Volkse schilderkunst
algemene kenmerken:
Het ontbreken van perspectief:
bij de Egyptenaren wordt het perspectief uitgedrukt door horizontale rijen onder elkaar te plaatsen.
De onderste rij is de meest dichtbije, de bovenste de verste. Bovendien verkleinen de figuren niet naargelang ze verder van de toeschouwer verwijderd zijn.
De kunstenaar deed dit bewust.
In zijn ogen vervormt het perspectief de werkelijkheid en daar had hij een afkeer voor.
De mens wordt in een fysiek onmogelijke houding weergegeven: hoofd in profiel;
oog frontaal, gerekt en ovaal ,
schouders frontaal ,de borst niet naar voor,
de armen zijn onnatuurlijk aan het lichaam gezet en
de voeten bevinden zich plat op de grond en voor elkaar geplaatst.
De onderlinge grootte wordt niet gedicteerd door het perspectief.
Sociaal belangrijker figuren zijn groter afgebeeld dan minder belangrijke.
Goden en farao zijn altijd groter dan hun onderdanen, priesters zijn groter dan het gewone volk. Het was dus een kwestie van sociale hiërarchie.
Een natuurgetrouwe weergave: de kunstenaar tekent niet wat hij ziet, maar wel wat er is!
De reliëfs en de schilderingen werden gekleurd. De schilder tekent een silhouet en kleurt het met slechts één tint.
De kleuren zijn zuiver conventioneel en symbolisch.
Het kleurenpalet is beperkt met overwicht van okertonen.
Wit wordt vooral gebruikt voor de kleding. Vrouwen = okergeel; mannen = steenrood; negers = donkerbruin.
Techniek: de verf werd aangebracht op een droge pleisterlaag (al secco). Het zijn geen echte fresco's.






















