Lucas
7, 36 - 8, 3
Een van de
Farizeeën nodigde Jezus uit voor de maaltijd, en toen Hij het huis van de
Farizeeër was binnengegaan, ging hij aan tafel aanliggen.
Een vrouw die in de stad bekendstond als zondares had gehoord dat Hij bij de
Farizeeër thuis zou eten, en ze ging naar het huis met een albasten flesje met
geurige olie.
Ze ging achter Jezus staan, aan het voeteneinde van het aanligbed; ze huilde en
zijn voeten werden nat door haar tranen. Ze droogde ze met haar haar, kuste ze
en wreef ze in met de olie.
Toen de Farizeeër die Hem had uitgenodigd dit zag, zei hij bij zichzelf: Als
Hij een profeet was, zou Hij weten wie de vrouw is die Hem aanraakt, dat ze een
zondares is.
Maar Jezus zei tegen hem: ‘Simon, Ik heb je iets te zeggen.’
‘Meester, spreek!’ zei hij.
‘Er was eens een geldschieter die twee schuldenaars had: de een was hem
vijfhonderd denarie schuldig, de ander vijftig. Omdat ze het geld niet konden
terugbetalen, schold hij beiden hun schuld kwijt. Wie van de twee zal hem de
meeste liefde betonen?’
Simon antwoordde: ‘Ik veronderstel degene aan wie hij het grootste bedrag heeft
kwijtgescholden.’
Hij zei tegen hem: ‘Dat is juist geoordeeld.’
Toen draaide Hij zich om naar de vrouw en vroeg aan Simon: ‘Zie je deze vrouw?
Ik ben in jouw huis te gast, en je hebt me geen water voor mijn voeten gegeven;
maar zij heeft met haar tranen mijn voeten natgemaakt en ze met haar haar
afgedroogd. Je hebt me niet begroet met een kus; maar zij heeft, sinds Ik hier
binnenkwam, onophoudelijk mijn voeten gekust. Je hebt mijn hoofd niet met olie
ingewreven; maar zij heeft met geurige olie mijn voeten ingewreven. Daarom zeg
Ik je: haar zonden zijn haar vergeven, al waren het er vele, want ze heeft veel
liefde betoond; maar wie weinig wordt vergeven, betoont ook weinig liefde.’
Toen zei Hij tegen haar: ‘Uw zonden zijn u vergeven.’
Zijn tafelgenoten dachten bij zichzelf: Wie is Hij, dat Hij zelfs zonden
vergeeft?
Hij zei tegen de vrouw: ‘Uw geloof heeft u gered; ga in vrede.’
Kort daarop begon
Hij rond te trekken van stad tot stad en van dorp tot dorp om het goede nieuws
over het koninkrijk van God te verkondigen. De twaalf vergezelden Hem, en ook
enkele vrouwen die van boze geesten en ziekten genezen waren: Maria uit
Magdala, bij wie zeven demonen waren uitgedreven, Johanna, de vrouw van Chusas,
de rentmeester van Herodes, en Susanna, en nog tal van anderen, die uit hun
eigen middelen voor hen zorgden.
De tranen van de zondares waren de
bloesem van haar berouw.
Deze tranen, tegelijk van droefheid en van vreugde, banen de weg die zij
voortaan zal gaan: het volgen van de Heer.
Het mooie in dit verhaal is dat Jezus haar
al gewonnen had nog voor zij zich gewonnen gaf.
Dat is bij ieder van ons zo. Alleen moeten wij de moed hebben naar Hem toe te
gaan... Hij die ons roept.
Simon, de Farizeeër, is de man van het
zogenaamde 'gerust geweten'. Hij denkt dat hem slechts weinig moet vergeven
worden. Maar de ziel van deze vrouw staat open voor de genade. Zij biedt God
haar meest kwetsbare zijde aan, wat de liefde toelaat haar hart van steen om te
vormen tot een echt mensenhart dat door de Heer zelf genezen is.
Jezus is niet enkel iemand die gewetens
opkalefatert. Hij geneest ten diepste het hart. Wanneer men met zijn zonde in
alle oprechtheid naar de Heer toegaat, kan Hij inderdaad van een vod een
bruiloftskleed maken, van het zaaisel van een boef een heilige oogst.
Ons geweten mag geen lege doos zijn. Laat
het een ontmoetingsplaats met God zijn.
En als ons geweten zegt dat we niet goed bezig zijn, laten we ons dan werpen in
de armen van Jezus; Hij die op ons wacht, ons wilt genezen, ons wilt laten
delen in zijn Pasen.
Laten
we naar Hem toegaan. Hij wacht.