Hebreeën
Hebreeën
6, 10-20
Broeders en zusters,
God is niet zo onrechtvaardig dat Hij vergeet wat u hebt gedaan, hoeveel liefde
u aan zijn Naam hebt betoond door sinds jaar en dag steun te verlenen aan de
gelovigen. Het is onze vurige wens dat ieder van u tot het einde toe dezelfde
ijver aan de dag blijft leggen, totdat alles waarop wij hopen verwezenlijkt zal
zijn, en dat u niet achterblijft, maar in het spoor treedt van hen die dankzij
hun standvastig geloof ontvangen hebben wat hun beloofd was.
Toen God aan Abraham zijn belofte deed, kon Hij bij niemand zweren die hoger
was dan Hijzelf, en dus zwoer Hij bij zichzelf: ‘Ik zal je rijkelijk zegenen en
je talloze nakomelingen geven.’ En zo heeft Abraham, dankzij zijn standvastig
vertrouwen, gekregen wat hem beloofd was.
Mensen zweren altijd bij iemand die hoger is dan zijzelf, en met hun eed
bekrachtigen ze de waarheid en beëindigen ze elke twist. Toen God de erfgenamen
van de belofte ervan wilde doordringen hoe vast zijn voornemen was, stelde Hij
zich op dezelfde manier met een eed garant. Met deze twee onomkeerbare
daden–die uitsluiten dat God liegt–heeft Hij ons krachtig moed in willen
spreken.
Onze toevlucht is het vast te houden aan de hoop op wat voor ons in het
verschiet ligt. Die hoop is als een betrouwbaar en zeker anker voor onze ziel,
en gaat ons voor tot voorbij het voorhangsel, waar Jezus als voorloper al is
binnengegaan, ten behoeve van ons: Hij is hogepriester voor eeuwig, zoals ook
Melchisedek dat was.
Onze toevlucht is het vast te houden aan de hoop op wat voor ons in het verschiet ligt. Die hoop is als een betrouwbaar en zeker anker voor onze ziel, en gaat ons voor tot voorbij het voorhangsel, waar Jezus als voorloper al is binnengegaan, ten behoeve van ons: Hij is hogepriester voor eeuwig, zoals ook Melchisedek dat was.
Wanneer
iemand leeft in het licht van de eeuwigheid leeft hij wezenlijk anders dan
wanneer iemand leeft zonder het besef dat er een eeuwigheid bestaat. En daarmee
heb ik het niet over de intensiteit van liefhebben. Een niet-gelovige kan heel
zeker even intens of zelfs meer intens liefhebben dan een gelovige.
Maar als je gelovig weet dat er een hemel bestaat leef je anders. Je draagt een
levende hoop in je, je hebt iets om naar uit te kijken, je weet je verbonden
met heiligen en overledenen, je wereld is zoveel ruimer dan het loutere aardse
of biologische. Je weet dat er 'daarboven' Iemand is die je nu reeds bewoont,
die je stuwt en de genade verleent lief te hebben vanuit iets iets groters dan
het eigen vermogen om te beminnen. Je ervaart dat dit natuurlijke vermogen
altijd en opnieuw bevrucht wordt door Jezus zelf, dat je liefhebben daardoor de
kracht in zich draagt dat anderen door Hem geraakt en genezen worden.
Leven in het licht van de eeuwigheid is de hemel in je hart dragen. Het is je nu reeds thuis voelen bij God; Hij die je ooit ten volle in zich zal trekken wanneer het aardse licht voor je gedoofd zal zijn.
Laat ons
dankbaar en blij zijn om het bestaan van het hemels leven.
Dat de realiteit van de hemel onze levenswandel diep mag beïnvloeden, in de zin
dat we toelaten dat de Heer ons in zich mag opnemen, om zijn leven te delen met
het onze.
Voor mensen zonder hoop heeft het leven elke zin verloren. Voor christenen is God het anker van hun hoop. Zij kunnen er vast op vertrouwen, want God doet zijn geloften gestand. Met deze zekerheid blijft het voor christenen altijd mogelijk zin te geven aan hun leven in dienst van God en de mensen.


