Lucas 13.1-9
In die tijd waren er enkele mensen aanwezig die jezus vertelden
over de Galileeërs van wie Pilatus het bloed vermengd had met hun offers.
Hij zei tegen hen: ‘Denken jullie dat die Galileeërs grotere zondaars waren dan
alle andere Galileeërs, omdat ze dat ondergaan hebben? Zeker niet, zeg Ik
jullie, maar als jullie niet tot inkeer komen, zul je allemaal op dezelfde
wijze omkomen.
Of die achttien die stierven doordat de Siloamtoren op hen viel–denken jullie
dat zij schuldiger waren dan alle andere mensen die in Jeruzalem wonen? Zeker
niet, zeg Ik jullie, maar als jullie niet tot inkeer komen, zul je allemaal net
zo sterven als zij.’
Hij vertelde hun deze gelijkenis: ‘Iemand had een vijgenboom in zijn wijngaard
geplant en ging kijken of de boom vrucht droeg, maar hij vond geen vijgen. Hij
zei tegen de wijngaardenier: “Al drie jaar kom ik kijken of die vijgenboom
vrucht draagt, maar tevergeefs. Hak hem maar om, want hij dient tot niets en
put alleen de grond uit.” Maar de wijngaardenier zei: “Heer, laat hem ook dit
jaar nog met rust, tot ik de grond eromheen heb omgespit en hem mest heb
gegeven, misschien zal hij dan het komende jaar vrucht dragen, en zo niet, dan
kunt u hem alsnog omhakken.”
Lang
geleden profeteerde Jesaja reeds:
'Het geknakte riet breekt hij niet af, de kwijnende vlam zal hij niet doven.'
Zo gaat God, zo gaat Jezus met ons om: met een eeuwig geduld, met een vurige
hoop dat de mensheid, ieder individu, zich tot Hem zou (be)keren. Jezus
bemiddelt hierin voor ons. In zijn naam mogen we Hem dan ook vragen ons in Gods
barmhartigheid neer te leggen, biddend om genade ons te kunnen geven aan zijn leven
in ons.
Jezus bemint ons zoals we zijn, met onze fouten en gebreken; wat niet perse wilt zeggen dat Hij daarom onze levenswandel goedkeurt, maar zijn liefde vermindert er niet om. Juist omdat we lauw en daardoor dikwijls zondig door het leven gaan, houdt Hij niet op de grond van ons hart voortdurend om te spitten om er de meststof van zijn liefde in te verwerken. Hij is geduldig, gooit niemand weg, blijft kansen geven.
Zo zouden
we ook met elkaar moeten omgaan. Dikwijls zijn we veel te ongeduldig voor
elkaar, ook naar onszelf toe, en vervallen we in hard oordeel; ja, ook naar
onszelf toe. En da's dodelijk. Dat haalt een mens neer, daardoor verliest hij
alle kracht om er weer bovenop te komen.
We zouden met de ander zo moeten omgaan dat het beste in die ander naar boven
kan komen, opdat langzaam maar zeker z'n mogelijke duisternis kan verdwijnen en
het goede tot volle bloei kan komen.
Hopelijk willen anderen ook zo met ons omgaan, en wij ook met onszelf.
Wat de
medemens betreft: daarvan kunnen we enkel hopen dat hij een dergelijke
mentaliteit in zich draagt.
Wat Jezus betreft: van Hem mogen we erop aan dat Hij zo'n hart heeft. Dat mogen
we weten, dat mogen we geloven, daar mogen we zeker van zijn.
Laten we Jezus welkom heten, nog het meest in onze diepste duisternis, opdat de heling die Hij in ons wilt bewerkstelligen werkelijk ten volle kan geschieden
Jezus is middelaar tussen ons en God. In zijn oeverloze liefde zal Hij het geduld afsmeken van God opdat ieder van ons tot bekering mag komen.



