Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht
Colossenzen 1:9 HTB
“Daarom blijven wij, sinds wij dat hebben gehoord, steeds voor u bidden. Wij vragen God u te laten begrijpen wat Hij wil dat u doen zult. Wij vragen voor u om wijsheid en geestelijk inzicht,” Colossenzen 1:9 HTB
Marcus
12, 38-44
Tijdens zijn onderricht zei Jezus: ‘Pas op voor de schriftgeleerden die zo graag in dure gewaden rondlopen en eerbiedig begroet willen worden op het marktplein, en een ereplaats willen in de synagogen en bij feestmaaltijden: ze verslinden de huizen van de weduwen en zeggen voor de schijn lange gebeden op. Over hen zal strenger worden geoordeeld dan over anderen!’
Hij ging tegenover de offerkist zitten en keek hoe de mensen er
geld in wierpen. Veel rijken gooiden veel geld in de kist. Er kwam ook een arme
weduwe, die er twee muntjes in gooide, ter waarde van niet meer dan een
quadrans.
Hij riep zijn leerlingen bij zich en zei tegen hen: ‘Ik verzeker jullie: deze
arme weduwe heeft meer in de offerkist gedaan dan alle anderen die er geld in
hebben gegooid; want die hebben gegeven van hun overvloed, maar zij heeft van
haar armoede alles gegeven wat ze had, haar hele levensonderhoud.
Jezus zit tegenover de offerkist in de tempel en ziet de aanschuivende rij mensen die iets geven: de ene wat licht kopergeld, de andere een zwaar rinkelende munt. Maar Hij heeft er vooral één opgemerkt, een arme weduwe, die een cent offert, en Hij vindt het zo belangrijk dat Hij er zijn leerlingen bij roept, vooral om hun attent maken op haar innerlijke houding.
Dit verhaal van het penningske van de weduwe, die “alles gaf waarvan zij leefde”, is geen moraliserende les om ons aan te sporen méér te geven bij de volgende collecte. Jezus heeft ook niet de bedoeling bepaalde categorieën van mensen, rijken tegenover armen, met elkaar te vergelijken of tegen elkaar op te zetten. Neen, zoals dikwijls bij Hem, is dit niet zozeer een verhaal over mensen, maar over God. Jezus heeft in dat gebaar van die arme weduwe de houding van God zelf herkend tegenover ieder van ons. De weduwe schonk twee penningen, alles wat zij bezat, alles waarvan zij moest leven. God schenkt ons elke dag alles wat Hij bezit, zijn vriendschap, het volle leven, alles waarvan Hij leeft. De parabel gaat dus niet over de kwantiteit van onze vrijgevigheid ("Moeten wij niet méér geven?"), maar over de kwaliteit van Gods vrijgevigheid en van ons antwoord daarop. ("Met welke ingesteldheid van het hart beantwoorden wij Gods vrijgevigheid?").
Rijken denken veel te geven, maar geven alleen van de overvloed van hun uiterlijke rijkdom, dus niets van zichzelf, niets van hun hart. Eigenlijk kost hun vrijgevigheid hun niet zoveel. Zij engageren zichzelf niet, zij behouden hun veiligheid en lopen nooit het gevaar veel te verliezen. Jezus wil ons leren dat onze God niet geeft zoals de rijken, maar zoals de arme weduwe. Hij schenkt ons geen uiterlijke weldaden. Hij geeft ons zijn vriendschap, zijn hart. En daarbij loopt Hij het risico veel te verliezen. Wij mensen hebben immers de vrijheid en de mogelijkheid om zijn aanbod van vriendschap af te wijzen. Maar onze God engageert zichzelf en geeft zichzelf totaal.
In ons bidden vragen wij soms teveel aan God. Wij denken dat Hij een rijke is die ons veel geschenken kan geven: gezondheid, succes op het werk en de relaties, en winst bij de lotto. Maar Jezus zegt ons vandaag: kijk! Onze God geeft niet zoals een rijke, maar eerder zoals de weduwe. Hij overlaadt ons niet met spectaculaire, verbluffende geschenken. Hij biedt ons vooral zijn gestadige, dagelijkse vriendschap. En die vriendschap blijkt de meest waardevolle schat en bron van heel veel kracht om te leven en te werken. Wie echt wil geven, geeft dus, zoals God, niet vanuit de hoogte van zijn rijkdom, wel vanuit de bescheidenheid van zijn armoede en kwetsbaarheid. Hij neemt het risico zijn eigen zekerheid kwijt te spelen en geeft vooral zichzelf, zijn hart, totaal.
Wij kunnen soms lang aarzelen eer wij onszelf écht geven, totaal! Tot zolang blijven wij onvoldaan en krampachtig. Niets of niemand kan er ons van buitenaf toe dwingen, zelfs niet met de rijkste cadeaus. Wij kunnen er alleen toe komen onszelf écht te geven vanuit de ervaring van dankbaarheid, omdat wij nl. dankbaar worden voor de overstelpende ervaring reeds zoveel vriendschap te hebben ontvangen van God, zoveel levenskansen en liefdeblijken. Alleen een dankbaar hart is in staat zich totaal te geven.
Door het voorbeeld van de arme weduwe te benadrukken, en ons daarmee eigenlijk iets te willen leren over God, nodigt Jezus ons vandaag uit meer en meer mensen te worden naar het hart van zijn Vader, die niet vanuit de hoogte iets van hun rijkdom weggeven, maar die dankbaar zichzelf wegschenken, totaal.
Zoals te Serafat gaat het hier om een weduwe. Het is niet toevallig. In de Bijbel is een weduwe bij uitstek een berooid iemand. God heeft de nederigen lief. Zij staan het meest open voor de oproep van het geloof. En zij geven alles

Jesaja 1:18 HTB
“Kom nu en laten wij de zaak rechtzetten, zegt de HERE; al waren uw zonden rood als scharlaken, Ik maak ze wit als sneeuw. Uw vuurrode zonden zullen worden als witte wol.” Jesaja 1:18 HTB
Lucas 15.1-10
Lucas 15.1-10
Alle tollenaars en
zondaars kwamen Jezus opzoeken om naar Hem te luisteren. Maar zowel de
Farizeeën als de schriftgeleerden zeiden morrend tegen elkaar: ‘Die man
ontvangt zondaars en eet met hen.’
Jezus vertelde hun toen deze gelijkenis: ‘Als iemand van u honderd schapen
heeft waarvan er één verloren is geraakt, laat hij dan niet de negenennegentig
andere in de woestijn achter om naar het verdwaalde dier op zoek te gaan tot
hij het gevonden heeft? En als hij het gevonden heeft, legt hij het vol vreugde
op zijn schouders en gaat hij naar huis. Daar roept hij zijn vrienden en buren
bijeen en zegt tegen hen: “Deel in mijn vreugde, want ik heb het schaap
gevonden dat verdwaald was.”
Ik zeg u: zo zal er in de hemel meer vreugde zijn over één zondaar die tot
inkeer komt dan over negenennegentig rechtvaardigen die geen inkeer nodig
hebben.
Waar geen rechtgeaarde gelovige mee zou omgaan, en volgens de Wet zelfs niet mee mág omgaan, daar gaat Jezus wel mee om. Hij eet en drinkt zelfs met hen. Hij laat zich met hen in, en daarvoor, om dat gedrag te wettigen, begrijpelijk te maken, vertelde Jezus hun die gelijkenis over het verloren schaap.
Te snel rekenen wij ons maar al te graag
bij de negenennegentig andere schapen die netjes bij de kudde zijn gebleven,
bij hun herder. Maar laten we ons eens vereenzelvigen met dat verloren schaap.
Want, het is gewoon een feit: wij zijn dikwijls dat verloren schaap.
Voor de buitenwereld horen we dan misschien netjes bij de kudde, diep vanbinnen
geraken we soms verdwaald, zijn we hulpeloos, horen of zien we geen schaap
meer, of erger nog: geen herder meer.
Allerlei redenen kunnen hiervan de oorzaak zijn: verslapping van ons geloof, kleine
of grote zonden, pijn, teleurstelling, veroordeling van anderen, enz...
Wat de reden ook mogen zijn: we liggen daar toch maar: verdwaald, hulpeloos,
kwetsbaar, verstrikt in onszelf.
En dan de Herder: Jezus. Hij komt zoeken.
Typisch Hem. Zo is God. Zoeken wat verloren is.
Dat is liefde, namelijk wat verloren is terug brengen tot wat is. En daar àlles
voor over hebben. Dat is Jezus.
Mooi in de gelijkenis is de vreugde waarover gesproken wordt nadat het verloren
schaap terug is gevonden. Ook dat typeert Jezus, het typeert de hemel, het zou
de gemeente moeten typeren. En dan gaat het niet over 'weer iemand gewonnen';
het gaat dan over iets veel diepers, namelijk in de vreugde van de hemel te
staan omdat iemand weer thuis is gekomen bij God, zijn meest diepe thuis. Dat
geeft vreugde, dat ontroert, dat stemt tot blijdschap en dankbaarheid, dat doet
leven.
We zouden naar het voorbeeld van onze
Herder, en in zijn naam, zo in de wereld moeten staan. We zouden op zo'n manier
vriendschappen moeten aangaan met allen dat ieder thuis kan komen in God. Een
liefdevolle, belangloze vriendschap, in naam Jezus, is de sleutel van dit
gebeuren.
Vooral het 'in naam van Jezus' is belangrijk. Immers wijzelf zijn niet de
oorzaak dat mensen hun thuis zullen vinden in God, maar de Heer zelf zal
genadevol met ons, in ons, en door ons de mensen aanraken om hen tot Hem te
brengen.
Deze weg zal een diepe vreugde geven
waarover het evangelie spreekt. Het is het 'blijde' van de Blijde Boodschap, de
vreugde van Pasen, de vrede van God.
Laat ons dragers en uitdragers zijn van dit gebeuren
1 Timotheüs 2:1-2 HTB
“Wat ik van je vraag, komt hierop neer: Bid veel voor andere mensen; smeek God of Hij genadig wil zijn; dank Hem voor alles wat Hij voor hen heeft gedaan en wat Hij nog gaat doen. Bid zo ook voor koningen en alle anderen die een hoge positie hebben, opdat wij in rust en vrede mogen leven en de Here vrij in alles kunnen dienen.” 1 Timotheüs 2:1-2 HTB
Lucas
Lucas
14, 15-24
Een van
de tafelgenoten sprak tot Jezus: ‘Gelukkig al wie zal deelnemen aan de maaltijd
in het Koninkrijk van God!’
Jezus vervolgde: ‘Iemand wilde een groot feestmaal geven en nodigde tal van
gasten uit. Toen het tijd was voor het feestmaal, stuurde hij zijn dienaar naar
de genodigden om tegen hen te zeggen: “Kom, want alles is klaar.” Maar een voor
een begonnen ze zich te verontschuldigen. De eerste zei: “Ik heb net een akker
gekocht, die ik beslist moet gaan bekijken. Tot mijn spijt kan ik de
uitnodiging niet aannemen.” En een ander zei: “Ik heb vijf span ossen gekocht
en ik ga ze keuren; tot mijn spijt kan ik de uitnodiging niet aannemen.” Weer
een ander zei: “Ik ben pas getrouwd en daarom kan ik niet komen.” Toen de
dienaar teruggekomen was, bracht hij zijn heer verslag uit. De heer des huizes
ontstak in woede en zei tegen zijn dienaar: “Ga vlug de stad in en breng uit de
straten en stegen de armen en kreupelen en blinden en verlamden hierheen.” Toen
de dienaar hem kwam melden: “Heer, wat u hebt opgedragen is gebeurd, en nog is
er plaats,” zei de heer tegen hem: “Ga naar de wegen en de akkers buiten de
stad en nodig iedereen met klem uit, want mijn huis moet vol zijn. Ik zeg
jullie: niemand van degenen die eerst uitgenodigd waren, zal van mijn feestmaal
proeven.”’
We zijn allemaal uitgenodigd tot het gastmaal van de Heer. Doch velen van ons zijn kunstenaars in het uitstellen door welke excuses ook. De eenvoud van het onmiddellijk 'ja' zou ons dadelijk binnenleiden in het feest van het Rijk Gods.
Corinthiër 3:6 HTB
“Hij heeft ons geholpen anderen over Zijn nieuwe verbond te vertellen. Dit is geen verbond door de wet, maar door de Heilige Geest. Want hoe men ook probeert de wet van God te houden, het eindigt altijd met de dood. Door de Heilige Geest komt er leven.” 2 Corinthiër 3:6 HTB
Johannes
11, 25-27
Jezus zei: ‘Ik ben de opstanding en het leven.
Wie in mij gelooft zal leven, ook wanneer hij sterft,
en ieder die leeft en in mij gelooft zal nooit sterven.
Geloof je dat ?’
‘Ja Heer, zei Marta, ‘ik geloof dat U de Messias
bent,
de Zoon van God die naar de wereld zou komen.’
Matteus.5-3
Matteus.5-3
'Gelukkig wie nederig van hart zijn,
want voor hen is het koninkrijk van de hemel.'
Lucas
Lucas
13, 22-30
Op weg naar Jeruzalem trok
Jezus verder langs steden en dorpen, terwijl Hij onderricht gaf.
Iemand vroeg Hem: ‘Heer, zijn er maar weinigen die worden gered?’
Hij antwoordde:
‘Doe alle moeite om door de smalle deur naar binnen te gaan, want velen, zeg Ik
jullie, zullen proberen naar binnen te gaan maar er niet in slagen.
Als de heer des huizes eenmaal is opgestaan en de deur heeft gesloten, en
jullie staan buiten op de deur te kloppen en roepen: “Heer, doe open voor
ons!”, dan zal Hij antwoorden: “Ik ken jullie niet, waar komen jullie vandaan?”
Jullie zullen zeggen: “We hebben in uw bijzijn gegeten en gedronken en u hebt
in onze straten onderricht gegeven.”
Maar Hij zal tegen jullie zeggen: “Ik ken jullie niet, waar komen jullie
vandaan? Weg met jullie, rechtsverkrachters!”
Dan zullen jullie jammeren en knarsetanden wanneer je Abraham, Isaak en Jakob
en al de profeten in het Koninkrijk van God ziet, maar zelf buitengesloten
wordt.
Uit het oosten en het westen en uit het noorden en het zuiden zullen ze komen,
en ze zullen aan tafel genodigd worden in het Koninkrijk van God.
En bedenk wel: er zijn laatsten die de eersten zullen zijn, en er zijn eersten
die de laatsten zullen zijn.’
‘Heer, zijn er maar weinigen die worden gered?’ Al bekennen we het zelf niet vlug, toch zijn we af en toe ook bezig met deze vraag. We zouden graag willen weten of we op de wachtlijst naar de hemel staan.
Jezus ziet deze vraag een beetje als een kinderlijke vraag, naïef en niet zo verstandig. Want Hij antwoordt erop als een vader tot zijn kind, geduldig maar toch vermanend: 'Begin alvast maar je best te doen en dan zullen we verder wel zien'. 'Doe alle moeite... ' Jezus antwoordt naar de maat van onze vraag. God is een verstandige Vader. Hij kent zijn kinderen. Hij weet, dat wij, als gelovigen, vaak te laat komen, als de deur gesloten is.
Toch heeft Hij het ons anders geleerd. We zouden er als eersten bij moeten zijn om de wil te doen van de Vader in de hemel en om de nood te lenigen van de mensen op aarde. Vaak zijn we echter de eersten om onze eigen wil en zin door te drijven, en de laatste om zijn wil te laten geschieden. Zo uitgebreid zijn we dikwijls met onszelf bezig dat de nauwe deur waarover sprake is in het evangelie voor ons een flessenhals wordt waarin we onherroepelijk vastlopen. '...want velen, zeg Ik jullie, zullen proberen naar binnen te gaan maar er niet in slagen.'
God is een Vader met doorzicht. Hij is onze excuses voor. Hij kent de argumenten en doorziet de uitvluchten waarmee we voor de dag komen om onze fouten wit te wassen. Hij verklaart ze bij voorbaat ongeldig. Weer is zijn antwoord: 'Ik ken jullie niet, waar komen jullie vandaan? Weg met jullie'.
Geloof wordt ongeloof als wij het met God op een koopje willen gooien. Op zondag aanzitten aan de tafel van de Heer verschaft ons niet automatisch een visum voor de eeuwigheid. Want het Lichaam dat wij nuttigen, en het Bloed dat wij drinken, is werkelijke goddelijke vitamine. Het moet leven en vrucht dragen als wij van de tafel van de Heer worden weggezonden naar het leven van iedere dag. Zijn onderricht is nutteloos als het geen vlees en bloed wordt in ons dagelijks doen en laten.
Efeziërs 2:8-9
Romeinen 12:1 HTB
“Ik zeg u daarom, broeders, dat u zich helemaal aan God moet wijden. Temeer omdat Hij u al Zijn liefdevolle goedheid aanbiedt. Laat uw lichaam een levend offer zijn; heilig, zodat het een vreugde voor God is. Als u zich bedenkt wat Hij voor u heeft gedaan, is dat toch niet teveel gevraagd?” Romeinen 12:1 HTB
Marcus
Marcus
10, 46-52
In die tijd kwam Jezus
vergezeld van zijn leerlingen in Jericho.
Toen ze, vergezeld van een flinke menigte weer uit Jericho vertrokken, zat daar
een blinde bedelaar langs de weg, een zekere Bartimeüs, de zoon van Timeüs.
Toen hij hoorde dat Jezus uit Nazaret voorbijkwam, begon hij te schreeuwen:
‘Zoon van David, Jezus, heb medelijden met mij!’
De omstanders snauwden hem toe dat hij zijn mond moest houden, maar hij
schreeuwde des te harder: ‘Zoon van David, heb medelijden met mij!’
Jezus bleef staan en zei: ‘Roep hem.’
Ze riepen de blinde en zeiden tegen hem: ‘Houd moed, sta op, Hij roept u.’
Hij gooide zijn mantel af, sprong op en ging naar Jezus.
Jezus vroeg hem: ‘Wat wilt u dat Ik voor u doe?’
De blinde antwoordde: ‘Rabboeni, zorg dat ik weer kan zien.’
Jezus zei tegen hem: ‘Ga heen, uw geloof heeft u gered.’
En meteen kon hij weer zien en hij volgde Hem op zijn weg.
Hebben ook wij op sommige dagen niet het gevoel neer te zitten, zoals de blinde Bartimeüs, aan de kant van de weg? Het zijn de dagen dat wij de indruk hebben dat de zon alleen voor de anderen schijnt, dat voor ons alles duister is. Het zijn de dagen dat wij weigeren onze ogen te openen voor het goede dat er ook is, voor de liefde, die nochtans heel dicht voorbij komt. Wij zijn dan vooral naar onszelf gekeerd en sluiten ons af van het echte leven.
Er zijn zo van die dagen dat een man gewoonweg niet meer wil zien dat zijn vrouw fijngevoelig en teder is. Er zijn zo van die dagen dat een vrouw geen oog meer wil hebben voor de ijver en de verantwoordelijkheidszin van haar man. Er zijn zo van die dagen dat jongeren blind geraken voor de opofferingen en de zorgen van hun ouders jegens hen. En er zijn zo van die dagen dat ouders moedwillig de ogen gaan sluiten voor het verlangen naar zelfstandigheid van hun opgroeiende kinderen. En hoeveel dagen zijn er niet dat wij allemaal de grote nood van de behoeftigen rondom ons niet willen zien. Inderdaad, allemaal zitten wij soms als eenzame blinden langs de kant van de weg. En wij kunnen er lang blijven zitten.
Maar vandaag worden wij uitgenodigd ons te laten genezen van die opgeslotenheid van ons hart en, zoals Bartimeüs, terug mee op te stappen in de stroom van het leven. Want in feite voelen wij ons, juist zoals hij, ook niet gelukkig in onze geslotenheid. Uit het diepst van ons hart klinkt een noodkreet: "Heb toch medelijden met mij!"
Maar nu moet ge eens zien hoe de omstanders
reageren. Er zijn twee reacties: "Velen snauwden hem toe te zwijgen".
Juist op het moment dat wij de moed opbrengen een eerste kleine stap te zetten
naar nieuwe openheid worden wij door sommigen afgesnauwd en terug in onze hoek
geduwd. Bartimeüs kroop waarschijnlijk nog dieper weg in de mantel waarin hij
zich had ingeduffeld. Bepaalde krachten rondom ons, maar ook wel wat angsten in
ons, proberen elke vernieuwing en openheid in de kiem te smoren en maken ons
nog meer geïsoleerd. Schrik voor menselijk opzicht doet ons soms lang aarzelen
om de zware mantel van onze eigen, veilige afgeslotenheid af te gooien.
Maar gelukkig zijn er ook op onze weg enkelen die heel anders reageren, in naam
en uit kracht van Jezus. "Hij bleef staan en zei: roep hem eens hier. En
nu riepen sommigen de blinde toe: Heb goede moed! Sta op! Hij roept u!"
Allemaal hebben wij ook hen in ons leven, die goede vriend of vriendin, die
vader of moeder, die partner of geliefde die ons juist op het goede moment
uitnodigt en toeroept: "Komaan! Heb goede moed! Blijf daar niet zo zitten.
Sta op! Het leven zelf roept je! De liefde heeft je nodig! Kom mee!"
"Toen, toen wierp hij zijn mantel af, hij sprong overeind en liep naar
Jezus toe." Dan durven wij eindelijk opnieuw die zware mantel afgooien
waarin wij ons hadden opgesloten. Wij durven opnieuw ingaan op de concrete
uitnodiging van de liefde die voorbijkomt op onze weg.
Geloof het maar, na die eerste, moedige stap van openheid komt ook voor ons de echte ontmoeting. "Heer, maak dat ik kan zien! Maak dat ik vandaag mijn ogen wat meer open voor het goede dat aan mij gebeurt. Ook al lukt mij niet alles, zoals ik het wens, er is toch zoveels goeds dat mij omringt. Maak dat ik er Uw liefde in erken, die mij uitnodigt om weer open te staan en aandacht te hebben voor anderen."
Dat is de stap die ons kan genezen van onze
zelfverblinding: de beslissing om onszelf dankbaar te geven en anderen te
willen dienen. Zo ontdekken wij weer echt leven. Zo worden wij leerlingen van
Jezus. "Nu kon hij écht zien en hij sloot zich bij Hem aan op Zijn
tocht!"
Bij het begin van het verhaal was Bartimeus een eenzame verblinde aan de kant
van de weg. Op het einde heeft hij opnieuw een gemeenschap gevonden. Door onze
openheid vinden ook wij tochtgenoten op onze weg, de gemeenschap van Jezus'
broers en zussen.
Lucas 13.1-9
In die tijd waren er enkele mensen aanwezig die jezus vertelden
over de Galileeërs van wie Pilatus het bloed vermengd had met hun offers.
Hij zei tegen hen: ‘Denken jullie dat die Galileeërs grotere zondaars waren dan
alle andere Galileeërs, omdat ze dat ondergaan hebben? Zeker niet, zeg Ik
jullie, maar als jullie niet tot inkeer komen, zul je allemaal op dezelfde
wijze omkomen.
Of die achttien die stierven doordat de Siloamtoren op hen viel–denken jullie
dat zij schuldiger waren dan alle andere mensen die in Jeruzalem wonen? Zeker
niet, zeg Ik jullie, maar als jullie niet tot inkeer komen, zul je allemaal net
zo sterven als zij.’
Hij vertelde hun deze gelijkenis: ‘Iemand had een vijgenboom in zijn wijngaard
geplant en ging kijken of de boom vrucht droeg, maar hij vond geen vijgen. Hij
zei tegen de wijngaardenier: “Al drie jaar kom ik kijken of die vijgenboom
vrucht draagt, maar tevergeefs. Hak hem maar om, want hij dient tot niets en
put alleen de grond uit.” Maar de wijngaardenier zei: “Heer, laat hem ook dit
jaar nog met rust, tot ik de grond eromheen heb omgespit en hem mest heb
gegeven, misschien zal hij dan het komende jaar vrucht dragen, en zo niet, dan
kunt u hem alsnog omhakken.”
Lang
geleden profeteerde Jesaja reeds:
'Het geknakte riet breekt hij niet af, de kwijnende vlam zal hij niet doven.'
Zo gaat God, zo gaat Jezus met ons om: met een eeuwig geduld, met een vurige
hoop dat de mensheid, ieder individu, zich tot Hem zou (be)keren. Jezus
bemiddelt hierin voor ons. In zijn naam mogen we Hem dan ook vragen ons in Gods
barmhartigheid neer te leggen, biddend om genade ons te kunnen geven aan zijn leven
in ons.
Jezus bemint ons zoals we zijn, met onze fouten en gebreken; wat niet perse wilt zeggen dat Hij daarom onze levenswandel goedkeurt, maar zijn liefde vermindert er niet om. Juist omdat we lauw en daardoor dikwijls zondig door het leven gaan, houdt Hij niet op de grond van ons hart voortdurend om te spitten om er de meststof van zijn liefde in te verwerken. Hij is geduldig, gooit niemand weg, blijft kansen geven.
Zo zouden
we ook met elkaar moeten omgaan. Dikwijls zijn we veel te ongeduldig voor
elkaar, ook naar onszelf toe, en vervallen we in hard oordeel; ja, ook naar
onszelf toe. En da's dodelijk. Dat haalt een mens neer, daardoor verliest hij
alle kracht om er weer bovenop te komen.
We zouden met de ander zo moeten omgaan dat het beste in die ander naar boven
kan komen, opdat langzaam maar zeker z'n mogelijke duisternis kan verdwijnen en
het goede tot volle bloei kan komen.
Hopelijk willen anderen ook zo met ons omgaan, en wij ook met onszelf.
Wat de
medemens betreft: daarvan kunnen we enkel hopen dat hij een dergelijke
mentaliteit in zich draagt.
Wat Jezus betreft: van Hem mogen we erop aan dat Hij zo'n hart heeft. Dat mogen
we weten, dat mogen we geloven, daar mogen we zeker van zijn.
Laten we Jezus welkom heten, nog het meest in onze diepste duisternis, opdat de heling die Hij in ons wilt bewerkstelligen werkelijk ten volle kan geschieden
Jezus is middelaar tussen ons en God. In zijn oeverloze liefde zal Hij het geduld afsmeken van God opdat ieder van ons tot bekering mag komen.
2 Timotheüs 3:16-17
“Al de Boeken zijn door inspiratie van God geschreven en zijn nuttig om ons de waarheid te leren en ons te wijzen op wat er aan ons leven en geloof nog mankeert; ze zetten ons leven op orde en helpen ons in te zien wat juist en goed is. Zo maakt God ons klaar, opdat Hij ons voor alle goed werk kan gebruiken.” 2 Timotheüs 3:16-17 HTB
Efeziërs 5:19-20 HTB
“Spreek veel met elkaar over de Here en zing psalmen, lofliederen en geestelijke liederen. Zing met uw hele hart voor de Here. Dank God, onze Vader, altijd voor alles in de naam van onze Here Jezus Christus.” Efeziërs 5:19-20 HTB
de tweede brief van Paulus aan Timoteus
de tweede brief van Paulus aan
Timoteus
2, 24
Een dienaar van de Heer moet
geen ruzie maken,
maar voor iedereen vriendelijk zijn;
hij moet een goede leraar zijn
en een verdraagzaam mens.
Galaten 6:2 HTB
“U moet elkaars moeilijkheden en problemen dragen; dan voldoet u aan de opdracht van Christus.” Galaten 6:2 HTB


