Johannes
17, 20-26
Jezus sloeg zijn ogen op
naar de hemel en zei:
'Ik bid niet alleen voor hen, maar voor allen die door hun verkondiging in mij
geloven.
Laat hen allen één zijn, Vader. Zoals U in mij bent en Ik in U, laat hen zo ook
in ons zijn, opdat de wereld gelooft dat U mij hebt gezonden.
Ik heb hen laten delen in de grootheid die U mij gegeven hebt, opdat zij één
zijn zoals wij: Ik in hen en U in mij. Dan zullen zij volkomen één zijn en zal
de wereld begrijpen dat U mij hebt gezonden, en dat U hen liefhad zoals U mij
liefhad.
Vader, U hebt hen aan mij geschonken, laat hen dan zijn waar Ik ben. Dan zullen
zij de grootheid zien die U mij gegeven hebt omdat U mij al liefhad voordat de
wereld gegrondvest werd.
Rechtvaardige Vader, de wereld kent U niet, maar Ik ken U, en zij weten dat U
mij hebt gezonden.
Ik heb hun uw Naam bekendgemaakt en dat zal Ik blijven doen, zodat de liefde
waarmee U mij liefhad in hen zal zijn en Ik in hen.'
Aan het slot van zijn
hogepriesterlijk gebed, vraagt Jezus dat alle gelovigen mogen één zijn in
broederlijke liefde. Deze eenheid is een deelname aan de eenheid die er is in
God tussen Vader, Zoon en Geest. Jezus is ervoor gestorven. Wat doen wij voor
de realisatie van die eenheid ?
'Vader,
Ik heb hun uw Naam bekendgemaakt en dat zal Ik blijven doen, zodat de liefde
waarmee U mij liefhad in hen zal zijn en Ik in hen.'
De
zending van Jezus bestond erin de naam van de Vader bekend te maken. Dat heeft
Hij gedaan, dat zal Hij blijven doen zolang de mensheid bestaat. Hij zal dit
doen opdat de liefde waarmee de Vader Hem liefheeft ook in ons zou zijn.
Door zijn eenheid met de Vader, is Jezus liefde zoals de Vader dat is. Door
Christus' tegenwoordigheid in ons maakt Hij het ons mogelijk te delen in die
liefde.
Een
ver-van-ons-bed-gebeuren ?
Nee, dat hoeft het niet te zijn.
Deze mystieke beleving van het evangelie is voor elke mens weggelegd, voor
ieder van ons, ook voor u.
Christus' liefde kan in ons tot leven komen in alles wat we doen (en laten), in
iedere ontmoeting, in elke handeling.
Wanneer we aardappelen schillen, de kamer vegen, de was ophangen, een praatje
maken met de buren, uit werken gaan, onderweg zijn, rusten, ontspannen, lijden,
sterven,... overal en altijd kunnen we ons innig verenigen met de liefde van de
Heer, met Christus zelf.
Dit
vraagt gebed, een voortdurende gebedshouding, een 'bidden zonder ophouden'.
Niet vanuit eigen krachtinspanning, maar vanuit het rustig laten inwonen van
Gods heilige Geest die ons hart steeds zal wenden naar en in de Heer.