“Verheug u in de HERE; dan zal Hij erop toezien dat u alles krijgt wat u nodig hebt en waarnaar u verlangt.” Psalmen 37:4 HTB
Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht
Lucas
Lucas
10, 1-9
In die tijd stelde de Heer tweeënzeventig anderen aan, die Hij twee aan twee voor zich uit zond naar iedere stad en plaats waar Hij van plan was heen te gaan. Hij zei tegen hen: ‘De oogst is groot, maar arbeiders zijn er weinig; vraag dus de eigenaar van de oogst of hij arbeiders wil sturen om de oogst binnen te halen. Ga op weg, en bedenk wel: ik zend jullie als lammeren onder de wolven. Neem geen geldbuidel, geen reistas en geen sandalen mee, en groet onderweg niemand. Als jullie een huis binnengaan, zeg dan eerst: “Vrede voor dit huis!” Als er een vredelievend mens woont, zal jullie vrede met hem zijn; zo niet, dan zal die vrede bij je terugkeren. Blijf in dat huis, en eet en drink wat men je aanbiedt, want de arbeider is zijn loon waard. Ga niet van het ene huis naar het andere. En als jullie een stad binnengaan en daar welkom zijn, eet dan wat je wordt voorgezet, genees de zieken die er zijn en zeg tegen hen: “Het Koninkrijk van God heeft jullie bereikt.”
Het Koninkrijk van God is onder ons. Ja, de Heer is met ons. Laat ons op weg gaan.
Als je de woorden van Jezus die we vandaag horen omzetten in onze moderne taal, klinkt dat heel gewoon: zoek je kracht niet in je kredietkaarten of je bankrekening, verlies je tijd niet met oppervlakkig gepraat, met vrijblijvende discussies, durf dieper contact nemen met de mensen, met hun verlangens en noden. Straal vrede en vreugde uit. Je komt in een harde wereld terecht, er lopen wolven rond, wees niet naïef; als het hen niet interesseert, ga dan verder, wees goed voor zieken en zwakken.
Er staat ook iets eigenaardigs bij: 'eet wat ze je presenteren'. Let op, het gaat hier niet over beleefdheid! Joden in Jezus' tijd, en nu nog, aten alleen wat zij rein vonden, kosjer, Jezus was dus wel erg revolutionair voor zijn tijd. Eet wat u wordt voorgezet, ook al verbiedt je godsdienst of je cultuur dat. Voor ons betekent dat: als je met vreemden omgaat, hou dan niet halsstarrig vast aan je westerse gebruiken, wordt Griek met de Grieken, Afrikaan met de Afrikanen, Turk met de Turken. Misschien worden die dan ooit wel Vlaming met de Vlamingen, of Nederlander met de Nederlanders.
We horen ook dat er veel werk is aan de winkel. Jezus zegt: genees de zieken. Ook in onze tijd zijn er zieken genoeg. Want nu worden ook veel gezonde mensen ziek, omdat de maatschappij zelf dikwijls ziek is. Mensen raken in de put omdat ze ontevreden zijn, omdat ze alleen maar met zichzelf bezig zijn of omdat er niemand in hun omgeving tevreden is, velen zitten te kankeren en te kritiseren. Werk genoeg dus. Je moet niet eerst een paar jaar gaan studeren om dat soort zieken te helpen. De ziekte van onze tijd is toch duidelijk het materialisme, alsmaar meer willen hebben, nooit tevreden zijn, steeds meer willen profiteren ten koste van de samenleving, ten koste ook van jezelf, van je gezondheid, van je geweten. Je moet geen theologische of zelfs medische opleiding hebben om die diagnose te kunnen stellen, om de mensen te laten aanvoelen dat het materialisme hen ziek maakt.
Wij kunnen een van die tweeënzeventig zijn die niet ziek zijn, die Christus’ vrede uitstralen en de weg tonen naar ware gezondheid, naar bevrijding en diepe christelijke levensvreugde.
Uit de brief van Paulus aan de Galaten
Uit de brief van Paulus aan de Galaten
5, 18-25
Broeders en zusters,
wanneer u door de Geest geleid wordt, bent u niet onderworpen aan de wet. Het
is bekend wat onze eigen wil allemaal teweegbrengt: ontucht, zedeloosheid en
losbandigheid, afgoderij en toverij, vijandschap, tweespalt, jaloezie en woede,
gekonkel, geruzie en rivaliteit, afgunst, bras– en slemppartijen, en nog meer van
dat soort dingen. Ik herhaal de waarschuwing die ik u al eerder gaf: wie zich
aan deze dingen overgeven, zullen geen deel hebben aan het koninkrijk van God.
Maar de vrucht van de Geest is liefde, vreugde en vrede, geduld,
vriendelijkheid en goedheid, geloof, zachtmoedigheid en zelfbeheersing. Er is
geen wet die daar iets tegen heeft.
Wie Christus Jezus toebehoort, heeft zijn eigen natuur met alle hartstocht en
begeerte aan het kruis geslagen.
Wanneer de Geest ons leven leidt, laten we dan ook de richting volgen die de
Geest ons wijst.
Aan zijn vruchten erkent men een boom. Aan de vruchten van de Geest kan men nagaan of wij onze zelfzucht gekruisigd hebben en leven volgens de Geest, om zo het koninkrijk van God te erven
Jakobus
Jakobus
4, 7-8
Onderwerp u aan God,
en verzet u tegen de duivel,
dan zal die van u wegvluchten.
Nader tot God, dan zal Hij tot u naderen.
Reinig uw handen, zondaars;
zuiver uw hart, weifelaars.
2 Samuël 7:22 HTB
“O HERE God, wat bent U groot! Wij hebben nooit gehoord over een andere God zoals U. En er is ook geen andere God buiten U, die ons dit alles hebt bekend gemaakt.”
Romeinen 12:2 HTB
“U moet niet worden als de mensen die zich niets van God aantrekken. U
moet anders worden, door een nieuwe manier van denken. Dan kunt u ontdekken wat
God wil. En wat Hij wil, is goed, aangenaam en volmaakt.”
Romeinen 12:2 HTB
Johannes
Johannes
17, 21
'Laat hen allen één zijn,
Vader.
Zoals u in mij bent en Ik in U,
laat hen zo ook in ons zijn,
opdat de wereld gelooft
dat U mij hebt gezonden.'
Spreuken 1:8-9 HTB
“Mijn zoon, luister naar de wijze lessen van je vader. Zoek je houvast in wat je moeder je geleerd heeft. Dat zal je in het leven verder helpen.” Spreuken 1:8-9 HTB
Uit de brief van Paulus aan de Romeinen
Uit de brief van
Paulus aan de Romeinen
14, 17
Het koninkrijk van
God is geen zaak van eten en drinken,
maar van gerechtigheid, vrede en vreugde
door de heilige Geest.
de vrucht
De vrucht van stilte is het gebed.
De vrucht van het gebed is geloof.
De vrucht van het geloof is liefde.
De vrucht van liefde is dienstbaarheid.
De vrucht van dienstbaarheid is vrede.
(moeder Theresia)
Deuteronomium 13:4 HTB
Lucas
Lucas
10, 25-37
Er kwam een
wetgeleerde die Jezus op de proef wilde stellen. Hij vroeg: ‘Meester, wat moet
ik doen om deel te krijgen aan het eeuwige leven?’
Jezus antwoordde: ‘Wat staat er in de wet geschreven? Wat leest u daar?’
De wetgeleerde antwoordde: ‘Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met
heel uw ziel en met heel uw kracht en met heel uw verstand, en uw naaste als
uzelf.’
‘U hebt juist geantwoord,’ zei Jezus tegen hem. ‘Doe dat en u zult leven.’
Maar de wetgeleerde wilde zich rechtvaardigen en vroeg aan Jezus: ‘Wie is mijn
naaste?’
Toen vertelde Jezus hem het volgende: ‘Er was eens iemand die van Jeruzalem
naar Jericho reisde en onderweg werd overvallen door rovers, die hem zijn
kleren uittrokken, hem mishandelden en hem daarna halfdood achterlieten.
Toevallig kwam er een priester langs, maar toen hij het slachtoffer zag liggen,
liep hij met een boog om hem heen. Er kwam ook een Leviet langs, maar bij het
zien van het slachtoffer liep ook hij met een boog om hem heen. Een Samaritaan
echter, die op reis was, kreeg medelijden toen hij hem zag liggen. Hij ging
naar de gewonde man toe, goot olie en wijn over zijn wonden en verbond ze. Hij
zette hem op zijn eigen rijdier en bracht hem naar een logement, waar hij voor
hem zorgde. De volgende morgen gaf hij twee denarie aan de eigenaar en zei:
“Zorg voor hem, en als u meer kosten moet maken, zal ik u die op mijn terugreis
vergoeden.” Wie van deze drie is volgens u de naaste geworden van het
slachtoffer van de rovers?’
De wetgeleerde zei: ‘De man die medelijden met hem heeft getoond.’
Toen zei Jezus tegen hem: ‘Doet u dan voortaan net zo.’
De vraag van de wetgeleerde was ogenschijnlijk een zeer goede vraag: 'Meester, wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwige leven?' Jezus beantwoordt de gestelde vraag met een wedervraag, die de eerste vraag terug opneemt en tegelijk verbetert. Wij zijn de naaste van een ander als wij met hem meevoelen en hem daadwerkelijk helpen met al onze middelen.
Het verhaal dat Jezus vandaag vertelt is een moeilijk verteerbaar verhaal omdat we weten en ervaren dat we vaak met een boog om één van de meest wezenlijke en meest noodzakelijke waarheden van het geloof heen lopen; dat geloven namelijk geen kwestie is van theorie, maar van praktijk, niet alleen van weten en kennen, maar vooral van doen en beleven.
Het
is niet de eerste en de enige keer dat Jezus daar de nadruk op legt. Als een
rode draad loopt het door heel het evangelie. Het staat als duidelijke
wegwijzer langsheen heel zijn levensweg vanaf Betlehem tot op Golgotta. We
kunnen er niet omheen, zelfs niet in een boog. 'Niet zij die roepen: Heer,
Heer, zullen het Rijk der hemelen binnengaan, maar zij die de wil doen van mijn
Vader...'.
Het is ook de enige norm en maatstaf waarnaar we onszelf als gelovige mensen
zullen oordelen of veroordelen; de keuzeknop, in onze eigen handen, tussen 'Kom
gezegenden van mijn Vader' of 'Ga weg van mij'. Want op de oordeelsdag zal God
ons niet met de niet de tien geboden overhoren,
of onze geloofsbelijdenis, ook niet of we de hongerigen, de dorstigen, de
zieken of de gevangenen hebben gezien, maar wel of we tegenover die mensen even
warm van hart gereageerd hebben als die Samaritaan het deed op zijn weg van
Jeruzalem naar Jericho.
Genesis
Genesis
2, 18-24
God, de Heer, dacht: Het is
niet goed dat de mens alleen is, Ik zal een helper voor hem maken die bij hem
past. Toen vormde Hij uit aarde alle in het wild levende dieren en alle vogels,
en Hij bracht die bij de mens om te zien welke namen de mens ze zou geven:
zoals hij elk levend wezen zou noemen, zo zou het heten. De mens gaf namen aan
al het vee, aan alle vogels en alle wilde dieren, maar hij vond geen helper die
bij hem paste.
Toen liet God, de Heer, de mens in een diepe slaap vallen, en terwijl de mens
sliep nam Hij een van zijn ribben weg; Hij vulde die plaats weer met vlees. Uit
de rib die Hij bij de mens had weggenomen, bouwde God, de Heer, een vrouw en
Hij bracht haar bij de mens.
Toen riep de mens uit: ‘Eindelijk een gelijk aan mij, mijn eigen gebeente, mijn
eigen vlees, een die zal heten: vrouw, een uit een man gebouwd. Zo komt het dat
een man zich losmaakt van zijn vader en moeder en zich hecht aan zijn vrouw,
met wie hij één van lichaam wordt.
Man en vrouw zijn door God geschapen en hun eenheid is geen gewone eenheid: de onverbrekelijkheid van het huwelijk is Gods wil tegenover het echtpaar.
Hebreeen
2, 11
Hij die
heiligt en zij die geheiligd worden
hebben een en dezelfde oorsprong,
en daarom schaamt Hij zich er niet voor
hen zijn broeders en zusters te noemen.
psalmen
psalmen
27, 4
Ik vraag aan de Heer één ding,
het enige wat ik verlang:
wonen in het huis van de Heer
alle dagen van mijn leven,
om de liefde van de Heer te aanschouwen,
Hem te ontmoeten in zijn tempel.
Uit het evangelie volgens Lucas
19, 10
'De
Mensenzoon is gekomen om te zoeken
en te redden wat verloren was.'
Uit het evangelie volgens Lucas
10, 1-12
Jezus stelde
tweeënzeventig anderen aan, die Hij twee aan twee voor zich uit zond naar
iedere stad en plaats waar Hij van plan was heen te gaan.
Hij zei tegen hen: ‘De oogst is groot, maar arbeiders zijn er weinig; vraag dus
de eigenaar van de oogst of hij arbeiders wil sturen om de oogst binnen te
halen.
Ga op weg, en bedenk wel: Ik zend jullie als lammeren onder de wolven.
Neem geen geldbuidel, geen reistas en geen sandalen mee, en groet onderweg
niemand.
Als jullie een huis binnengaan, zeg dan eerst: “Vrede voor dit huis!” Als er
een vredelievend mens woont, zal jullie vrede met hem zijn; zo niet, dan zal
die vrede bij je terugkeren. Blijf in dat huis, en eet en drink wat men je
aanbiedt, want de arbeider is zijn loon waard.
Ga niet van het ene huis naar het andere.
En als jullie een stad binnengaan en daar welkom zijn, eet dan wat je wordt
voorgezet, genees de zieken die er zijn en zeg tegen hen: “Het Koninkrijk van
God heeft jullie bereikt.”
Maar als jullie een stad binnengaan waar je niet welkom bent, trek dan door de
straten en zeg: “Zelfs het stof van uw stad dat aan onze voeten kleeft, vegen
we van ons af als aanklacht tegen u; maar bedenk wel: het koninkrijk van God is
nabij!” Ik zeg jullie: het lot van Sodom zal op die dag draaglijker zijn dan
het lot van die stad.'
Uit het evangelie volgens Matteus
Uit het evangelie volgens Matteus
4, 18-20
Toen Jezus langs het meer liep, zag hij twee broers,
Simon, die Petrus genoemd wordt, en zijn broer Andreas.
Ze wierpen hun net uit in het meer, het waren vissers.
Hij zei tegen hen: Kom, volg mij, ik zal van jullie vissers
van mensen maken.
Ze lieten meteen hun netten achter en volgden Hem.
Job
Job
1, 6-22
Op een dag kwamen de
hemelbewoners hun opwachting maken bij de Heer, en ook Satan bevond zich onder
hen.
De Heer vroeg aan Satan: ‘Waar kom je vandaan?’
Hij antwoordde: ‘Ik heb rondgezworven en rondgedoold op aarde.’
De Heer vroeg aan Satan: ‘Heb je ook op mijn dienaar Job gelet? Zoals hij is er
niemand op aarde: hij is rechtschapen en onberispelijk, hij heeft ontzag voor
God en mijdt het kwaad.’
Satan antwoordde de Heer: ‘Zou Job werkelijk zonder reden zoveel ontzag voor
God hebben? U beschermt hem immers, evenals zijn gezin en alles wat hem
toebehoort. U hebt het werk dat hij doet gezegend, zodat zijn bezit zich steeds
meer uitbreidt. Maar als U uw hand naar hem uitstrekt en aantast wat hem
toebehoort, zal hij U ongetwijfeld in uw gezicht vervloeken.’
Toen zei de Heer tegen Satan: ‘Goed, met alles wat van hem is mag je doen wat
je wilt, maar raak Job zelf niet aan.’
Hierop vertrok Satan.
Toen Jobs zonen en dochters op een dag weer in het huis van hun oudste broer
zaten te eten en te drinken, kwam er een boodschapper bij Job en zei: ‘De
runderen trokken de ploeg en de ezelinnen liepen vlakbij in de wei te grazen,
maar plotseling werden we overvallen door de Sabeeërs, die het vee roofden en
de knechten met hun zwaarden doodden. Ik ben als enige ontkomen om u te zeggen
wat er gebeurd is.’
Nog voordat de boodschapper uitgesproken was, kwam er een volgende met het
bericht: ‘Een verwoestende bliksem uit de hemel trof de schapen en geiten en de
knechten, en het vuur verbrandde en verteerde allen. Ik ben als enige ontkomen
om u te zeggen wat er gebeurd is.’
En ook hij was nog niet uitgesproken, of er kwam een volgende met het bericht:
‘De Chaldeeën overvielen ons van drie kanten en roofden de kamelen, en ze
doodden de knechten met hun zwaarden. Ik ben als enige ontkomen om u te zeggen
wat er gebeurd is.’
Ook deze boodschapper was nog niet uitgesproken, of er kwam een volgende met
het bericht: ‘Uw zonen en uw dochters zaten in het huis van hun oudste broer te
eten en wijn te drinken. Maar plotseling werd het huis getroffen door een
hevige storm uit de woestijn, zodat de vier muren instortten, en uw kinderen
onder het puin bedolven werden en de dood vonden. Ik ben als enige ontkomen om
u te zeggen wat er gebeurd is.’
Toen stond Job op, hij scheurde zijn kleren, schoor zijn hoofd kaal en wierp
zich neer in het stof.
En hij zei: ‘Naakt ben ik uit de schoot van mijn moeder gekomen en naakt zal ik
in haar schoot terugkeren. De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de
Naam van de Heer zij geprezen.’
Ondanks alles zondigde Job niet en maakte hij God geen enkel verwijt
Het verhaal van Job handelt over een rechtvaardig man die door God op de proef werd gesteld, maar die zich toch onderwierp en daarom in ere hersteld werd. Job is het toonbeeld van de vrome die trouw blijft en zich daarom in Gods zegen mag verheugen.
Numeri
Numeri
11, 25-29
In de dagen daalde
de Heer af, in de wolk. Hij sprak tot Mozes en droeg een deel van de geest die
op hem rustte, op de zeventig oudsten over. Zodra de geest op hen rustte
begonnen ze te profeteren. Dat is daarna niet opnieuw gebeurd.
Twee mannen, van wie de een Eldad heette en de ander Medad, waren in het kamp
gebleven; ze stonden wel op de lijst van zeventig maar waren niet naar de tent
gegaan. Zodra de geest op hen rustte begonnen ook zij te profeteren, in het
kamp.
Een jongeman rende naar Mozes toe en zei: ‘Eldad en Medad zijn in het kamp aan
het profeteren!’ ‘Zeg dat ze daarmee ophouden, heer!’ zei Jozua, de zoon van
Nun, die van jongs af aan Mozes’ rechterhand was geweest.
Maar Mozes zei: ‘Denk je soms dat jij voor mijn belangen moet opkomen? Legde de
Heer zijn geest maar op heel het volk! Profeteerde iedereen maar!’
De Geest is geen voorrecht van enkelen, maar een geschenk dat verder uitgedeeld moet worden.


