GEBED IS DE SLEUTEL VAN DE OCHTEND
EN DE GRENDEL VAN DE AVOND.
Zaterdag 8 april 2006
HET SPROOKJE VAN HET BAMBOERIET (3)
HET SPROOKJE VAN HET BAMBOERIET (3)
De meester liep naar een grote groep bam-
boestengels, die dicht opeen stonden. \'Ben jij
bereid?\', vroeg hij de eerste. \'Bereid, bereid\',
mopperde de stengel, \'natuurlijk ben ik bereid.
maar dat kan toch niet? Kijk een; wat een goede
gemeenschap wij vormen. Als u mij wegneemt,
valt deze hele groep uit elkaar. Want Ik leid
deze groep.\' De anderen knikten Instemmend.
\'Goed\', antwoordde de meester, \'Ik kan ook
alleen iemand gebruiken die bereid is zichzelf te verloochenen en zichzelf helemaal aan mij toe te wijden.\' Zoekend en speurend liep hij verder. Een beetje aan de kant stond een enkel riet. Hij was lang niet zo sterk als de anderen, maar wel heel lang. De meester hield zijn pas in. \'Hoe denk jij| erover?\', vroeg hij. Even zweeg het bam- boeriet. Toen fluisterde hij, nauwelijks verstaan- baar: \'Als u mij kunt gebruiken, neem me dan maar.\' De andere bamboestengels keken elkaar veelbetekenend aan. Daar had je hem weer. Een paar jonge sprietjes proestten het bijna uit van het lachen. \'Nee, zeg, die? Dat Is toch belache- lijk\'
Paulus argumenteerde in het voorgaande op een \'als ... dan\'-manier. Dat trekt hij later nog verder door. Maar dat laat hem niet koud: het raakt de kern van zijn geloof. Daarom kan hij het met laten om zijn betoogtrant te onderbreken met een julelkreet. Het is echt waar Chrlstus
Is opgewekt! En daarin ligt onze hoop voor de
toekomst. Hij is de eerste: er volgen er dus meer.
Ademloos luisterden de bamboestengels naar de meester. Ik heb jullie nodig\', legde hij uit. \'Wij moeten namelijk een waterleiding aanleg- gen van de bron hoog In de bergen naar het dorp halverwege de helling. Het waterdragen Is zo zwaar voor de vrouwen.\' Het werd stil. De bamboestengels keken elkaar aan, verrast, een beetje angstig voor wat er zou gebeuren. De meester keek het krachtigste bamboeriet aan. \'Jij bent het meest geschikt, jou moet Ik hebben.\' \'Nee\', riep het net verschrikt uit, \'neem mij alstublieft niet. Het snijden doet zo\'n pijn en Ik ben erg gevoelig.\' \'Als je niet wilt, hoef je niet\', antwoordde de meester, \'Ik heb het liefst vrijwil- ligers.\' En hij wendde zich tot een ander riet. jij bent ook sterk, mag Ik jou nemen?\' \'Liever niet, fluisterde het bamboeriet met een zacht stem- metje, \'Ik ben nog zo zwak. Ik voel me er hele- maal niet toe In staat.\' \'Goed\', zei de meester, \'Ik heb liever iemand die zijn gevoel opzij kan zetten. Dan zoek ik wel verder.\'
'Christus is uit de doden opgewekt, dat is de christelijke prediking. Stel je voor dat het niet zo was! Maar hoe kunnen er dan christenen zijn die beweren dat er geen doden opstaan? Paulus schildert de consequenties van zo'n gedachte- gang. Als geen enkele dode opstaat, dan Chris- tus ook niet. Het zou betekenen dat Paulus en de anderen valse getuigen, leugenaars, zijn; dat hun boodschap leeg, ijdel is; dat geloven dan dus ook geen enkele zin heeft. Dan is er geen redding en geen vergeving van zonden. Verschrikkelijk, als je niet gelooft dat Christus; is opgestaan!
HET SPROOKJE VAN HET BAMBOERIET (I) Het was stil In het bos dat tegen een berghelling In China lag. Zoekend baande een oude man zich een weg door het kreupelhout. De bomen en planten stopten met hun onderlinge gesprek- ken: er was een mens in het bos. Zelfs het anders zo luidruchtige bamboeriet zweeg. Alleen een paar kleine brandneteltjes durfden elkaar nog toe te fluisteren: ^Er moeten zeker weer een paar grote bomen omgehakt worden.' Maar ze verasten zich. De oude man bleef staan voor een bamboebosje en begon te praten. Verbaasd keken de bamboestengels op. Had de meester het tegen hen? Meestal kwam hij om een paar flinke stevige bomen te kappen, die hij dan In stukken hakte. Om hen bekommerde hij zich zelden; zij waren maar gewone bamboestengels ! Maar nu had de meester het toch werkelijk tegen hen. Voorzichtig boog hij| met zijn handen het bamboebosje wat uit elkaar en zocht de beste stammetjes op. Hij bekeek ze van alle kanten en legde toen uit wat zijn bedoeling was.
1 Kor. 15:1 paulus benadrukt dat wat hij gaat vertellen, het- zelfde is als hij In het verleden heeft verkondigd. Zo hebben de lezers het ook aangenomen: het ls hun geloofsbasis. Die basis Is: het sterven, het begraven worden en de opstanding van Jezus Christus. Doordat Hlj stierf voor onze zonden zijn ze weggedaan. Maar zonder opstanding zou- den we nooit zeker weten dat Hij overwonnen heeft. Daarom begint Paulus met alle mensen op te sommen die de opgestane Heer hebben ont- moet. Daarmee onderstreept hij: wij geloven het evangelie van de Heer, Die de dood heeft over- wonnen, Die Is opgestaan.
Hij die zijn eigen weg wil gaan, ziet dwaallicht vaak voor sterren aan en gaat hij op dat schijnsel door. Dan dwaalt hij licht van het goede spoor.. God alleen kent het juiste pad dat uitloopt op de hemelstad /
In de loop van de tijd is in de christenheid tra- ditie, sleur en zelfs openlijk verval binnenge- slopen. Wat dat betreft heeft de kerk het er niet beter afgebracht dan Israël. Maar zoals onder het volk Israël mannen opstonden die de mensen weer wakker schudden en er een opwekking kwam, zo zijn er ook in de kerk mensen geweest die de noodklok hebben geluid. De tijd van de Hervorming is hiervan een voorbeeld. Ook het Reveil is hiervan een voorbeeld. Een heel bekende opwekking vond aan het begin van de vorige eeuw plaats in Wales. Toen het nieuws daarvan Londen bereikte, reisden twee heren naar het westen om de opwekking eens 'te gaan bekijken'. Ze stapten uit op een klein spoorwegstationnetje en vroegen aan de stationsbeamte: 'Waar is de opwekking?' Deze legde zijn hand op zijn hart en zei: 'Heren, de opwekking is hier onder de knopen van mijn uniform.' De op sensatie beluste heren uit Londen stonden beteuterd te kijken. Toch was wat deze man zei heel terecht. Een opwekking bestaat niet in uiterlijk vertoon, maar in de toewijding van je hart, die zichtbaar wordt in je levenswandel.
Lars is één van de vele kinderen in ons land die nog nooit het evangelie hoorde. Zomaar ineens verscheen hij op de kinderclub en iedere woensdag is hij nu van de partij. Hyperactief, dat wel, maar naar het verhaal luistert hij aandachtig. Danken wil hij ook wel. Even denkt hij na. Dan zegt Lars: 'Beste God, dank U dat U even tijd voor ons had. Het was een mooi verhaal. Amen.' Ontroerend. Zijn ouders hebben te weinig tijd voor hun kinderen. Als hij dat alleen maar zou vasthouden, dat God altijd tijd voor hem heeft! Bid alstublieft voor al die 'Larsen', het zijn er zo schrikbarend veel.
Op 6 mei 1857 hield het Britse Bijbelgenoot- schap in Londen zijn jaarlijkse vergadering: Lord -Schaftesbury die de vergadering opende,\' begon met de woorden: \'Eigenlijk is er op deze \' dag niets bijzonders te melden.\' Maar hij vergiste zich. Terwijl hij sprak, barstte er op datzelfde moment in India een grote opstand \'van Bengaalse troepen los. Het maga- zijn van het Bijbelgenootschap in Agra, met zijn geweldige voorraad Bijbels -in een groot aantal inheemse dialekten,: werd al bij de eerste ongere- geldheden verwoest. Enige tijd later werd, een aantal - exemplaren van -de Bijbel door een regiment Mazhali Sikhs gevonden. Dit regiment stond onder de opstan- deíingen als het meest barbaars bekend. Een aantal van deze mannen werd door hef lezen van dë Bijbel in hun geweten getroffen en \'Zij bekeerden zich tot God. Wat een groot verlies voor het werk van het Bij- belgenootschap leek, bleek vachteraf grote winst \' te zijn. Opnieuw bleek hoe ondoorgrondelijkde wegen van God zijn.
In de kathedraal van Canterbury ligt onder andere het graf van Hendrik de Vierde. Zijn graf is een rijk versierde graftombe van grote historische waarde: Jaren na zijn sterven vertelde `
men in Engeland, volgens een legende; .dat het lijk van de koning, tijdens een overtocht over de rivier overboord geslagen was. Er zou in de tombe alleen maar een lege kist geplaatst zijn. Zo\'n legende prikkelt de nieuwsgierigheid. Ongeveer tweehonderd jaar geleden: heeft men daarom het graf geopend. Het bleek dat de vorst toch in de tombe begraven was..Zó heeft men de waarheid over dè dode Hendrik de Vierde leren kennen toen zijn graf \'geopend werd. -
Eenmaal zal ook het uur van de waarheid over het leven van Hendrik de \'Vierde, en over het leven van alle mensen, komen. Dat -zal gebeuren als God de graven opent en allen voor Hem -rekenschap zullen moeten afleggen. Dan verdwijnt elke legende over het leven van de mens en blijft alleen de waarheid over.
Het is een prachtige winterdag. Het is zonnig en het waait ook nog aardig. Kortom: een uitgelezen dag om twee soorten vogels te zien zweven. Net nog heb ik mijn kijker gepakt om twee buizerds omhoog te zien schroeven op de thermiek. Zij maken gebruik van de zon die de aarde verwarmt, waardoor er warme lucht omhoog stijgt. Het zijn mooi-weer-vogels, ze worden gedragen door de warmte van de aarde. Meeuwen en stormvogels moeten het vooral hebben van de wind. Tegen de wind in stijgen ze omhoog en dan gebruiken ze de wind om grote afstanden af te leggen - moeiteloos en met vrijwel stil gehouden vleugels. In de storm zijn zij pas echt in hun element. Zij hebben de aarde niet nodig, je vindt ze ook midden op zee. Je vindt deze twee soorten vogels ook onder christenen. Sommige gedijen alleen bij mooi weer, bij goede omstandigheden. Ze bereiken dan moeiteloos grote hoogten. Ze moeten bij storm en regen echter aan de grond blijven en toekijken hoe de stormvogels de elementen trotserend de aarde ontstijgen. Waaraan ontlenen wij onze geestelijke kracht? Zijn wij alleen sterk als alles meezit? Gebruiken we de stormen in ons leven voor geestelijke groei? Of zijn we dan als aan de grond genageld?
In Markus 16 lezen we van vrouwen die heel vroeg op de eerste dag van de week op weg zijn naar het graf van de Here Jezus. Op vrijdagavond hebben zij erbij gestaan en hebben toegekeken toen Hij in het graf werd gelegd. Als laatste bewijs van hun liefde voor Hem willen ze Zijn lichaam nog balsemen. Als ze zo onderweg zijn, hebben ze een probleem, waarover ze discussiëren. Zij zijn maar zwakke vrouwen en de steen die voor de ingang van het graf ligt, is zwaar. Ze zeggen tegen elkaar: \'Wie zal ons de steen van de ingang van het graf afwentelen?\' Dit mogen we toepassen op onszelf. Ook wij maken ons vaak zorgen voor morgen. We denken aan de taak die voor ons ligt, we denken aan zorgen en problemen. Hoe zal het aflopen? Wat kan er gebeuren? Soms worden de zorgen en problemen ons te veel. De \'steen\' is te zwaar voor ons. De last die we moeten dragen, is te zwaar. Maar we maken ons, net als de vrouwen, vaak onnodig zorgen. Wat lezen we? \'En toen zij opkeken, zagen zij dat de steen was afgewenteld, want hij was zeer groot.\' Wat een zorgen hadden zij zich, onnodig, gemaakt. En hoe geweldig is alles afgelopen! Moeten wij ook niet vaak, achteraf, zeggen: \'De Here heeft alles welgemaakt!\'
Met haar neusje tegen de etalageruit gedrukt, kijkt een klein meisje verrukt naar de prachtige poppen in de speelgoedwinkel. Ze is wèg van de poppenhuizen met al die kleine meubeltjes. O, als je eens naar binnen zou mogen om met al dat moois te spelen! Een man staat aan het strand en kijkt naar de prachtige zonsopgang. Zijn hoop is op Christus en hij denkt aan de heerlijkheid van de hemel. O, om daar te mogen binnengaan - wat een onuitsprekelijke vreugde! C.W. Lewis zegt dat zolang we op aarde zijn, we 'aan de verkeerde kant van de deur zijn'. Maar hij voegt er aan toe:'Al de bladen van het Nieuwe Testament ritselen van het gerucht dat het niet altijd zo zal zijn.' De Here Jezus laat ons niet 'aan de verkeerde kant van de deur'. Door Hem hebben we de zekerheid eens bij Hem te zijn in de heerlijkheid. Niet door onze eigen verdienste, maar op grond van Zijn volbracht werk. Als we in de hemel zijn, zullen we begrijpen wat er staat in 1 Korinthiërs 2:9 :
'Wat heen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en wat in geen mensenhart is opgekomen, al wat God heeft bereid voor degenen die Hem liefhebben.'
De hand waarmee je schrijft, is helemaal niet meer samengesteld uit dezelfde moleculen van voor 8 jaar. Wat ik zeg over de hand, geldt eveneens voor de hersenen. Uw schedel bestaat thans niet meer uit dezelfde hersenstof van voor 8 jaar. Welnu, gezien in een tijdsverloop van 8 jaar alles in uw hersens verandert, hoe kan het dan verklaard worden, dat je ten volle herinnert wat je voor die 8 jaar gezien, gehoord of geleerd hebt. Als die herinneringen diep ingegrift lagen in de lobben van uw hersenen en er bewaart bleven, hoe komt het dan dat zij de volledige verdwijning van die lobben overleven???? Die lobben zijn dezelfde niet meer van voor 8 jaar en toch heeft uw geheugen trouw en ongeschonden al die beelden bewaard. Dit toont duidelijk aan, dat er iets onstoffelijks bestaat, iets duurzaams en aanhoudend aanwezig, heel onafhankelijk van de stof. Dat iets is de ziel.