Beeldende kunst
Net zoals de bouwkunst moeten de beeldende kunsten godsdienstige voorstellingen in een begrijpelijke vorm uitdrukken.
Aangezien de dood een eeuwige verlenging van elke dag is, moet de kunstenaar het leven als iets onveranderlijks afbeelden.
De Rondsculptuur
Het grote deel van de beelden zijn koningsbeelden.
De farao wordt uitsluitend jong en krachtig voorgesteld.
Door zijn naam op het beeld te plaatsen wilde men hem het eeuwig leven schenken.
De rechtopstaande beelden zijn in rust-toestand, de benen samen of de linkervoet lichtjes vooruit.
De zittende beelden hebben de benen naast en bij elkaar. De armen zijn tegen het lichaam gedrukt, de handen op de knieën, ofwel de armen gekruist voor het lichaam met in de handen de koninklijke waardigheidstekens.
De farao zat op een troon, versierd met afbeeldingen van de belangrijkste planten uit de twee gebieden die hij regeerde: de lotusbloem (Opper-Egypte) en de papyrusplant (Neder-Egypte). In zijn linkerhand hield hij een herdersstaf (=veeteelt)
en in zijn rechterhand een lijmzweep (=landbouw) waarmee de lijm uit rietstengels werd geslagen.
Zijn kroon bestond uit een bolle witte muts (Opper-Egypte) en een puntige rode muts (Neder-Egypte). Hij droeg een kunstbaard (=waardigheid).
De beelden zijn onderworpen aan de wet der frontaliteit en zijn bedoeld om vooraan bekeken te worden.
De beelden zijn gemaakt in natuursteen, metaal of hout.
Daarnaast zijn er een aantal "private" beelden. Bij deze beelden geldt minder de wet der traditie (vb. gehurkte schrijver). Het gewone volk wordt realistischer weergegeven.















