DE MACHT EN ONMACHT VAN DE MENS
De mens is geschapen naar het beeld en de gelij-
kenis van God, Hij is in staat indrukwekkende
dingen tot stand te brengen. De Schepper heeft
hem geweldige capaciteiten gegeven: een goed
verstand, en een inzicht dat ver boven dat van
de dieren uitgaat. Hij heeft de energie, de ijver
en het talent ontvangen die nodig zijn om de
natuurwetten en -krachten te ontdekken en ze
dienstbaar te maken aan zijn behoeften en zijn
wil. Zo brengt de mens wonderen van kunst en
technische wetenschappen tot stand. Hij dringt
door tot in de lucht. Hij vaart over de oceanen.
Hij heeft de geheimen ontdekt van de elektri-
citeit en andere door God geschapen krachten
en hij gebruikt ze op allerlei manieren; om zich
snel te kunnen verplaatsen over de aarde, bij-
voorbeeld, of om werkzaamheden te verrichten
waartoe zijn lichamelijke krachten niet in staat
zijn.
De mens is doorgedrongen tot alle gebieden van
de aarde. Hij vliegt als een vogel door de lucht,
en duikt ook als een vis naar de diepten van de
oceanen om daar op zijn gemak te varen. Hoe-
wel hij de sterren van de hemel nog niet bereikt
heeft, kan hij toch met nauwkeurigheid hun
loop in de ruimte en hun afstand ten opzichte
van de aarde berekenen. De zons- en maans-
verduisteringen en vele andere astronomische
feiten heeft hij leren kennen. Ook andere exacte
wetenschappen hebben geen geheimen meer
voor hem. Hij bestudeert het gebied van de
aarde en de zeeën, hij kent de bewoners. Door
middel van de natuurwetenschappen kent hij
de wonderen van de dierlijke, plantaardige en
minerale schepping. Hij kan zeeën oversteken,
water door middel van dijken aan banden leg-
gen, meren graven maar ook meren droogleg-
gen, bruggen over rivieren bouwen, tunnels
dwars door bergen graven. Hij kan de diepten
van de aarde onderzoeken om er de rijkdom-
men aan te onttrekken. Hij kan beelden in een
ogenblik van het ene einde van de aarde naar
het andere versturen.
We zouden nog veel meer dingen kunnen noe-
men die tot stand zijn gebracht door de weten-
schap, het genie en de macht van de mens.
De mens kan een spinnenweb dat hij vernield
heeft, niet meer herstellen. Hij kan de appel
die hij van de boom heeft geplukt, niet weer op
zijn plaats hangen. Hij kan een mier die hij met
zijn voeten heeft vertrapt, niet weer tot leven
brengen. En ernstiger: hij kan niet één van zijn
dagen over doen, of de jaren die hij verspild
heeft, terugvinden.
De mens kan niet voorkomen dat er rimpels op
zijn voorhoofd komen of dat de haren van zijn
hoofd wit worden. Hij kan zijn lichaam, dat ver-
oudert en stijf en krom wordt, niet meer oprich-
ten. Hij kan ziekte niet op een afstand houden,
en de dood al helemaal niet. Hij kan niet één
van al zijn domme, kwetsende of boze woorden
ongedaan maken, of één van de verkeerde beslis-
singen die hij heeft genomen, overdoen.
De mens, met al zijn wijsheid en macht, kan
niet één van zijn zonden ongedaan maken, '...
noch zijn ziel verlossen van het eeuwig verderf'
(Ps.49:9).
Maar wat de mens niet kan doen, wil God in
zijn genade geven: eeuwig leven, vergeving van
zonden, vrede, gerechtigheid en de eeuwige
heerlijkheid.