|
De gevaarlijke kerk
Aflevering 6
Waar emancipatie van de partij is, dreigen zekere categorieën van burgers hun voorrechten te verliezen en omdat iedereen het moeilijk heeft om te wennen aan welvaartsachteruitgang, kan men er donder op zeggen dat daar verzet van komt. Een mooi voorbeeld geeft de geschiedenis van de afschaffing van de slavernij in Noord-Amerika: de verdeeldheid ontstaan tussen voor- en tegenstanders leidde tot de Amerikaanse Burgeroorlog die tussen 1861 en 1865 meer dan zeshonderdduizend doden heeft gemaakt en evenveel gewonden. De geschiedenis is als volgt.
Eeuwen lang werden in grote zeilschepen gelijk ingeblikte sardientjes negerslaven uit Afrika ingevoerd in Noord-Amerika om daar de plantages van suikerriet, katoen, tabak en thee te bevolken. Zo werden in de negentiende eeuw 3.330.000 slaven uit West-Afrika (Loanga, Angola, Mozambique) geëxporteerd. Eind negentiende eeuw kwam er steeds meer protest, vooral vanwege de Quakers, een christelijke sekte wars van de kerk, die ontsnapte slaven hielpen. Een bekende biografie is Harriet Beecher Stowe's Uncle Tom's Cabin (De negerhut van oom Tom).
Amerika splitste in een noordelijk stuk dat slavernij verbood en een zuidelijk stuk waar de kapitalisten-grootgrondbezitters de slavernij uit alle macht in stand hielden. De blanke abolitionist John Brown ontketende een mislukte slavenopstand en werd in 1859 als terrorist opgehangen. Met zijn laatste woorden voorspelde hij de bloedige burgeroorlog die een goed jaar later een feit was. In Katholiek Nieuwsblad van 24 augustus 2024 schrijft Eric Van Teylingen: “De rol van de mondiale katholieke Kerk bij de slavernij is in geen enkel opzicht mooi; katholieken waren immers volop betrokken bij de handel in mensen. Denk daarbij aan katholieke landen als Portugal, Spanje en Frankrijk. En het is pas in 1888 dat de sociale paus Leo XIII zich – volgens velen als eerste paus – volmondig uitsprak tegen de slavernij in zijn encycliek In Plurimis, op 5 mei van dat jaar verschenen.” Op dat ogenblik waren in de Trans-Atlantische slavenhandel al drie eeuwen aan een stuk Afrikaanse negerslaven met vrachtschepen naar de Amerikaanse plantages verscheept - in totaal tussen de acht en de veertien miljoen mensen.
De rol van de kerk in het tot stand komen van een oorlog en derhalve ook met betrekking tot het Europees conflict is complex. Om te beginnen - een cruciaal punt voor elke machtsinstelling - wil de kerk zich ervan verzekeren een stem te zijn en ook te blijven, die iedereen over de hele wereld altijd horen zal en om dat te bereiken heeft zij immer alle registers opengetrokken. In wat volgt bekijken wij er twee van.
Vooreerst heeft de kerk altijd beleden en blijft zij ook belijden de stem van God zelf te vertolken en die boodschap is sinds twee millennia de wereld rondgegaan zodat men wel twee keer zal nadenken vooraleer men de oren daarvoor sluit: niet zozeer omdat men de mogelijkheid incalculeert dat de stem van de kerk inderdaad Gods stem zou kunnen zijn, maar omdat men rekening dient te houden met het feit dat alle acht miljard mensen daarover geïnformeerd zijn dat sinds tweeduizend jaar de stem van de kerk zichzelf als de stem van God profileert en dat twee miljard onder hen ook belijden dit te geloven. Er is een enorme capaciteit aan macht en aan geweld nodig om ervoor te zorgen dat iedereen op aarde zwijgt en kijkt in de richting van de bewuste spreker van zodra die zijn mond opendoet.
Geconfronteerd met het lijden en de dood in dit tranendal, vertelt men sinds oudsher het verhaal dat het ooit anders was én dat het geluk terug kan keren maar dan wel op voorwaarde dat men gehoor geeft aan de verteller. Hij zegt over zichzelf profeet te zijn, vertolker van het woord van de Schepper van hemel en aarde en wat heeft een bewoner van het tranendal nog te verliezen als hij door de 'erfzonde' reeds alles kwijtgespeeld is? Derhalve luistert hij, geeft hij het verhaal een kans en doet hij wat hem wordt opgedragen: hij gelooft het verhaal, het woord Gods, de Bijbel.
En uiteraard geeft hij krediet aan degenen die met het Boek der boeken op de proppen zijn gekomen: Mozes, om te beginnen, die als het ware vanuit de hemel van een berg nederdaalde, geladen met stenen tafels waarop in het handschrift van God zelf gebeiteld stond wat ons te doen staat. En dan volgen doorheen de eeuwen een hele reeks profeten met goddelijke geschriften, bevelen, verboden, zelfs voorschriften voor hygiëne, voeding en kledij plus het bevel aan elke man om zijn oudste zoon met een mes te doden en hem op een brandstapel te offeren aan de naar zijn eigen zeggen jaloerse God, als teken van trouw.
De profeten voorspellen dat God zijn eigen zoon naar het tranendal zal zenden om hier onze schuld op zich te nemen en uit te boeten, zodat het paradijs van weleer kan teruggewonnen worden. En warempel, op de plek waar de voorspelling gedaan werd, trekt op een keer een man rond die wonderen verricht, die de Schriftgeleerden onderricht en ook het volk en die geen stap opzij zet voor wie in hem niet God maar een godslasteraar zien. Hij wordt opgepakt, veroordeeld, gemarteld en gedood maar, zoals ook werd voorspeld door de profeten, verrijst hij uit zijn graf, verschijnt hij aan zijn volgelingen en wordt dan ten hemel opgenomen waar hij ook vandaan kwam.
Voor die tijd echter, heeft hij een opvolger aangeduid, zijn steenrots Petrus waarop hij zijn vertrouwen heeft gesteld, de eerste paus van zijn kerk, die zijn volgeling Paulus 'zijn verheerlijkt lichaam' noemt, dat geleid wordt door een heilige geest. Die dicteert dan verder aan de paus en aan zijn clerus wat wij allemaal moeten doen en laten om het verloren paradijs alsnog te verwerven.
Aldus werd een stem geconstrueerd die iedereen over de hele wereld altijd horen zal: het is de stem, naar haar eigen zeggen, die alles beval om te ontstaan, die het scheppende werk heeft verricht en die het ook herstellen zal als er gehoor wordt aan gegeven.
Een mooi voorbeeld van het zich op God beroepende woord is het zogenaamde 'requerimento' uit 1513. Na de ontdekking van Amerika door Christoffel Columbus zag het Westen brood in de 'Nieuwe Wereld' en stuurde paus Adrinanus VI een brief naar de inboorlingen (het beruchte 'requerimento') waarin hij duidelijk maakte dat hij het goddelijke gezag was op aarde en dat zij hem bijgevolg gehoorzaamheid verschuldigd waren en zich moesten laten dopen en onderdaan worden van de Spaanse vorst (onder wiens bevel Columbus opereerde), op straffe van verslaving en dood.
Uiteraard weten wij intussen dat het de bedoeling was om de hele bevolking van roodhuiden te laten werken op de plantages van de Europese kapitalisten. Toen de inheemsen verzet boden, dreigden zij allemaal te worden uitgemoord maar het merendeel kwam om ingevolge besmettingen met westerse ziektes. Nieuwe slaven werden dan maar geroofd in Afrika en met zeilschepen naar Amerika versast, drie eeuwen lang en, zoals hoger gezegd, werd dat het lot van naar schatting acht tot veertien miljoen (zwarte) mensen.
De clerus zegt zoals de profeten het woord van God te spreken en verzekert zich aldus wereldwijd van haar gehoor maar zij doet dat ook nog op een zo mogelijk nog veel doortastender manier, namelijk door zich onze moeder te noemen - “onze moeder de Heilige Kerk” - en daarmee weet zij zich in de kern zelf van ons wezen te boren.
Louter fysiek beschouwd is onze moeder in feite onze God omdat zij het is die ons in haar schoot gevormd heeft naar haar eigen beeld en gelijkenis en reeds op die manier laat wat de kerk in dit verband over zichzelf beweert, ons niet onberoerd. Maar zij beroert ons ook nog op een dieper niveau. Onze moeder immers is het wezen dat ons op de wereld heeft gezet, wat betekent dat zij het is die voor ons de verantwoordelijkheid draagt. In de zin dat wij haar kinderen zijn, waakt zij dag en nacht over ons bestaan, zij voedt ons, hoedt ons tegen de kou en geeft ons alles wat wij nodig hebben om te leven. Maar ook in een nog andere betekenis kunnen wij onze moeder helemaal niet missen, ook al zijn wij voor onze zelfinstandhouding van haar onafhankelijk geworden en die betekenis wordt ons meestal pas duidelijk als het ogenblik gekomen is dat wij onze moeder moeten verliezen.
Zolang wij een moeder hebben, kunnen wij bij haar terecht met onze existentiële nood, waar die zich bij uitstek laat voelen in de vraag naar de zin van ons bestaan die ons kan overleveren aan de twijfel. In die ogenblikken zoeken wij onze moeder op en haar aanwezigheid alleen volstaat om onze onrust weg te nemen omdat wij weten dat zij het is die ons gewild heeft. Onze moeder staat garant voor het feit dat wij gewild zijn omdat zij het is door wie wij gewild zijn en in haar nabijheid valt de last van onze twijfel van ons af omdat wij ons ervan kunnen verzekeren dat onze moeder deze last voor ons draagt, zoals ze ons ook fysiek gedragen heeft en zoals zij ons in haar hart draagt, want moeders zijn bereid om voor hun kinderen te sterven.
Echter, eens onze moeder er niet meer is, bestaat er in de hele wereld principieel ook niemand meer die bereid zou zijn om zijn of haar leven voor ons op te offeren; de rust die onze moeder ons verschafte door haar aanwezigheid die de verzekering was dat ons bestaan gewild is, lijkt eensklaps verdwenen en ons rest dan een ongeborgenheid en een gevoel van verlatenheid dat zelfs het meest ontwikkelde sociale weefsel niet bij machte is om op te vangen. Wij vernemen vaker dat de geliefde onvervangbaar is maar dat geldt in een nog veel grotere mate voor de onvoorwaardelijk liefhebbende omdat wij slechts bestaan in de aandacht van de ander. Alleen de mensheid als zodanig mag kandideren om die unieke taak over te nemen.
De kerk echter, die een gat ziet in de markt, eigent zich die taak toe en speelt voor onze moeder. Maar dat zij vals speelt, blijkt algauw; geen moeder immers zal er ooit aan denken om haar kinderen naar het front te jagen. Het eerbetoon in de opschriften op de stenen graven op het kerkhof van de gesneuvelde oorlogshelden in de trant van “Hier liggen hun lijken als zaden in het zand, hoop op den Oogst O Vlaanderland”, doen slechts denken aan de passage in Genesis waar alle jonge vaders worden belast met de opdracht hun oudste zonen als eerbetoon aan Jahweh om te brengen.
De auteur van het geciteerde vers was dan ook een priester-nazi die met donderpreken Vlaamse jonge vaders naar het oostfront stuurde met het 'Vlaams Legioen', om daar te gaan vechten tegen het Rode Leger van de 'goddeloze communisten' - slechts weinigen keerden ooit terug; hijzelf koos het hazenpad naar Tirol waar hij op de leeftijd van vijfenzeventig jaar stierf. De geschiedenis herhaalt zich.
(J.B., 1 mei 2025)
|