Numeri
Numeri
6, 26
Moge de Heer u zijn gelaat toewenden
en u vrede geven.
WAT JE AAN JEZUS GEEFT,BEN JE NIET KWIJT
NumeriNumeri
6, 26
Moge de Heer u zijn gelaat toewenden
en u vrede geven.
LucasLucas
21, 12-19
Jezus
sprak tot zijn leerlingen: 'Jullie zullen worden mishandeld en vervolgd en
uitgeleverd aan de synagogen, jullie zullen worden opgesloten in de gevangenis
en worden voorgeleid aan koningen en gouverneurs omwille van mijn naam. Dan
zullen jullie moeten getuigen. Bedenk wel dat jullie je verdediging niet moeten
voorbereiden. Want Ik zal jullie woorden van wijsheid schenken die door geen
van je tegenstanders kunnen worden weerstaan of weersproken.
Zelfs je ouders en broers, verwanten en vrienden zullen je uitleveren, sommigen
van jullie zullen worden terechtgesteld, en jullie zullen door iedereen worden
gehaat omwille van mijn Naam.
Maar geen haar van je hoofd zal verloren gaan.
Red je leven door standvastigheid!'
‘Bedenk dat jullie je verdediging niet moeten voorbereiden. Want Ik zal jullie woorden van wijsheid schenken die door geen van je tegenstanders kunnen worden weerstaan of weersproken’.
De wijsheid waar Jezus hier over spreekt
is de wijsheid van God, de wijsheid van de Geest; een wijsheid als gave.
Wat moeten we ons bij deze gave voorstellen? Is het een soort geheim wapen van
de christen?
We moeten ons van dat wapen het tegenovergestelde voorstellen van de gewone
menselijke wapens. De wapens van de heilige Geest doden, maar niet de
tegenstander. Ze doden het eigen moordende 'ik' dat uit is op mogelijke
vergelding en wraak. Deze laatste wil zichzelf redden, wil zijn redding niet
overlaten aan God.
Laten we standvastig zijn in de persoon waartoe we geroepen zijn.
Colossenzen 3:16 HTB“Laat uw hart vol zijn van Christus' woord. Zijn woorden zullen uw leven verrijken en u wijsheid geven. Leer ze aan elkaar, wijs elkaar ermee terecht en zing erover in psalmen, lofgezangen en geestelijke liederen. Zing zo met een dankbaar hart voor de Here.” Colossenzen 3:16 HTB
JohannesJohannes
4, 16b
God
is liefde.
Wie in de liefde blijft,
blijft in God,
en God blijft in Hem.
de koningDaniël
7,
13-14
In mijn nachtelijke visioenen zag ik dat er met de wolken van de hemel iemand kwam die eruitzag als een mens. Hij naderde de oude wijze en werd voor hem geleid. Hem werden macht, eer en het koningschap verleend, en alle volken en naties, welke taal zij ook spraken, dienden hem. Zijn heerschappij was een eeuwige heerschappij die nooit ten einde zou komen, zijn koningschap zou nooit te gronde gaan.
In een droom heeft de profeet de opeenvolging gezien van de verschillende heerschappijen, die de wereld van zijn tijd zullen beheersen. Na hen zal een Mensenzoon, een Messias komen, wiens koninkrijk niet van deze wereld is. Als rechter van de eindtijd, zal Hij de wereld die Hij zal hebben gered, laten delen in zijn heerlijkheid.
Openbaring1.5-8
Genade zij u van Jezus Christus, de
betrouwbare getuige, de eerstgeborene van de doden, de heerser over de vorsten
van de aarde. Aan Hem die ons liefheeft en ons van onze zonden heeft bevrijd
door zijn bloed, die een koninkrijk uit ons gevormd heeft en ons heeft gemaakt
tot priesters voor God, zijn Vader; aan Hem komt de eer toe en de macht, tot in
eeuwigheid. Amen.
Hij komt te midden van de wolken, en dan zal iedereen Hem zien, ook degenen die
hem doorstoken hebben. Alle volken op aarde zullen over Hem weeklagen. Ja,
amen.
‘Ik ben de alfa en de omega’, zegt God, de Heer, ‘Ik ben het die is, die was en
die komt, de Almachtige.’
De koning van Gods hart, aanwezig in de visioenen van het Oude en het Nieuwe Testament, is Christus. Als vorst van alle koningen op aarde, heeft Hij zijn volk zozeer bemind dat Hij zijn bloed vergoot om het te redden van de zonde. Door zo'n bevrijder vrijgekocht, zijn de mensen voortaan in staat aan God de lof van het heelal aan te bieden.
Johannes
18, 33b-37
Pilatus
liet Jezus bij zich komen en vroeg Hem: ‘Bent U de koning van de Joden?’
Jezus antwoordde: ‘Vraagt u dit uit uzelf of hebben anderen dit over mij
gezegd?’
‘Ik ben toch geen Jood, ‘antwoordde Pilatus. ‘Uw volk en uw hogepriesters
hebben U aan mij uitgeleverd. Wat hebt U gedaan?
Jezus antwoordde: ‘Mijn koningschap hoort niet bij deze wereld. Als mijn
koningschap bij deze wereld hoorde, zouden mijn dienaren wel gevochten hebben
om te voorkomen dat ik aan de Joden werd uitgeleverd. Maar mijn koninkrijk is
niet van hier.’
Pilatus zei: ‘U bent dus koning?’
‘U zegt dat ik koning ben’, zei Jezus. ‘Ik ben geboren en naar de wereld
gekomen om van de waarheid te getuigen, en ieder die de waarheid is toegedaan,
luistert naar wat Ik zeg.’
Het koningschap van Jezus is niet van deze wereld, en als Hij al gekroond wordt, dan is het op het kruis. Daar wordt Hij verheven en wordt Hij de Redder van de mensheid. Tegenover de bangelijke en slinkse Pilatus, staat Christus, rechtop, de openbaring van de goddelijke waarheid zelf.
Openbaring:11.4-12Openbaring:11.4-12
Tot mij, Johannes, werd het volgende
gezegd:
Dit zijn de twee olijfbomen en de twee lampenstandaards die voor de Heer van de
wereld staan. Als iemand hun kwaad wil doen, komt er vuur uit hun mond, dat hun
vijanden verteert; op die manier zal iedereen die hun kwaad wil doen moeten
sterven. Zij hebben de macht om de hemel te sluiten, zodat er geen regen valt
zolang zij profeteren. Ook hebben ze de macht om water in bloed te veranderen.
Verder kunnen ze de aarde treffen met alle mogelijke plagen, zo vaak ze maar
willen. Wanneer zij hun getuigenis hebben afgelegd, zal het beest dat uit de
onderaardse diepte opstijgt de strijd met hen aanbinden, hen overwinnen en hen
doden. Dan liggen hun lijken op het plein van de grote stad die in figuurlijke
zin Sodom of Egypte heet, de stad waar ook hun Heer gekruisigd is.
Gedurende drieëneenhalve dag komen er mensen uit alle landen en volken, van
elke stam en taal, om hun lijken te zien, en zij dulden niet dat ze begraven
worden.
De mensen die op aarde leven juichen om de dood van de twee profeten, en
opgetogen sturen ze elkaar geschenken, want die profeten waren een grote
kwelling voor hen geweest.’
Maar toen de drieëneenhalve dag voorbij waren, voer er een levensgeest uit God
in hen en kwamen ze weer overeind. Iedereen die hen zag werd doodsbang. Er
klonk een luide stem uit de hemel, die tegen hen zei: ‘Kom hierboven.’ Toen
stegen ze in de wolk op naar de hemel, voor het oog van hun vijanden.
psalmenpsalmen
147, 1
Hoe
goed is het te zingen voor onze God,
hoe heerlijk Hem onze lof te brengen.
HoseaHosea
14.3
|
Kom met woorden van
berouw |
psalmenpsalmen
25, 4-5
Maak mij, Heer, met uw wegen vertrouwd,
leer mij uw paden te gaan.
Wijs mij de weg van uw waarheid
en onderricht mij,
want U bent de God die mij redt,
op U blijf ik hopen, elke dag weer.
openbaring 3, 1-6 + 14-22openbaring 3, 1-6 + 14-22
Schrijf
aan de engel van de gemeente in Sardes: “Dit zegt Hij die de zeven geesten van
God en de zeven sterren heeft: Ik weet wat u doet; overal wordt beweerd dat u
het leven hebt, terwijl u dood bent. Word wakker, versterk uw laatste krachten:
u bent op sterven na dood. Want Ik merk dat uw gedrag tekortschiet in Gods
ogen. Herinner u dat u de boodschap hebt ontvangen en begrepen. Houd eraan vast
en breek met het leven dat u nu leidt. Maar als u niet wakker wordt, kom Ik
onverwacht als een dief, op een tijdstip dat u niet kent. Maar enkelen in
Sardes hebben hun kleren schoon gehouden. Zij zullen bij me zijn, in het wit
gekleed, want ze verdienen het. Wie overwint zal zich ook in het wit kleden. Ik
zal zijn naam niet uit het boek van het leven schrappen, maar juist voor hem
getuigen ten overstaan van mijn Vader en zijn engelen. Wie oren heeft, moet
horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt.”
Schrijf aan de engel van de gemeente in Laodicea: “Dit zegt Amen, de trouwe en
betrouwbare getuige, het begin van Gods schepping: Ik weet wat u doet, hoe u
niet koud bent en niet warm. Was u maar koud of warm! Maar nu u lauw bent in
plaats van warm of koud, zal Ik u uitspuwen. U zegt dat u rijk bent, dat u
alles hebt wat u wilt en niets meer nodig hebt. U beseft niet hoe ongelukkig u
bent, hoe armzalig, berooid, blind en naakt. Daarom raad Ik u aan: koop van Mij
goud dat in het vuur gelouterd is, en u zult rijk zijn; witte kleren om u te
kleden en uw naaktheid te bedekken, zodat u zich niet meer hoeft te schamen;
zalf voor uw ogen, zodat u weer kunt zien. Iedereen die Ik liefheb wijs ik
terecht en bestraf Ik. Zet u dus volledig in en breek met het leven dat u nu
leidt. Ik sta voor de deur en klop aan. Als iemand mijn stem hoort en de deur
opent, zal Ik binnenkomen, en we zullen samen eten, Ik met hem en hij met Mij.
Wie overwint zal samen met Mij op mijn troon zitten, net zoals Ik zelf
overwonnen heb en samen met mijn Vader op zijn troon zit. Wie oren heeft, moet
horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt.”’
God blijft werkzaam in zijn Kerk. Maar de gelovigen zijn er zich niet altijd van bewust. Soms verstarren ze in overdreven wettelijkheid, soms zijn ze voortvarend of laten zich leiden door materialisme. Dat was reeds het probleem met de kerken van Asia ten tijde van Johannes. De apostel roept op om weer ruimte te laten voor de Geest van God, om werkelijk maaltijd te kunnen houden met de Heer.
psalmenpsalmen
27, 4
MarcusDaniël
12, 1-3
In
die tijd zal Michaël opstaan, de grote vorst, die de kinderen van je volk ter
zijde staat. Het zal een tijd van verdrukking zijn, zoals er niet geweest is
sinds er volken bestaan. In die tijd zal je volk worden gered: allen die in het
boek zijn opgetekend.
Velen van hen die slapen in de aarde, in het stof, zullen ontwaken, sommigen om
eeuwig te leven, anderen om voor eeuwig te worden veracht en verafschuwd.
De verlichten zullen stralen als het fonkelende hemelgewelf, en degenen die
velen tot gerechtigheid hebben gebracht als de sterren, voor eeuwig en altijd.
In een context van vervolging en nood en in de teksten over het einde van de wereld wordt, hoe tegenstrijdig ook, het geloof in de verrijzenis krachtig. Toen Jezus sprak over het einde van de wereld, kende Hij deze teksten en deelde Hij in dezelfde hoop
Marcus
13, 24-32
Jezus
sprak tot zijn leerlingen:
'In de dagen na de verschrikkingen zal de zon verduisterd worden en de maan
geen licht meer geven, de sterren zullen uit de hemel vallen en de hemelse
machten zullen wankelen. Dan zal men de Mensenzoon zien komen op de wolken,
bekleed met grote macht en luister. Dan zal Hij de engelen erop uitsturen om
zijn uitverkorenen uit de vier windstreken bijeen te brengen, van het uiteinde
van de aarde tot het uiteinde van de hemel.
Leer van de vijgenboom deze les: zo gauw zijn takken uitlopen en in blad
schieten, weet je dat de zomer in aantocht is. Zo moeten jullie ook weten,
wanneer je die dingen ziet gebeuren, dat het einde nabij is.
Ik verzeker jullie: deze generatie zal zeker nog niet verdwenen zijn wanneer al
die dingen gebeuren.
Hemel en aarde zullen verdwijnen, maar mijn woorden zullen nooit verdwijnen.
Niemand weet wanneer die dag of dat moment zal aanbreken, de engelen in de
hemel niet en de Zoon niet, alleen de Vader.'
Toen Jezus de mensengeschiedenis binnentrad, luidde Hij het einde der tijden in, dat zo dikwijls was aangekondigd door de profeten en zo vurig verwacht door Israël. Met behulp van beelden die tegelijk het catastrofale einde van de wereld en de lente van de nieuwe schepping suggereren, kondigde Jezus zijn nakende terugkomst aan. Zich vragen stellen over de juiste datum van het einde is onnodig. Het einde staat altijd voor de deur.
LucasLucas
18, 1-8
Jezus vertelde de leerlingen een
gelijkenis over de noodzaak om altijd te bidden en niet op te geven:
‘Er was eens een rechter in een stad die geen ontzag had voor God en zich niets
aan de mensen gelegen liet liggen. Er woonde ook een weduwe in die stad, die
steeds weer naar hem toe ging met het verzoek: “Doe mij recht in het geschil
met mijn tegenstander.” Maar lange tijd wilde hij dat niet doen. Ten slotte zei
hij bij zichzelf: Ook al heb ik geen ontzag voor God en laat ik mij niets aan
de mensen gelegen liggen, toch zal ik die weduwe recht verschaffen omdat ze me
last bezorgt. Anders blijft ze eindeloos bij me komen en vliegt ze me nog aan.’
Toen zei de Heer: ‘Luister naar wat deze rechter zegt, al minacht hij ook het
recht. Zal God dan niet zeker recht verschaffen aan zijn uitverkorenen die dag
en nacht tot Hem roepen? Of laat hij hen wachten? Ik zeg jullie dat Hij hun
spoedig recht zal verschaffen. Maar als de Mensenzoon komt, zal Hij dan geloof
vinden op aarde?
Jezus leert ons d.m.v. de gelijkenis die we vandaag hoorden, dat we
'altijd' moeten bidden en daarin 'niet op te geven'.
Altijd bidden, dag en nacht, wilt niet zeggen dat we altijd gebeden moeten
opzeggen. Het heeft veeleer te maken met een levenshouding, een gebedshouding:
een leven leiden onder Gods aanschijn, je steeds bewust zijn van Gods
tegenwoordigheid, en daarin leven.
Aan deze biddende houding gaat wel iets belangrijks vooraf, namelijk het gebed zelf. Een biddend leven zal maar biddend zijn in de mate dat wij ons expliciet gebed onderhouden. Want hoe gemakkelijk leidt ons zogenaamd biddend leven tot werken zonder bidden. Geruisloos verliezen we hierdoor de band met God, en dus met zijn genade.
Bidden is een wezenlijke houding van een gelovige. Geloven is immers voeling houden met het hart van God. Dan kan God zich ook van zijn kant meedelen aan hem die Hem is toegewijd. Hij kan laten aanvoelen wat Hem aangenaam is, zodat iemand kan weten wat hij moet doen, hoe hij iets moet doen, wat hij moet zeggen of niet zeggen, maar ook wat hij aan God kan vragen en welk gebed God niet aangenaam is.
Als we iets vragen aan God zouden we met ons hart meer bij Hem moeten zijn dan bij wat we vragen. Wat we willen vragen... dat weet God maar al te goed. Bij en in God zijn... zo bidden we in Gods wil.
Psalmen 119:143 HTB“Ook al overkomt mij allerlei ellende en achtervolging, juist dan zijn Uw geboden voor mij een vreugde.” Psalmen 119:143 HTB
psalmenpsalmen
96, 1-4a
Zing
voor de Heer een nieuw lied,
zing voor de Heer, heel de aarde.
Zing voor de Heer, prijs zijn Naam,
verkondig van dag tot dag dat Hij ons redt.
Maak aan alle volken zijn majesteit bekend,
aan alle naties zijn wonderdaden.
Groot is de Heer, Hem komt alle lof toe.
1 Petrus 2:15-16 HTB
Colossenzen 1:9 HTB“Daarom blijven wij, sinds wij dat hebben gehoord, steeds voor u bidden. Wij vragen God u te laten begrijpen wat Hij wil dat u doen zult. Wij vragen voor u om wijsheid en geestelijk inzicht,” Colossenzen 1:9 HTB

Marcus
12, 38-44
Tijdens zijn onderricht zei Jezus: ‘Pas op voor de schriftgeleerden die zo graag in dure gewaden rondlopen en eerbiedig begroet willen worden op het marktplein, en een ereplaats willen in de synagogen en bij feestmaaltijden: ze verslinden de huizen van de weduwen en zeggen voor de schijn lange gebeden op. Over hen zal strenger worden geoordeeld dan over anderen!’
Hij ging tegenover de offerkist zitten en keek hoe de mensen er
geld in wierpen. Veel rijken gooiden veel geld in de kist. Er kwam ook een arme
weduwe, die er twee muntjes in gooide, ter waarde van niet meer dan een
quadrans.
Hij riep zijn leerlingen bij zich en zei tegen hen: ‘Ik verzeker jullie: deze
arme weduwe heeft meer in de offerkist gedaan dan alle anderen die er geld in
hebben gegooid; want die hebben gegeven van hun overvloed, maar zij heeft van
haar armoede alles gegeven wat ze had, haar hele levensonderhoud.
Jezus zit tegenover de offerkist in de tempel en ziet de aanschuivende rij mensen die iets geven: de ene wat licht kopergeld, de andere een zwaar rinkelende munt. Maar Hij heeft er vooral één opgemerkt, een arme weduwe, die een cent offert, en Hij vindt het zo belangrijk dat Hij er zijn leerlingen bij roept, vooral om hun attent maken op haar innerlijke houding.
Dit verhaal van het penningske van de weduwe, die “alles gaf waarvan zij leefde”, is geen moraliserende les om ons aan te sporen méér te geven bij de volgende collecte. Jezus heeft ook niet de bedoeling bepaalde categorieën van mensen, rijken tegenover armen, met elkaar te vergelijken of tegen elkaar op te zetten. Neen, zoals dikwijls bij Hem, is dit niet zozeer een verhaal over mensen, maar over God. Jezus heeft in dat gebaar van die arme weduwe de houding van God zelf herkend tegenover ieder van ons. De weduwe schonk twee penningen, alles wat zij bezat, alles waarvan zij moest leven. God schenkt ons elke dag alles wat Hij bezit, zijn vriendschap, het volle leven, alles waarvan Hij leeft. De parabel gaat dus niet over de kwantiteit van onze vrijgevigheid ("Moeten wij niet méér geven?"), maar over de kwaliteit van Gods vrijgevigheid en van ons antwoord daarop. ("Met welke ingesteldheid van het hart beantwoorden wij Gods vrijgevigheid?").
Rijken denken veel te geven, maar geven alleen van de overvloed van hun uiterlijke rijkdom, dus niets van zichzelf, niets van hun hart. Eigenlijk kost hun vrijgevigheid hun niet zoveel. Zij engageren zichzelf niet, zij behouden hun veiligheid en lopen nooit het gevaar veel te verliezen. Jezus wil ons leren dat onze God niet geeft zoals de rijken, maar zoals de arme weduwe. Hij schenkt ons geen uiterlijke weldaden. Hij geeft ons zijn vriendschap, zijn hart. En daarbij loopt Hij het risico veel te verliezen. Wij mensen hebben immers de vrijheid en de mogelijkheid om zijn aanbod van vriendschap af te wijzen. Maar onze God engageert zichzelf en geeft zichzelf totaal.
In ons bidden vragen wij soms teveel aan God. Wij denken dat Hij een rijke is die ons veel geschenken kan geven: gezondheid, succes op het werk en de relaties, en winst bij de lotto. Maar Jezus zegt ons vandaag: kijk! Onze God geeft niet zoals een rijke, maar eerder zoals de weduwe. Hij overlaadt ons niet met spectaculaire, verbluffende geschenken. Hij biedt ons vooral zijn gestadige, dagelijkse vriendschap. En die vriendschap blijkt de meest waardevolle schat en bron van heel veel kracht om te leven en te werken. Wie echt wil geven, geeft dus, zoals God, niet vanuit de hoogte van zijn rijkdom, wel vanuit de bescheidenheid van zijn armoede en kwetsbaarheid. Hij neemt het risico zijn eigen zekerheid kwijt te spelen en geeft vooral zichzelf, zijn hart, totaal.
Wij kunnen soms lang aarzelen eer wij onszelf écht geven, totaal! Tot zolang blijven wij onvoldaan en krampachtig. Niets of niemand kan er ons van buitenaf toe dwingen, zelfs niet met de rijkste cadeaus. Wij kunnen er alleen toe komen onszelf écht te geven vanuit de ervaring van dankbaarheid, omdat wij nl. dankbaar worden voor de overstelpende ervaring reeds zoveel vriendschap te hebben ontvangen van God, zoveel levenskansen en liefdeblijken. Alleen een dankbaar hart is in staat zich totaal te geven.
Door het voorbeeld van de arme weduwe te benadrukken, en ons daarmee eigenlijk iets te willen leren over God, nodigt Jezus ons vandaag uit meer en meer mensen te worden naar het hart van zijn Vader, die niet vanuit de hoogte iets van hun rijkdom weggeven, maar die dankbaar zichzelf wegschenken, totaal.
Zoals te Serafat gaat het hier om een weduwe. Het is niet toevallig. In de Bijbel is een weduwe bij uitstek een berooid iemand. God heeft de nederigen lief. Zij staan het meest open voor de oproep van het geloof. En zij geven alles


Jesaja 1:18 HTB“Kom nu en laten wij de zaak rechtzetten, zegt de HERE; al waren uw zonden rood als scharlaken, Ik maak ze wit als sneeuw. Uw vuurrode zonden zullen worden als witte wol.” Jesaja 1:18 HTB