wet die vrijheid brengt, en dat blijft doen, niet als iemand
die hoort en vergeet, maar als iemand die ernaar handelt; hem valt geluk ten
deel, juist om wat hij doet.
Wie meent dat hij God dient, terwijl hij zijn tong niet kan beteugelen, zit op
een dwaalspoor, en heel zijn godsdienst is vergeefse moeite.
Voor God, de Vader, is alleen dit reine, zuivere godsdienst: weduwen en wezen
bijstaan in hun nood, en je in acht nemen voor de wereld en onberispelijk
blijven
Het woord van God ligt aan de grondslag van ons christelijk bestaan. Ons antwoord zal er in bestaan overeenkomstig die roeping te leven. Wij moeten onze eigen woorden hiermee in overeenstemming brengen en metterdaad het evangelie beleven.
mieke mantel
mieke mantel
Uit het evangelie volgens LucasUit
het evangelie volgens Lucas
10, 1-9
De Heer stelde tweeënzeventig
anderen aan, die Hij twee aan twee voor zich uit zond naar iedere stad en
plaats waar Hij van plan was heen te gaan. Hij zei tegen hen:
'De oogst is groot, maar arbeiders zijn er weinig; vraag dus de eigenaar van de
oogst of Hij arbeiders wil sturen om de oogst binnen te halen.
Ga op weg, en bedenk wel: Ik zend jullie als lammeren onder de wolven.
Neem geen geldbuidel, geen reistas en geen sandalen mee, en groet onderweg
niemand.
Als jullie een huis binnengaan, zeg dan eerst: “Vrede voor dit huis!” Als er
een vredelievend mens woont, zal jullie vrede met hem zijn; zo niet, dan zal
die vrede bij je terugkeren.
Blijf in dat huis, en eet en drink wat men je aanbiedt, want de arbeider is
zijn loon waard.
Ga niet van het ene huis naar het andere.
En als jullie een stad binnengaan en daar welkom zijn, eet dan wat je wordt
voorgezet, genees de zieken die er zijn en zeg tegen hen: “Het koninkrijk van
God heeft jullie bereikt.”
De oogst is groot.
Uit
de Handelingen van de Apostelen
13, 46-49
Paulus en Barnabas zeiden
onomwonden:
‘De boodschap van God moest het eerst onder u worden bekendgemaakt, maar
aangezien u die afwijst en uzelf het eeuwige leven niet waardig acht, zullen we
ons tot de heidenen wenden. Want de Heer heeft ons het volgende opgedragen: “Ik
heb je bestemd tot een licht voor alle volken om redding te brengen, tot aan de
uiteinden van de aarde.”’
Toen de heidenen dit hoorden, verheugden ze zich en spraken ze vol lof over het
woord van de Heer, en allen die voor het eeuwige leven bestemd waren
aanvaardden het geloof.
Het woord van de Heer verspreidde zich over de hele streek.
Gods woord ook voor de heidenen
Vandaag zegt Jezus ons: 'Als jullie een huis binnengaan, zeg dan eerst: “Vrede voor dit huis!”'
Wie de Vrede van God wil uitdragen zal eerst deze
Vrede zelf moeten dragen, wat wil zeggen: de Heer dragen.
Wie leeft vanuit de aanwezigheid van Christus, zal een vrede-vol iemand zijn.
Wie zich verwijdert van Christus, verwijdert zich ook van de in hem gelegde
Vrede, en zal nog moeilijk in staat zijn die Vrede uit te dragen.
Laten we ons daarom niet uit Hem verwijderen, maar in Hem blijven, zoals Hij in
ons is.
Laten we het samen-zijn met de Heer koesteren, opdat we zijn Vrede zelf mogen
zijn en kunnen doorgeven
mieke mantel
mieke mantel
Uit het evangelie volgens MarcusUit
het evangelie volgens Marcus
8, 11-13
Enkele Farizeeën kwamen op
Jezus af en begonnen met Hem te discussiëren.
Om Hem op de proef te stellen, verlangden ze van Hem een teken uit de hemel.
Jezus slaakte een diepe zucht en zei: ‘Waarom verlangt uw soort mensen een
teken? Ik verzeker u: aan mensen als u zal zeker geen teken gegeven worden!’
Hij liet hen staan waar ze stonden, stapte weer in de boot en voer naar de overkant
Zoals de Farizeeën vragen ook wij dikwijls om een teken als bewijs voor de zending van Jezus. Toch had Hij pas twee wonderen verricht: de broodvermenigvuldiging en de genezing van een stomme. Nu dit nog niet voldoende blijkt, weigert Jezus nog langer op hun hardnekkigheid in te gaan..
Bij een wonder denken wij al vlug aan een of andere
lichamelijke genezing.
En natuurlijk zijn dat ook wonderen, die - waarom niet - aan ieder van ons
kunnen gebeuren.
Maar het gevaar bestaat er in dat we ons blind staren op dat soort wonderen, en
daarin, en enkel daarin, Jezus' kracht gaan zoeken.
Alle lichamelijke wonderen die ooit gebeurd zijn en nog zullen gebeuren verwijzen naar een veel dieper wonder, namelijk het wonder van Gods bestaan, én de wijze waarop Hij bestaat. Hij bestaat als een Drie-ene God van liefde die liefheeft zoals enkel Hij dat kan. Zijn naam is 'barmhartigheid', 'vrede', 'trouw', 'kruisdood', 'Pasen'. Dat is het wonder van zijn bestaan.
Het is goed om verwonderd te blijven om Gods bestaan. Dit houdt ons in het 'gebed zonder ophouden' en het waakt over ons hart dat op deze wijze niet naar zichzelf gekeerd zal zijn, maar steeds gericht naar Hem waarvan alle leven komt.
Laten we dragers en uitdragers zijn van Gods wonderlijk bestaan
Uit het boek LeviticusUit
het boek Leviticus
13,
1-2 + 45-46
De Heer zei tegen Mozes en Aäron: ‘Als iemand een zwelling, uitslag of een lichte plek op zijn huid heeft die aan huidvraat doet denken, moet hij naar de priester worden gebracht, naar Aäron of een van diens nakomelingen. Wie door huidvraat aangetast is, moet zijn kleren scheuren, zijn haar los laten hangen, baard en snor bedekken en “Onrein, onrein!” roepen. Zo iemand blijft onrein zolang de aandoening duurt. Als onreine moet hij apart wonen en buiten het kamp verblijven.'
Melaatsheid, of huidvraat, schrikt af; haar verwoestingen zijn afstoteljik. De maatschappij heeft lange tijd geen ander middel gevonden om haar te bestrijden dan aan melaatsen elk contact met de levenden te verbieden. Om het sociale verbod te versterken, heeft Israël er nog een godsdienstig verbod aan toegevoegd: melaatsheid werd aanzien als de straf bij uitnemendheid voor de zonde
Uit
het evangelie volgens Marcus
1, 40-45
In die tijd kwam iemand naar Jezus toe
die aan huidvraat leed; hij smeekte Hem om hulp en zei, terwijl hij op zijn
knieën viel: ‘Als U wilt, kunt U mij rein maken.’
Jezus kreeg medelijden, stak zijn hand uit, raakte hem aan en zei: ‘Ik wil het,
word rein.’ En meteen verdween zijn huidvraat en hij was rein.
Jezus stuurde hem weg met de ernstige waarschuwing: ‘Denk erom dat u tegen
niemand iets zegt, maar ga u aan de priester laten zien en breng het
reinigingsoffer dat Mozes heeft voorgeschreven, als getuigenis voor de mensen.’
Maar toen de man vertrokken was, ging hij overal breeduit rondvertellen wat er
gebeurd was, met als gevolg dat Jezus niet langer openlijk in een stad kon
verschijnen, maar op eenzame plaatsen buiten de steden moest blijven.
Toch bleven de mensen van alle kanten naar Hem toe komen.
De manier waarop Jezus met een melaatse omgaat, verschilt danig van de primitieve 'wettische' godsdienstbeleving van de Joden. Hij aarzelde niet de traditionele reinheidsvoorschriften te overtreden door de melaatse aan te raken om hem te genezen.
Een melaatse! Melaatsheid was in Jezus' tijd wat vroeger bij ons tbc (tuberculose) was en wat tegenwoordig kanker is. Het erge van melaatsheid was dat het besmettelijk was, waardoor degenen die die ziekte hadden, in een isolement verkeerden, en bijvoorbeeld in gescheurde kleren rondliepen, zodat iedereen het aan hen kon zien. En als het niet te zien was, moesten ze het laten weten door hardop te roepen: 'Onrein, onrein!' Zo lang de ziekte duurde, was zo iemand onrein en moest hij apart wonen, hoorde hij er niet bij. Dat was toen nog veel erger dan nu. Onze maatschappij is geïndividualiseerd, de mensen leven als enkeling. Maar toen was de samenleving nog hecht, ze leefden niet volgens het 'ik-patroon', maar als 'wij', wij samen. Het was dus heel erg voor een melaatse dat hij zich uit de gemeenschap moest terugtrekken, om een solitair leven te beginnen.
Wij hoeven niet beslist melaats te zijn om ons een melaatse te voelen, of om anderen als melaatsen te behandelen. Mensen zeggen wel eens: 'Het lijkt wel of ik een melaatse voor hem ben.' Of ik ga anderen uit de weg, zij zijn als melaats voor mij, ik sluit ze buiten. En dan is er nog een soort melaatsheid waarbij mensen zichzelf buitensluiten. Dat is gewoonlijk een gevolg van een zichzelf niet kunnen aannemen zoals ze zijn, of bepaalde eigenschappen niet kunnen aannemen. Als ze een paar mensen zien praten, denken ze al snel: 'Die hebben het over mij', of als ze iemand zien lachen als ze eraan komen: 'Ze lachen me uit', of als iemand zijn gezicht vertrekt, zoeken ze de reden meteen bij zichzelf. Het is niet eenvoudig uit zo'n duivelskring van zelfverwerping en uitgesloten worden, los te komen. Wie zichzelf afwijst, maakt zichzelf tot een melaatse.
Zo'n melaatse komt nu bij Jezus. Eigenlijk mag een melaatse helemaal niet bij een gezond iemand komen, maar de man kán gewoon niet anders. Hij overtreedt alle regels die hem zijn opgelegd en hij komt bij Jezus. Eindelijk wil hij wel eens uit die duivelskring verlost worden. Hoe? Dat had hij zich waarschijnlijk al menig maal afgevraagd. Opeens schiet het hem te binnen dat Jezus hem kan redden. Hij, die van top tot teen ziek is, dodelijk ziek, uitzichtloos ziek, heeft één gave plek: zijn geloof. "Als Gij wilt, kunt Gij mij reinigen."
Hoe doet Jezus dat, hem genezen? De evangelist beschrijft Jezus' therapie in vier stappen: medelijden - hand uitstrekken - aanraken - het genezende woord spreken. Hij had mede-lijden met de man. Nu staat er in de oorspronkelijke tekst voor dat woord 'medelijden' een woord dat zoveel betekent als: tot in het diepst van zijn innerlijk geraakt, uit de grond van zijn hart. Hij reageert niet zo van: die man is ziek, die heeft een probleem, en omdat Ik God ben en de macht heb, kan Ik hem genezen. Nee, Hij handelt vanuit zijn medelijden. De macht van Jezus bestaat uit zijn barmhartigheid. Hij laat het leed van de melaatse diep in zijn Hart binnenkomen, Hij voelt zijn verbittering, zijn eenzaamheid en vertwijfeling, Hij neemt er deel aan, Hij lijdt er aan.
Laat
God Zich op deze wijze ook niet als eerste kennen in de heilsgeschiedenis? Is
zijn eerste Woord niet: "Ik heb het schreien van mijn volk in Egypte
gehoord. Ik ken zijn lijden" (Ex 3,7)? En daar wordt niet een abstract
kennen mee bedoeld, een theoretische kennen, maar een hartelijk kennen: Ik vóel
zijn lijden.
Eigenlijk bestaat daarin de gehele genezing van de mens, ons gekend zijn door
God. Alleen al weten van Gods medelijden, dat je in je hart mag voelen hoe je
door God wordt aangevoeld, is voldoende om te genezen. Zegt Jezus ook niet dat
wij dat van Hem moeten leren? "Leert van Mij: Ik ben zachtmoedig en
nederig van hart" (Mt 11,29). Zijn werkelijk mee-voelen: dát is de
bron, daar gaat het van uit, van zijn Hart.
Vanuit zijn Hart komt er beweging in zijn hand. "Hij stak zijn hand uit", Hij biedt de melaatse zijn hand aan, steekt hem die toe; Hij biedt hem relatie aan, Hij overbrugt de grote afstand die er is tussen de gezonde en de zieke wereld, waarin de melaats door religieuze regels werd vastgehouden. En nadat Hij dat gedaan heeft, raakte Hij hem aan.
Een
melaatse heeft iets walgelijks, boezemt iemand afschuw in, tot misselijk makend
toe. Franciscus van Assisi heeft eens beschreven hoe hij zich voelde toen hij
een melaatse zag. Hij werd door Jezus, door zijn Geest, uitgenodigd, om hem
niet alleen aan te raken, maar zelfs te omhelzen. Wat hij toen in zich voelde,
was alsof zijn maag in zijn lijf omdraaide. (Wat eerst bitter was, werd
zoet... zo schreef hij later over deze ervaring)
Maar ook een mens die in zichzelf verbitterd is, doet ons terugwijken,
terugdeinzen, want we hebben angst voor die innerlijke radeloosheid waardoor
mensen kunnen worden bevangen. Bang om, door daarmee in aanraking te komen, ook
zelf wanhopig te worden. Bang om niet alleen onze handen te verontreinigen,
maar ook onze ziel. Een soort troosteloos worden door de troosteloosheid van de
ander. We zijn bang dat als we een geestelijk zieke naderen, al het vuil in
zijn binnenste naar buiten zal breken, zijn haat, zijn verziekt zijn, zijn
verbitterdheid, zijn zelfontkenning.
Maar Jezus kent geen aanrakingsangst. Hij weet Zichzelf zo vast verankerd in zijn eigen Hart, in zijn betrekking tot zijn Vader, want die gevoelens van medelijden worden door de Vader in Jezus' Hart opgewekt. Hij werd door medelijden bewogen, door de Vader, door de heilige Geest van de Vader. Dat is dan ook van waaruit Jezus het genezende woord spreekt: "Ik wil, word rein.” Jezus doet in alles alleen maar de wil van de Vader. “Niet mijn wil, maar Uw wil geschiede" (Lc 22,42).
Wat
betekent dat alles nu voor ons? Jezus' wil is een barmhartige wil. "Ik
wil liever barmhartigheid dan offers” (Mt 9,13; 12,7).
Op die barmhartige wil kunnen wij nog steeds een beroep doen. De Jezus van
tweeduizend jaar geleden is nu onder ons met zijn wilsbeschikking, met zijn
testament, zijn nieuwe testament.
Laten we Hem welkom heten in onze samenleving, is al wat melaats is, rondom ons en in ons. En laat ons geloven, laten we ons schenken aan Hem om zijn genezing ten volle te kunnen ontvangen.
mieke mantel
mieke mantel
Uit het boek SpreukenUit het boek Spreuken
18, 4
De woorden van een goed mens
zijn als diepe wateren,
ze zijn een sprankelende beek,
een bron van wijsheid.
mieke mantel
mieke mantel
Uit het evangelie volgens MarcusUit
het evangelie volgens Marcus
7, 31-37
Jezus
vertrok weer uit de omgeving van Tyrus en ging via Sidon naar het Meer van
Galilea, dwars door het gebied van Dekapolis.
Daar werd iemand bij Hem gebracht die doof was en gebrekkig sprak, en men
smeekte Hem om deze man de hand op te leggen.
Hij nam de man apart, weg van de menigte, stak zijn vingers in diens oren en
raakte met speeksel zijn tong aan. Hij sloeg zijn blik op naar de hemel, zuchtte
diep en zei tegen hem: ‘Effata!‘, wat betekent: ‘Ga open!’
Meteen gingen zijn oren open, zijn tong kwam los en hij kon normaal spreken.
Hij beval de omstanders om aan niemand te vertellen wat er gebeurd was; maar
hoe strenger Hij het hun verbood, hoe meer ze het rondvertelden.
De mensen waren geweldig onder de indruk en zeiden: ‘Alles wat Hij doet is
goed: zelfs doven laat Hij horen en stommen laat Hij spreken.’
Marcus ziet de doofstomme als een beeld van de mensheid die zich afsluit voor de stem van God en niet meer in staat is Hem te loven. Zo gezien is het betekenisvol dat juist een heiden wordt genezen. Het uitverkoren volk weigert te zien en te luisteren. De nauwkeurige beschrijving van het ritueel dat Jezus hierbij gebruikte, roept voor ons het doopritueel op. Bij de nieuwe schepping, die bij de messiaanse tijden begint, zullen de mensen weer luisteren in geloof. De tongen zullen loskomen om voor de wereld te getuigen van de waarheid
In het evangelie van vandaag zien wij aan de doofstomme hoe de
verlossing geschiedt. De doofstomme is het beeld van de mens in zonde. Doordat
de mens niet wilde luisteren, niet wilde gehoorzamen, raakte hij in zichzelf
opgesloten. Het innerlijk gesprek met God staakt: "de mens en zijn
vrouw verborgen zich voor God.", lezen we in Genesis.
Jezus leidt de doofstomme buiten de kring van het volk, waar Hij alleen met
hem is, en met Jezus alleen wordt de doofstomme opgenomen in Jezus' verhouding
met zijn Vader: "Hij
sloeg zijn blik op naar de hemel". Hij herstelt de
zonde door het herstel van de ongezonde verhoudingen: Hij verricht het wonder
in afhankelijkheid. Jezus geeft door deze hemelse oogopslag te kennen dat Hij
het leven niet uit zichzelf heeft en dat Hij het verlossende woord niet uit
zichzelf spreekt. Vanuit deze fundamentele nederigheid, vanuit deze
waarachtigheid klinkt het machtswoord: "Effeta, ga open," word
vrij van de machten die een ban leggen op je bestaan, die je opsluiten in
jezelf.
En toch een spreekverbod? Ja, want wat het wonder deed geschieden, was niet de eigen kracht van Jezus, maar die van zijn Vader: het was ontvangen kracht. Die dimensie zou in het doorvertellen verloren gaan; Jezus zou een mirakeldoener geworden zijn, een God zonder nederigheid, geen Zoon van God.
Uit het eerste boek KoningenUit het eerste boek Koningen
11, 4-13
Op zijn oude dag
verleidden de vrouwen Salomo ertoe andere goden te gaan dienen en was hij de
Heer, zijn God, niet meer met hart en ziel toegedaan zoals zijn vader David dat
was geweest. Salomo zocht zijn heil bij Astarte, de godin van de Sidoniërs, en
Milkom, de gruwelijke god van de Ammonieten. Hij deed wat slecht is in de ogen
van de Heer en was de Heer niet zo trouw als zijn vader David. Zo liet hij op
een heuvel in de buurt van Jeruzalem een offerplaats maken ter ere van Kemos,
de gruwelijke god van Moab, en ter ere van Moloch, de gruwelijke god van de
Ammonieten. Voor al zijn buitenlandse vrouwen maakte hij eigen offerplaatsen,
zodat zij wierook konden branden en offers konden brengen voor hun goden.
De Heer werd woedend op Salomo, omdat hij ontrouw was geworden aan Hem, de God
van Israël, die hem tot tweemaal toe was verschenen en hem uitdrukkelijk had
verboden zich met andere goden in te laten. Omdat Salomo zich niet hield aan
wat de Heer hem bevolen had, zei de Heer tegen hem: ‘Het is met jou zo ver
gekomen dat je het verbond met mij niet in acht neemt en je niet houdt aan de
bepalingen die Ik je heb opgelegd. Daarom zal Ik het koningschap van je
losscheuren en het aan een van je ondergeschikten geven. Maar omwille van je
vader David zal Ik wachten tot na je dood, en pas je zoon het koningschap
ontnemen. En omwille van mijn dienaar David en omwille van Jeruzalem, de stad
die Ik heb uitgekozen, zal Ik je zoon niet het hele koninkrijk ontnemen; één
stam zal Ik hem laten houden.’
De vele contacten van koning Salomo met andere werelden brachten allerlei mannen en vrouwen naar Jeruzalem. Door sommige vrouwen werd Salomo verleid ook andere godsdiensten binnen te laten. Zo bracht hij het Verbond met de éne, ware God in het gedrang
Uit het evangelie volgens Marcus
7, 24-30
Jezus vertrok naar de
omgeving van Tyrus. Daar nam Hij zijn intrek in een huis, en hoewel Hij niet
wilde dat iemand dat te weten zou komen, lukte het Hem niet onopgemerkt te
blijven.
Integendeel, er kwam al meteen een vrouw die over Hem gehoord had naar Hem toe,
en zij viel voor zijn voeten neer. Ze had een dochter die door een onreine
geest bezeten was.
Deze vrouw was van Syro–Fenicische afkomst en geen Jodin; ze smeekte Hem om bij
haar dochter de demon uit te drijven.
Hij zei tegen haar: ‘Eerst moeten de kinderen genoeg te eten krijgen; het is
niet goed om de kinderen hun brood af te pakken en het aan de honden te
voeren.’
De vrouw antwoordde: ‘Heer, de honden onder de tafel eten toch de kruimels op
die de kinderen laten vallen.’
Hij zei tegen haar: ‘Dat hebt u goed gezegd. Ga naar huis, de demon heeft uw
dochter al verlaten.’
En toen ze thuiskwam, lag haar kind op bed en bleek de demon verdwenen te zijn.
Jezus is er voor allen. Ook andere volkeren kunnen op Hem rekenen. Al namen sommige Joden dit niet, Hij is goed voor allen. De genezing van de dochter van de heidense vrouw wil dit ook onderlijnen. Durven wij goed zijn voor iedereen? Ook voor uitgestotenen?
"Op zijn oude dag verleidden de vrouwen Salomo ertoe andere goden te gaan dienen."... "Het is met jou zo ver gekomen dat je het verbond met mij niet in acht neemt en je niet houdt aan de bepalingen die Ik je heb opgelegd. Daarom zal Ik het koningschap van je losscheuren." Dat zal pas na Salomo's dood gebeuren, maar het wordt hém aangerekend. Een goede inzet garandeert nog geen goede afloop. Loopt je leven fatsoenlijk af, dan wil dit nog niet zeggen, dat je geen verantwoordelijkheid draagt voor de chaos die na jou losbreekt.
Maar een slechte start leidt nog niet
noodzakelijk tot een slechte finish. Dat bewijst de Kananese vrouw. Haar start
was in elk opzicht ongelukkig: zij was een vrouw, een heidense, zij had een
dochter die door de duivel bezeten was, zij werd door Jezus afgewezen en werd
zelfs een hond genoemd:
"Eerst moeten de kinderen (de Joden) genoeg te eten krijgen; het is niet goed
om de kinderen hun brood af te pakken en het aan de honden (de heidenhonden) te voeren."
Met dit woord heeft Jezus het hart van deze vrouw tot op de grond willen
omwoelen, zodat zij uit het diepst van haar hart haar geloof uitschreeuwt: "Heer, de honden onder de tafel
eten toch de kruimels op die de kinderen laten vallen." Jezus
wil geloof, een ontmoeting met een gelovige. Hij wil geen wonderdaden
verrichten. Hij wil geen geschenken uitdelen, los van zichzelf. In het wonder
wil Hij zichzelf geven. Het gaat niet om de gave alleen, het gaat in de gave om
de Gever.
Daarom beproeft Hij ons geloof, zodat onze omgang met Hem niet zakelijk zou worden, zaakgericht, omwille van het eigenbelang, maar persoonlijk, persoonsgericht en belangeloos. Het gaat Hem niet om een mooie, ordelijke wereld, maar het gaat Hem erom dat Hij met elke mens, of die nu in een toestand van orde of chaos verkeert, een goede verstandhouding krijgt. Dat gaat doorgaans beter wanneer in een mensenleven eerst de chaos de overhand heeft gekregen op de orde.
mieke mantel
mieke mantel