Ivo Mortelmans, geboren in Antwerpen op 19 mei 1901, was de tweede oudste zoon van de grote toondichter Lodewijk Mortelmans. Tegen diens zin verkoos hij ook zijn leven aan de muziek te wijden.
Hij studeerde aan het conservatorium van Antwerpen bij o.a. Arthur De Hovre (orgel), Edward Verheyden (harmonie) en Lodewijk Mortelmans (contrapunt). Verder volgde hij privaatlessen bij Paul Gilson in contrapunt, fuga en orkestratie. Aan het Brussels conservatorium was hij een tijdje student bij Paulin Marchand.
In 1931 werd hij leraar notenleer en in 1953 begon hij harmonie te doceren aan het Antwerps conservatorium. Dat deed hij tot zijn op rust stelling in 1966. Hij was tegelijk nog muziekleraar aan secundaire scholen en muziekacademies in Deurne, Mortsel en Berchem. In het Nederlandse Eindhoven was hij een tijd lang actief als leraar, directeur van een muziekschool en operadirigent.
Op het liefhebbersterrein was hij jarenlang dirigent van koren (Sint – Joris) en fanfares. Hij zetelde in het bestuur van het VNZ (voorloper van ons ANZ) en was jurylid in de provinciale koortornooien. Hij was tevens muziekrecensent voor de Gazet Van Antwerpen en leidde het koor van de Vlaamse Opera.
Omwille van zijn optredens als dirigent op Vlaams-Nationale zangavonden en zangfeesten voor en tijdens de tweede wereldoorlog werd hij in 1944 15 maanden geïnterneerd.
Toen in de na-oorlogse periode zijn cantate ‘Antwerpens Glorie’ (tekst van Anton Van de Velde) zou uitgevoerd worden, rees dit op verzet van oudstrijdersgroeperingen en werd de opvoering afgelast.
Ivo Mortelmans overleed in 1984 te Wenduine in alle bescheidenheid zoals hij steeds geleefd had. Hij was van nature zeer terughoudend en had een des te diepere en doortastendere religieuze aard. Zelf zei Mortelmans dat heel zijn leven van kindsbeen af door 3 factoren was beïnvloed: de muziek, de godsdienst en de natuur.
De composities van Ivo Mortelmans volgen een strikte vormopvatting en geven blijk van een beschouwende mystiek, poëtische ingesteldheid en ingekeerdheid en weerspiegelen een aanhankelijkheid aan de natuur. Zijn muziek –logisch voor zijn afkomst en werkomgeving- kadert in de laat-romantiek zoals bij zijn jaargenoot Staf Nees en vele anderen. De eerste pianowerkjes ademen tevens invloed van Ravel en Debussy. Zijn werken getuigen van een zeer gedegen vakmanschap. Wat niet te verwonderen is als men zijn leraars bekijkt.
Voor orkest componeerde hij ‘Lentehymne’, Paasnocturne’, Kerstballade, ‘Koning Winters dood’ en de suite ‘Het dorp’. Dit laatste werk werd in 1939 gecreëerd door het orkest van het NIR o.l.v. Franz André. Maar net zoals zijn sprookjesopera’s ‘De krekel en de mier’ en ‘Antwerpens Glorie’, de cantates ‘Vlaanderens klokken’ en ‘De 4 seizoenen’ en het Lutgardisoratorium worden deze werken nooit nog uitgevoerd zodat de muziekliefhebber van vandaag geen voorstelling heeft van de klank en welluidendheid van deze werken. Dat geldt ook voor zijn openluchtspelen, opera, kamermuziekwerken en composities voor piano en orgel. Voor de in het Indische Florea spelende film ‘Amorira’ componeerde Mortelmans de muziek.
Net zoals zijn vader was Ivo Mortelmans erg aangetrokken door de menselijke stem. Vandaar de talrijke werken voor koor en liederen.
Via oude opnames –die dan zelden of nooit nog ten gehore gebracht worden- kunnen we vaststellen dat zijn koorwerken (vb. 4 adagioliederen op teksten van Timmermans) zeer innig, intiem en gedragen zijn. Ze weerspiegelen duidelijk de sfeer van de tekst en de gemoedsgesteldheid van de dichter. In het Vlaams Romantisch Koorboek werd ‘Gelijk de anemoon’ voor 4-stemmig gemengd koor opgenomen. Het werkje begint rustig gaande en beschrijft een anemoon die langzaam, nog zwaar van dauw en nacht wacht op de dageraad. Wanneer het licht met zijn trage gloed vermeld wordt, wordt de muziek langzaam aan wat sterker en meer bewogen. En zo komen we bij de figuur die met de anemoon vergeleken wordt. Het is de kleine maagd Maria die even nederig en klein als de anemoon het wonder van de Heer heeft volbracht. De muziek neemt een vlucht in de hoogte en gaat crescendo bij de woorden ‘zo rijst Gij op….’ Om dan in het tweede gedeelte weer te dalen, verzachten en vertragen bij de nieuwe verwijzing naar de nacht en de anemoon. De tekst van Albe wordt in dat koorwerk dus zeer getrouw gevolgd en uitgebeeld. De mineurtoonaard versterkt de gedragen, intieme en duistere sfeer van de verdreven nacht en gaat dan eventjes over naar de majeurtoonaard als hij verwijst naar de maagd ‘zo rijst Gij op … voor Zijn aangezicht’. Het slot is dan uiteraard weer mineur bij de nieuwe verwijzing naar de anemoon en de nacht. De aanwijzingstekens voor de uitvoering (crescendo, decrescendo, mezzopiano, mezzoforte, ritenuto, .. zijn bewust gekozen om de voordracht van de tekst perfect mogelijk te maken. In de laatste maten krijgen we een hemiool op ‘zijn wonder hebt volbracht’. Deze natuurlijke verbreding van de muziek, nog versterkt door een modulatie, laat duidelijk zien wat het belangrijkste van heel dit gedicht en koorwerk is: het wonder dat de Heer heeft laten verrichten door de Heilige maagd. Typisch romantisch is de wisselende stemming via modulaties.
Talrijk zijn de bewerkingen voor koor van volksliederen.
Hij schreef enkele zeer religieus doorvoelde missen: ‘Missa Jesu bone Pastor’, Missa Gregoriana’, ‘Missa dona nobis pacem’, Missa Benedicamus Domino’ en ‘Missa Deo gratias’. Op zijn opuslijst staan ook heel wat motetten (o.a. voor vrouwenkoor en orgel). Twee ervan (‘Te carioribus vocibus’ en ‘Beata es, Virgo’), geschreven in 1959, zijn uitgegeven door Euprint en te bekijken op de site van Euprint/collectio cathedralis.
De liedcyclus ‘3 erotische gezangen’ ( ‘Uw anker’, ‘Uittocht’ en ‘Uw laatste’) klinkt eveneens zeer intimistisch en gesloten. Eerder zwaarmoedig. Men kenmerkt zijn liederen vaak met de term stemmingslyrisme als men verwijst naar ‘Elegische vreugden’ en ‘Reninca-liederen’.
Volkser van toon en opgewekter klinken zijn liederen ‘Een lied van de zee’, ‘Te Hasselt langs de baan’, het geestdriftige ‘Zingend volk’ en het strijdlustige ‘Kom in ’t vendel’.
Met zijn composities won hij verschillende prijzen bij het VNZ en het Davidsfonds en de Prijs Henri Fester.
Tot slot citeren we Hugo Heughebaert over Mortelmans’ muziek: “Zijn voornaamste kenmerken zijn: oprechtheid en zuiverheid in de poëtische verklanking, harmonische rijkdom en expressieve verwoording. Hij weert uit zijn scheppingen elk vooropgezet ‘isme’. Hij is noch voor noch tegen een bepaalde stroming, strekking of stijl in de muziek, maar gebruikt oordeelkundig en geniaal de middelen waarover hij beschikt”.

Zeer recentelijk verscheen de CD ‘O sacrum convivium’.
Hierop zingt de Capella Ss Michaelis et Gudulae, Brussels o.l.v. Kurt Bikkembergs met de organist Bart Jacobs religieuze muziek uit het romantische Vlaanderen. Naast orgelwerken van Lodewijk De Vocht en koorwerken van Staf Nees, August De Boeck, Jules Van Nuffel, Firmin Van de Velde en Emiel Wambach staan de 2 hoger vernoemde motetten voor de Heilige Maagd Maria (voor vrouwenkoor en orgel) van Ivo Mortelmans op deze CD én de Missa Jesu bone pastor.