Ik zal Mij ontfermen over wie Ik
Mij ontferm.
Rom. 9:15
Vandaag lezen wij een klein gedeelte, dat op het
eerste gezicht erg moeilijk lijkt. God kan Zich
over een mens ontfermen of hem verharden.
Van dit laatste is Farao in het boek Exodus een
voorbeeld. Is dit niet erg onrechtvaardig? Als
God -hem verhardt, wat valt Farao dan nog te
verwijten? Maar het ligt anders: Farao wilde niet
naar God luisteren. Juist omdat hij God weer-
staat, wordt hij verhard. God heeft nog nooit
een berouwvolle zondaar verhard. Natuurlijk
niet. Hij ontfermt Zich juist over zondaars en
trekt hen tot Zich. Zij komen niet in de hel,
maar voor de genadetroon van Jezus Christus.
Een geweldig bewijs van Gods grote liefde en
genade.
DE ROEPING VAN MOZES
Mozes trekt met zijn kudde schapen door de
woestijn. Hier in Midjan, waar hij veertig jaar
geleden op zijn vlucht voor de Farao van Egypte
terecht is gekomen, heeft hij een gezin gesticht,
hier is hij gelukkig. En dan is er de ontmoeting
met God, vanuit een brandende braamstruik.
God roept de herinnering in Mozes wakker aan
zijn volk, levend onder de verdrukking van een
nieuwe Farao. In zijn jonge jaren leefde de hun-
kering in Mozes zijn volk te redden. Het leidde
hem tot onbedachtzame daden. Nu is de vlam
in hem gedoofd, en leeft enkel nog het verlan-
gen naar rust. Maar God roept Mozes terug naar
Egypte. Hij roept hem om het volk uit Egypte te
leiden.
Dan breekt het verzet in Mozes open. 'Wie ben
ik, dat ik dat doen zou? Ik ben niet bekwaam.
Och Heer, zend toch iemand anders.'
Maar God zal zijn plan met Mozes ten uitvoer
brengen. Hiertoe heeft Hij hem gered uit het
water van de Nijl. Hij zendt Mozes terug naar
Egypte. God geeft hem wél iets mee. Niet alleen
de steun van zijn broer Aaron; ook: 'Ik ben
immers met u.' Dan volgt Mozes de weg die God
hem wijst.
De weg die Mozes met het volk gelopen heeft
door de woestijn, is een zware weg geweest.
Maar God heeft Mozes' leven zo rijk gemaakt.
Hij heeft het volk mogen brengen tot aan de
poorten van het beloofde land. God ging met
hem mee. 'Ik ben die Ik ben.' Met die naam
mogen wij God aanroepen in ons leven. Het
is een naam vol majesteit. Die naam staat borg
voor Gods trouw, zijn liefde, zijn aanwezigheid.
In die naam ligt Gods heil besloten, waarin Hij
ons opneemt.
Onder de zegen van die naam mogen wij onze
taak in het leven op ons nemen. Soms worden
we geroepen om een zieke te verzorgen, en voe-
len wij ons misschien beknot in onze vrijheid.
Een gehandicapt kind kan ons toevertrouwd
worden. Wij kunnen alleen komen te staan voor
de opvoeding van de kinderen. Wij kunnen een
functie bekleden waarvan de verantwoordelijk-
heid ons drukt. Hoe vaak vragen wij: Waarom
moet ik het zijn, die dit op mij moet nemen?
Maar tot welke taak wij ook geroepen worden,
God zal zijn naam in ons leven waar maken: 'Ik
ben die Ik ben.' Ik zal er bij zijn. In die naam ligt
onze kracht en onze rijkdom.