84
1 Voor de koorleider. Op de wijs van De Gatitische. Van de Korachieten, een psalm.
2 Hoe lieflijk is uw woning,
HEER van de hemelse machten.
3 Van verlangen smacht mijn ziel
naar de voorhoven van de HEER.
Mijn hart en mijn lijf roepen
om de levende God.
4 Zelfs de mus vindt een huis
en de zwaluw een nest
waarin ze haar jongen neerlegt,
bij uw altaren, HEER van de hemelse machten,
mijn koning en mijn God.
5 Gelukkig wie wonen in uw huis,
gedurig mogen zij u loven. sela
6 Gelukkig wie bij u hun toevlucht zoeken,
met in hun hart de wegen naar u.
7 Trekken zij door een dal van dorheid,
het verandert voor hen in een oase;
rijke zegen daalt als regen neer.
8 Steeds krachtiger gaan zij voort
om in Sion voor God te verschijnen.
9 HEER, God van de hemelse machten, hoor mijn gebed,
luister naar mij, God van Jakob. sela
10 God, ons schild, zie naar ons om,
sla goedgunstig het oog op uw gezalfde.
11 Beter één dag in uw voorhoven
dan duizend dagen daarbuiten,
beter op de drempel van Gods huis
dan wonen in de tenten der goddelozen.
12 Want God, de HEER, is een zon en een schild.
Genade en glorie schenkt de HEER,
zijn weldaden weigert hij niet
aan wie onbevangen op weg gaan.
13 HEER van de hemelse machten,
gelukkig de mens die op u vertrouwt.
Gelukkig wie wonen in uw huis.
Veel mensen zijn gehecht aan hun huis, de gezelligheid, de warmte, het comfort. Of men verlangt naar een beter huis, een grotere tuin, meer ruimte en nog meer comfort. In de eerste plaats biedt een huis je bescherming tegen kou of warmte, tegen regen of sneeuw, maar ook tegen pottenkijkers. Wij hebben onze eigen plek nodig, privacy noemen we dat. Ook ons hart kan verlangen naar rust, vrede, genot, naar bescherming en privacy. De psalmdichter drukt dat wat sterker en directer uit: hij smacht naar de voorhoven van de Heer. Het gaat hem dan niet om de tuin zelf, of hoe het er daar precies uitziet. Nee, met alles wat hij in zich heeft, roept hij om bij de levende God te zijn. Wat wij hier op aarde ook mogen bezitten, hoe goed we het ook kunnen hebben, er is maar één plaats die alles overtreft: bij God zelf zijn. Wij mogen bij God wonen en bij Hem een schuilplaats vinden. Als Hij de vogels al beschermt, zal Hij ons zeker niet minder beschermen. Wij mogen vertrouwen op de Heer van de hemel en de aarde, de Schepper die alles in zijn hand houdt. Dat brengt geluk, hoe de omstandigheden ook mogen zijn. Zijn nabijheid werkt voortdurende lof in onze harten. Het versterkt degene die Hem met heel zijn hart zoekt. Wat een geweldige troost. 'Ja, maar hoe doe je dat dan, vooral als het je niet mee zit? Ik ervaar die zegen nauwelijks in mijn leven. Ik ben maar aan het ploeteren.' Dat staat er direct achter: richt je tot God en ga met Hem praten, ga in gebed. Wij mogen het van Hem verwachten, vragen of Hij naar ons omziet. En dat doet Hij. De wereld mag er dan soms nog zo aantrekkelijk uitzien, of we moeten door een dal gaan, bij God wonen is het allerbeste, zelfs al is het maar één dag. Hij geeft wat wij echt nodig hebben: genade en glorie. Als we maar op Hem vertrouwen en ons leven en ons doen en laten met Hem delen. Laten we dat doen: Hem in ons leven de eerste plaats geven; dat betekent zegen.