DE GROT
Vroeger leefden onze voorouders als primitieve wilden in grotten. Ze droegen berenvachten en sloegen elkaar met grote knotsen de aapachtige schedels in. Dat is tenminste zo ongeveer het beeld dat uit bepaalde boeken opduikt. Het is voor ons onvoorstelbaar dat er, ergens in die grijze oudheid, mensen rondliepen die werkelijk konden nadenken. De holbewoners waren primitieve wilden.
Nu is het maar helemaal de vraag of dat waar is. Juist het feit dat we geen geschreven documenten hebben over het leven in die oude tijden moet ons voorzichtig maken. We weten helemaal niet hoe het gedachteleven van een hunebedbouwer eruitgezien heeft. En we hebben helemaal geen aanleiding te veronderstellen dat hij minder moreel besef had dan wij. Iemand heeft al heel lang geleden gezegd dat we allemaal een beetje op zulke holbewoners lijken. We zitten daar in het donker en hebben er eigenlijk geen idee van hoe de wereld er uit ziet. Want voor de ingang van het hol brandt een vuur. Wij zien alleen maar schaduwen op de wand. Alles wat we zien, is niet de werkelijke gedaante van de dingen, maar alleen maar een afbeelding ervan. Natuurlijk had hij het niet over de dingen die we zomaar kunnen vast pakken. Hij had het over de zaken die we niet kunnen betasten. Over recht en gerechtigheid, bijvoorbeeld. Daarvan hebben we geen werkelijke notie. We kunnen ons er alleen maar een denkbeeld over vormen, omdat we kijken naar de schaduw ervan op de wand van de grot waarin we ons leven slijten.
Toen ik dit voor het eerst las, begreep ik het niet echt. Vooral omdat hij het niet alleen over 'recht' en 'gerechtigheid' heeft. Hij wil duidelijk maken dat de dingen die we in de wereld zien, niet de kern van de zaak vertegenwoordigen. Allerlei dingen in deze wereld zijn onvolmaakt, terwijl we allemaal willen dat zaken en mensen volmaakt zijn. Wij wensen dat het in de werkelijkheid van de hogere wereld beter is. Dit geldt volgens hem ook voor zaken die je niet kunt pakken, voor begrippen als bijvoorbeeld gerechtigheid. We hebben er allemaal een idee over hoe de ware gerechtigheid er uit moet zien, maar we beseffen ook dat we die volmaakte gerechtigheid niet zullen kunnen waarmaken. We blijven altijd steken op het niveau van ons eigen onvolmaakte leven.
Langzamerhand kwam ik er achter wat hij bedoelde. De parabel van de grot, zoals het verhaal heet, verdween helemaal uit mijn gedachten. Zo nu en dan hoorde je er iemand over praten, en dan kwam het allemaal weer naar boven. O ja, dat was dat verhaal dat we hier op aarde geen werkelijke kennis van de essentie van de dingen konden opdoen. Daarmee moesten we wachten tot we uit de grot van ons aardse bestaan werden bevrijd. Pas dan, in de vrijheid van de geestelijke wereld, zouden we ons kunnen buigen over de ware aard van de dingen. Hoewel ik aan de ene kant wel een beetje aanvoelde waarom die oude wijsgeer met dat verhaal was gekomen, moest ik aan de andere kant vaststellen dat hij wel heel laatdunkend over het leven sprak. Voor hem was het leven niet meer dan een gevangenis, waaruit de geest eens, door de dood, bevrijd zou worden. Kijk, dat sprak mij helemaal niet aan. Want ik geloof helemaal niet dat het leven een gevangenis is en dat de dood een bevrijding is. Wij mensen zijn schepselen van God en dus is het leven de moeite waard.
Bij het leven gaat het in wezen om de vraag hoe ik omga met de dingen die de Here God mij heeft gegeven.