Korintiers
9, 25
Iedereen
die aan een wedstrijd deelneemt beheerst
zich in alles; atleten doen het voor een vergankelijke
erekrans, wij echter voor een onvergankelijke.
WAT JE AAN JEZUS GEEFT,BEN JE NIET KWIJT

Korintiers
9, 25
Iedereen
die aan een wedstrijd deelneemt beheerst
zich in alles; atleten doen het voor een vergankelijke
erekrans, wij echter voor een onvergankelijke.
LucasLucas
4, 1-13
Vervuld van
de heilige Geest trok Jezus weg van de Jordaan, en geleid door de Geest zwierf
Hij veertig dagen rond in de woestijn, waar Hij door de duivel op de proef werd
gesteld. Al die tijd at Hij niets, en toen de veertig dagen verstreken waren,
had Hij grote honger.
De duivel zei tegen Hem: ‘Als U de Zoon van God bent, beveel die steen dan in
een brood te veranderen.’ Maar Jezus antwoordde: ‘Er staat geschreven: “De mens
leeft niet van brood alleen.”’
Toen bracht de duivel Hem naar een hooggelegen plaats en liet Hem in een en
hetzelfde ogenblik alle koninkrijken van de wereld zien. De duivel zei tegen
Hem: ‘Ik geef u de macht over dat alles en ook de roem die ermee gepaard gaat,
want ik kan daarover beschikken en ik geef het aan wie ik wil; als U in
aanbidding voor mij neervalt, zal dat allemaal van u zijn.’ Maar Jezus
antwoordde: ‘Er staat geschreven: “Aanbid de Heer, uw God, vereer alleen Hem.”’
De duivel bracht Jezus naar Jeruzalem en zette Hem op het hoogste punt van de
tempel, en hij zei tegen Hem: ‘Als U de Zoon van God bent, spring dan naar
beneden. Want er staat geschreven: “Zijn engelen zal Hij opdracht geven om over
U te waken.” En ook: “Op hun handen zullen zij U dragen, zodat U uw voet niet
zult stoten aan een steen.”’ Maar Jezus antwoordde: ‘Er is gezegd: “Stel de
Heer, uw God, niet op de proef.”’
Toen de duivel Jezus aan al deze beproevingen had onderworpen, ging hij voor
een tijd bij Hem vandaan.
In de evangelieversie van Lukas zijn de drie fundamentele bekoringen: materie, macht en magie.
De eerste bekoring gaat over gebruik van de materie, over onze relatie met de levensnoodzakelijke dingen. Onze zorg voor het materieel welzijn is goed. - "Waarom zouden wij niet mogen genieten van de welstand die voorhanden is?" "Wij hebben eigenlijk toch wel een minimum aan bezittingen en comfort nodig!" En wij hebben gelijk! Maar de vraag is alleen: "Hoe groot is dat minimum mettertijd wel geworden?" Om zogezegd "gewoon" te leven blijken wij stilaan steeds méér dingen nodig te hebben, die wij met steeds minder mensen willen delen. Zo wordt iets dat oorspronkelijk "goed" was tot een "kwaad". Van zodra onze zeer terechte materiële zorg overdreven proporties aanneemt, verandert die in een hebzucht die steeds méér nodig heeft en onze allereerste prioriteit wordt. Als de materie overbelangrijk wordt dan gaan wij de geestelijke noden op de tweede plaats zetten of zelfs vergeten: dankbaarheid voor het leven, eenvoud, mededeelzaamheid. Jezus zegt: "De mens leeft niet van het materiële brood alleen!" De vraag is dus of wij de dingen die wij de laatste tijd aan het verzamelen zijn, echt nodig hebben om gelukkig te zijn? Zo ja. Goed dan! Laten wij ze maar goed gebruiken. Zo niet, dan doen wij ze best zo vlug mogelijk, als ballast, van de hand.
De tweede bekoring gaat over onze relatie met de anderen. Tegenover onze medemensen is macht en eer heel noodzakelijk. - "Macht is toch onontbeerlijk voor de orde in onze maatschappij!" en "Wij hebben toch wel recht op een minimum aan respect vanwege de anderen zeker!" En ook dat is weer heel waar. Alleen blijkt, bij nader toezien, dat wíj onze macht en eer steeds maar hebben uitgebreid, zonder te zorgen voor de macht en de eer van de anderen. Zo wordt weer "iets goeds" tot "een kwaad". Als wij niet opletten dan verandert ons verlangen naar orde en respect in een heerszucht en een eerzucht die niemand meer ontziet. En dan gaan wij vergeten wat nog veel belangrijker is: elkaar dienen in waardering en solidariteit. Jezus zegt: "Gij zult de Heer uw liefde-God aanbidden en geen ander macht dienen!". Wij laten anderen regelmatig onze macht voelen over de anderen. Wij staan dikwijls op onze eer, want wij hebben zere tenen. Maar de vraag is telkens: bevordert dit nu het samen-werken, het samen-leven? Zo ja. Goed! Dan moeten wij die macht gebruiken. Zo neen. Laten wij dan maar de tegenovergestelde methode kiezen: de bescheiden dienstbaarheid.
De derde bekoring is de bekoring van de magie, waarbij wij God proberen te gebruiken voor eigen voordeel. Het is begrijpelijk dat wij vertrouwen op Gods bescherming en zeggen: "God zal mij helpen!" En wij hebben weer groot gelijk. Alleen kunnen wij hier zodanig overdrijven dat ons geloof verglijdt tot een soort magie. En dat gebeurt als wij Gods bescherming voor onszelf gaan opeisen: - "Vermits ik zoveel voor U doe, God, moet Gij nu toch wel eens een spectaculair mirakel doen voor mij!" Zo wordt zelfs onze geloofsbeleving "een kwaad", want dan verandert ons vertrouwen in God in een opeisen van zijn bescherming. Echt geloof stelt echter nooit eisen aan God, maar durft zich dagelijks opnieuw aan Hem toevertrouwen. "Gij zult de Heer uw God nooit uitdagen!"
Elke bekoring is een uiterst spitsvondige mengeling van goed en kwaad. Maar de drie fundamentele bekoringen geven ons duidelijk aan naar welke richting wij neigen, zeker als wij onszelf laten gaan, als wij moe zijn of zwak, kwetsbaar of eenzaam: dan neigen wij altijd spontaan in de richting van onze zelfzucht. Dan verlangen wij teveel en voor onszelf alleen. Zelfs iets dat goed is, wordt een kwaad, telkens wanneer het eigenbelang en de zelfverdediging daarin onze uiteindelijke bedoeling of onze eerste prioriteit wordt.
Het kwaad in ons heeft eigenlijk weinig varianten. Het zijn steeds dezelfde fouten die terugkomen. Het gevaar bestaat dat wij op de duur minder weerstand bieden en een compromis sluiten: "Ik zal hiermee moeten leren leven!" Maar daardoor juist groeit de innerlijke ontevredenheid en de leegte in ons hart. Daarom kennen wij geen echte vreugde meer. We laten ons meeslepen door het kwaad, wat eigenlijk een kinderachtige houding is van blijven steken in enkele hebberigheden en kleine pleziertjes, zoals een verwend kind. Reageren tegen het kwaad is een moedige stap naar grotere, innerlijke volwassenheid.
De veertigdagentijd is dus tijd van meer helder inzicht om de verraderlijke tactiek van het kwaad te ontmaskeren en vooral van vernieuwde, vindingrijke weerbaarheid. Wie niet weerstaat, wordt misleid en meegesleurd. En de drie bekoringen van het evangelie duiden ons ook aan waar wij die strijd zullen moeten leveren: nl. op het domein van onze fundamentele relaties: méér met God verbonden leven, méér solidair met elkaar en authentieker tegenover de dingen die ons gegund worden. Daarom proberen wij tijdens deze veertigdagentijd t egenover God minder eisen stellen, maar Hem uitdrukkelijk danken voor het leven, dus bidden. De dingen die ons ter beschikking staan minder grijpen; wij gaan ze meer delen. Broederlijk Delen. Onze medemensen met wie wij omgaan niet proberen te domineren, te overheersen. Wij gaan integendeel de zwakkeren meer beschermen. Dat is echt vasten: meer danken, meer delen en meer dienen dan wij al doen.
En dat vraagt van ons dat wij steeds opnieuw kiezen en een dagelijkse strijd leveren tegen onze zelfzucht, vóór de liefde. Als wij met die innerlijk bekering onze woestijnperiode beginnen, dan zullen wij tijdens de volgende weken wel ontdekken hoe wij ons leven het best uiterlijk gaan reorganiseren, met welke prioriteiten en met welke beperkingen.
LucasLucas
5, 27-32
Jezus zag hij bij het
tolhuis een tollenaar zitten die Levi heette. Hij zei tegen hem: ‘Volg mij!’
Levi stond op, liet alles achter en volgde Hem.
Hij richtte in zijn huis een groot feestmaal voor Hem aan, waarop een groot
aantal tollenaars en anderen samen met Jezus aanwezig waren.
De Farizeeën en hun Schriftgeleerden zeiden morrend tegen zijn leerlingen:
‘Waarom eet en drinkt u met tollenaars en zondaars?’
Maar Jezus antwoordde: ‘Gezonde mensen hebben geen dokter nodig, maar wie ziek
is wel; Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar om zondaars aan
te sporen een nieuw leven te beginnen.’
Jezus roept iedereen, zelfs tollenaars of andere publieke zondaars. Tijdens de maaltijd bij Levi verduidelijkt Hij zijn zending. Levi zal dat in praktijk brengen en alles achter laten om Jezus te volgen.
'Gezonde mensen hebben geen dokter nodig, maar wie ziek is wel; Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar om zondaars aan te sporen een nieuw leven te beginnen.'
Hier raakt Jezus de
kern van zijn zending aan, namelijk wat verloren dreigt te gaan nieuw leven in
te blazen.
Elke mens, ook ieder van ons, draagt in zich duistere plekken, waar het licht
van de Heer geen plaats krijgt. Het zijn plaatsen die we dikwijls moeilijk
kunnen of durven loslaten... Meer, soms koesteren we ze zelfs.
Jezus ziet dit gevecht en lijden in ons. En juist omdat Hij liefheeft, wilt Hij niet liever dan ieder van ons opzoeken om ons aan te raken in de kern van onze duisternis. Deze aanraking kan ons ten diepste genezen. De Heer zelf zal ons in deze aanraking optillen, opvoeden, en leren; leren wat het betekent Hem te volgen, stap voor stap. Hij zal ons leren alles zo achter te laten, dat Hij ons in zich ten volle kan opnemen, opdat wij niet meer zouden leven vanuit onze allerindividueelste ik los van de Heer, maar vanuit Hem. Hij door ons.
1 Corinthiërs 13:4-5 HTBDe liefde is geduldig; de liefde is vriendelijk; de liefde is niet jaloers. Zij doet niet gewichtig en is niet trots; zij kwetst niet, is niet egoïstisch en voelt zich nooit beledigd; zij neemt niemand iets kwalijk;
1 Corinthiërs 13:1-3 HTB1.Als ik wel de talen van mensen en engelen zou spreken, maar geen liefde heb, klink ik als een dreunende gong of een schetterende cimbaal. Als ik Gods woord doorgeef, alle diepe dingen doorgrond en alles weet en al het geloof heb, zodat ik bergen kan verzetten, maar geen liefde heb, ben ik niets. Als ik mijn bezittingen stuk voor stuk uitdeel en mijn lichaam geef om te worden verbrand, maar geen liefde heb, dan heb ik er niets aan.
matt 6.19-21Matteus
6, 19-21
'Verzamel voor jezelf geen schatten op aarde:
mot en roest vreten ze weg en dieven breken
in om ze te stelen. Verzamel schatten in de
hemel, daar vreten mot noch roest ze weg,
daar breken geen dieven in om ze te stelen.
Waar je schat is, daar zal ook je hart zijn.'
PsalmenPsalmen
40, 6
HebreeënHebreeën
12, 1-4
Broeders en zusters,
nu wij door zo’n menigte geloofsgetuigen omringd zijn, moeten ook wij de last
van de zonde, waarin we steeds weer verstrikt raken, van ons afwerpen en
vastberaden de wedstrijd lopen die voor ons ligt.
Laten we daarbij de blik gericht houden op Jezus, de grondlegger en voltooier
van ons geloof: denkend aan de vreugde die voor Hem in het verschiet lag, liet
Hij zich niet afschrikken door de schande van het kruis. Hij hield stand en nam
plaats aan de rechterzijde van de troon van God.
Laat tot u doordringen hoe Hij standhield toen de zondaars zich zo tegen Hem
verzetten, opdat u niet de moed verliest en het opgeeft.
U hebt in uw strijd tegen de zonde uw leven nog niet op het spel gezet
In een sportieve taal worden wij uitgenodigd Jezus te volgen. Hij is onze oefenmeester in de wedloop van het christelijk leven. Hij moedigt onze prestaties aan. Zoals in een aflossingswedstrijd geven wij de vlag van het geloof door aan anderen. Het is een lange afstandsloop waar doorzettingsvermogen wordt gevraagd tot bloedens toe. Christus is ook daarin ons voorbeeld. Met Hem voor ogen zullen we nooit de moed opgeven.
JohannesJohannes
8, 12
Ik ben het licht voor de wereld.
Wie mij volgt loopt nooit meer in de duisternis,
maar heeft licht dat leven geeft.
MarcusMarcus
4, 21-25
‘Je steekt toch geen lamp aan om hem onder de
korenmaat te laten uitdoven of onder een bed weg te bergen? Nee, je zet hem op
een standaard.
Alles wat verborgen is, moet openbaar worden gemaakt, en alles wat in het
geheim is ontstaan, moet aan het licht komen.
Wie oren heeft om te horen, moet goed luisteren!’
Hij zei ook tegen hen: ‘Let goed op wat je hoort: met de maat waarmee je meet,
zal jou de maat genomen worden, en er zal je zelfs meer worden toebedeeld.
Want wie heeft zal nog meer krijgen; maar wie niets heeft zal zelfs het laatste
worden ontnomen.’
Ook al heeft ieder huisje zijn kruisje,
en dragen wij allemaal ons eigen leed, in wezen is het leven wonder-schoon.
En als onze samenleving de dag van vandaag naar iets dorst heeft, dan is het
naar dat 'zien' van dat wonder-schone.
Wij als christenen kunnen hierbij een belangrijke bijdrage in leveren. Het evangelie is immers een 'blijde' boodschap, wat wil zeggen dat zij niet enkel in blijheid kan beleefd worden, maar ook hen blij kan maken die de vruchten plukken van hen die leven naar het evangelie.
Zien de mensen aan ons dat God ons
bevrijd heeft in Christus?
Zien ze in onze daden, in de keuzes die we maken, in de manier waarop wij
mensen ontmoeten, dat het christendom in wezen een bevrijdend gebeuren is?
Ziet de wereld aan onze wijze van leven dat de Kerk een vreugdevolle boodschap
in zich draagt?
Niet dat we heel de dag door met een soort opgeklopte zoete glimlach moeten rondlopen. Maar men mag wel aan ons zien dat we leven vanuit een werkelijkheid die ons in de diepte 'blij' maakt; een werkelijkheid die ons van binnenuit stuwt, die ons doet liefhebben van binnen naar buiten, en wel tot het uiterste.
Wij mogen delen in de verrijzenisvrede
van Christus. Niet enkel door dit gebeuren in gedachten te dragen, maar wel
degelijk in de genade die Pasen in ons hart heeft gelegd. Wie leeft in deze
genade zal een vrede-vol mens zijn. Hij zal deze vrede dragen, én uitdragen.
En dat mag gezien worden. Dat heeft niets met hoogmoed te maken, maar
integendeel: met liefde en nederigheid.
'Je steekt toch geen lamp aan om hem onder de korenmaat te laten uitdoven of onder een bed weg te bergen? Nee, je zet hem op een standaard.'
Goede God,
uw woord is als een lamp op onze levensweg
en Gij wilt dat wij het licht der wereld zijn.
Ontdoe ons van het kwaad dat wij voor anderen verbergen,
en geef dat wij door het leven gaan
als kinderen van het licht.
Amen.

Here, U bent zo goed en vergeeft graag. Ieder die U aanroept, mag zich koesteren in Uw goedheid en liefde. Psalmen 86:5 HTB
Uit de brief van Paulus aan TitusUit de brief van Paulus aan Titus
3, 3-7
Ook
wij waren eens onverstandig, ongehoorzaam, op de verkeerde weg,
slaaf van allerlei begeerten en lusten. Ons leven stond in het teken van
boosaardigheid en afgunst, we verafschuwden en haatten elkaar.
Maar toen zijn de goedheid en mensenliefde van God, onze redder,
openbaar geworden en heeft Hij ons gered, niet vanwege onze
rechtvaardige daden, maar uit barmhartigheid. Hij heeft ons gered door
het bad van de wedergeboorte en de vernieuwende kracht van de heilige
Geest, die Hij door Jezus Christus, onze redder, rijkelijk over ons heeft
uitgegoten. Zo zijn wij door zijn genade als rechtvaardigen aangenomen
en krijgen we deel aan het eeuwige leven waarop we hopen.
Jakobus 1:5 HTBAls u wilt weten wat God van u verwacht, vraag het Hem en Hij zal het u graag vertellen. Want Hij staat altijd klaar om ieder die Hem daarom vraagt, voldoende wijsheid te geven; Hij zal het u niet kwalijk nemen.
HebreeënHebreeën
6, 10-20
Broeders en zusters,
God is niet zo onrechtvaardig dat Hij vergeet wat u hebt gedaan, hoeveel liefde
u aan zijn Naam hebt betoond door sinds jaar en dag steun te verlenen aan de
gelovigen. Het is onze vurige wens dat ieder van u tot het einde toe dezelfde
ijver aan de dag blijft leggen, totdat alles waarop wij hopen verwezenlijkt zal
zijn, en dat u niet achterblijft, maar in het spoor treedt van hen die dankzij
hun standvastig geloof ontvangen hebben wat hun beloofd was.
Toen God aan Abraham zijn belofte deed, kon Hij bij niemand zweren die hoger
was dan Hijzelf, en dus zwoer Hij bij zichzelf: ‘Ik zal je rijkelijk zegenen en
je talloze nakomelingen geven.’ En zo heeft Abraham, dankzij zijn standvastig
vertrouwen, gekregen wat hem beloofd was.
Mensen zweren altijd bij iemand die hoger is dan zijzelf, en met hun eed
bekrachtigen ze de waarheid en beëindigen ze elke twist. Toen God de erfgenamen
van de belofte ervan wilde doordringen hoe vast zijn voornemen was, stelde Hij
zich op dezelfde manier met een eed garant. Met deze twee onomkeerbare
daden–die uitsluiten dat God liegt–heeft Hij ons krachtig moed in willen
spreken.
Onze toevlucht is het vast te houden aan de hoop op wat voor ons in het
verschiet ligt. Die hoop is als een betrouwbaar en zeker anker voor onze ziel,
en gaat ons voor tot voorbij het voorhangsel, waar Jezus als voorloper al is
binnengegaan, ten behoeve van ons: Hij is hogepriester voor eeuwig, zoals ook
Melchisedek dat was.
Onze toevlucht is het vast te houden aan de hoop op wat voor ons in het verschiet ligt. Die hoop is als een betrouwbaar en zeker anker voor onze ziel, en gaat ons voor tot voorbij het voorhangsel, waar Jezus als voorloper al is binnengegaan, ten behoeve van ons: Hij is hogepriester voor eeuwig, zoals ook Melchisedek dat was.
Wanneer
iemand leeft in het licht van de eeuwigheid leeft hij wezenlijk anders dan
wanneer iemand leeft zonder het besef dat er een eeuwigheid bestaat. En daarmee
heb ik het niet over de intensiteit van liefhebben. Een niet-gelovige kan heel
zeker even intens of zelfs meer intens liefhebben dan een gelovige.
Maar als je gelovig weet dat er een hemel bestaat leef je anders. Je draagt een
levende hoop in je, je hebt iets om naar uit te kijken, je weet je verbonden
met heiligen en overledenen, je wereld is zoveel ruimer dan het loutere aardse
of biologische. Je weet dat er 'daarboven' Iemand is die je nu reeds bewoont,
die je stuwt en de genade verleent lief te hebben vanuit iets iets groters dan
het eigen vermogen om te beminnen. Je ervaart dat dit natuurlijke vermogen
altijd en opnieuw bevrucht wordt door Jezus zelf, dat je liefhebben daardoor de
kracht in zich draagt dat anderen door Hem geraakt en genezen worden.
Leven in het licht van de eeuwigheid is de hemel in je hart dragen. Het is je nu reeds thuis voelen bij God; Hij die je ooit ten volle in zich zal trekken wanneer het aardse licht voor je gedoofd zal zijn.
Laat ons
dankbaar en blij zijn om het bestaan van het hemels leven.
Dat de realiteit van de hemel onze levenswandel diep mag beïnvloeden, in de zin
dat we toelaten dat de Heer ons in zich mag opnemen, om zijn leven te delen met
het onze.
Voor mensen zonder hoop heeft het leven elke zin verloren. Voor christenen is God het anker van hun hoop. Zij kunnen er vast op vertrouwen, want God doet zijn geloften gestand. Met deze zekerheid blijft het voor christenen altijd mogelijk zin te geven aan hun leven in dienst van God en de mensen.
JesajaJesaja
42, 1-3
Hier
is mijn dienaar, Hem zal Ik steunen,
Hij is mijn uitverkorene, in Hem vind Ik vreugde,
Ik heb Hem met mijn Geest vervuld.
Hij zal alle volken het recht doen kennen.
Hij schreeuwt niet, Hij verheft zijn stem niet,
Hij roept niet luidkeels in het openbaar;
het geknakte riet breekt Hij niet af,
de kwijnende vlam zal Hij niet doven.
Het recht zal Hij zuiver doen kennen.
Filippenzen 2:14-16 HTB
“Doe alles zonder mopperen en zonder ruzie, zodat niemand een kwaad woord van u kan zeggen. Leef in deze ontwrichte, bedorven wereld als zuivere, onschuldige kinderen van God. Want in deze wereld bent u als sterren die het licht van God uitstralen en die de mensen het woord voorhouden, dat het leven geeft. Dan zal ik mij op de dag dat Christus terugkomt, erover kunnen verheugen dat al mijn werk onder u niet voor niets is geweest.”
JohannesJohannes
6, 27
U moet geen moeite doen voor voedsel dat vergaat,
MarcusMarcus
1, 14-20
Nadat Johannes gevangen was genomen, ging Jezus naar
Galilea, waar Hij Gods goede nieuws verkondigde.
Dit was wat Hij zei: ‘De tijd is aangebroken, het Koninkrijk van God is nabij:
kom tot inkeer en hecht geloof aan dit goede nieuws.’
Toen Jezus langs het Meer van Galilea liep, zag hij Simon en Andreas, de broer
van Simon, die hun netten uitwierpen in het meer; het waren vissers.
Jezus zei tegen hen: ‘Kom, volg mij! Ik zal van jullie vissers van mensen
maken.’
Meteen lieten ze hun netten achter en volgden Hem.
Iets verderop zag Hij Jakobus, de zoon van Zebedeus, en zijn broer Johannes,
die in hun boot bezig waren met het herstellen van de netten, en direct riep
Hij hen. Ze lieten hun vader Zebedeus met de dagloners achter in de boot en
volgden Hem.
De
leerlingen laten in het evangelie een familie achter, zij laten achter wat hun
door de natuur is gegeven, om Jezus te volgen en zo een nieuwe familie te
beginnen, gesmeed, niet door de banden van het bloed, maar door een geestelijke
verwantschap, door de verwantschap van de heilige Geest, die in ons hart is
uitgestort en roept 'Abba-Vader', de naam waarmee Jezus zijn Vader aansprak.
Wij zijn van zijn familie, van dat goddelijke gezin, familia Dei.
Wij zijn geroepen deel uit te maken van die familie, door net zoals de
leerlingen, alles achter te laten om Jezus te kunnen volgen.
Moeten
wij dan werkelijk alles achter laten om Hem te volgen ? Alles ?
Misschien. Voor sommige mensen zal de roep dat van hen vragen.
Voor anderen zal de roep betekenen verder doen met wat je bezig bent maar
vanbinnen afstand nemen van al die dingen die een belemmering vormen de Heer te
volgen.
2 Corinthiër 5:19-20 HTB
“Door Christus herstelde God Zijn relatie met de wereld; Hij rekende de mensen hun zonden niet meer toe, maar wiste ze uit. En wij mogen dit geweldige nieuws aan iedereen vertellen. Wij zijn boodschappers van Christus. God doet door ons een beroep op u. Wij smeken u namens Christus: Laat het in orde komen tussen God en u!”
JohannesJohannes
3, 22-30
Jezus ging met zijn leerlingen naar Judea.
Daar bleef Hij enige tijd en Hij doopte er.
Johannes doopte toen ook, in Enon, dicht bij Salim, een waterrijk gebied. Daar
kwamen de mensen naartoe om zich te laten dopen. Johannes was immers nog niet
gevangengezet.
Er ontstond een discussie tussen de leerlingen van Johannes en een Jood over
het reinigingsritueel. Ze gingen naar Johannes en zeiden tegen hem: ‘Rabbi, de
man die bij u aan de overkant van de Jordaan was, over wie u een getuigenis
afgelegd hebt, is aan het dopen en iedereen gaat naar Hem toe!’
Johannes antwoordde: ‘Een mens kan alleen ontvangen wat hem door de hemel
gegeven wordt. Jullie kunnen van mij getuigen dat ik gezegd heb: “Ik ben de Messias
niet, maar ik ben voor Hem uit gezonden.” De bruidegom krijgt de bruid; de
vriend van de bruidegom staat te luisteren en is blij dat hij de stem van de
bruidegom hoort. Dat vervult mij met grote vreugde. Hij moet groter worden en
ik kleiner.’
De doper sprak: "Een mens kan alleen ontvangen
wat hem door de hemel gegeven wordt."
Johannes is een groot voorbeeld van nederigheid. Terwijl hij veel ontzag
genoot, terwijl honderden of misschien wel duizenden mensen naar hem toekwamen
om hem te aanhoren, om door hem gedoopt te worden, bleef hij ten dienste van
datgene wat God hem vroeg. Hij was er zich dan ook ten stelligste van bewust
dat een mens enkel die dingen echt goed, juist en waarachtig kan doen, wanneer
ze hem door God gegeven zijn.
"Christus moet groter worden en ik kleiner.", zo zegt hij. Dat is heel zeker de sleutel, of het geheim, van zijn nederigheid. Het gaat niet om zijn leven dat hijzelf zou kunnen plannen en verwezenlijken. Nee, het gaat om wat God wil; Jezus door Hem heen, Hij steeds groter, Johannes steeds kleiner.
Ook wij zijn geroepen om Jezus steeds groter te laten worden in ons leven en wij kleiner. Niet dat wij niets waard zouden zijn, of dat we onze eigen identiteit zouden moeten prijs geven. Wie Christus groter laat worden in zijn leven zal juist meer en meer zijn ware identiteit ontdekken. Ons ware ik is immers te vinden in ons ja-woord aan de Heer in ons. In Hem zullen we ons ware zelf ontdekken. In Hem zullen we onze roeping horen en de genade ontvangen te groeien op onze weg naar gehoor geven aan die roeping.
Laat ons kleiner worden, opdat Jezus groter mag worden.