
Een hoog bejaarde man zit voor zijn open haard,
zijn voeten lekker warm maar zo alleen kijkend naar
het speelse vlammenspel, hij raakt verdiept in een droom;
"zijn droom"
Denkend aan de warmte van de moederschoot
en de geborgenheid bij ma toen nog als kind.
aan de sterke armen van zijn vader, waar hij zich o zo veilig voelde ,
en genoot van 't speels gedoe onder zijn vleugels.
Hij denkt nog aan van zijn eigen gezin,
zijn kinders die hij zo kon koesteren,
onder zijn vleugels steeds beschermde.
Zijn lieve vrouw die hem zo graag beminde maar is plots geengegaan
ondertussen zijn ook zijn kinderen groot geworden en het huis uitgevlogen,
want ook zij; ze bleven niet,zelfs de kleinkinders werden groot en bleven niet.
en stilaan komt de stilte om hem geen en is hij zo alleen.Plots valt het op ;hij krijgt het koud; de haard was uitgegaan. hij pinkt een traan
en is naar bed gegaan, want morgen is't een nieuwe dag,
een dag waaop ik weer eens dromen mag,
van al dat mooi 's aan hem gegeven,
die diep in 't hart ontspringen, dat hem nog rechthoud om te leven.
(Met de groetjes van ploef