openbaring 3, 1-6 + 14-22
openbaring 3, 1-6 + 14-22
Schrijf
aan de engel van de gemeente in Sardes: “Dit zegt Hij die de zeven geesten van
God en de zeven sterren heeft: Ik weet wat u doet; overal wordt beweerd dat u
het leven hebt, terwijl u dood bent. Word wakker, versterk uw laatste krachten:
u bent op sterven na dood. Want Ik merk dat uw gedrag tekortschiet in Gods
ogen. Herinner u dat u de boodschap hebt ontvangen en begrepen. Houd eraan vast
en breek met het leven dat u nu leidt. Maar als u niet wakker wordt, kom Ik
onverwacht als een dief, op een tijdstip dat u niet kent. Maar enkelen in
Sardes hebben hun kleren schoon gehouden. Zij zullen bij me zijn, in het wit
gekleed, want ze verdienen het. Wie overwint zal zich ook in het wit kleden. Ik
zal zijn naam niet uit het boek van het leven schrappen, maar juist voor hem
getuigen ten overstaan van mijn Vader en zijn engelen. Wie oren heeft, moet
horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt.”
Schrijf aan de engel van de gemeente in Laodicea: “Dit zegt Amen, de trouwe en
betrouwbare getuige, het begin van Gods schepping: Ik weet wat u doet, hoe u
niet koud bent en niet warm. Was u maar koud of warm! Maar nu u lauw bent in
plaats van warm of koud, zal Ik u uitspuwen. U zegt dat u rijk bent, dat u
alles hebt wat u wilt en niets meer nodig hebt. U beseft niet hoe ongelukkig u
bent, hoe armzalig, berooid, blind en naakt. Daarom raad Ik u aan: koop van Mij
goud dat in het vuur gelouterd is, en u zult rijk zijn; witte kleren om u te
kleden en uw naaktheid te bedekken, zodat u zich niet meer hoeft te schamen;
zalf voor uw ogen, zodat u weer kunt zien. Iedereen die Ik liefheb wijs ik
terecht en bestraf Ik. Zet u dus volledig in en breek met het leven dat u nu
leidt. Ik sta voor de deur en klop aan. Als iemand mijn stem hoort en de deur
opent, zal Ik binnenkomen, en we zullen samen eten, Ik met hem en hij met Mij.
Wie overwint zal samen met Mij op mijn troon zitten, net zoals Ik zelf
overwonnen heb en samen met mijn Vader op zijn troon zit. Wie oren heeft, moet
horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt.”’
God blijft werkzaam in zijn Kerk. Maar de gelovigen zijn er zich niet altijd van bewust. Soms verstarren ze in overdreven wettelijkheid, soms zijn ze voortvarend of laten zich leiden door materialisme. Dat was reeds het probleem met de kerken van Asia ten tijde van Johannes. De apostel roept op om weer ruimte te laten voor de Geest van God, om werkelijk maaltijd te kunnen houden met de Heer.



