eerste brief van Paulus aan de Korintiërs
eerste
brief van Paulus aan de Korintiërs
12, 31 - 13, 13
Broeders en zusters,
richt u op de hoogste gaven. Maar eerst wijs ik u een weg die nog
voortreffelijker is.
Al sprak ik de talen van alle mensen en die van de engelen; had ik de liefde
niet, ik zou niet meer zijn dan een dreunende gong of een schelle cimbaal.
Al had ik de gave om te profeteren en doorgrondde ik alle geheimen, al bezat ik
alle kennis en had ik het geloof dat bergen kan verplaatsen; had ik de liefde
niet, ik zou niets zijn.
Al verkocht ik mijn bezittingen omdat ik voedsel aan de armen wilde geven, al
gaf ik mijn lichaam prijs en kon ik daar trots op zijn; had ik de liefde niet,
het zou mij niet baten.
De liefde is geduldig en vol goedheid.
De liefde kent geen afgunst, geen ijdel vertoon en geen zelfgenoegzaamheid.
Ze is niet grof en niet zelfzuchtig, ze laat zich niet boos maken en rekent het
kwaad niet aan, ze verheugt zich niet over het onrecht maar vindt vreugde in de
waarheid.
Alles verdraagt ze, alles gelooft ze, alles hoopt ze, in alles volhardt ze.
De liefde zal nooit vergaan. Profetieën zullen verdwijnen, klanktaal zal
verstommen, kennis verloren gaan; want ons kennen schiet tekort en ons
profeteren is beperkt. Wanneer het volmaakte komt zal wat beperkt is
verdwijnen.
Toen ik nog een kind was sprak ik als een kind, dacht ik als een kind,
redeneerde ik als een kind. Nu ik volwassen ben heb ik al het kinderlijke
achter me gelaten. Nu kijken we nog in een wazige spiegel, maar straks staan we
oog in oog. Nu is mijn kennen nog beperkt, maar straks zal ik volledig kennen,
zoals ik zelf gekend ben.
Ons resten geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de grootste daarvan is de
liefde
De leden van een christengemeenschap krijgen verschillende genadegaven tot opbouw van het geheel. Maar zonder de liefde dient dit alles tot niets. De liefde bezielt alle gedragingen. Ze zal ook blijven als wij God definitief zullen ontmoeten


