JEF TINEL : EEN GEËNGAGEERD MUSICUS IN DIENST VAN ZIJN VOLK
Leven en werk
Voor haar eindwerk kon Gaëlle Deldime enkele jaren geleden aan de faculteit musicologie van de ULB een beroep doen op heel wat archiefstukken (krantenartikels, brieven, partituren, recensies, programmabrochures, foto’s) die hoofdzakelijk in familiebezit zijn. Daarnaast kon ze gesprekken voeren met enkele naaste familieleden en vrienden van Tinel. Ze bracht dan ook heel wat informatie samen die nergens anders te vinden is en maakte op die manier een zeer interessante status quaestionis van alle biografische, bibliografische en discografische gegevens rond de figuur van Jef Tinel. De familie vroeg haar om vooral de nadruk te leggen op de muziek. De auteur verkoos echter zowel de daden als de muziek te belichten omdat ze vaststelde dat Tinel leefde voor zijn muziek en zijn ideeën in zijn muziek verwerkte. De scriptie bestaat uit een zestal grote onderdelen.
We kunnen eerst een uitgebreide levensbeschrijving lezen. Daarin leren we o.a. dat hij geboren werd op 11 mei 1885 in het Waalse Lessen waar zijn vader Oscar onderwijzer was. Al vrij vlug (1891) keerde het gezin naar de thuisbasis in Maldegem terug omdat vader Tinel er koster – organist werd. Jef kreeg muziek – en orgellessen van zijn vader en kon als achtjarige knaap reeds zijn vader en andere organisten vervangen. Hij schreef toen ook al zijn eerste liederen. Na zijn studies aan het college van Eeklo trok hij naar de Normaalschool in St. – Niklaas om er onderwijzer en organist te worden. Van 1903 tot 1907 studeerde hij (o.a. samen met Arthur Meulemans)aan het ‘Lemmensgesticht’ in Mechelen waar hij laureaat orgel, harmonie, contrapunt en fuga werd. Zijn leraar was er o.a. zijn eigen oom Edgar Tinel. Jef Tinel zelf getuigde over zijn oom : » Ik zal u zelfs zeggen dat hij in den beginne mijn muzikale loopbaan niet bijster heeft aangemoedigd……Zijn onderwijs is wellicht te streng en te persoonlijk…..Zo was hij immers opvliegend, stijfhoofdig en fel autocratisch inzake onderwijs. Bij momenten kon hij ook heel zacht en mild zijn. » Nadien vervolmaakte hij zich nog in compositie bij Leo Moeremans in Gent (samen met o.a. Robert Herberigs) .
Vanaf 1908 startte zijn carrière als organist, dirigent van koren en harmonieën en als muziekleraar.
In 1924 publiceerde Alfons Moortgat voor het eerst werk van Jef Tinel, nl. het lied ‘O Blijft’. Moortgat schreef in zijn inleiding: “Ik beschouw het als een voorrecht dat ik deze begaafde leerling van E. Tinel in mijn bundel ‘Orgelmuziek’ voor ’t eerst aan het publiek heb mogen voorstellen als een moderne volgeling van Schumann voor het Vlaamse lied. In deze lof kan enige overdrijving zijn wanneer men hem toepast op zijn kunst in globo; maar zeker is het dat zijn beste liederen het intieme en gemoedelijke van Schumann nabijkomen. Ook de geestelijke liederen van zijn hand (…) hebben reeds de aandacht op hem gevestigd en Muziekwarande mag dan ook terecht schrijven dat hij er onder de jongeren ongetwijfeld de kroon spant.”
Jef Tinel componeerde een ontelbaar aantal kunst - en volksliederen. In februari 1922 schreef Moortgat reeds aan Tinel:” De kunst zit in het bloed, en geen wonder! Uw liederen zijn waarlijk een openbaring voor mij geweest.” Ook Emiel Hullebroeck wist zijn liederen te waarderen :” Ik heb uw liederen gelezen en –rechtuit gesproken – daar steekt veel goed in.” Hij raadde hem aan enkele liederen naar Arthur Wilford te sturen ter publicatie. Wilford verklaarde zich erg tevreden over zijn liederen en was bereid om er uit te geven (brief van januari 1923). Op 26 augustus 1926 schreef De Standaard over hem: We moeten terecht de aandacht trekken op het werk dat we van deze componist in de laatste tijden ter bespreking ontvingen. Er is daar iemand aan het woord die er zijn mag.”
Op vraag van Hullebroeck (“Ik houd aan de naam Tinel op onze lijsten”) werd hij één van de eerste leden van de auteursvereniging NAVEA.
Na een verblijf in Tielt (1929 – 1936) werd Tinel directeur van de muziekschool in Maldegem. Hij hechtte als pedagoog veel belang aan de rol van het lied in het muziekonderwijs: “ Men overlaadt de leerprogramma’s met allerlei vakken, maar voor het gezonde, ontspannende, opvoedende lied blijft er geen tijd…Van de juiste intonatie blijft niets over, vooral als men van in het lager onderwijs niet leert zingen en een soort liedcultus in ere houdt.” (Interview uit 1955) . Tinel bleef directeur tot aan de bevrijding in 1944. Gedurende 13 maanden werd hij geïnterneerd en uit Maldegem verbannen: hij was immers een tijd kapelmeester van het Verdinaso geweest, dirigeerde op de Ijzerbedevaart en componeerde Vlaamse strijd- en stapliederen (o.a. Wij zijn bereid). In 1953 werd hij van alle schuld gezuiverd. Hij vestigde zich in Gent en bespeelde het orgel van de Augustijnen. Hij dirigeerde nog op de Vlaams – Nationale Zangfeesten, Vlaamse liederavonden en Ijzerbedevaarten. Hij trad op in de radioconcerten van Willem De Meyer en werd gehuldigd voor zijn 70ste, 75ste, 80ste en 85ste verjaardag. Bij de jaarlijkse bijeenkomsten van kunstenaars op het kasteel van Beervelde bij gravin d’Hespel was Jef Tinel een graag geziene en gewaardeerde gast en kwam hij in contact met koningin Elisabeth. Voor de rest bleef het stil rond hem. Hij overleed in Gent op 25 mei 1972.
Naast een uitgebreide biografie geeft Gaëlle Deldime een uiteenzetting over de muziek en de Vlaamse Beweging en publiceert ze de volledige opuslijst van liederen, koorwerken, religieuze muziek, volksliederen, toneelspelen, orgel- en pianomuziek, kamermuziek, muziek voor harmonieën en fanfares en symfonische stukken. Hieruit blijkt dat Tinel een gigantisch oeuvre bijeenschreef gaande van orkestsuites en cantates tot alle vormen van vocale muziek. Vooral zijn liederen, missen, motetten en profane koorwerken kenden enkele uitvoeringen.
De analyse die Deldime van het werk maakt is jammer genoeg zeer kort en algemeen. Ze plaatst het werk in de laat - romantische stroming. Er zijn wel enkele nieuwe ‘sonoriteiten’ in zijn werk, maar hij was zeker geen vernieuwer en experimenteerde niet. Zijn harmonieën zijn eenvoudig en fris en plaatsen Tinel naast Van Hoof. Zijn werken zijn zeer evenwichtig gestructureerd met een duidelijke doorzichtige constructie. De muziek klinkt sober en vaak melancholisch en dromerig. Zijn orgelwerken en religieuze werken ademen de sfeer van het Lemmensinstituut.
Tinel had een enorme bewondering voor Benoit, maar als componist bleef hij veel klassieker en classicistischer. Bach was voor hem de basis van de muziek. De muziek van Tinel combineert dan ook het sobere classicisme met de romantiek. Vandaar de gelijkenissen met Schumann.
Het eindwerk beschrijft verder nog Tinel als geëngageerd musicus en somt alle (gekende) uitvoeringen van werken van de toondichter op.
Koorcomponist
Voor de koorliefhebber willen we toch in het kort enkele interessante koorwerken voorstellen. Hij schreef zowel voor mannenkoren als gemengde koren.
In het nummer 3 van de jaargang 1999 van Even Aanzoemen gaven we een bespreking van de 6 Gezelleliederen voor gemengd koor. Een bundeltje dat zeer geschikt is voor het concertpodium of voor in eucharistievieringen. Het zijn 6 innige en intieme koorwerken met een serene devotie waarin ruimte gelaten wordt voor een eigen interpretatie. In nummer 3 van 2001 verscheen een korte bespreking van de Missa in honorem sacratissimi Sacramenti voor 4 – stemmig koor met orgelbegeleiding. Een zeer rijke en religieuze compositie waar koor en orgel perfect in elkaar verstrengeld zijn. Soberder maar niet minder muzikaal en rijk is de Missa Salve Regina (op Nederlandse tekst) voor 4 – stemmig koor en orgel. Deze missen vallen op door hun tekstgetrouwe compositie. De muziek beeldt de tekstinhoud getrouw uit. Zo is het Kyrie telkens een nederig smeekgebed en biedt het Gloria plaats voor uitbundigheid. De muziek is zeer sfeervol en afwisselend. Tinel gebruikt geregeld fugatische figuren waardoor de muziek kan aanzwellen en indrukwekkend wordt, meteen gevolgd door een contrasterend pianissimo. Typisch zijn ook de leidmotieven: de tekst ‘miserere nobis’ in de Gloria en het Agnus Dei verwijzen duidelijk naar elkaar. Het bewijst de doordachte structuur van de werken. Deze missen passen perfect in de misvieringen. Het Gloria van de eerstgenoemde mis is ook georkestreerd, en kan zeker gebruikt worden tijdens een concert. Een pareltje van religieuze muziek is ‘O salutaris hostia’ voor 4 – stemmig koor en orgel: strofisch, eenvoudig en stemmig. Een eenvoudige melodie wordt ondersteund door een mooi ineengestrengelde polyfonie Het geheel vormt als het ware één grote boog van een op – en neergaande golf. ‘Keer dine oghen’ is een a - capellakoorwerk dat een zekere grandeur bezit. Het enkele keren weerkerend hoofdthema in een 5/2 – maat en de verbredende triolen geven het werk een plechtstatigheid en verhevenheid. Ook hier weer zijn er contrasten tussen verstilde innige passages en crescendo’s. Modulaties en maatwisselingen geven het werk een afwisselend karakter. Dit koorstuk is zeer beheerst en degelijk gestructureerd. Er is een soort omfalische structuur: het einde is een herinnering aan het beginthema. Elke stem heeft wel eens het hoofdthema en elke stem dient eens als begeleiding zodat het zowel voor de zangers als de toehoorders boeiend en afwisselend is. Het betere koor kan dit werk aan. Op het concertpodium verdient dit werk zeker en vast een plaats. Tinel bewerkte ook enkele kerstliederen (Het viel eens hemels dauwe; Stil nu ‘t kindje slapen wil; Herders, Hij is geboren; Maria die zoude; …) vol respect voor het karakter van de oorspronkelijke melodie.
Bij de profane koorwerken is ‘Fantasia’ meer dan het vermelden waard. Op een tekst van Rodenbach bezingt Tinel een jongeling die naar de wolken kijkt en droomt. Zeer dromerig. Dit koorwerk is niet zo moeilijk van noten maar vraagt een sterke discipline van ademhaling, concentratie en intonatie. Vaak komen lange begeleidingsnoten voor waardoor het gevaar van detoneren bestaat. Modulaties verrijken de harmonie en klankkleur. Hoewel ze zeer natuurlijk klinken, zijn ze niet altijd eenvoudig te zingen. Fantasia is een prachtig sfeerstuk dat ruimte biedt voor persoonlijke interpretatie. Het klinkt romantisch, maar door de flarden van droombeelden doet het ook wat impressionistisch aan.
‘Leg op mijn hart uw voorhoofd’ (tekst van Pol De Mont) is een doorgecomponeerd koorwerk van lange adem (lettterlijk en figuurlijk). Typisch voor de muziek van Tinel zijn de verschillende modulaties en wisselingen van tempo en karakter. Polyfone en homofone passages wisselen elkaar af en we treffen ook hier weer lange begeleidingsnoten aan. Het stuk wemelt van wijzigings – en herstellingstekens. Schitterend is de tekstuitbeelding; zo wordt de tekst ‘zo eindloos lang’ werkelijk zeer lang en langzaam wegstervend uitgebeeld waarna zeer contrasterend en levendig de nieuwe zin ‘Ik zoek die hemelse ogen’ wordt ingezet. We voelen in de muziek de opwinding en verrukking door wervelende vocalisen, versnellingen en crescendo’s. Het stuk eindigt weer verstild met een reminiscentie aan het begin van het werk.
Met ‘Fijn liefje’, ‘En ’s avonds is het goed’ en ‘Truiken over ’t deurken’ bewees Tinel dat hij zelf volksliederen kon schrijven en bewerken voor koor. Pittig, fris, eenvoudig en toch muzikaal af.
‘Het meisje van Scheveningen’, ‘ Wel Annemarieke’ en ‘Rosemarie’ zijn prettige en eenvoudige bewerkingen van bestaande volksliederen. Ook hier weer dient en ondersteunt de bewerking de stijl en het karakter van het oorspronkelijke volkslied.
Op tekst van René Declercq componeerde Tinel ‘Als ’t bruine veld’ voor 4-stemmig koor en strijkers. Voor de strijkers een aardig stuk muziek en tegelijk een rijke koorpartituur. Een wervelende en meeslepende beschrijving van het bruine veld dat openzwelt, de leeuwerik en de lachende zon. Via tekstherhalingen, een levendiger wordende melodie en opgedreven begeleiding bereikt de muziek een grootse climax.
De meeste van deze vermelde en andere koorwerken zijn te raadplegen in de bibliotheek van het CVM. Via internet (http://icking-music-archive.sunsite.dk) kan je ook enkele van deze besproken koorwerken beluisteren en afdrukken. Via de redactie van EA kan je inzage krijgen in de partituren van alle werken van Tinel.
Besluit
Jef Tinel was een musicus die leefde van en vooral voor de muziek. Hij speelde orgel, componeerde, dirigeerde en gaf les. Zijn muziek weerspiegelt zijn engagement als gelovige en als Vlaming. Zijn muziek en hijzelf stonden ten dienste van de Kerk en de Vlaamse Beweging. Roem en rijkdom streefde hij niet na, enkel schoonheid, waardigheid en verhevenheid. Zijn werken bewijzen stuk voor stuk zijn natuurlijk talent en zijn grondige vakkennis opgedaan in Lemmens en bij Leo Moeremans. Maar wegens zijn naar rust zoekende natuur en bescheidenheid en wegens miskenning door de officiële instanties (na 1944) bleven de meeste van zijn werken onuitgegeven en onuitgevoerd. Daarom is het ook te betreuren dat het Vlaams - Romantisch Koorboek geen werk van hem publiceerde. Hij zou er zeker op zijn plaats geweest zijn want veel van zijn koorwerken overtreffen in kwaliteit bepaalde wel gepubliceerde koorstukken. Componist Lieven Duvosel schreef in 1954 over de koorwerken van Tinel: ‘Het zijn pereltjes !’ In 1926 schreef Mgr. Van Nuffel aan Jef Tinel na het bekijken van enkele van zijn koorwerken : “ Er zijn er waarlijk zeer goede bij die –hoe eenvoudig ook – een fijn gevoel veropenbaren. Ik hoop dat u de gelegenheid zult vinden om er enige te laten drukken.” Hopelijk krijgt zijn werk nu toch nog de interesse en waardering die het verdient. Mogen het proefschrift van Gaëlle Deldime en dit artikel daartoe een eerste aanzet zijn.
"De inhoud van deze pagina is beschikbaar onder CC-BY-SA/GFDL".