EEN BIJZONDER MENS .
Er ging geen dag voorbij of er werd door gemeenteleden gebeden of de Here God mensen wilde binnenbrengen, zodat zij de evangelieboodschap konden horen. Op een dag kwam hij in de samenkomst, een antwoord op ons gebed: een heel bijzonder mens. Slecht geschoren, lang vet haar, geen tanden in zijn mond en enigszins haveloos gekleed. Maar hij had een tegenovergestelde houding, op het arrogante af. Hij stond daar in de deuropening en overzag een beetje geringschattend de gemeente. De 'dorpelwachters' ontvingen hem zeer vriendelijk en hem werd een beetje vooraan een plaats gewezen. Genadiglijk ging hij zitten. Geen wonder, want hij kwam om van dat gezeur van zijn zuster af te zijn, die hem steeds weer vroeg om asjeblieft toch eens één keertje mee te gaan. Nou, ze moesten hem dan maar nemen zoals hij was, voor God waren toch alle mensen gelijk? Nou dan! Hij hoorde de boodschap en begreep er niet veel van, maar hij bleef toch regelmatig komen, want waar ter wereld zeiden de mensen elke keer als hij binnenkwam: 'Ha, die Otto, fijn dat je er weer bent!' Nergens! Plotseling bleef hij weken achtereen weg. Zijn zuster zei dat hij uit huis was gezet en ergens in Den Haag zwierf. Toen we hem weer zagen, was het niet goed met hem. Hij had veel last van maagpijn en zag er grauwer uit dan ooit. 'Otto,' vroeg ik, 'heb je al een onderkomen?' Hij deed een vaag verhaal over een vriend, maar ook over op het station slapen. In een opwelling bood ik hem onderdak aan, maar dat wilde hij beslist niet. 'Otto,' zei ik, 'de winter komt eraan, je kunt niet buiten blijven zwerven!' Hij verzekerde mij dat hij tegen die tijd wel een huisje in een hofje had. Daar stond hij voor ingeschreven en hij maakte een heel goede kans. 'Otto, als dat niet doorgaat, kom je dan een poosje bij ons wonen?' Hij beloofde het. Het werd november en er kwam voor hem geen woning in het hofje. En zo stond op een dag Otto voor de deur met een vuilniszak met een beetje kleren erin en wat prullaria. We hadden een gezellige kamer voor hem van ongeveer drie bij drie meter en vroegen hem of hij zich aan enkele huisregels kon houden, zoals om zes uur binnen voor de warme maaltijd, roken alleen op zijn eigen kamer, elke dag scheren en regelmatig onder de douche. Met elke dag scheren had hij moeite, dus na enig onderhandelen werd het: op woensdag en op zondag. Beide dagen beloofde hij ook mee te zullen gaan naar de samenkomst. Tegen de douche maakte hij geen bezwaar, maar ik kreeg in de loop van de tijd wel het vermoeden dat de douche goed liep, maar Otto er niet onder stond. Hij bleef uiteindelijk toch nog vijf maanden bij ons en het was een groot succes. Hij werd wat gezonder, wat dikker en wat schoner. Hij ging naar de kapper en liet dat dikke steile haar van hem kortwieken, waardoor er een nog olijker gezicht tevoorschijn kwam. We kregen hem eindelijk weer terug in het ziekenfonds en we spaarden samen met hem van zijn uitkering voor spulletjes en meubeltjes, voor in het huisje in het hofje. Als men in de gemeente hem een compliment maakte over zijn uiterlijk, dan zei hij: 'Dat komt door mijn nieuwe moeder.' Notabene, hij was van dezelfde leeftijd als ik: 55 jaar! In zijn hele doen en laten, inclusief de smoesjes, was het net een groot kind. Op een dag kwam hij trots en blij met een fiets aan. 'Hoe kom je daar aan, Otto?' Hij deed een verhaal over een vriend op de markt, die van de dokter niet meer mocht fietsen, enz. Het leek mij geen zuivere koffie, maar ik liet het maar zo. Hij vroeg of de fiets aan de trapleuning kon worden gehangen. Maar dat ging niet. Wij hadden zelf onze fietsen met een dikke ketting aan het hek van de kade vastgemaakt, dus moest hij dat ook maar doen. Ik vertelde hem dat die ketting niet afdoende was, want er waren al twee fietsen van ons gestolen. 'Maar,' zei ik, 'ik las een hele poos geleden in de Bijbel, dat God ons beschermengelen heeft gegeven, dus bid ik al heel lang om beschermengelen bij mijn fiets en volgens mij helpt het echt, Otto!' 'Echt waar?' vroeg hij. 'Echt waar!' zei ik. Hij trok zijn jas weer aan en ging naar beneden. Nieuwsgierig volgde ik van tweehoog zijn verrichtingen aan de overkant aan het hek. En wat deed hij? Hij maakte de fietsketting los en ketende vervolgens zijn fiets aan de mijne! Toen hij weer boven kwam, vroeg ik waarom hij zijn fiets aan de mijne had vastgemaakt. 'Moeder,' sprak hij plechtig, 'jij kunt beter bidden dan ik.' Ach en daaruit volgde een heerlijk gesprek over een Vader in de hemel, die iedereen hoort en zijn oor juist neigt naar de stamelende gebeden, want bidden is gewoon heel eerbiedig praten met God. Otto kon voor zijn fiets zelf een plek aan het hek kiezen en zelf bidden, want voor God zijn alle mensen toch gelijk?
We hebben Otto niet bij ons kunnen houden, de verzameling prullaria werd erg groot en het gespaarde geld was plotseling verdwenen en hijzelf verdween ook wel eens dagenlang, ons in grote ongerustheid achterlatend. En daarna kwam de dag dat hij weg bleef. Wij hebben uiteindelijk zijn kamer leeggemaakt: twaalf grote volle vuilniszakken brachten we weg en de niet kapotte spullen mochten in de kelder van zijn zuster. We hebben geen engel gehuisvest, maar gewoon de herbergzaamheid niet vergeten. En dan 'waakt er wat' over je huis! Veel meer dan we ooit hebben kunnen beseffen.