|
25 Ze vonden hem aan
de overkant van het meer en vroegen: ‘Rabbi, wanneer bent u hier gekomen?’ 26
Jezus zei: ‘Waarachtig, ik verzeker u: u zoekt me niet omdat u tekenen hebt
gezien, maar omdat u brood gegeten hebt en verzadigd bent. 27 U moet geen
moeite doen voor voedsel dat vergaat, maar voor voedsel dat niet vergaat en
eeuwig leven geeft; de Mensenzoon zal het u geven, want de Vader, God zelf,
heeft hem die volmacht gegeven.’ 28 Ze vroegen: ‘Wat moeten we doen? Hoe doen
we wat God wil?’ 29 ‘Dit moet u voor God doen: geloven in hem die hij
gezonden heeft,’ antwoordde Jezus.
30 Toen vroegen ze:
‘Welk wonderteken kunt u dan verrichten? Als we iets zien zullen we in u
geloven. Wat kunt u doen? 31 Onze voorouders hebben immers manna in de woestijn
gegeten, zoals geschreven staat: “Brood uit de hemel heeft hij hun te eten
gegeven.”’ 32 Maar Jezus zei: ‘Waarachtig, ik verzeker u: niet Mozes heeft u
het brood uit de hemel gegeven, maar mijn Vader; hij geeft u het ware brood
uit de hemel. 33 Het brood van God is het brood dat neerdaalt uit de hemel en
dat leven geeft aan de wereld.’ 34 ‘Geef ons altijd dat brood, Heer!’ zeiden
ze toen. 35 ‘Ik ben het brood dat leven geeft,’ zei Jezus. ‘Wie bij mij komt
zal geen honger meer hebben, en wie in mij gelooft zal nooit meer dorst
hebben. 36 Maar ik heb u al gezegd dat u niet gelooft, ook al hebt u me
gezien. 37 Iedereen die de Vader mij geeft zal bij mij komen, en wie bij mij
komt zal ik niet wegsturen, 38 want ik ben niet uit de hemel neergedaald om
te doen wat ik wil, maar om te doen wat hij wil die mij gezonden heeft. 39 Dit
is de wil van hem die mij gezonden heeft: dat ik niemand van wie hij mij
gegeven heeft verloren laat gaan, maar dat ik hen allen laat opstaan op de
laatste dag. 40 Dit wil mijn Vader: dat iedereen die de Zoon ziet en in hem
gelooft, eeuwig leven heeft, en dat ik hen op de laatste dag uit de dood zal
opwekken.’
41 De Joden begonnen
te protesteren omdat hij zei dat hij het brood was dat uit de hemel was
neergedaald. 42 ‘Dat is toch Jezus, de zoon van Jozef? We weten toch wie zijn
vader en moeder zijn? Hoe kan hij dan zeggen dat hij uit de hemel is
neergedaald?’ 43 Jezus zei: ‘Ik hoor u bezwaren maken. 44 Toch kan niemand
bij mij komen, tenzij de Vader die mij gezonden heeft hem bij me brengt, en
ik zal hem op de laatste dag tot leven wekken. 45 Het staat geschreven in de
Profeten: “Zij zullen allemaal door God onderricht worden.” Iedereen die naar
de Vader luistert en van hem leert komt bij mij. 46 Niet dat iemand ooit de
Vader gezien heeft – alleen hij die van God komt, heeft hem gezien. 47 Waarachtig,
ik verzeker u: wie gelooft,
heeft eeuwig leven. 48
Ik ben het brood dat leven geeft. 49 Uw voorouders hebben in de woestijn
manna gegeten en toch zijn zij gestorven. 50 Maar dit is het brood dat uit de
hemel is neergedaald; wie dit eet sterft niet. 51 Ik ben het levende brood
dat uit de hemel is neergedaald; wanneer iemand dit brood eet zal hij eeuwig
leven. En het brood dat ik zal geven voor het leven van de wereld, is mijn
lichaam.’
52 Nu begonnen de
Joden heftig met elkaar te discussiëren: ‘Hoe kan die man ons zijn lichaam te
eten geven!’ 53 Daarop zei Jezus: ‘Waarachtig, ik verzeker u: als u het
lichaam van de Mensenzoon niet eet en zijn bloed niet drinkt, hebt u geen
leven in u. 54 Wie mijn lichaam eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven
en hem zal ik op de laatste dag uit de dood opwekken. 55 Mijn lichaam is het
ware voedsel en mijn bloed is de ware drank. 56 Wie mijn lichaam eet en mijn
bloed drinkt, blijft in mij en ik blijf in hem. 57 De levende Vader heeft mij
gezonden, en ik leef door de Vader; zo zal wie mij eet, leven door mij. 58 Dit
is het brood dat uit de hemel is neergedaald. Het is niet het brood dat uw
voorouders aten; zij zijn gestorven, maar wie dit brood eet zal eeuwig
leven.’ 59 Dit alles zei hij in de synagoge van Kafarnaüm toen hij daar
onderricht gaf.
60 Veel leerlingen
die het gehoord hadden zeiden: ‘Dit zijn harde woorden, wie kan daarnaar
luisteren?’ 61 Jezus wist wel dat zijn leerlingen protesteerden en zei tegen
hen: ‘Ergeren jullie je hieraan? 62 Maar als jullie nu de Mensenzoon zouden
zien opstijgen naar waar hij eerst was? 63 De Geest maakt levend, het lichaam
dient tot niets. Wat ik gezegd heb is geest en leven. 64 Maar sommigen van
jullie geloven niet.’ Jezus wist namelijk vanaf het begin wie er niet
geloofden en wie hem zou uitleveren. 65 ‘Daarom heb ik jullie gezegd,’ zei
hij, ‘dat iemand alleen bij mij kan komen als het hem door de Vader gegeven
is.’ 66 Toen trokken veel leerlingen zich terug en gingen niet verder met hem
mee.
67 Jezus vroeg nu aan de twaalf:
‘Willen jullie soms ook weggaan?’ 68 Simon Petrus gaf antwoord: ‘Naar wie
zouden we moeten gaan, Heer? U spreekt woorden die eeuwig leven geven, 69 en
wij geloven en weten dat u de heilige van God
bent.’ 70 Jezus zei:
‘Ikzelf heb jullie alle twaalf uitgekozen, en toch is een van jullie een
duivel.’ 71 Hiermee doelde hij op Judas, de zoon van Simon Iskariot, want
hij, een van de twaalf, zou hem uitleveren.
|