De anderen
… altijd de anderen, altijd voor de andere(n). Ik heb nooit iets van ze begrepen. Eerst vochten ze om knikkers en voetbalplaatjes, daarna om een lief en geld. “Als er maar een mooie wagen voor mijn deur staat”, hoor ik ze nog zeggen. Bovendien hebben ze meestal een partner (met een BMW) of kortom wéér anderen om ze te troosten en te ondersteunen, gemeend of geveinsd. Dat is nooit aan mij zo besteed geweest … of toch, hoe vaak was ik de pastor, het vluchthuis, de begrijpende. Maar met echte partners kan ik beduidend minder goed uit de voeten dan de anderen om mij heen. Is het wel mijn verlangen me verbonden te voelen met één enkel individu?
Is het niet zo dat ik diep vanbinnen streef naar een eenwording met iedereen? Duikt hier weer mijn altruïsme op en waarom wil ik me dan toch altijd terug, haast smachtend, hechten aan die éne, ook al is het een voorbijganger?
Let op, hier gaat het meestal om een spirituele éénwording, zich thuis mogen voelen bij de ander of is liefde ook telkens ook weer voor een groot deel eigenliefde? Misschien ligt het antwoord in het oerritme, de extase me lichamelijk met één persoon te verenigen, een sensatie die ik niet wil kwijtraken. Ja, éénmaal “aan het geheim geroken, nestelt het zich in je lichaam”. De Egyptenaren wisten dat toen al.
Maar dat ik zoveel malen zeg en schrijf, nu en vroeger dat "ik van je hou" ,vul ik dan ook anders in dan doorgaans wanneer een persoon verliefd is. Voor mij is het iets puurs, iets heel authentieks. Ja, ik wil liefhebben maar ik realiseer me dat ik mijn behoefte om de liefde te delen heel anders is dan bij de anderen om me heen.
Maar dit weet ik, ook vandaag, ZONDER LIEFDE GERAKEN WE NERGENS.
Dat ik dan toch verliefd geworden ben op jou en op jou klinkt misschien een beetje vreemd, maar gaf jij niet die liefde aan mij en de mogelijkheid jou te mogen beminnen?
Dank dat je vandaag zo intens aan me dacht en dat ik je mag liefhebben.
















