Uit het
evangelie volgens Lucas
4, 38-44
Na het verlaten
van de synagoge ging Jezus naar het huis van Simon. Simons schoonmoeder had
hoge koorts, en ze vroegen Hem om haar te helpen.
Hij boog zich over haar heen en sprak de koorts bestraffend toe. Die verliet
haar, en meteen stond ze op en begon voor hen te zorgen.
Toen de zon was ondergegaan, brachten de mensen al hun zieken naar Hem toe, aan
welke kwaal ze ook leden. Hij legde hun een voor een de hand op en genas hen.
Hij dreef ook veel demonen uit, die schreeuwden: ‘Jij bent de Zoon van God!’
Hij sprak hen bestraffend toe en verbood hun iets te zeggen; ze wisten immers
dat Hij de messias was.
Bij het aanbreken van de dag vertrok Hij en ging naar een eenzame plaats. De
mensen gingen Hem zoeken, en toen ze Hem gevonden hadden probeerden ze Hem
ervan te weerhouden bij hen weg te gaan. Maar Hij zei tegen hen: ‘Ook in de
andere steden moet Ik het goede nieuws over het koninkrijk van God brengen, want
daarvoor ben Ik gezonden.’
En Hij maakte dat goede nieuws bekend in de synagogen van Judea.
De mensen wilden Jezus, de
wonderdoener, vasthouden voor zichzelf. De genezingen die Hij verrichtte gaven
daar schijnbaar aanleiding toe. Maar Jezus was gekomen voor alle mensen en niet
slechts voor een kleine groep.
Simons schoonmoeder had hoge koorts, en ze vroegen Jezus om haar te helpen.
Hij boog zich over haar heen en sprak de koorts bestraffend toe. Die verliet
haar, en meteen stond ze op en begon voor hen te zorgen.
Meteen
stond ze op en begon voor hen te zorgen...
Wie geraakt wordt door de Heer, wie door Hem genezen wordt staat op, bij de
schoonmoeder van Petrus letterlijk, maar ook in het hart. Zij mocht bij wijze
van spreken al even proeven van de genade van Jezus' opstanding die korte tijd
later zou plaatsvinden.
Zo
is het ook met ons. Wanneer wij ons laten raken door Jezus, ons laten genezen
door Hem, maakt Jezus ons deelgenoot van zijn opstanding, deelgenoot van zijn
verrijzenisvreugde en -vrede waarvan we drager worden en als het goed is ook
uitdrager.
Wanneer
we biddend terugblikken op ons leven zullen we zeker momenten bespeuren waarin
we ons aangeraakt wisten door de Heer, op welke wijze ook. Het is goed dat we
deze momenten her-inneren, ze een plaats geven in ons innerlijk, opdat ze een
blijvende bron mogen zijn van genade, een bron van levengevend water waar Jezus
zelf de oorzaak van is.
We kunnen deze genade ook wegduwen, ze wegdringen naar ons onderbewuste, waar
haar vlammetje langzaam maar zeker uitdooft en alle kracht verliest. Dat zou
jammer zijn.
Wanneer Jezus ons aanraakt is dat altijd met de bedoeling dat we innerlijk
zouden opstaan, verenigd met Hem kijkend naar de Vader van wie alle genade
komt. In Hem zal Jezus ons ja-woord tot de Vader bezielen met de liefde van de
heilige Geest opdat het in waarheid mag gezegd worden en vruchten mag afwerpen
die haar oorsprong vinden in God zelf.
Laten
we de Heer in ons leven her-inneren. Dat dit ons blij en dankbaar mag stemmen.
Dat de her-innering ons mag doen opstaan, het Pasen uitdragend naar allen die
God op ons levenspad brengt.
Simons
schoonmoeder, zo lezen we, begon nadat ze opstond voor hen te zorgen. Zo mooi.
Laten we niet opstaan en zomaar wat rondkijken. Laten we zorgend gaan leven,
met zorg voor elkaar: thuis, op school, op het werk, in de buurt, naar de armen
toe, naar hen die geen licht meer zien,...
Laat
ons opstaan en Paasmensen worden: vanuit Gods vrede zorg dragen voor onze
samenleving.