Naar de inhoud

Tisallemaiet

Deze blog beoogt een duplicaat en/of een voortzetting van de blog Tisallemaiet (https://www.bloggen.be/tisallemaiet) - © J. Bauwens, Serskamp
akke.beakke.be
Deze blog beoogt een duplicaat en/of een voortzetting van de blog Tisallemaiet (https://www.bloggen.be/tisallemaiet ) - © J. Bauwens, Serskamp

Geld

Geld

Piet heeft een schitterende tekening gemaakt, hij had er lang op gebroed en nog langer aan gewerkt maar het resultaat mag gezien worden, het is een waar kunstwerk. Het probleem is alleen dat bijna niemand dit pareltje te zien krijgt want Piet heeft geen huis met een uitstalraam in een drukke straat van de hoofdstad en evenmin heeft hij toegang tot het museum, de krant of eender welk medium. Hij kan weliswaar met zijn werk op de markt gaan staan maar niemand is bereid om zoveel te betalen als dit werk waard is, het gaat immers om het beste wat Piet ooit maakte en wellicht zal hij dit in zijn verdere leven niet meer evenaren, de mensen kopen ook liever een poster van een wereldberoemd schilderij om op te hangen aan de muur en helemaal ongelijk hebben ze natuurlijk niet want geen mens ziet het verschil tussen het origineel en de reproductie terwijl het prijsverschil gigantisch is. Piet blijft dus zitten met zijn meesterwerk, hij kan er weliswaar zelf naar kijken en zijn vrienden manen hem aan om dapper voort te doen: dat je er zelf plezier aan beleeft, is het voornaamste, zo zeggen ze, en misschien word je op een dag nog eens beroemd.

En op een dag heeft een vriend van Piet een foto van diens tekening getoond aan een meneer van de krant die er onmiddellijk wel wat in zag en zo belandde de tekening zelf op het bureau van de redactie waar de artiest ontboden werd. U bent getalenteerd, zo klonk het, en wij willen uw tekening afdrukken in onze krant maar dan wel op voorwaarde dat u er wekelijks eentje maakt, het lijkt ons immers iets te zijn dat past in onze nieuwste rubriek en wij zoeken een eigen illustrator, de auteursrechten voor het benutten van bestaande tekeningen zijn immers al te hoog, wat denkt u?

De kans van je leven, Piet, zo fluisteren zijn vrienden en wellicht hebben ze geen ongelijk: met de opbrengst zal hij niet langer aan zijn zuur verdiende spaarcenten moeten zitten om zijn potloden te betalen en al zijn ander gerief want bij tekeningen maken komt meer kijken dan men kan vermoeden. En Piet zegt toe en tekent een contract bij de krant voor wekelijks een tekening. Hij zal nu wel zijn stijl een beetje moeten aanpassen aan de mode van de dag maar dit probleem wordt overschaduwd door het loon dat hem beloofd werd en dat een substantiële aanvulling betekent van zijn werkmanspree. Wat water bij de wijn want zo hoort het overal, wil men in het leven iets bereiken en Piet gaat aan de slag.

Piet verkoopt zijn levenswerk voor vijftig euro, een bedrag dat zelfs de kost van potloden en papier niet kan vereffenen, laat staan de jaren voorbereiding en het feit dat hij wellicht nooit meer iets van dat niveau zal produceren maar het is nu of nooit, zo hebben ze gezegd met begeleiding van een schouderklopje, en de eerste weken gaat het goed: Piets tekeningen worden gepubliceerd in een zekere rubriek van de krant en op een keer komt een van zijn vrienden Piet proficiat wensen met het verschijnen van zijn werk in een tweede krant en dan ook nog in een mondain magazine met glanzend papier dat mensen zoals hij helemaal niet kunnen kopen.

Moet ik nu trots zijn? Zo vraagt Piet zich af want de krant waarvoor hij werkt, bracht hem niet op de hoogte van wat Piet terecht een doorverkoop zou noemen maar wanneer de artiest alsnog in een kiosk een exemplaar van het magazine heeft gekocht en er in bladert, moet hij vaststellen, zeer tot zijn ongenoegen, dat niet zijn naam onder de tekening staat maar die van een hem tot dan toe geheel onbekende 'kunstenaar'.

Het is een beroemdheid, zo laat iemand zich ontvallen: ben je nu niet fier dat die zijn naam wil zetten onder werk van jou? Plagiaat? Ach, zo gaat het er in de kunstwereld aan toe: Rubens werkte ook met personeel, Madonna is een grote firma en het beroemde beeldhouwwerk van Rodin werd wellicht door een vrouw gekapt. Je weet nog weinig over hoe het eraan toe gaat in de wereld, in de kunstwereld, maar geloof me, zo zegt een meneer van de krant bij wie hij is gaan klagen: het went hoor vent, mijn baas zet gezwind zijn naam onder mijn teksten, het voornaamste is dat hij betaalt, mijn kinderen studeren en je weet, vandaag kost een diploma voor de zoon een heus huis, de buis niet meegerekend en de dochter; ik weet wel, dat is allemaal niet pluis maar het is nu eenmaal niet anders, leg u daar nu voor een keer gewoon bij neer. En, overigens, wees blij want die artikels die door uw tekening worden geïllustreerd, zijn reclameteksten, wat betekent dat een ander voor de publicatie van uw werkjes heeft betaald. Want, vergis u maar niet: u ontvangt een aardige som voor het tonen van uw werk aan de wereld maar de meeste artiesten betalen daarvoor, informeer maar eens wat het kost om in een galerij te mogen hangen, dat is een kleine huishuur! En tot zo ver het verhaal van Piet en met die verhalen kan men al een eeuwigheid de straten plaveien. Edoch, het verhaal waarover we het wilden hebben, is nog een ander.

Nog steeds staan in de bewuste wekelijkse rubriek van de krant de tekeningen van Piet en hij is dus alles behalve een uitzondering: zowat de hele inhoud van de krant bestaat uit teksten en uit prenten van grote kunstenaars die klein worden gehouden omdat zij het karig loon dat hen te beurt valt, helemaal niet kunnen missen en artiesten zijn er genoeg, als eentje zich kwaad maakt en opstapt, heeft men reeds 's anderendaags een ander aangeworven die beslist een tijdje mee zal draaien want dat is het geheim van de uitbuiting: tegen de tijd dat de mensen het in de mot krijgen dat zij lustig worden gepluimd, zijn ze oud en versleten en de nieuwelingen weten weer van niks zodat hetzelfde spel zich eindeloos kan herhalen. Om het te houden bij een enkel voorbeeld, neem de grootste aller schrijvers, Fjodor Dostojewski, dan weten wij dat zijn volumineuze meesterwerken niets anders waren dan telkenmale een bundeling van vervolgverhalen in een Russische gazet die aldus lezers lokte. De arme man moest ze wel schrijven daar hij grote schulden maakte, hij was immers gokverslaafd. En kan het dan nog iemand verwonderen als bekend geraakt dat uit te melken kunstenaars vaak aan het lijntje worden gehouden door de firma's die er stinkend rijk van worden met naast het leefloon allerlei verslavingen die immers beter werken dan de zweep dat deed ten tijde van de slavernij? De striemen die zij maken zijn weliswaar niet zichtbaar voor het ongeoefend oog maar zij zijn daarom niet minder pijnlijk, om niet te zeggen niet minder dodelijk.

Het verhaal waarover wij het wilden hebben, is het aloude liedje van de middeldoelomkering: het museum is er niet om kunstwerken te etaleren maar de kunstwerken zijn er om het museum vol te krijgen en dat geldt dus ook voor kranten en voor alle andere media. En het gevolg van die praktijk waarbij alles op zijn kop gezet wordt, is dan uiteraard dat het de uitbaters van de media worst zal wezen of het kunst is wat zij brengen of gewoon vulsel, opvulsel van lege plekken die de leegte schuwen omdat zij plek innemen die immers moet renderen, en zo komt het dat de toeschouwer, die overigens figureert in zijn door hemzelf gefinancierde waan van kunstkenner, allang niet meer kan zeggen of deze of gene lege plek in het museum dan een kunstwerk is ofwel gewoon een lege plek waarop een artistiek object ontbreekt.

De zaak is dat de eigenaars van onze media, die net zo min de onze zijn als de aarde de zon die zich ook heel leuk 'de onze' laten noemen, door het feit dat zij het zijn die heersen over de toegangsweg tot kunst, bepalen wat schoon is en wat lelijk, wat goed is en wat slecht, wat waar is en wat leugen, wat vals is en wat echt.

(J.B., 9 juli 2026)



Het Orgaan (J.B., Verhalen 2006-2009)

Het Orgaan

Zijn ziekte had hiermee te maken, dat een orgaan van hem zich buiten zijn lichaam bevond.

Een eeuw geleden zou men dit als onzin bestempeld hebben, maar reeds kort na de oorlog waren er mensen van wie gezegd werd dat zij een oog hadden afgestaan aan een ander, teneinde bijvoorbeeld een eigen kind te kunnen laten studeren, of het van de hongerdood te redden. En vandaag bestaat er een zwarte doch bloeiende handel in allerlei menselijke organen: her en der – en vaker dan men denkt – worden harten, levers, nieren en wat al niet meer, besteld en betaald, welke kort daarop door specialisten uit de lichamen van jonge en gezonde mensen worden ontvreemd, nadat dezen uit hun omgeving werden weggehaald en werden omgebracht – het ‘afval’ wordt wellicht vernietigd in een bad met zwavelzuur, ofwel meegegeven aan een bemanningslid van een olietanker, die de definitieve opruiming ervan dan overlaat aan de vissen in de zee.

Als men bij wijlen verneemt dat stukken van lichamen worden opgevist uit een kanaal, of dat ze aanspoelen op een vakantiestrand, dan verdient het dus alle aanbeveling om niet uitsluitend te denken aan psychopaten die mensen voor hun plezier in mootjes hakken: veel vaker immers dan ziekte, is het winstbejag de motor van de misdaad. Dat was vroeger het geval en, omdat de hebzucht mét de competitie toeneemt, is dat vandaag nog veel meer zo.

Ook zijn het geen armelui op het randje van de hongerdood, die een dergelijke handel voeren: de geschiedenis leert ons dat precies diegenen die het helemaal niet nodig hebben om in leven te blijven – de allerrijksten dus – tot deze praktijken overgaan – om er namelijk nog rijker van te worden.

Ik mag niet zeggen dat ik geen flauw idee heb van hoe de hebzucht werkt en danig kan ontaarden, want reeds in dit gedoe op de blogs, waarde lezer – ja, de blogs waar wij momenteel in grasduinen – kan men soms getuige zijn van nogal bizarre ondernemingen welke klaarblijkelijk geen andere bedoeling hebben dan de eigen score aan bezoekers te verhogen en aldus het eigen kraampje te zien stijgen in de competitie.

In principe zou de rang die een blog bekleedt, een weerspiegeling kunnen zijn van zijn kwaliteit, en dat geldt uiteraard niet alleen voor blogs, het geldt ook voor andere marktproducten en zelfs voor mensen. Dat dit in de praktijk beslist niet zo is, behoeft eigenlijk geen uitleg.

Het begint al met die ene beperking – uiteraard geheel onvermijdelijk – dat men vooreerst moet aannemen dat het succes de kwaliteit weerspiegelt. De verborgen regel, dat het beste nu eenmaal datgene is wat een meerderheid wil, is uiteraard zeer democratisch, en de democratie is heden – alweer: volgens de meeste mensen – het beste wat men zich maar indenken kan.

Ook dient abstractie gemaakt te worden van de ‘persoonlijke verdienste’: sommigen spenderen dagelijks vele uren aan hun product, doch met een mager resultaat, terwijl anderen vrijwel zonder moeite de top bereiken, omdat zij gebruik weten te maken van onze verborgen angsten en verlangens.

Er zijn er zelfs die erin slagen om een vrijwel leeg blog – echter voorzien van een intrigerende naam en gesteund door niet nader te noemen tactieken – naar de regionen van de elite te versluizen. Dat blog staat daar dan als een lege doos, en elkeen die erin kijkt, wordt diep teleurgesteld: hij gelooft zijn eigen ogen niet. En zo kijkt hij er nog een tweede keer in, en ook een derde keer, hij blijft er maar in kijken: het staat immers helemaal vooraan, dus het moét wel heel bijzonder zijn. Maar dat zijn de kleren van de keizer en het lege doek van Uilenspiegel ook. En zo komt het dat de waarde der dingen is gaan afhangen van het etiket dat erop geplakt werd, ook als er behalve dat etiket niets anders is te vinden.

Zo komt het dat het geld, dat op zich geen enkele waarde heeft omdat het louter papier is, of alleen maar een getal op een rekening, nochtans door de meesten van ons met veel gretigheid wordt begeerd. In het geval wij het nodig hebben om bijvoorbeeld te kunnen eten, heeft onze begeerte een geldig excuus – wij worden daar immers door het geld gegijzeld. Maar het vreemde is dat niet de armen geldzuchtig worden maar, integendeel, de rijken onder ons: de maag is geheel verzadigd – om niet te zeggen oververzadigd – en men heeft een dak boven het hoofd en vaak meer dan één. Met nog meer geld kan men dus niets anders meer aanvangen dan het te beleggen, wat in principe een spel is. Welnu: dat overbodige ‘spel’ blijkt ons tot veel stoutmoedigere handelingen te kunnen bewegen dan bijvoorbeeld onze reële noden, zoals de honger. Ik kan het niet helpen, maar dat blijkt nu eenmaal uit de koelste cijfers.

Ik heb het niet over onze luttele spaarcentjes, waarde lezer, of over het welverdiende appeltje voor de dorst, het optrekje in het zuiden waar wij jaarlijks haastig wat bijkomen van de moordende stress van veeleisende arbeid, en waar wij de stank van de stad enkele dagen kunnen vergeten. Maar wat denkt u ervan als, om maar iets te noemen, het Vaticaan, dat zich dan toch aan de wereld presenteert als zetel Gods op aarde, jaarlijks ettelijke miljoenen uitgeeft voor de restauratie van haar imperium aan de superbeleggingen welke de daar opgeborgen kunstwerken toch onmiskenbaar zijn? Wat zou een verguisde artiest zoals, alweer om maar iemand te noemen, Vincent Van Gogh daarvan niet gezegd hebben? De sukkel deelde zijn handvol geschooide duiten nog uit, aan nog grotere sukkelaars. Die ‘zetel Gods op aarde’ heeft weliswaar een antwoord klaar – ’t zou er nog aan ontbreken – want de hebzucht dient in de eerste plaats zichzelf in stand te houden, wil zij ook buit kunnen maken.

Maar om een lang verhaal kort te maken: vandaag wordt het geldspel dus gespeeld met, heel letterlijk nu, stukken van mensen. Zeker in bepaalde regionen moeten mensen dus echt beginnen uitkijken, wanneer zij ergens een hoekje om gaan, dat ze niet ongelukkiglijk ‘het’ hoekje omgaan. Niemand durft zich vandaag nog op straat te begeven met, bijvoorbeeld, een gouden halssnoer, om maar iets te zeggen, maar staan wij er bij stil dat de organen die wij onvermijdelijk overal met ons meedragen, waar wij ook gaan of staan, in waarde hun gewicht in goud verre overtreffen?

In mijn eigen jeugd werden wij af en toe gewaarschuwd voor de kidnapping van onze zusters, die immers konden worden uitgebuit als slavinnen achter nachtelijke ramen in de prostitutie van een heel ver land. Maar welke pooier van formaat houdt zich nog bezig met de poespas van ontvoering, onderduiking, schriftvervalsing en wat allemaal niet meer, als hij met heel wat minder rompslomp, ja, in één enkele klap, het tien- of honderdvoudige uit zijn slachtoffer kan halen door het gewoon in stukjes te snijden?

Misschien zal men opmerken dat de meeste mensen dan toch, gelukkig, een geweten hebben?

Mogen wij dan echt over het hoofd zien dat de moordenaar, evenals het Vaticaan trouwens, in de eerste plaats een alibi heeft dat zijn geweten sussen kan? Op de keper beschouwd: doodt hij niet slechts één mens om daarmee het leven van tenminste tien anderen te redden? Het ‘donorhart’ kan een vooraanstaand politicus redden, die er misschien geen weet van heeft, of hebben wil, wie nu zijn donor is; de lever kan een oliesjeik die teveel gedronken heeft, redden van de ondergang; twee nieren dan: alweer twee mensenlevens; een milt, een maag, twee longen, het merg, het bloed… zeg mij hoeveel onderdelen levensreddend kunnen zijn!

Maar om terug te keren naar ons onderwerp: zoals gezegd, had zijn ziekte er dus mee te maken dat een orgaan van hem zich buiten zijn lichaam bevond. Het was een lever, een dure lever, in een bakje naast zijn bed. Nog primitief, maar toch, het werkte: het bakje maakte het verschil voor hem, tussen leven en dood. In het bakje zaten levende levercellen, en zijn bloed werd langs het bakje omgeleid, en zo bleef hij in leven. Uiteraard was hij stinkend rijk, want dergelijke primeurs worden nog lang niet door de ziekenkas terugbetaald: zijn lever had hem meer gekost dan al zijn andere bezittingen samen. Het deed een beetje pijn, weliswaar, maar een alternatief was er nu eenmaal niet. En dat bakje, stel je voor, stond nu helemaal onbeschermd naast zijn bed in een kastje op wieltjes.

Hij had er nachtmerries van, en op een keer, toen hij het aan een verpleegster had verteld, had zij alleen maar luid gelachen, en zij had gezegd: “Wie in ’s hemels naam kan daarmee nu iets aanvangen!?” Maar het liet hem helemaal niet met rust, het was een obsessie geworden, een ziekte er bovenop. Telkenmale hij bedacht wat het bakje hem wel gekost had, terwijl het daar nu helemaal onbeschermd in dat kastje stond, binnen het bereik van vrijwel iedereen, want de deuren waren niet op slot en elke willekeurige voorbijganger kon de kliniek in en uit wanneer die daar maar zin in had, nam de angst van hem bezit.

Stel bijvoorbeeld eens dat een chirurg bedacht dat hij toch niet veel meer te goed had, terwijl enkele kamers verder, in dezelfde gang, een ander, met dezelfde bloedgroep en ook heel veel geld dat hij er vanzelfsprekend direct wilde aan uitgeven, naar zo’n bakje lag te wachten. Een koud kunstje zou het voor de dokter zijn om geheel ongezien dat bakje een tweede keer te verkopen, en dan een derde keer. Een kleine ingreep slechts, maar welk een fortuin zou het hem niet opleveren! En redde hij eigenlijk niet het leven van een ander, of van twee anderen, als hij dit deed? Wie mag trouwens oordelen over de waarde van een mensenleven? En is het wel rationeel te verantwoorden om de kwestie van leven en dood over te laten aan het toeval – wat in niet-misdadige omstandigheden zo te zien dan toch de regel is?!

Misschien is het wel zo, bedacht hij, dat men in de medische wereld, zoals trouwens ook daarbuiten, allang veel rationeler te werk gaat dan wij in onze afhankelijkheidspositie wel bereid zijn te geloven! Misschien mankeert of mankeerde er aan mijn lever niets, of toch niets ernstigs, en heeft men mij dit bakje gewoon aangepraat! En hij tastte eens gauw naar zijn buik om zich ervan te vergewissen dat er wel degelijk een buisje in en uit liep, al kon hij dit onmogelijk terdege controleren. Hoeveel mensen waren er al niet van wie organen zich buiten hun lichaam bevonden? Kunstnieren, kunstharten… Het is al een zorg dat je je papieren geld moet deponeren op een bank of in een kluis; als je dus stukken van jezelf verspreid ziet in de handen van derden, vreemden eigenlijk, die je tenslotte alleen maar ‘helpen’ omdat ze daar zelf beter van worden…

Hij nam plotseling een beslissing, duwde op het knopje naast zijn bed, en vroeg de zuster naar de dokter. In een mum van tijd stond hij daar, glimlachend, vragend hoe het met hem ging. Het was de dokter van wacht, een jongeman nog, hij werkte daar nog niet zo lang, dat was hem aan te zien, en was hier fier over het werk dat hij nu deed.

“Wat kan ik voor u doen?”, vroeg hij beleefd: “Heb je pijn?”

Meteen kwam onze held op zijn beslissing terug: “Neen, niets… ik droomde”, verontschuldigde hij zich.

“Ik zal toch maar eens je bloeddruk checken”, zei de arts: “slaap je goed?”

Hij maakte de rubberen band vast rond zijn arm en blies er lucht in, liet de lucht ontsnappen, en zei dan: “Dat is allemaal prima…”

Onze held schrok, want de dokter had de hengsels van de stethoscoop niet eens in zijn oren zitten.

“Of toch wel”, hernam hij zich: “Ik heb je opgeroepen om je vriendelijk te verzoeken, dat bakje daar…”, en hij wees dus naar zijn lever, “weg te halen… en wel nu meteen”.

Versteld keek de arts hem aan, hij herhaalde wat hij net gezegd had, en voegde er aan toe: “ik verdraag het niet langer dat ik zo moet leven, met een orgaan buiten mijn lijf…”

De dokter dacht een ogenblik na en antwoordde: “Maar mijn beste mijnheer: je hebt niet alleen een orgaan buiten je lichaam; ook de enzymen, de zenuwen, en al die andere dingen die dat orgaan besturen, leiden een bestaan aan de andere kant van je huid; de ganse maatschappij staat ten dienste van je lever! Als ik dat bakje laat weghalen, dan staat binnen de kortste keren de hele wereld op stelten; heb nu toch eens wat begrip!”

De verpleegster die naast het bed stond toe te kijken, knikte beamend: “Zo is het”, zei ze: “amper een jaar geleden hebben we iets gelijkaardigs meegemaakt: de wereldpers kwam meteen in actie, het gerecht stond op zijn achterste poten, de helft van het ziekenhuispersoneel werd aangehouden… er zijn zelfs verschillende slachtoffers gevallen toen!”


“Wij zijn elkaars enzymen en organen geworden, mijnheer”, ging de arts weer verder, “laten we maar stellen dat u een nare droom gehad hebt, okee? Als je wil, zal de zuster je een slaapmiddel brengen, iets om wat rustiger van te worden, goed?”, en hij verliet de kamer.

Zij glimlachte weer, boog zich over het bed, gaf hem een pil en wat water en dekte hem daarna wat beter in.

“Wij, vrouwen, krijgen wat anders te verduren”, zei ze nu belerend: “Kijk”, en ze wees naar haar ietwat gezwollen buik. Het bracht hem een beetje in verlegenheid, want hij was zelf nooit getrouwd geweest en had geen kinderen.

“Het is gelijk een orgaan”, zo zei ze, “dat je op een dag moét afstaan, willen of niet. Je bent er zelfs veel meer aan gehecht dan aan een orgaan, zoals die lever van jou… Het groeit op, gaat een eigen leven leiden, komt je opzoeken, soms vaak, soms niet, en als je sterft, moet je het hier achterlaten…”

Ze glimlachte nu breed: “De dokter heeft gelijk, geloof me: wij zijn elkaars organen, en het is nooit anders geweest…”

De pil was beginnen te werken en hij zag de zuster vloeibaar worden. De lever naast zijn bed lachte vriendelijk naar hem. Doorheen het open raam hoorde hij de enzymen-op-vier-wielen passeren, allemaal druk in de weer voor zijn orgaan: ze klaksonneerden, gaven gas, riepen, lachten, maakten ruzie… En dan begon het te regenen terwijl de zon bleef schijnen, en leek hij zich in dat glinsterende lichtspektakel zalig te verenigen met het ganse heelal.

Dit, zo zag hij nu heel duidelijk: dit is het Orgaan, dit is... de zetel Gods!

(J.B., Verhalen 2006-2009)

Water (J.B., Verhalen 2006-2009)

 

Water
“Hef dan toch een been op, domkop!”, riep hij.
“Begrijp jij dan niet dat als je con-ti-nu met de beide voeten in het water blijft staan, dat dan je huid helemaal zal verweken en er zelfs zal afvallen! En wat ga je dan doen?! Hè?!”
Ik zocht steun met een hand bij het muurtje, dat glad aanvoelde, en vies, van het mos, en hief mijn rechter voet op uit het water.
“En droog hem nu met je zakdoek af”, voegde hij er nog aan toe, en dan keek hij de andere kant op, en ik hoorde hem nog denken: “Domkop die je toch bent!”
Ik droogde mijn voet af, het was een acrobatenwerkje, maar ik deed het, niet om mijn huid te sparen, want wat mocht het tenslotte baten, nu eens de ene voet droog en dan weer de andere, en dan telkens zoals een kip blijven staan op één enkele poot totdat de krampen zich deden voelen… Neen, ik deed het om hem tevreden te stellen, ja, om hem te kalmeren, want ik had allang gezien dat hij de ondergang waarover iedereen de mond vol had, niet meer zou meemaken als hij zich telkens weer zo opwond.
“Ik denk dat het aan de overkant minder diep is”, probeerde ik na een poosje, maar hij beantwoordde mijn opmerking niet en deed zelfs niet de moeite om de schouders op te halen.
Ik observeerde de overkant, of dan toch de plaats waarvan ik veronderstelde dat zij aan de overkant moest gelegen zijn, want het water maakte vanzelfsprekend alles wat er onder lag, onzichtbaar. Alles werd bij wijze van zeggen door het water begraven, en het was eigenlijk gissen geworden waar precies de weg moest liggen, vooral omdat hier geen huizen meer stonden, en wij hier minder bekend waren, en het bovendien stilaan donker werd. Waarom waren we niet gebleven waar we waren, en hadden we ons niet gewoon laten ondergaan, zoals trouwens de meesten dat deden?
Iedereen had het zien aankomen, meer dan blind had men moeten zijn om het niet te zien, en toch had niemand, maar dan ook niemand er aan gedacht om, bijvoorbeeld, met wat hout uit de stal of met enkele balken die toch wel in elke achtertuin te vinden zijn, een simpel, klein vlot in elkaar te timmeren. Hoe welkom zou zo’n eenvoudig schuitje nu niet geweest zijn, al was het alleen maar om die krampen te vermijden, die het gevolg waren van dat staan op één been, en die koude ook, die via het ‘steunbeen’ naar boven leek te kruipen. Het is vreemd, ook als sta je enkel tot eventjes over de enkel in het nat: alras wordt je hele kuit een ijsblok, en ook je knie, en dat kruipt vrij snel nog hoger op, en dan moet je van been wisselen natuurlijk, om het andere been wat warmer bloed te gunnen. Ja, dan pas sta je er versteld van hoe warm ons bloed is, en hoe vanzelfsprekend wij dit altijd vonden; wij stonden er nooit bij stil, tot op dit eigenste moment dat we er moeten bij stil staan, en op één been dan nog.
Ik had gewacht met plassen totdat de duisternis helemaal gevallen was, want ook in anderszins benarde situaties blijft plassen een gênant karwei. Haast onhoorbaar was het straaltje – warm dampend – water uit het eigen lijf, wegens de regen die muziek bleef maken in ‘het meer’, zo zal ik het maar noemen, en het verdroot me dat ik, door nood gedwongen, aldus wat van de eigen lichaamswarmte los moest laten, nu ik daaraan tekort begon te lijden, maar het kon niet anders meer.
Helemaal donker werd het, het verwonderde me dat het zo donker worden kon, maar ik bedacht meteen dat wij, die opgegroeid zijn in het tijdperk van de elektriciteit, eigenlijk nog nooit de nacht hadden gezien die, tot voor enkele tientallen jaren, vele duizenden jaren lang, en eigenlijk teruggaand tot het begin der tijden, alle generaties die het mensdom en het dierenrijk had voortgebracht, altijd al in gijzeling had gehouden gedurende ruim de helft van hun bestaan. Ja, nu werd het echt donker en, al was het niet echt koud: het nat bleef via het ene been – nu eens het linker, dan weer het rechter – veld winnen op het gebied van het lijf dat nog door het bloed kon warm gehouden worden. Dit kon niet zo heel lang meer duren, dit was een zaak van hooguit uren, misschien nog een dag, of twee, daar had ik het raden naar – ik, die altijd in de watten gewezen, de grenzen van de lijfelijke krachten en zwakten nooit had hoeven te verkennen.
“Van één graadje gaan we heus niet dood, haha!” – zo hoor ik het hem nog altijd zeggen op teevee, de “haha” erin begrepen – de grote ethicus, de raadgever der vooraanstaanden, de beschermengel van alle burgers in dit land, de trooster, de vredebrenger, de bruggenbouwer, de rechtschapen wetenschapper. “Eén graadje”, zei hij, en ze praatten het allemaal na: de weerman en de weervrouw, de eerste minister en misschien ook wel de koning in zijn groot kasteel: “Het is gemiddeld genomen slechts één enkel graadje, mijn lieve vrouw: je hoeft heus niet bang te zijn, alles loopt zoals normaal!” En zij dan, haar man bewonderend voor zijn comfort verschaffende inzicht: “Ja, het zal wel zo zijn, wij zijn altijd veel te snel bang. Maar ik dring er toch op aan dat we nu wat vakantie nemen in de bergen. Een verblijf in onze blokhut in de Alpen zou ons tot rust brengen, denk je niet?” En dan hij weer: “Dat zal jammer genoeg niet lukken, mijn lieve vrouw; onze blokhut is immers niet meer; er is daar een stukje van een kleine gletsjer gepasseerd, de afgelopen week.” En dan, haar meteen troostend: “Maar… geen nood, geen nood: ik gaf reeds opdracht voor de bouw van een nieuwe. Intussen kunnen we voor de verandering misschien eens een cruise maken – wat denk je ervan?”
Zegde hij nu een ‘cruise’ of een ‘kruis’? Hoe dan ook, het werd door iedereen gezegd: van één enkel graadje gaan we heus niet dood.
Ik hoor het onze grootmoeder nog steeds zeggen: “Van één enkel graadje gaan we heus niet dood”. Dat was ter gelegenheid van de energie-besparings-dagen, thuis, intussen al heel lang geleden. Er was een campagne ten tijde van de allereerste ‘oliecrisis’: “Als elke burger de verwarming één graadje lager zet, dan komen wij er met zijn allen wel doorheen!” – “Eén graadje voor het goede doel!” Wij waren nog kinderen toen, en we voelden daar natuurlijk helemaal niets van. Maar grootmoeder, die de rekeningen bijhield, vertelde ons op een dag na de winter, hoeveel geld die luttele besparing in het laatje had gebracht. Ik herinner mij geen getallen meer, maar het was een heel behoorlijke som en, dank zij dit ene graadje, reden wij in de lente allen met een nieuwe fiets.
De muziek van de regen was nu luider gaan spelen, het was een geruis dat beslist gezellig had geklonken indien wij nu maar ergens knus bij een kachel hadden gezeten, spelend met de kinderen, op een wollen tapijt, kijkend in de vlammen die uit de blokken brandhout oplaaiden, en de oudjes onder ons, mijmerend over vroegere tijden.
Eén enkel graadje in één enkele huiskamer maakte ons toen rijk – zoveel energie is er met dat ene graadje gemoeid. En hoe groot is het volume van een huiskamer? Hoeveel huiskamers gaan er in onze atmosfeer?
Ik keek op naar de lucht, doch zag niets dan een zwart vlak en voelde koude regendruppels in mijn ogen pletsen. Ik verloor haast het evenwicht, wisselde nog eens van been, werd gerustgesteld door het gehoest aan mijn zijde dat eigenlijk zeggen wilde: “Ik ben er nog, ik ben er nog, wees maar niet bang…”
Talloze huiskamers gaan er in de atmosfeer, en het woord ‘talloos’ is in feite veel te dunnetjes om het verschil in beeld te kunnen brengen. Op de lagere school leerden we ooit dat warme lucht meer vocht vasthoudt dan koude, en voor de gelegenheid had onze onderwijzer, die toen tachtig moet geweest zijn, een elektrische kookplaat meegebracht en een soort glazen ketel die hij met water vulde en verwarmde op de steen. Hij toonde ons wat damp was, en ook condensatie.
“Kan iedereen goed zien dat het volume water in de ketel nu geslonken is?”, zo vroeg hij ons na een poosje, en hij trok de jongens die achteraan stonden omdat zij bedeesd waren, naar voren, opdat ook zij het goed zouden zien.
“Het water is niet weg”, zo vervolgde hij zijn uiteenzetting: “het is nu waterdamp geworden. En die damp zit nog steeds in de ketel. Hoe langer ik het water verwarm, hoe meer water er zal veranderen in damp. De lucht in de ketel is even heet als het water: pas daar altijd van op, want je kunt je daaraan verbranden! Onthoud dus goed dat warme lucht meer vocht kan bevatten dan koude lucht!”
Dan kwam het moment dat hij ons ging laten zien wat condensatie precies is. De kookplaat met de waterketel stond bij het raam en het was winter. Het vroor zeker min tien graden buiten en de ruiten van de ramen van de klas waren kil. In die tijd hadden de klaslokalen nog hoge plafonds, en onze onderwijzer had ons trouwens ook eens uitgelegd dat dit noodzakelijk is opdat wij allemaal genoeg zuurstof zouden kunnen inademen. Dat architecten van scholen dit vandaag niet meer nodig vinden, is mij trouwens altijd een raadsel geweest, en sommigen beweren zelfs dat de toenemende algemene leerachterstand op scholen aan niets anders te wijten zou zijn dan aan een algemeen zuurstofgebrek in de klaslokalen. “Hoge plafonds voorkomen dat wij lui worden en in slaap vallen tijdens de les”, zo zegde onze onderwijzer het, “want zuurstof is broodnodig voor de hersenen!”
Toen nam hij het deksel van de ketel en een hete damp steeg uit de ketel op, kwam met de koude ruiten in contact, en vormde daarop vrijwel onmiddellijk grote druppels die dan in straaltjes naar beneden gleden en plassen achterlieten op de vensterbank.
“Warme lucht kan meer vocht vasthouden”, zo herhaalde onze onderwijzer, “en als die lucht dan afkoelt, dan condenseert dit vocht, en dat wil zeggen: de kleine waterpartikeltjes die in de warme lucht verspreid zitten, voegen zich samen als ze kou krijgen, en zo vormen ze dus grotere druppels, en die vallen naar beneden. Zo ontstaat regen. Heeft iedereen dat begrepen?”
Iedereen knikte, maar zoals elke goede onderwijzer kende hij de kracht van de herhaling en hij zei: “Ik herhaal het nog eens: warme lucht kan meer water bevatten dan koude lucht. Het water blijft in de vorm van damp, en dus onzichtbaar, in de lucht hangen. Als de lucht afkoelt, vormen zich druppels en gaat het regenen.”
Gerard, die de slimste leerling van de klas was, stelde toen de vraag hoe veel warmer de lucht van het klaslokaal dan wel moest worden opdat een ganse emmer water daarin zou kunnen verdampen.
Onze onderwijzer zegde dat hij dat kon berekenen: hij wist het niet precies, maar ik heb zijn antwoord altijd onthouden omdat het zo ongelooflijk klonk.
“Ruw geschat”, zo sprak hij, nadat hij gedurende enkele seconden naar het hoge plafond had staan staren, “zal het ongeveer zo zijn…” Iedereen luisterde met spanning toe.
“Als de lucht in dit lokaal verzadigd is met vocht, en wij willen er nog een ganse emmer laten in verdampen, dan volstaat het waarschijnlijk om de kachel één graadje hoger te zetten.”
Er was een algemeen ‘ooh’-geroep, de warme mantel der verwondering omzwachtelde ons allen.
“En zetten wij daarna de kachel weer een graadje lager”, zo ging hij met zijn uitleg door, “dan krijgen de ruiten, de muren en de vloer van dit lokaal eigenlijk een ganse emmer waterdruppeltjes over zich. Jullie zouden daar natuurlijk niet veel van merken, dat vocht verspreidt zich, dat begrijpen jullie zeker wel, maar mocht men het meten, ik denk dat ik er niet ver naast zou zijn met mijn schatting.”

“Als de temperatuur met één graad gestegen is”, zo zei ik plotseling luidop – en eigenlijk deed ik dat om te testen of hij er nog was – , “dan moet het wel zo zijn dat de luchten ganse zeeën vol met water hebben opgeslorpt”.
Hij zweeg, en ik interpreteerde zijn zwijgen als een akkoord.
“Zolang de temperatuur blijft stijgen, is er geen probleem”, zo ging ik verder: “de luchten houden dan steeds meer vocht vast. Het probleem doet zich pas voor als de temperatuur plotseling gaat zakken, want op dat moment valt al dat water er weer uit.”
Hij bleef zwijgen, en net zoals indertijd mijn onderwijzer dat deed, herhaalde ik wat ik net gezegd had om hem te overtuigen: “Dat zijn dus vele zeeën vol!”
Maar het maakte klaarblijkelijk helemaal geen indruk op hem, want hij reageerde niet.
Hierop besefte ik plots dat hij er niet meer was. Ik liet mijn ene been zakken, waadde voorzichtig door… het meer, naar de plaats waar ik dacht dat hij altijd gestaan had, doch daar was niemand meer te bekennen. Ik waadde verder nog, nu eens naar links, dan weer naar rechts, rechtdoor, achteruit, maar ik vond niets of niemand in mijn buurt.
“Waar ben je dan?”, riep ik.
Er kwam geen antwoord. Mijn stem kon ook niet ver gedragen hebben in dit gedruis van de regen. Tevens spoelde het water nu ook met een al veel grotere snelheid dan aanvankelijk het geval was, voort, en door de koude waren mijn benen zo ongevoelig geworden dat ik niet eens gemerkt had dat het waterpeil intussen flink gestegen was. Toen ik in het water tastte met mijn nog warme handen die nog voelen konden, merkte ik dat die waterspiegel al tot een stuk boven mijn knieën kwam.
Ik betastte mijn benen, en merkte dat mijn vingers weliswaar mijn benen konden voelen, doch niet andersom: ongetwijfeld door de koude, die men echter niet meer voelt als men er aan gewend is, was het gevoel uit mijn benen zelf zo goed als geheel verdwenen. Toen ik dus merkte dat ik mijn voeten niet meer gewaar werd, vroeg ik me af of ik ze nog wel had. Indien ik met een voet in een glasscherf had gestaan, of boven op een nagel, dan had ik daarvan helemaal niets gemerkt.
De volstrekte duisternis belette me nu ook om de toestand waarin mijn voeten zouden verkeren – en waarover ik mij na deze bedenkingen echt zorgen was gaan maken – te gaan inspecteren. Ik kon ze weliswaar betasten, maar wat ik dan betastte, kon ik zelf niet meer voelen: het leek alsof ik een stuk hout betastte, iets wat alvast niet tot mijn lichaam behoorde.
Wat nu het geval was aangaande mijn voeten en mijn benen – een algehele ongevoeligheid veroorzaakt door de kou van het nat – gold nu ook met betrekking tot het onderste gedeelte van mijn romp, zo stelde ik nu vast, en ik realiseerde mij plotseling dat het een wonder was dat mijn benen mij nog langer droegen, en dat ik nu heel gauw een houvast moest gaan zoeken tegen het ogenblik dat zij het zouden begeven. Ja, alleen mijn handen en desnoods mijn aangezicht waren nog tot tasten in staat – verder niets meer: verder was het alsof mijn lichaam mij niet langer toebehoorde.
Ik voelde mij aldus – niettemin ik in klaarlichte dag nog geheel zichtbaar zou zijn – reeds voor de helft verdwenen. En dan, plotseling, kreeg ik het warm.

(J.B., Verhalen 2006-2009)

Septembernacht (J.B., Verhalen 2006-2009)

 

Septembernacht

Het was een van die intussen niet meer zo zeldzame, warme nazomernachten in september. Het middernachtuur was allang verlopen, maar in de straten van deze oude stad kon men nog over de koppen lopen. Het was niet de drukte van de dag die in de winkelwandelstraten heerste: onder een volle maan, gehuld in een halo van kleurenringen, was het wandeltempo rustig nu, haast slenterend. Het keuvelen van nieuwe en ook oude koppeltjes, hand in hand, welhaast in strandkledij, werd begeleid door het stroelen van het water in de bekkens onder de kleine fonteintjes die alom als gebeeldhouwd oprezen uit saters en nimfen van donkergrijze granietsteen uit de vergangen gewaande middeleeuwen. Een mist van een zeer draaglijke en welkome friste was intussen op de pleinen afgedaald en hulde verre torentjes in een dromerige waas en, zoals reusachtige, kleurige lantarens, lieten van binnenuit verlichte kathedralen hun glasramen zingen terwijl zij gestreeld werden door nevelslierten die zich als bleke slangen om de donkere steunberen slingerden. Hoog daarboven verdween nu en dan de kroon van een kerk volledig in laaghangende nachtwolken die veel te wit waren om echt te kunnen zijn, wat een onwezenlijk spektakel opleverde: het leek dan alsof de kerk op zachte en onhoorbare wijze was onthoofd voor de duur van enkele tellen terwijl, uitgerekend dan, uit die niet meer bestaande toren het gedruis van een bronzen klok tot tweemaal toe weerklonk.

Het zware gelui viel neer in de stegen en galmde haast eindeloos in portieken, spelonken, bakstenen gangen en weggetjes met smalle trappen die langs koude, sierlijke, gietijzeren traliehekkens in donkere schaduwen afdaalden naar zwarte, koele waters waarop zwanen slapend in grote kringen dreven. Ontelbare ruitjes, pekzwart in de trapgevels, weerkaatsten in voorbijgaande flarden de maan en haar dromen, de wolken en de nacht en, hier en daar, een schare oude bomen die in het windstille van de nacht de pracht van hun tentakels in het licht van de mist als toortsen verhieven terwijl zij geheel verstild en onbeweeglijk bleven. Zij stonden, de bomen, overwelmden met een diepgroene geur als van bloemen de banken, gesneden uit hun eigen vlees dat hout heet, en op de banken hadden zich wandelaars gevleid om nog dieper te kunnen ademen nu, en de tere longen geheel met de koelte van de maan te vullen, zoals men kristallen bekers vult met donkere wijn, en dorstige tongen laaft aan ijskoud water.

De dorst die nu zichtbaar was in het welven van de silhouetten van de ranke lichamen bij elke ademteug, was onmiskenbaar niet langer een dorst naar water of naar wijn. Menig wandelaar begon nu echt te slenteren, sommigen ook kwamen middenop de weg tot staan, lieten het hoofd in de nek vallen, keken diep in het wonder van het firmament en sloten dan de ogen voor een wijl, alsof zij van dit zalige ogenblik op onnaspeurbare wijze een prent maakten welke ze langzaam lieten neerzinken naar de bodem van de ziel om die daar voor immer te bewaren. Anderen gingen op de koele, stenen muurtjes zitten, lieten de zwaar geworden armen hangen en ook het hoofd dat zich als in gebed voorover boog ter aarde, en gezalfde ogen verwonderden zich over de vormen van de stenen van de straat, het kunstwerk van kasseien die door een duizendjarige, onverdroten dans van wandelaars zo rond en glad geschoren waren als de mysterieuze keien in de rondingen van de helderste stroom.

En zo ging het nog een tijdlang door, als was dit niet echt gebeurd, doch slechts een stille film, geprojecteerd op het theater van de aarde; een spokerige droom waarvan alras het einde naderde wanneer nu koelere lagen lucht door de aders van de straten daalden. Het volk trok weg, werd dunner, verdween als in het niets, en de ruimte nam haar plaats weer in, vestigde zich in een nieuwe kilte. Een forse wind blies de laatste nevelen aan flarden, stuurde donkerder wolken boven de kathedralen van de stad, benam de maan het zicht. En 't overtrok nu overal, de stenen werden koud, het spel dat uitgespeeld was werd verjaagd, een sliert van plotseling afgerukte bladeren vluchtte door de straten, de lantaarnpalen op het plein gingen nu sidderden en in de verte rammelde een frisdrankblikje met een hels lawaai.

Ik nam de enkele munten uit mijn hoed, klopte het stof uit de jas waarop ik gezeten had en zocht een slaapplaats, ergens uit de regen en veilig voor de wind. De munten knoopte ik goed vast, in de rode zakdoek die ooit van mijn oude moeder was.

(J.B., Verhalen 2006-2009)

 

"Alles van waarde is weerloos”

“Alles van waarde is weerloos”1

Niet in staat tot onpartijdigheid en tot het respecteren van de scheiding der machten, kon het niet verwonderen dat de megalomane Trump rechters aan de kant zette en vervolgens ook topwetenschappers in onder meer de medische en de klimaatsector maar met zijn bemoeienissen met de topsport steekt hij prompt zijn evenknie naar de kroon: ook de racist Adolf Hitler kon niet verkroppen dat uitgerekend de zwarte atleet Jesse Owens, nadat hij in 1935 in minder dan een uur zes wereldrecords had verpulverd, nu ook vier keer goud behaalde op de Olympische Spelen in Berlijn; de dictator weigerde de kampioen te feliciteren maar de overwinningen ongeldig verklaren deed hij niet en hier breekt de Amerikaanse Hitler alle records inzake onsportiviteit. Nog op te merken valt dat Owens na de Spelen in de persoon van de Amerikaanse atletiekbaas en nazi-sympathisant Avery Brundage (die Owens naar de Spelen had gestuurd ter vervanging van een joodse atleet die Hitler in verlegenheid had kunnen brengen,) door de Amerikaanse atletiekfederatie uitgebuit werd en voortijdig stierf, hij werd amper 66.2

Als top arbiter maakt Trump zich andermaal onsterfelijk belachelijk, al lijkt hij door zijn verstandelijk vermogen verhinderd om dat ook nog te vatten. Toch heeft hij in zijn zieke logica alsnog gelijk: hij weet dat in het land van Mammon alles te koop is wat zonder waarde is.

(J.B., 6 juli 2026)

1Lucebert.

2Cf. The Jesse Owens Story. Link naar de film: https://www.youtube.com/watch?v=AaAcK7gfcX4

De Laatste Reis (J.B., Verhalen 2006-2009)

 

De Laatste Reis

Zij was omstreeks tweeëntachtig toen het begon, en het ging snel. Op een morgen was zij opgestaan, veel vroeger dan gewoonlijk, want zij bleef meestal op haar kamer totdat mijn vrouw en ik op waren, en zij was druk doende in de keuken die zij tot dan toe als het terrein van mijn vrouw had beschouwd, en die zij slechts betrad om te helpen afdrogen bij de vaat, waartoe zij altijd eerst de toelating vroeg. Nu lagen wij nog in bed en werden wij voortijdig gewekt door het alleen in de volstrekte stilte hoorbare geluid van stromend water doorheen de leidingen en het rammelen van ijzeren pannen, stenen borden en glazen. Mijn vrouw wilde meteen opstaan om te kijken wat er was, maar ik weerhield haar daarvan, en zei: "Laat haar begaan", omdat ik al gemerkt had dat zij veranderd was de jongste dagen, die misschien wel haar laatste zouden zijn, zo kwam het heel even bij me op. Want voor een mens de geest geeft, wil hij de zaken op orde hebben - zo heb ik het altijd horen vertellen en ook menigmaal zelf zien geschieden.

Wij wachtten dus nog een poos, maar stonden ten slotte toch een ietsje vroeger dan gewoonlijk op. Terwijl ik me schoor, hoorde ik glas breken, wat een reden was om te gaan kijken, en toen ik in de keuken arriveerde, zag ik tante met het vuilblik en de borstel in de weer terwijl zij riep: "Kom niet te dicht want er ligt glas hier, ik ben zo klaar!"

Zij zag er opmerkelijk jong uit, bloosde vurig en had haar haren in een dikke vlecht gekamd zoals toen zij nog een schoolmeisje was, zo wist ik van de foto's uit haar album. Om haar jurk had zij een glanzende zwarte kiel geknoopt en aan haar voeten droeg zij haar beste zondagse schoenen. Van haar reuma was blijkbaar geen spoor meer te bekennen zoals zij nu tekeer ging: zij leek vol van energie, net zoals iemand die haastig nog de koffers pakt vooraleer op reis te gaan.

Toen het glas was opgeruimd, zei ze dat ik verder mocht komen. Ik zag dat ze al koffie had gezet en brood gesneden had, en nadat ze mij een bord en een kopje had voorgezet, deed zij verder met het werk waaraan ze bezig was: ze schrobde de kastdeuren met zeep en met water tot ze blonken, en liet zich in deze bedrijvigheid niet afleiden door mijn aanwezigheid. Mijn vrouw verscheen, wisselde met haar een goedemorgen, stond een poosje te kijken naar haar bedrijvigheid en wilde toen iets zeggen, maar zij hield zich in, ging zitten en at mee.

Nog voor we gegeten hadden was tante klaar: zij maakte haar zwarte schort los, vroeg aan mijn vrouw haar eventjes te willen helpen met het opspelden van haar haren, "want ik moet er goed voorkomen vandaag", zei ze: "een oude kapelle moet versierd worden!"

En toen dat werk erop zat, ging zij terug naar haar kamer waar zij nu lange tijd verbleef, zo te horen rommelend in haar kleerkasten en haar schuiven om zich op te kleden. Na een poos kwam zij terug met in de handen twee paar schoenen, een paar witte en een paar zwarte, en zij wendde zich tot mijn vrouw en vroeg welke zij dan aan zou trekken voor de tocht:

"Men zegt altijd dat het maar een boogscheut hier vandaan is", lachte zij, "maar men kan maar beter voorbereid zijn op een lange tocht; ten slotte is van ginder nog steeds geen mens teruggekeerd om ons te vertellen hoe ver we daar moeten lopen!"

Niet bij machte om haar verbijstering te verbergen, keek mijn vrouw me plotseling hulpeloos vragend aan, maar zij herwon de moed en antwoordde ten slotte: "Zou je niet eerst een beetje rusten, tante? Ik zie dat je al koffie hebt gezet, laten we nog een kopje drinken, we zullen dan je schoenen passen..."

Zij geraakte duidelijk niet uit haar woorden, ging zelf weer zitten, en staarde het naarstige besje gelaten aan.

"Ik neem de zwarte", zo besloot zij na wat aarzelen: "die witte zijn voor jonge mensen, ja, ik trek de zwarte aan, en ook mijn zwarte mantel, zodat de mensen weten waar ik heen ga, en zij mij niet om de haverklap doen stilstaan met hun vragen. Mijn eigen moeder heeft me ooit verteld dat zij op die manier de trein eens miste, en terug is moeten keren... uit haar graf!"

Zij sprak dat laatste woord uit met een klemtoon die een fierheid verried welke alleen past bij woorden zoals 'prijs' en 'pracht', en er was geen greintje angst te bespeuren in haar fijne en nu wat zangerig geworden stem die welhaast zong. Ze nam de schoentrekker en ging zitten, bukte zich zonder moeite en plantte haar hielen in de zwarte schoenen, ging opstaan, deed enkele pasjes en zei: "Ze vallen wat ruim uit, maar het gaat nog net; als ik wat gestaan heb, worden mijn voeten dikker; zij zullen als gegoten zitten tegen de tijd dat ik vertrek. Hoe laat is het trouwens al?"

Mijn vrouw keek naar de klok aan de wand: "Half zes, het is nog donker... zou je niet een beetje rusten, in bed? Je hebt zo weinig slaap gehad, dat is niet goed hé, tante?", probeerde zij weer.

Ik zag het aan de slinkse blik, de vinnige oogjes, dat zij wist dat men haar niet ernstig nam, maar zij was sluw genoeg en speelde het spelletje mee en zei: "Je hebt gelijk, ik zal eerst een dutje doen, een slaapje; de dag is nog lang..."

"Zal ik je helpen, tante?", vroeg mijn vrouw haar, maar zij wuifde haar weg en lachte:

"Kindje, kindje, dat kan ik zelf wel, nu; eet jij maar flink en straks ben ik er weer!", en dan weer: "Kindje, kindje, kindje...", alsof zij in haar nopjes was.

Mijn vrouw wachtte totdat de deur van tante 's kamer in het slot viel en keek me dan aan: "Zullen we nu een dokter bellen, of zou het over gaan?"

"Rustig maar", antwoordde ik, in een poging haar te bedaren: "het zou haar alleen maar van streek maken. Ik zal eens met de dokter praten, vanavond of morgen of zo, en als hij donderdag dan komt, kan hij haar pillen aanpassen; zo zal het zonder heisa allemaal vanzelf in orde komen, wees maar niet bang..."

"Hier zitten we dan", zuchtte mijn vrouw, "een uur te vroeg... zou ze nu al slapen?"

"Ga eens kijken!", fluisterde ik - ik was er zeker van dat ze al snurkte.

Mijn vrouw verliet de keuken en ik stond op, ontgrendelde de achterdeur en begaf me met mijn kopje koffie op het terras dat uitgeeft op de tuin. Bij het raam van tante 's kamer was geen spoor van licht meer te bekennen, daarvoor had ik mijn bril niet nodig, maar toen ik beter toekeek zag ik dat daar de ochtendwind met de gordijnen speelde. Stond haar raam dan open?!

"Er is geen licht meer in haar kamer", zo hoorde ik mijn vrouw nog zeggen bij de deur, terwijl ik de trappen naar beneden liep, de tuin in en tot bij het kamervenster, daar de gordijn wegtrok en mijn verwarde ogen zochten in het lege bed.

"Doe iets", riep mijn vrouw mij na, terwijl ik door de tuin rende, achter de struiken keek, de voortuin inliep en mij op straat begaf.

Het was er stil en donker, maanlicht glansde tegen bleke gevels, heel in de verte kraaide al een haan. Ik liep de weg op, trachtte uit te vinden welke kant zij zou zijn opgegaan, en gokte in de richting van het kerkplein. Achter mij aan hoorde ik op haar sloffen mijn vrouw mij nalopen en zij riep dat ik haar moest tegenhouden...

Ja, daar ging ze, met haar zwarte schoenen aan en in haar zwarte mantel, met een grote, dappere stap, zo ging zij, recht en door, en stil om niemand in de buurt te wekken. Ik liep haar na, maar haalde haar niet in, zo snel hamerden haar gelakte schoenen door de straten. Ik wilde haar wel stoppen, maar zag dat het niet baten zou: zij was immers zo fel in volume toegenomen, dat zij wel een reuzin leek nu, met zevenmijlslaarzen aan. Tenslotte geheel buiten adem moest ik de achtervolging staken en bleef ik pal in 't midden van de kerkstraat staan met, achter mij, zwaar ademend, mijn vrouw.

Wij zagen hoe zij kerkwaarts stapte: een gestalte, zwart en hoger dan de huizen, zich vaag aftekenend tegen het eerste ochtendlicht en in de schittering van de maan; een schaduw tegen 't firmament was zij geworden, en toen is zij geheel vergaan, zoals de sterren in de morgenhemel.

(J.B., Verhalen 2006-2009)

Stank

Stank

Hoogst persoonlijk int Trump de lof die aan de V.S. als wereldheersers toekomt en applaudisseren doen de in de mondiale hegemonie gecompromitteerden, onder wie het patriottistische Rusland en de ene ware kerk van het Vaticaan: allen delen zij in de gigantische misdaad die met de streng bewaakte kloof tussen rijk en arm de continuïteit van de genocide garandeert door alle kritiek op de waanzin van het ook voor het milieu catastrofale kapitalisme, de kop in te drukken en dat met alle mogelijke middelen. Het verrast allang niet meer dat de mammon bij het uitschakelen van diens rivalen van sportiviteit gespeend blijft, de aanval in de rug verkiest en de wet volgt van de jungle.

Een verdeeld land achter zich krijgen doet men op beproefde wijze met vuurwerk in combinatie met de creatie van een demon en deze laatste is uiteraard de mens die opstaat tegen het onrecht, de slaaf of loonslaaf die opkomt voor zijn vrijheid maar die prompt gedemoniseerd wordt met het brandmerk 'communisme'.

Geschiedenisherschrijving als de vetst betaalde job van het moment kan evenwel niet verhinderen dat elkeen zich alsnog kan informeren over hoe het allemaal in zijn werk ging in de loop der tijden. Er zijn meesters en slaven en de eersten rekruteren uit de tweede groep verraders die hen als slavendrijvers dienen in de gedaante van godsdienstigen die immers doordringen tot in de kern der zielen waar verborgen microfoons en camera's geen toegang hebben. Quasi feilloos verloopt aldus het fabricaat van de 'puppet on a string', de robot bestemd voor de productie van de bommen waarmee hij in het spel van zijn meesters zichzelf ombrengt.

De lomperiken die de grote jan uithangen blijven evenwel nood hebben aan publiek vanwege hun verslaafdheid aan applaus en dat publiek creëren zij dan ook te gepasten tijde naar behoeven met vuurwerk en met leugens. Vandaag vieren ze in Washington de meedogenloze uitroeiing der autochtonen na een invasie met de zegen van de kerk en morgen doen andere kolonialen dat in het jubelpark van de 'grafstad' zoals Conrad ze heeft genoemd, opgebouwd door een zich geniaal achtende vorst met het bloed van twaalf miljoen Congolezen. Ook de Romeinse wereldheersers verklaren zichzelf zalig, zo niet heilig, en al dat eigen lof moet dienen om de stank van hun allang ontelbare moordpartijen en verkrachtingen te kunnen overstemmen.

(J.B., 5 juli 2026)




 

De Goede Deur (J.B., Verhalen 2006-2009)

 

De Goede Deur

U kent de “Goddelijke Komedie” van Dante Alighieri – deze “allervurigste dienaar van de liefde”, zoals Boccaccio hem noemde – en u weet daarom dat de ingang tot de hel een onopvallend en achter een struik verborgen gat is, ergens in een duister woud. (Weinigen weten dat Dante zich voor zijn bijzondere reis inspireerde aan de Mohammedaanse verhalen over het hiernamaals, zoals “De nachtelijke reis van Mohammed” van de Spaanse Moudjioeddin Ibn Arabi die precies honderd jaar eerder dan Dante werd geboren – maar dat tussen haakjes). In de penopauze van zijn leven gekomen, belandt Dante in een duister woud, en daar vindt hij prompt de hellepoort. Op het bordje boven de poort staat te lezen: “Laat varen alle hoop, gij die hier binnentreedt!” Hij gaat doorheen de poort, laat zich door Charon over de Styx varen, en komt warempel in de hel terecht.

In de middeleeuwen werd de hel gesitueerd in het middelpunt van de aarde, en dus het verste verwijderd van God. Aan onze ‘zuidpool’ lag de louteringsberg met daarop het Aards-paradijs; aan de ‘noordpool’, Jeruzalem. Dat het inwendige van de aarde een poel van vuur is, wisten ook al de eerste mensen die vulkanen in actie zagen. Wij leven eigenlijk op het korstje van de hel.

Het letterlijke en het figuurlijke lopen hier enigszins dooreen. Een kennis van me die zich bezighoudt met de eigenaardige zaken van het leven – die voor mij overigens even onbegrijpelijk zijn als de ‘gewone’ – vertelde me eens dat Dante’s hellepoort een soort ‘gat’ is naar een ‘andere dimensie’, in dit geval dus de hel. De ruimte, welke wij eigenlijk met een primitief meetkundige geest bekijken, is in feite heel onregelmatig, zo vertelde hij me, en zij zit vol met dergelijke gaten. Bovendien is de ruimte helemaal niet statisch, maar zij ‘leeft’ en zij beweegt. Het zou bijvoorbeeld kunnen gebeuren dat een ‘gat’ zoals de hellepoort zich plotseling opent, zodat je er naar binnen kan, en dat het zich daarna weer sluit, zodat je er nooit meer uit komt.

Er zijn kraters waaruit vuur gespuwd wordt en er zijn bronnen met helder en fris water, of met stoom; er zijn gasbronnen waaruit dodelijke dampen opstijgen. Er zijn tornado’s van louter lucht die koeien en huizen kilometers hoog optillen. Er zijn draaikolken die machtige schepen verzwelgen en in de ‘grote’ ruimte zijn er ook ‘zwarte gaten’ die materie verslinden, gaten waaruit nieuwe heelallen ontspringen, gaten die in feite fonteinen zijn waaruit tijd wordt in het rond geblazen, en gaten die naar andere ruimten leiden. Mijn geleerde kameraad vertelde mij dat er tal van dergelijke dingen bestaan waarvan wij nagenoeg geen notie hebben.

Ik moet zeggen dat mijn belangstelling voor deze verhaaltjes altijd zeer matig is geweest. Wanneer ik toehoorde, dan deed ik dat veeleer om de spreker aan het werk te zien, of om hem als in een soort van vriendendienst mijn oor te lenen. Vaak luisterde ik zelfs niet, verdwaald als mijn ogen waren in de zijne, waaruit ik niet zelden vonken zag opspringen, maar toen ik hem daarop attent maakte, werd hij kwaad omdat mijn aandacht verslapte. De ‘feeling’ voor het bovennatuurlijke – of was het gewoon het ‘natuurlijke’, zoals hijzelf steeds beweerde? – ontbrak mij volkomen. Tot op zekere dag.

Ik moet die avond iets verkeerd gegeten hebben, want van zodra ik in slaap viel, droomde ik. Ik voelde hoe mijn hoofd loodzwaar werd, rondtolde en tenslotte recht doorheen mijn hoofdkussen zakte en met een pijnlijke klap terecht kwam op de plankenvloer onder mijn bed. Uit vrees dat ik andere huisgenoten wakker had gemaakt, wachtte ik eerst een poos, aandachtig luisterend, en toen ik geen andere geluiden kon horen dan het geroep van een witte uil in de zwarte diepten van de nacht, scharrelde ik met mijn rechter arm over de bedrand heen naar mijn hoofd, dat dus ergens onder het bed, op de planken vloer, lag te wachten op hulp. Groot was echter mijn verbazing toen ik prompt scherpe tanden door drie van mijn vingers voelde boren. Toen ik mij ervan bewust werd dat het inderdaad ikzelf was die beet, loste ik niet, wetende dat mijn hoofd op die manier wel weer snel zou belanden waar het thuishoorde van zodra de arm zich terugtrok. Echter, ik had de kracht en de snelheid waarmee de arm zich terugtrok, fel onderschat, en zo kwam het dat mijn hoofd tijdens de plotse en forse beweging van de arm werd weggeslingerd… doorheen het open raam… en ergens in de struiken in de tuin van de buren terechtkwam.

Oog in oog stond – of lag – ik plotseling met Rakkie, die mij – gelukkig! – meteen herkende, en die mij genegen was omdat ik hem nu en dan wat lekkers durfde toe te werpen. Van het brave beest kende ik wel het karakter, maar met het inzicht en het analystische vermogen van het dier maakte ik toen voor de allereerste keer kennis: de hond nam me bij de haren in zijn muil –  zoals honden dat ook doen als ze hun jongen dragen – sprong in een wip over het muurtje, en bracht mijn hoofd prompt terug op het hoofdkussen in mijn bed, waar het thuishoorde. Zonder te wachten op een bedankje, verdween het beest weer onmiddellijk en geruisloos.

Toen nu mijn hoofd opgehouden had met tollen, wist ik dat ik sliep. Ik stond dus op zonder te moeten vrezen dat ik ook werkelijk mijn bed verliet, en sprong door het open raam naar buiten. Rakkie die, zoals alle dieren, de uittredingen der slapenden waarneemt (zoals mijn geleerde kameraad mij verteld had, maken dieren geen onderscheid tussen de ‘werkelijkheid’ en de droom), keek mij hijgend na, wipte over het muurtje, en volgde mij, ijverig snuffelend. Ik stuurde hem niet terug omdat zijn neus mij nog van pas kon komen; ik had immers besloten om door te gaan met zoeken naar iemand die ik in geen jaren meer had gezien, ja, iemand die mij na aan ’t hart lag en om wie ik mij al een hele tijd zorgen maakte. Kort voordien had ik nog iemand nageroepen op straat omdat ik geloofde dat hij het was – tot mijn schande, want toen de man zich omdraaide, moest ik bitter vaststellen dat ik me schromelijk had vergist: de man keek me aan met de mij bekende trekken, maar de gelijkenis die ik meende te ontwaren, verdween meteen toen het gezicht bij het opkijken in een andere plooi viel. De gelijkenis met het gezicht van de persoon die ik zocht, was slechts het gevolg geweest van louter toevallige spanningen in de gelaatsspieren van de vreemdeling.

Wij liepen over de brede baan in de richting van een streek die ik kende uit de nachtmerrie welke voorafging aan deze droom, en waarop deze droom het vervolg vormde. Dat is niets bijzonders, aangezien ook elke dag het vervolg vormt op de voorgaande. In het laatste geval zit de slaap er tussen; in het eerste geval, de dag; maar slechts zelden vormt de ene een belemmering voor de andere. Het is pas wanneer de wakkerheid en de droom zich gaan vermengen, dat ernstige problemen kunnen opduiken. In dat onfortuinlijke geval zullen wij, eenmaal uit zo’n met de dag vermengde droom ontwaakt, spreken van een nachtmerrie. Maar voor de dromer die terugkeert uit een ongeordende dag waarin fragmenten van de droom zijn binnengeslopen, liggen de kaarten enigszins anders…

We liepen aan een goed tempo in de richting van de streek die ik reeds in een voorafgaande droom had verkend. Ik herinnerde mij vaag waar het was, maar omdat het toen erg mistig was, slaagde ik er niet meteen in om alle puzzelstukjes in elkaar te passen. Iemand had me getoond waar ongeveer de gezochte persoon zich moest bevinden, en in de straat waar ik terecht kwam, had ik reeds alle huizen uitgekamd. Ik was daar in de vele, zweterige slaapkamers geweest, had voorzichtig lakens opgetild om de gezichten te kunnen zien, had me dan begeven naar een naburige kliniek om er de bedden in de slaapzalen te inspecteren, maar was tenslotte onverrichter zake terug moeten keren omdat de dageraad aanbrak en het licht me dreigde te wakker te maken. Licht is een obstakel als men zoekt in de nachtelijke droom, maar nu er geen maan te bespeuren viel, bleek dat een nog veel groter obstakel: ik zag vrijwel niets voor mijn ogen en als ik Rakkie niet had gehad, dan was ik zeker moedeloos geworden en had ik mij onmiddellijk teruggekeerd.

Ik stond nu in de wat bergaf lopende straat voor het huis dat ik laatst had opgezocht, en ik herkende de plaats nu ook heel duidelijk: de troosteloze bakstenen muren, de kleine deurtjes, de stank van de slaapvertrekken, de verlepte interieurs eigen aan buurten waar min of meer marginale zielen zich ophouden. Daar was het dat een man, die blijkbaar toevallig in mijn droom was beland, mij verteld had dat de gezochte persoon zich ‘ginder ergens’ ophield. En toen hij dat gezegd had, zonder verdere uitleg te geven, alsof hij eigenlijk al veel te veel gezegd had, verdween hij meteen en liet me daar achter met een onduidelijk panorama dat zich situeerde tussen twee reusachtige eiken die roerloos aan de oever stonden van een beek die men op het eind van deze straat kon horen kabbelen.

Ik liep dus in de richting van die beek, keek naar het nachtelijke landschap dat tussen de eiken opdoemde, en toen ik een lange tijd had staan kijken, zag ik in de verte, alleen door de sterren verlicht, iets als een kerktoren boven het donkere lover uitsteken.

De tocht die wij maakten doorheen de tussenliggende moerassige weiden en velden, verliep niet zonder problemen; vooral de vele dwaallichtjes baarden mij zorgen. In de droom zijn zij immers niet zomaar ‘lichtjes’, doch lichamen of fragmenten van lichamen van wezens die wij overdag niet kunnen zien. Er zijn er bij die zich niet storen aan ronddwalende mensen, en die doorgaan met feesten en dansen of met ruzie maken, maar er zijn er ook die niets omhanden hebben en die er hun plezier in vinden om passerende dromers op te schrikken met de meest akelige bewegingen en geluiden. De bewegingen die ze maken kunnen de snelheid hebben van bewegende laserstralen, zodat zij op die manier – trouwens net zoals mensen dat soms met laserstralen doen – allerlei illusoire vormen en gestalten te voorschijn kunnen toveren. Het ‘gevaar’ bestaat dat men door deze ‘shows’ wordt afgeleid, en dat men aldus oeverloos gaat dromen, zoals trouwens de meeste mensen dat doen, terwijl men z’n voornemens vergeet. Ikzelf was op dat moment evenwel te vastberaden om mijn aandacht te verliezen en het voornemen van mijn zoektocht te vergeten. Veilig bereikte ik de overkant van het veld dat zich uitstrekte van bij de twee eiken tot aan het kerkje, dat daar nu zoals een reusachtige hen, broedend op haar nest, op het klein heuveltje voor ons lag… met van binnenuit door een zwak schijnsel verlichte glasramen.

Wij duwden de zware poort voorzichtig open en konden meteen horen dat daar een nachtmis aan de gang was. De geluiden waren eerder gedempt, maar de kerk zat nokvol volk – volk dat, af te leiden uit de klederdracht, uit een voorgaande eeuw leek te komen. Een ogenblik vroeg ik me af of de doden dan des nachts opstonden uit hun graven om de heilige mis te vieren en zodoende aan de leeggelopen kerken nog een reden van bestaan te geven, maar een mens mag zich niet teveel vragen stellen, zeker niet als het zaken betreft die het alledaagse overtreffen.

Ik moest Rakkie nu wel achterlaten en begaf me alleen het kerkgebouw in. Ik trachtte zo onopvallend mogelijk voort te schuifelen via een zijbeuk, tussen de nu rechtopstaande en zingende mensenmassa door, toen ik merkte dat ik in pyjama was, maar blijkbaar sloeg geen van de aanwezigen acht op me: allen leken zij verzonken in gezang en in het gebed dat zoals het ronken van een bijenzwerm de ruimte onder de hoge gebinten vol maakte. Instinctief voelde ik aan dat ik recht op mijn doel afging: ik wist dat ik ergens bij de eerstvolgende biechtstoel moest zijn – het was een eikenhouten biechtstoel, bekleed met sierlijke, uit het hout gesneden beelden van engelen en van heiligen. Een van de heiligen hield stijf een staf in de hand terwijl hij zong, maar zijn ogen draaiden in mijn richting en wezen mij de plaats aan die ik zocht.

Het was een piepklein deurtje naast de biechtstoel – niet een deurtje van de biechtstoel zelf, maar een deurtje in de zijmuur van de kerk, omkleed met stenen engelenbeelden, en gemaakt uit zwart mahoniehout met daarin sierlijke krullen gegraveerd. Ik begaf mij recht naar het deurtje, duwde het open, en wrong mij er doorheen. Zo stond ik weer buiten.

Rakkie stond daar op een tiental passen van mij vandaan te wachten, ik kon hem horen piepen, maar er was iets met de hond: hij wilde niet naderbij komen, keek me achterdochtig aan, en liep toen haastig weg, me achterlatend bij de kerkmuur.

Het deurtje was dichtgegaan, ik stond dus buiten, de lucht was koud geworden, er was weer mist komen opzetten, haast moest ik om me heen tasten om niet te vallen als ik me een enkele stap wilde verplaatsen. Maar ik wist dat ik nu vlakbij mijn doel beland was. Instinctief wist ik dat er nog een deur was, en dat zich achter deze deur de gezochte persoon bevond. En toen leek het of een zwarte arm die uit de lucht kwam, mij de deur in kwestie aanwees. De arm wees naar beneden, en wees een tweede keer, en verdween dan. En ik keek naar beneden en ik tastte, en ik voelde inderdaad iets als een deur, maar dit keer was het een stenen deur, een harde stenen deur waarop ik mijn vingernagels brak toen ik een poging deed om ze te openen. En toen ik die deur eerst zorgvuldig betastte, ontwaarden mijn vingertoppen, terwijl ik mij over de deur heen boog en erop knielde, in die deur gegraveerd, de naam van diegene die ik al zo lang zocht.

(J.B., Verhalen 2006-2009)

 

Die nacht (J.B., Verhalen 2006-2009)

Die Nacht…

Toen de grote hitte voorbij was, regende het, en hoe regende het! Een warme regen was het, en ik weerstond niet aan de drang om mij naar buiten te begeven in de avond en te dwalen, terwijl mijn haren kletsnat werden en ook mijn kleren, en ik zag hoe de hoge bomen die geleden hadden onder de uitmergelende hitte van de zon, weer sap doorheen hun bijna verdorde, wachtende takken lieten stromen nu, en zich herop richtten, ademden, de wakke, natte wind door hun kruinen lieten waaien en zich van de druk ontdeden waaronder ze in de lange, zanderige en broeierige julidagen bijna verstikt waren geraakt. Alle schepselen ontvingen nu met open armen, naar boven gerichte handpalmen en wijd uiteen gespreide vingers de helende, heilige zalving van het pletsende nat dat wijde plassen maakte, en op die plassen, bellen, zo groot als vuisten, welke met kinderlijke pret uit elkaar spatten van zodra zij geblazen waren. Doorheen de plassen waadde ik, sleepvoetend als een verzonken kind, totdat mijn schoenen doordrenkt waren van de olie uit de wolken, en ook mijn sokken; doch kou hadden mijn voeten niet, verhit als mijn bloed nu was dat zich nooit genoeg kon laven aan dit op zijn eigen tijd terugkerende spektakel, deze wasbeurt, toegediend door nachtengelen met altijd verrassende strelingen.

Ik weerstond niet aan de drang – nooit heb ik kunnen weerstaan aan de drang – de drang om alles los te laten dat bindt, om alle koorden door te snijden, alle krampachtige vormen uit ijs te laten smelten en weg te laten vloeien naar het diepste punt dat ze maar vinden kunnen. De wijsheid immers zegt dat het water dat de diepten zoekt, vergadert in die diepten, waar de levensaders liggen, koel en altijddurend donker, in nooit geziene meren waar geen vis zwemt en geen mens of dier ooit komen kan. Vele jaren, duizenden en honderdduizenden jaren lang bezinkt daar dan de wijsheid die wij water noemen, wachtend op altijd nieuwe tijden, millennia, epen – alle catastrofen van de oppervlakte overbruggend om, als het tij gekomen is, gewekt te worden door een bosgod – een sater – die met één slag van zijn scepter de vrije teugel geeft aan alle water in een nieuwe bron.

In één ogenblik spat dan in een fontein van licht en lust, de wijsheid na haar rust van ontelbare eeuwen uit de diepste buik van moeder Aarde op, om een volgende cyclus van leven in gang te zetten. En de zon verwelkomt het levensnat en zuigt het op in de containers van haar longen, verdeelt het over alle schepselen en speelt ermee zoals nimfen spelen met klei, naar het eerste voorbeeld van hun grote Schepper.

Zo kwam het dat ik dwaalde door de zee van de nacht, en over de bodem van de nieuwe oceanen liep, verrukt door zich reeds alom verspreidende zwammengeuren die al aan september denken deden, en aan het sterven van het leven, aan de grote dood, het einde en de ijskegels van kristal waarin het al wordt opgeborgen dat geleefd heeft en gezongen. Maar herfst was het nog lang niet nu, in tegendeel: nog duizend soorten moesten opstaan om hun lied te zingen en zich te vernieuwen vooraleer het licht ging wijken, en ikzelf wist mij nu een schepsel behorend tot een van dezen die in de eeuwenlange rij hadden gewacht, geduldig, op de vloed die op de hitte volgt, en op de nacht die de dag toedekt, om op te staan nu uit zijn graf.

Open lag mijn tombe daar, de muil wijd open, dorstig als een dronkenman die ’t niet meer houden kan en die, zich overgevend aan de drank, nu alle gaten die hij rijk is, vol laat lopen. Verlamd tussen de stenen engelen en de inscripties van voorgoed gestorven dichters in ’t graniet waarover gek geworden duizendpoten kropen. Als in een diepe slaap gevallen – laat maar lopen! – en alle deuren wagenwijd open op de nacht en zich aldus verzadigend van het prachtige nat, was nu mijn tombe alleen nog maar een put die zich met water vulde, water uit de warme nacht waarnaar elk keelgat smacht dat nog een allerlaatste keer zo zat wil worden, nu het lang genoeg gesmeekt heeft en geroepen. Geen god is immers zo meedogenloos dat hij niet eens in alle tijden zijn strenge wetten op zou heffen – betoverd als hij zelf wordt door het spektakel van het leven – om ook aan de doden, al was het maar voor de duur van een uur, de natte troost van de regen te geven.

Ja, het was al middernacht, toen ik mijn tocht begon, geheel omringd door lustig krijsende zwermen zwarte vogelmuizen met baleinen vleugels en schitterende tanden in een scherpe bek, maar algauw verlieten dezen mij om, in een grote draai, zich naar hoger gelegen oorden op te laten tillen, waar nog meer wolken waren, ongezien, doch nokvol met ongetemde fristen. Eerst stapte ik een goed gangetje aan, maar algauw begonnen mijn benen, licht als zij geworden waren door het ongeremde ademhalen van de winden, te rennen op de draf van een jong paard. Ik dook, terwijl ik liep, met mijn handen waaraan nu splinternieuwe hoeven prijkten, naar de grond en, aldus een viervoeter wordend en mij vervolmakend in de vereniging met het aardse, hitste mij het ritme op waarmee mijn lichte poten zich in hun ritmische cadans als ’t ware omheen de Aarde sloten, in een gedreven dans die nu heftig aan snelheid won. Laag bij de grond: mijn blik; mijn speurneus die reeds heel andere werelden smaakte; het hijgen dat dampte in het duister uit mijn muil en, in de wind, mijn lange, bloedrode, elastisch bengelende tong. Het leek of ik haast blaffen kon, en toen doorheen de mistbanken nu ineens een volle maan aan klaarte won, spoedde ik mij te vierklauw naar de top van daar, die hoogste berg, strekte mijn ranke muil uit naar de maan, en liet het merg uit al mijn botten leegstromen in het gebed van mijn gehuil waarmee ik haar mijn diepst verborgen dromen kenbaar maakte.

Met een bliksemflits, onmiddellijk door een donderslag gevolgd tot in de allerdiepste diepten van de bodems van deze nachtelijke zee, zegenden de luchten ’t ritueel dat zich voltrok onder de hoogste bescherming van Thor. De pijpenstelen pletsten nu zo nadrukkelijk en hard door ’t zwart van deze duisternis, dat hun gedruis de oren geheel verdoofde, en het wel leek of wij voor een wijle woonden in een glazen waterhuis, onder een stolp, een bijenkorf, en bovenal: in geuren die zo sterk bedwelmden dat ze ons dromen toonden, voor een lange poos, die uit ’t begin van de oertijden stamden. Dino’s liepen krakend door het woud, vleermuizen van onnoemelijke grootte doken gelijk straaljagers door de luchten, en oud als de wereld zelf was ook het ineens zo luid en klaar verstaanbaar kirren en tsjilpen van insecten waarvan schepselen uit veel latere tijden de afmetingen zouden duchten. In gekartelde harnassen waren zij gehuld en gifgroen in de nacht blonken hun schilden in de maan. In de veraf gelegen vijvers ergens midden in het woud, kon men het oude praten van de kikkers horen en libellen boorden zich een weg doorheen het nat – alles wat al geleefd had, alles wat nog leven moest en ook alles wat niet leven kon, werd zat van deze dans.

En toen, ineens, was daar die stank.

Haast onwaarneembaar, want zwart, in een even donkere nacht, was uit de grond een gedrocht gerezen – het torende nu hoog boven de wereld uit en ving tot zelfs het onschuldigste wezentje met één opslag van zijn stalen ogen in zijn blik. Gestaag rees het uit een zwarte krater uit de diepten van een andere aarde op, en overschouwde het heelal. Ik wed dat geen die het gezien heeft, hier ooit over spreken zal, maar toen het monster aldus de muilen in zijn zeven koppen opende en blauw vuur had rondgespuwd naar elke windstreek die men maar bedenken kan, hief het zowaar een lied aan, en het zong!

Geheel verstild was nu de wereld, wijl de hoge toren, na dit ‘lied’, ongeduldig wachtte en dan ook het applaus afdwong waar het naar trachtte. En niettemin het brullen van deze slang de doofste oren met zijn lelijkheid had vermoord, begonnen allen nu te klappen: de grote beesten, en de vissen in de zee, de vogels die zich rap in dichte struiken en getakten hadden weggestoken, de kevers en de torren plakten mee, en geen was er die ’t aandierf om dit bibberig applaus te staken of om ook maar met een vinger of een voelhoorn te raken aan ’t gezag dat voortaan vanuit het ondoorgrondelijkste van de zee, over de wereld gevestigd was. Een grote wee was opgestaan; het levend wezen, groot en klein, zou voortaan niet langer dansen, zingen of jolijten, doch gebukt gaan onder de ontzettend te neer slaande dwang van een serpent waaraan zelfs het water en het vuur van Thor niet went, al zouden eeuwigheden zijn verlopen.

Toen de verbijstering die allen sloeg, ons wegjoeg van die plaats, zag ik mijn verschroeide hoeven en de blote tentakels van mijn vingers komen; ik stond recht, alleen op achterpoten, en waggelde in een vlecht over de stenen paden met een moeizame gang terug naar het graf waaruit ik opgeklommen was. De tombe riep mij ongedurig al tot zich, een laatste keer nog keek ik om en las de woorden van allang gestorven dichters in ’t graniet, tenslotte stapte ik met het verdriet dat nu wel alle schepselen verstoken van de blijheid liet, het graf weer in.

Rap sloten zich de stenen deuren van mijn tombe en ik zocht de vergetelheid van de eeuwige slaap die, zoals gezegd moet worden, geen wezen in verlegenheid achterlaat.

(J.B., Verhalen 2006-2009)

Waarheid en leugen

 

Waarheid en leugen

Argumenten hebben te maken met de waarheid maar dat is alleen maar zo als er niet mee gemarchandeerd wordt. Van zodra argumenten op tafel worden gegooid zoals men doet met munten of, erger nog, met dobbelstenen, is sprake van een koophandel zoals dat het geval is in een parlementaire democratie: niet het gebeurlijk ene ware argument beslecht daar het pleit doch de stemming welke volgt van zodra de kaarten van alle participanten op tafel liggen. Het gaat dan om een consensus, wat wil zeggen: een overeenkomst - en dat is een samenzwering - en die houdt in dat men onder elkaar afspreekt wat voortaan de waarheid wezen zal. Omdat waarheid het bezit van slechts weinigen kan zijn, zal gebeurlijk de eenzaat met het ene ware argument dan alleen nog voor die keuze staan: ofwel moffelt hij zijn argument rap weg en sluit hij zich stilzwijgend bij de samenzweerders aan, ofwel aanvaardt hij zijn verbanning uit de groep, kiest voor een bestaan ver weg van de samenleving en van de 'beschaving', in een eenzaamheid welke hij weliswaar met zijn waarheid delen kan. Zijn lot is dan dat van bijvoorbeeld menig progressief onderzoeker die wars van de groep desalniettemin zijn eenzaamheid overstijgt omdat de waarheid die hem lief is, hem met alle 'ware' anderen verbindt. En die 'ware' anderen staan dan uiteraard tegenover degenen die zich tot robot laten herleiden in de gelijkschakeling van allen door een regime dat geen individuen verdraagt en dat iedereen instrumentaliseert om de onpersoonlijke machine die zij is, draaiende te houden. Onpersoonlijk betekent dan: niet gehoorzamend aan persoonlijke beslissingen doch door allerlei driften voortgesleurd.

De resultaten uit het sociologisch onderzoek inzake confirmatie, consolidatie, groepsaffiliatie en dies meer zijn ronduit verbijsterend maar dat zijn ze alleen maar omdat wij voor een groot stuk onze identiteit ontlenen aan de groep; we ontlenen die zelfs quasi volledig aan de groep waar het geloof in een of andere godheid, of noem het maar heel gewoon het geloof in de waarheid, ontbreekt. De verbijsterende resultaten uit het sociologisch onderzoek inzake de relatie tussen individu en groep betreffen het gemak waarmee de waarheid aan de kant geschoven wordt van zodra men het er over eens geworden is dat de waarheid een leugen is.

Eenmaal de waarheid tot leugen werd verklaard, wat immers nodig is om mogelijk te maken dat zekere leugens tot waarheid kunnen worden verheven, heerst niet zomaar goddeloosheid maar wordt de plek die voordien aan de godheid of aan de waarheid toebehoorde, dus prompt ingenomen door een leugen. Als het zo ver is, zullen mensen zonder ruggengraat hierin geen problemen zien omdat zij in staat zijn zich te schikken naar de leugens van de dag; mensen uit één stuk zullen daarentegen onafwendbaar in een existentiële crisis belanden.

De leugens die vandaag de scepter zwaaien zijn hallucinant maar zij vormen de mal waarop de wereld zijn huidige vorm aanneemt. De hoofdeigenschap van de leugen is uiteraard dat zij niet waar is maar dat betekent meteen dat zij altijd voor de waarheid op de vlucht zal zijn, wat van haar de rusteloosheid zelf maakt, die men ook ontwaart in de koortsachtige betogen van wie het onverdedigbare alsnog uit de sloot trachten te halen. Waar de waarheid eenvoudig is en vanzelfsprekend, zal de leugen noodgedwongen ingewikkeld zijn en zij zet een complexiteit op touw met geen andere bedoeling dan om op die manier degenen die de waarheid zoeken, van de wijs te brengen.

Leugens worden aan het licht gebracht en zien zich om die reden genoodzaakt om te muteren zoals ook virussen dat doen teneinde hun weerbaarheid tegenover hun bestrijders aan te zwengelen. Het hele uitzicht van de wereld zal derhalve onwillekeurig de heerschappij van de leugens verraden en zo is de wereld in de eerste plaats complex en uiterst veranderlijk of wisselvallig, wat ook gezegd wordt van het lot of het fortuin: O Fortuna/ velut luna/ statu variabilis. Om zich in de wereld te kunnen handhaven moet men derhalve de rusteloosheid omhelzen en een uiterste flexibiliteit aanvaarden, wat uiteindelijk inhoudt dat men zichzelf moet kunnen verliezen in elk ogenblik een ander. Men wordt dan zoals een virus waarop jacht gemaakt wordt. Men verandert continu, wat betekent dat men niet langer een zelf bezit, dat men zijn ziel kwijtgespeeld is, dat men eigenlijk niet meer bestaat.

(J.B., 3 juli 2026)

 

Kunst (J.B., Verhalen 2007-2009)

 

Kunst

Er zijn schrijvers die voor niets anders dienen dan om hun abrupt afgebroken ochtenddroomsels her op te rakelen en te vervolledigen.

Hebben zij dan op generlei andere wijze iets bij te dragen tot de maatschappij? Zo hoor ik u beteuterd vragen. Welneen! Zo kort en bondig luidt mijn antwoord: volstrekt niet!

Eigenlijk mag men al tevreden zijn dat zij het genoemde karwei tenminste eigenhandig opknappen, want stel eens dat er nog eens vaklui dienden aangeworven om voor derden die netelige klus te klaren: dat ware pas een ramp! Nogmaals, wij mogen echt allen van geluk spreken dat zij het zelf doen!

Gij wilt het natuurlijk hebben over rentabiliteit? Beseft gij dat slechts een kleine minderheid der burgers rendabel is in de betekenis die gij beoogt - de materiële, mag ik aannemen? Warempel, aan hen is het te danken dat de maatschappij blijft draaien. Immers, een bijna even groot gedeelte van het volk brengt alleen maar werk méé. Hebt gij er enig idee van wat een gevangene dagelijks aan de gemeenschap kost? Of een bedlegerige? Een blinde? Of alleen maar een werkloze, een gepensioneerde?

Ooit heeft een Zwitser dat allemaal uitgerekend, en zijn slotsom was, althans wat betreft het West-Europese deel van de wereld, dat drie jaar arbeid per burgerleven volstaan om daarvan alles te betalen wat betaald moet worden teneinde goed te kunnen leven. En met 'goed leven' wordt bedoeld: eten en drinken, wonen, studeren en voorzien in alle noodzakelijke dingen.

Daarin zullen vanzelfsprekend geen safari-uitstapjes verrekend zijn, geen limousines en geen verwarmde, overdekte zwembaden. Geen dagelijkse consumptie van dure Franse wijnen uiteraard, of van tabak, opium, oesters of truffels. Ook een eigen biblio- en discotheek zit er wellicht niet in, geen vier televisietoestellen per huishouden, geen jaarlijks professioneel aangelegde tuin met vijvers vol exotische vissen. Alleen genoeg om goed van te leven maar dan ook genoeg.

Het grootste gedeelte van alle geld en tijd en moeite gaat trouwens naar zaken die niet alleen onnodig zijn maar bovendien schadelijk, zelfs dodelijk. Veruit het grootste stuk van de belastingkoek wordt aangewend voor de aanschaf van wapens en ander militair materieel, en voor het bekostigen van oorlogen, en zijn die niet dikwijls schadelijk in menig opzicht? En nu meent u dat dit dan toch niét het geval is met een heel ander en noodzakelijk product, zoals eetwaar?

Tenminste negentig percent van de prijs van, bijvoorbeeld, aardappelen, gaat naar de marketing - de reclame. Het zijn immers niet zomaar 'aardappelen' die verkocht worden: het zijn merken, en die moeten onderling concurreren: als een kilogram aardappelen twee euro kost, dan gaat er hooguit tien eurocent naar de boer die ze levert, de rest - zijnde één euro en negentig cent - gaat naar allerlei tussenpersonen die aan het product zelf helemaal niets goeds toevoegen. Vaak integendeel doen ze er milieuverwoestende verpakkingen bij, zout, carcinogene smaakstoffen, kleurstoffen en cyclamaten. Benzine ook, namelijk om die aardappelen te vervoeren naar de verre vakantiebestemmingen waar mensen van hier ze dan gaan opeten. Spreken we niet over eetwaren maar over geneesmiddelen, dan ligt die verhouding nog extremer: de verpakking kost dan het honderdvoudige van de pil. En hoeveel geld en tijd en moeite wordt er voortdurend niet besteed aan de productie, de aanschaf en de consumptie van drank, tabak en andere drugs? Fortuinen worden vervolgens besteed in allerlei pogingen om de door deze producten veroorzaakte gezondheidsschade alsnog in te dijken. En onze auto's dan: zij kosten, eerst figuurlijk en daarna letterlijk, stukken van mensen - dat zij ons tijd doen besparen, is allang achterhaald...

Rentabiliteit? Laten we de zaken zien zoals ze zijn: vandaag juicht men niet meer als men zich werk kan besparen - zeer integendeel zelfs: de grootste deugd bestaat heden in de creatie van werk! En behoren in dat licht de abrupt afgebroken ochtenddromen niet tot de meest beloftevolle werkgevers?

Alvast is het zo dat de zogenaamde 'droomarbeid' te maken heeft met het 'verteren' van in wakkere toestand onverteerde of zelfs onverteerbare zaken. Als nu de droomarbeid die wij met zijn allen leveren gedurende de uren van de slaap, niet langer volstaat om dat werk te volbrengen, wordt een nog meer gespecialiseerde arbeid noodzakelijk, die door allerlei artiesten wordt verricht. Kunst is dan een bedrijvigheid vergelijkbaar met de werking van bepaalde psychofarmaca die de productie van zekere neurotransmitters hetzij afremmen, hetzij stimuleren. Want artiesten hebben het gemunt op dat residu van onverwerkbare dromen, uit frustraties ontstaan, die om een bijzondere behandeling vragen. Zo verrichten kunstenaars droomarbeid, net zoals alle andere mensen als zij slapen, maar wat des morgens als onverteerbaar in de zeef van de geest blijft liggen, kieperen ze niet zomaar gelijk sluikafval naar buiten, want dit residu is de kostbare grondstof voor kunst.

Als een epidemie een volk dreigt uit te dunnen, isoleren medici de schuldige bacterie of het virus, en zij zoeken naar antistoffen die dan in de handel worden gebracht, en aldus wordt het euvel ingedijkt en opgelost. Dit proces, verricht in laboratoria, vraagt zeer bijzondere inspanningen van de menselijke geest die speciaal daartoe wordt ingewijd en opgeleid. Iets gelijkaardigs moet het geval zijn inzake de stoornissen van minder stoffelijke aard: zij worden in de ochtend vergaard uit onverwerkte dromen, door artiesten die deze zeer subtiele zaken ontleden en in hun greep trachten te krijgen. De pil die zij voortbrengen, is telkenmale een welbepaald kunstwerk dat, indien geslaagd, zijn uitwerking heeft op al wie gevoelig is voor het euvel dat ermee bekampt wordt. Kunst, zo zegt men, loutert, waarschuwt, bevredigt of maakt alert, precies zoals psychofarmaca dat doen, maar dan op nog een ander niveau. Om die reden - bijvoorbeeld - is godsdienst opium voor het volk en verzacht muziek de zeden.

Er zijn schrijvers die voor niets anders dienen dan om hun abrupt afgebroken ochtenddroomsels her op te rakelen en te vervolledigen. Beslist, zij dragen op geen enkele andere wijze iets bij tot de maatschappij. Maar misschien is deze bijdrage wel groter en noodzakelijker dan men op het eerste gezicht zou kunnen vermoeden.

(J.B., Verhalen 2007-2009)

 

De 'nieuwe orde'

De 'nieuwe orde'

“Toen gij jonger waart, gorddet gij uzelven, en wandeldet, alwaar gij wildet; maar wanneer gij zult oud geworden zijn, zo zult gij uw handen uitstrekken, en een ander zal u gorden, en brengen, waar gij niet wilt. 1 (Joh. 21:18)

Het citaat betreft de woorden van de Nazoreeër gericht aan zijn leerling Petrus en over het lot van deze laatste maar de woorden blijken principieel van toepassing op eender wie: de bewegingsruimte welke wij genieten, zeg maar onze vrijheid, is bijzonder tijdelijk van aard en zal uitmonden in de stilstand op een plek die wordt bepaald door de bewegingen die wij maakten.

Hiermee wordt gewezen op de absolute verantwoordelijkheid die we als mens hebben over ons doen en laten alsook op de onomkeerbaarheid van eens gemaakte keuzes. We kunnen op het einde van het spel niet zelf oordelen en dan in geval het resultaat ons niet bevalt, herbeginnen, omdat het leven helemaal geen spel is. Dat wij zelfs geen fractie van een seconde kunnen uitwissen en door een andere vervangen, belaadt ons met het gewicht van elk moment: als wij steken laten vallen, valt er een gat in het hele breiwerk van ons bestaan, een gat dat slechts groter kan worden en dat het breiwerk aanvreet.

In het licht van de moderniteit zadelen deze waarheden ons op met nodeloze schuldcomplexen die het leven slechts kunnen verzuren, doch dit is alleen maar zo omdat de moderniteit vrede neemt met de vergankelijkheid, zich neerlegt bij de dood en zweert bij een bestaan dat zij wil consumeren om het dan weg te gooien van zodra het deel aan lasten, de lusten overtreft. De moderniteit immers wordt gestuurd door lasten en lusten, door pijn en genot, wat inhoudt dat zij de lusten gelijkstelt aan het goede en de lasten aan het kwaad. Het devies van “Draag elkanders lasten” is voor haar Chinees, het geldt voor mensen van een andere wereld over wie de Heiland verklaart: “Omdat gij niet van de wereld zijt, maar Ik u uit de wereld heb uitgekozen, daarom haat de wereld u.”2

Nochtans kan alleen het dragen van elkanders lasten de wereld op het rechte pad houden, ondanks de hardnekkigheid van het kwaad en die hardnekkigheid escaleert in de huidige tijd van verharding en verrechtsing. De escalatie blijkt waar doodslag en moord geschoeid op dezelfde leest waarop de gruwelijke moord op Karel Van Noppen werd gepleegd, zich verplaatsen van de illegaliteit van een bende geldwolven naar het aan de macht zijnde regime. Hoog van de toren blazende wereldstaten leggen in de recente jaren de rechtsgang gewoon naast zich neer, zij veroordelen hun critici zonder vorm van proces en buiten ons aller gezichtsveld brengen zij hen om. Door vergiftiging, door valse beschuldigingen en schijnprocessen, met verminkende explosieven die worden benaderd met de eerbied passend bij hightech brengen zij degenen om die met het eigen leven als inzet pogen om de wereld recht te houden.

Die pogingen worden dan wel bijzonder bemoeilijkt omdat ze nu een verzet vereisen tegen de legaliteit want met de 'nieuwe orde', die de orde van de dood is, zijn er ook nieuwe wetten. Men kan de wereld de rug toekeren zoals broeders in de slotkloosters en kluizenaars dat doen, maar onder een regime van koelbloedige moordenaars met per definitie een samenzweringsmentaliteit en de bijhorende kenmerkende paranoia kunnen verzetslui probleemloos worden weggezet als criminelen, daar zij vanuit heldhaftige pogingen om de wereld alsnog te redden, inderdaad moeten handelen tegen de heersende wetten in.

(J.B., 2 juli 2026)

Verslavingen (J.B., Verhalen 2007-2009)

 

Verslavingen

Mijn vrouw is uit werken en ikzelf - ik zit tot over de oren in het werk, daarom ook blijf ik thuis en doe ik het thuis, om dus geen tijd te verliezen met verplaatsingen. Het gaat trouwens om papier, tekst, wetteksten, afspraken, kortom: zaken die ik kan regelen van in dit kleine bureautje hier dat net groot genoeg is voor een telefoon en een computer met fax, printer en scanner eraan. Wat immers heeft een mens meer nodig om aan de slag te kunnen gaan - geheel ongestoord komt men op die wijze niet aan acht maar, jawel, aan zestien uren arbeidstijd per dag, en de grote baas weet ook heel goed dat werknemers die de juiste stimulansen krijgen, in geen tijd echte workaholics worden, wat het grote voordeel heeft - voor hem dan, en dat weet hij dus héél goed - dat zijn werknemers zelfs bereid zijn om te betalen teneinde nog veel méér werk te krijgen! U gelooft het niet? Welnu, het is de realiteit van de verslaving! Elke psychiater kan dit bevestigen, en het doet er niet toe of de patiënt zijn toevlucht zoekt tot opium, alcohol of werk: als hij er een gebrek aan heeft, wil hij ervoor betalen!

Ik kan dus doorwerken en, bij manier van spreken, kan ik dat doen zonder nog uit mijn luie stoel te moeten komen. En of ik dan niet moet eten en drinken, zo vraagt u zich misschien af? Welnu, ook daar is voor gezorgd want, behalve ikzelf, is hier in huis ook nog Leontine, mijn schoonmoeder - haar aanwezigheid wordt trouwens voortdurend verraden door haar eeuwige hoge hakken, en zolang ik die hoor weerklinken, ben ik gerust. Zij heeft het voor haar rekening genomen om ervoor te zorgen dat ik niet uitdroog en dat ik ook tijdig iets toegestopt krijg om in te bijten. Dat alles doet zij tussen het andere werk door, want uiteraard bestaat de hoofdtaak waarmee ze zichzelf met trots belast heeft, in het doen van het werk van mijn vrouw, die immers aan de slag is in de hoofdstad, en dat is niet bij de deur. En de kinderen, zo zult u zich verder afvragen? Wel, al onze kinderen zijn het huis uit, wijzelf zijn immers al vijftigers intussen, en we mikken momenteel op een vervroegd pensioen, dat zal iets voor binnen een jaar of zeven zijn, dan zal ook het huis helemaal zijn afbetaald, en de auto, en de boot. Die laatste heeft ons behalve heel veel geld ook bijzonder wat miserie gekost, maar een mens moet leren van zijn fouten, zegt men, al zijn er fouten die men slechts eenmaal kan maken, alleen al omdat het leven veel te kort is om dat een tweede keer te doen.

Alles loopt nu zoals het lopen moet, maar er is één klein probleempje: Leontine verdraagt geen vuile ruiten, en bijgevolg kuist ze dagelijks alle ruiten van onze woonst. Op zich is dat natuurlijk niet erg, die verslaving, ware het niet dat we hier bijzonder grote ramen hebben... welke zich hoog boven de begane grond verheffen!

Ik heb er geen idee van hoe ze 't doet maar, als zij de ruiten aan de buitenkant kuist, dan gaat ze op het smalle venstertablet staan, met haar hoge hakken, terwijl ze zich met de toppen van één hand vasthaakt achter de kant van het raamkozijn - de andere hand gaat uiteraard met de schuimende spons tekeer en daarna met het zeemvel. Als ik haar dan vertel dat ze mij de stuipen op het lijf jaagt, dan antwoordt ze alleen maar dat ze al vijfenvijftig jaar dagelijks ruiten kuist op die manier, en wat kan ik daarop zeggen?! Binnen tien jaar is ze negentig en kuist ze al vijfenzéstig jaar ruiten, en dan kent ze de stiel nòg beter... Ja, wat kan ik daar op zeggen?

Aan haar hakken hoor ik waar ze loopt, weet ik dat ze er nog is, want het is diep daaronder, het is daaronder héél diep, mag ik wel zeggen. Meermaals ben ik al gaan inspecteren wat er onder ligt, onder dat ene raam, en dat zijn harde betonnen tegels, ik had al eens plannen gemaakt om daar iets "zachts om in te landen" te gaan zaaien, maar wat? Ik hoor nu de geluiden van het zeemvel tegen de ruit, dan hou ik de adem in, ik wacht gespannen naar de hakken.. waar blijven ze toch? Ik wil u er immers nogmaals aan herinneren dat mijn schoonmoeder heel fier is, en dat ze zeker niet zal gaan gillen als het zover is... Nu moet ik, geloof ik, eens gaan kijken... Ik moet er wel op letten dat ik haar met mijn plotse verschijning niet laat schrikken, zo wordt het uiteraard alleen maar nog erger... dus blijf ik beter hier... Ik heb wel oordopjes, maar die kan ik niet gebruiken want dan hoor ik de telefoon niet meer... en dus neem ik dan beter nog maar een tabletje valium...

"Benoni!"

Ze roept!?

"Ja?"

Daar staat ze in het deurgat van mijn bureau, ik heb haar niet horen aankomen, maar kijk, zij houdt haar schoenen voor zich uit...

"Wat is er?", vraag ik.

"Kijk", zegt ze: "het is mijn rechter schoen, de hak is weer uit het gat gekomen, heb je hier niet wat lijm?"

"Potverdorie, Leontine! Dat is levensgevaarlijk! Jij hebt een paar nieuwe schoenen nodig!"

"Niets daarvan", zo klinkt haar tegenaanval, want elke raadgeving vat zij als een heuse aanval op: "Ik draag deze schoenen al dertig jaar", zegt ze, "het zijn de beste schoenen ter wereld! Zo; dus jij hebt hier geen lijm?"

"Schoenlijm!? Maar wie heeft dat in huis!"

"Laat maar", zegt ze: "ik bevochtig de hak een beetje, en stop hem dan weer in het gat, hij zal zwellen als hij nat is, dan zit hij alvast weer voor een poosje vast..."

"Maar, Leontine: dat is veel te gevaarlijk!"

"Ik moet nog één ruit doen", zegt ze, "het is echt niet meer de moeite...", en weg is ze.

Geen vijf minuten later hoor ik alweer het holleblokken; ik hoor een emmer vollopen met water en vervolgens hoor ik haar steunen als ze een stoel verschuift en het venstertablet beklimt. Zo dikwijls heb ik dit met een zo bang hart aanschouwd, dat het me spontaan voor de geest komt wat ze doet, hoewel ik het niet zien kan vanuit de stoel in mijn bureau. Ze doopt haar spons in de emmer met water, haalt de natte spons eruit en houdt ze klaar, stapt het tablet op met de linker voet, zwaait dan de rechter voet naar buiten, de linker hand graait naar het raamkozijn, de rechter arm zwaait voor de ruit, de hand, gewapend met de schuimende spons, ritst over het glas. Omdat de ruit zo groot is - de ruit van het hoogste raam van gans het huis - moet zij de linker hand waarmee zij het raamkozijn omklemt, een weinig lossen zodat nog slechts de toppen van haar vingers achter het hout van de venster haken, en terwijl ze zo voorover buigt, moet ze ook haar linker voet losmaken van de vensterbank, zij laat hem zwaaien en steunt alleen nog op de rechter voet - wat zeg ik? Op de rechter hak! En terwijl de spons van links naar rechts wrijft en terug, rust zij met haar ganse gewicht nu op de hak, terwijl die hak een as vormt en roteert: een halve draai naar links, een halve draai naar rechts... en simultaan gaat de spons over het glas naar links... en dan naar rechts... en draait de hak - die zij zopas wat bevochtigd heeft opdat hij gespannen in het gat van haar schoen zou blijven zitten - eerst een halve draai naar links... en dan een halve draai naar rechts...

Mensen van tachtig, zo zegt men, hebben vaak een hoge bloeddruk, en bij inspanningen kan het dan gebeuren dat zij heel even het bewustzijn verliezen: een paar seconden, één enkele seconde. Als ze in bed liggen, of in een zetel zitten, voelen ze dat niet eens. Maar in andere omstandigheden volstaat een fractie van een seconde voor een jammerlijk ongeluk. Mensen van tachtig hebben meestal geen normale bloedsomloop meer. Vandaar ook krijgen ze vaak spierkrampen, vooral dan in die spieren die langdurig statisch belast worden. Hoe zij het uithoudt in haar vingertoppen, is mij een raadsel: die vingertoppen, ik weet het, ze trekken wit achter het scherp afgezoomde hout van het raamkozijn, zoveel gewicht moeten ze nu dragen terwijl haar ganse gestalte schijnbaar moeiteloos over en weer zwaait, gewapend met het zeemvel nu, waar druk op moet teneinde geen strepen te maken op het glas. En dan is er die hak die los zit! Zelfs een hak van staal zou het begeven onder dit geweld, ik moet ingrijpen nu het nog kan!

Neen, niet doen: ik mag haar niet laten schrikken... het zweet breekt me uit, het water loopt in straaltjes langs mijn slapen, mijn hemd is al drijfnat, mijn adem stokt, mijn hand grijpt om het doosje valium, wit getrokken vingers grabbelen naar het allerlaatste tablet, ik denk aan het venstertablet en aan het roteren van haar hak die wat nat heeft opgezogen en die daardoor voorlopig klem zit in het gat van de schoen, zij haalt het wel, ik weet het zeker, het tablet zal het niet begeven, ik stop het tablet in mijn mond, het zuigtablet, het glas, de spons zuigt water op, het zeemvel glijdt, het tablet glijdt weg, de rust keert weer... het is zo stil...

(J.B., Verhalen, 2007-2009)

Een boek voor de zomermaanden!!

 

Een cultuurkanjer ziet het levenslicht:

Uit het schuim van de zee

– De Griekse Mythologie in 136 verhalen –

door Kris Vansteenbrugge


3366309-98e03609d9c239fe33ca5b9e1041fa56.jpg

 

Dit is het! Dit, hier, is het boek dat ik al in mijn jeugd koortsachtig zocht tot in de rommeligste boekenwinkels, op gezellige oude markten en hoog in het gebinte van ontelbare bibliotheken. Gij zult het niet vinden! zo klonk het t' allen kante: het boek dat gij zoekt, moet immers nog geschreven worden, en wie zal dat doen? Een groot geleerde met pensioen?

Dit hier is die ene, vaak vergeten peiler van de twee pilaren waarop de ganse westerse beschaving rust. Want naast het monotheïstische christendom dat sinds tweeduizend jaar de wereld overspoelde, is dit die andere en nog veel oudere bron, met wel duizend goden en evenveel verhalen: mysterieus en meer dan sprookjesachtig, maar o zo verklarend als wij díe vragen áchter de vragen stellen zoals bij uitstek kinderen dat doen: hoe zijn wij uit de chaos voortgekomen? Waarom verbeeldt onze achillespees de kwetsbaarheid? Kan een man een kind baren uit zijn hoofd of uit een van zijn dijen?

De woorden van de wetenschap zijn niet zomaar uit het Oud Grieks gewonnen: in Hellas ligt de oorsprong der begrippen, de kiem van de rede die ons de moderne wereld schonk. Want het begin der tijden reikt de einder van de toekomst de hand in de beloften van de nanotechnologie, de eugenetica, de megapsyche van het mensdom en Andromeda.

Uit het schuim van de zee, zo luidt het antwoord op de vraag van een oude man die alle leed en lusten heeft gekend: het wonderbare wezen dat uitgerekend door de broosheid die haar schoonheid geeft, moeiteloos alle krachten van de kosmos aan zich onderwerpt om ze dan eindeloos opnieuw te baren, werd zelf geboren uit het schuim der zee:

"Kronos hieuw Ouranos de geslachtsorganen af en wierp ze ver weg in de zee. En waar het zaad van Ouranos zich vermengde met het zeewater begon dit laatste te schuimen en uit het schuim kwam een onbeschrijflijk mooi en lieftallig wezen te voorschijn, Aphrodite, de godin van de liefde, een kind van de hemel en de zee." (p. 14)



Dit is een boek dat weidse velden behoeft met narcissen bezaaid, glooiende dalen vol boterbloemen en koele meertjes in de zon langs wiens zanderige oevers een voltallig koor van nimfen danst, scanderend in een heilige vervoering:

"Toen ze met Zeus in het huwelijk trad

kreeg Hera als bruidscadeau van haar grootmoeder Gaia

een gouden appelboom.

Ze plantte de boom in haar eigen tuin,

die zich bevond op de hellingen van het Atlasgebergte,

dat is aan de westelijke kant van de wereld,

waar 's avonds de door paarden getrokken zonnewagen

van de god Helios op de aarde nederdaalt

en waar de weiden zich bevinden

waar de onmetelijke kudden koeien en schapen van Atlas grazen." (p. 19-20)

En dan krijgt dit verhaal een wending die wat herinnert aan de boom des levens uit de joodse heilige schrift: op een dag stelen de Hesperiden de gouden vruchten, en Hera laat de boom bewaken door de honderdkoppige draak Ladon - later nog door redder Herakles geveld.

Edoch, ware redding in het Grieks klinkt wel verrassend anders: toen op een dag de twee zonen van Hera's priesteres de plaats innamen van de zieke ossen die haar kar voorttrokken naar haar heiligdom, vroeg zij aan de godin een beloning voor hen beide. En ziet: Hera liet de twee terstond dood neervallen ter aarde: "Want, zo sprak de godin, de dood is het mooiste geschenk dat een mens kan te beurt vallen!" (p. 21)

Wie weet overigens dat de godin Hera een tempel had "op de heilige grond van Olympia (...) ouder nog dan die van Zeus? Te harer ere werden daar Spelen gehouden, de Heraiën, uitsluitend bestemd voor vrouwen. Maagden, naar men zegt." (p. 21)

Ooit nam Hera wraak op haar ontrouwe echtgenoot door bij zichzelf en zonder tussenkomst van een man, een zoon te verwekken, Hephaistos, die zo lelijk was dat zij hem maar meteen in zee wierp, waar nimfen hem voedden; een dwerg bracht hem later de smeedkunst bij. Uit wraak jegens zijn moeder smeedde Hephaistos haar een gouden zetel die zich om haar heen klemde en die haar zo gevangen zette. In ruil voor haar bevrijding eiste de lelijkaard Aphrodite als gemalin. Uiteraard was zij hem ontrouw en zo werd hij de 'hoorndrager'. (pp. 22-23)

Onder Zeus' kinderen waren de oorlogsgod Ares en ook Athena: zij was een bastaard, haar vader verorberde haar moeder maar kon haar niet verteren. "En ziet: uit het hoofd van Zeus steeg een volwassen vrouwspersoon op, fier en rechtop, gehelmd en geharnast, met lans en schild". (pp. 28-29)

Het verhaal over Erichthonios verklaart waarom Athena de kraai, haar lievelingsvogel, vervloekte en inruilde voor de uil; hij was het immers die haar meldde dat de bewaaksters van baby Erichthonios het verbod hadden overtreden om hem te bekijken: hij was geboren met een kronkelend slangenlichaam. Wie zijn bewaaksters waren, waarom het kind misvormd was en hoe het Erichthonios verder verging, staat allemaal nog in dezelfde paragraaf, compact én vloeiend. (p. 30-32)

Ook de maagdelijke wijsheidsgodin Athena had haar zwakheden. Zo maakte zij blind wie haar naaktheid aanschouwde. Zij leerde Arachne weven doch duldde niet dat haar leerlinge zich beter achtte dan Athena zelf van wie zij de lering loochende. Na een weefduel verhing Arachne zich, Athena kreeg spijt en veranderde de dode in een spin aan wie zij beval eeuwig te weven. (pp. 33-34)

Dan komt het verhaal van Poseidon met zijn burcht op de zeebodem, met zijn drietand en zijn gouden paardenkoets waarmee hij stormen bedwong tijdens zijn tochten over de oceanen. Wie wist dat zijn zoon Triton een 'zeemeerman' was? (pp. 36-38)

Hoe goden het aan boord legden om hun escapades te onttrekken aan het oog van hun jaloerse echtgenote, wordt onder meer verteld in het verhaal van Leto die door Zeus werd bezwangerd. "Sommigen beweren dat Zeus haar en zichzelf tijdens de paring veranderde in een kwartel (...)" (p. 39) Maar wie gelooft dat zij zich zo makkelijk liet verschalken, heeft het mis. Het vervolg van dat verhaal verklaart onder meer hoe de Egeïsche zee aan haar naam kwam, waar zich het middelpunt van de wereld bevindt en hoe de Pythische Spelen van Delphi zijn ontstaan.

Hermes dan, werd amper één dag na de bevruchting geboren en tegen de avond van zijn eerste levensdag weidde hij al de koeien van Apollo in 't gebergte. Uit de darmen van die koeien en uit het schild van een schildpad maakte hij de eerste lier. Hij bestal Apollo maar wist zich voor 't gerecht van Zeus zo geliefd te maken met zijn lier dat hij opgenomen werd als twaalfde god en benoemd tot goddelijke bode alsook tot god van de handel. (pp. 41-43)

Het verhaal van Io, de dienstmaagd van Hera die echter met haar echtgenoot Zeus aanpapte, is betoverend mooi. In een raamvertelling daarin verhaalt een fluitspelende Hermes aan de door Argos bewaakte Io die door Hera in een koe veranderd was, het verhaal van de fluit - andermaal een metamorfose, dit keer van de door Pan op de hielen gezeten nimf Syrinx die de goden om bescherming smeekte. Syrinx' bede werd aanhoord, zij werd veranderd in een rietstengel, waaruit Pan zijn fluit sneed. Hermes hakte nu een ingedutte Argos het hoofd af om Io te bevrijden, maar Hera stuurde een horzel op haar af zodat zij vluchtte en zich in zee stortte - de Ionische Zee. Maar hiermee is het verhaal opnieuw nog lang niet verteld. (p. 44-46)

Verliefd op de koningsdochter Europa, begaf Zeus zich in stierengedaante tussen haar vee en nodigde haar uit om plaats te nemen op zijn rug om haar vervolgens te ontvoeren alover de Middellandse Zee tot op Kreta waar hij weer zichzelf werd en zich met Europa verenigde. Europa kreeg die drie zonen, waaronder Minos van Knossos, stamvader van de Minoïsche cultuur. Europa's ongeruste vader stuurde zijn zonen vruchteloos naar haar op zoek. Een van hen was Kadmos, die het orakel van Delphi raadpleegde. Het verdict luidde dat Zeus zelf het spoor verborg en dat hij met zijn mannen een koe moest volgen en een burcht bouwen waar ze strandde. Daar wilden zijn makkers drinken aan een bron, bewaakt door een monsterslang die hen verslond. Maar Kadmos versloeg de slang en Athena voorspelde hem dat hij als slang zou sterven nadat hij eerst een roemrijke stad had gesticht met de hulp van krijgers opgeschoten uit de tanden van de slang die hij op Athena's bevel daar zaaide. Die krijgers moordden elkaar uit, behalve vijf: de Sparti, met wie hij Thebe stichtte. (pp. 47-49)

Kadmos kreeg vier dochters, onder wie Semele, en ook met haar verenigde Zeus zich in de gedaante van een knappe jongeman. Toen hij zich bekend maakte, wilde zij de godheid zien en hij beloofde het haar ook ofschoon hij wist dat niemand god kon zien en blijven leven. Toen hij aan haar verscheen, brandde Semele op, en Zeus riep Hermes ter hulp om met een keizersnede nog gauw haar vrucht te redden en die in te planten in zijn eigen dij, en zo werd Dionysos geboren. (pp. 50-52)

In het verhaal van Ino wordt de oorsprong van de Isthmische Spelen verklaard: zij herdachten Ino en haar zoontje die tragisch om het leven kwamen. En even tragisch verging het haar zuster, Agave. Dionysos werd door vijf nimfen opgevoed, hij maakte wijn, leefde uitbundig en telde onder zijn volgelingen maenaden alsook saters, onder wie Pan. Na omzwervingen terug in Thebe organiseerde hij daar een orgie waarop Agave te gast was. Bedwelmd door de wijn aanzag zij haar zoon voor een wild dier, doodde hem en at van zijn vlees. Toen sprak Kadmos de beroemde woorden: "Prijst nooit iemand gelukkig voor hij zijn laatste dag heeft geleefd". (pp. 56-58)

En ook de zuster Autonoë verging het slecht. Haar zoon Aktaion zag op een keer Artemis naakt baden, waarop deze hem in een hert veranderde, zodat zijn honden hem verscheurden. Zeus bezwangerde de koningsdochter Kallisto - een tempeldienares van Artemis die geslachtsbetrekkingen verbood - en toen Artemis het merkte, veranderde ze haar prompt in een berin, die Arkas baarde, die op beren jaagde. Toen die op het punt stond om zijn moeder te doden, veranderde Zeus ook hem in een beer en van de twee maakte hij de sterrenbeelden Grote en Kleine Beer. (pp. 59-60)

Toen Demeter's dochter Persephone verdween, was zij uitzinnig van verdriet en prins Triptolemos vertelde haar "dat op een naburige weide een meisje was geschaakt door een geweldenaar in een door vurige zwarte paarden getrokken wagen. Daarna was de aarde opengescheurd en had het hele gespan verzwolgen [in het zogenaamde 'hol van Pluto (of Hades)']". Helios, de zonnegod die alles ziet, bevestigde dat Hades de dader der ontvoering was. Zeus werd ter hulp geroepen doch kon niets meer doen aangezien Persephone reeds gegeten had van de granaatappel die een terugkeer uit de onderwereld onmogelijk maakt. Van droefheid verdorde toen de ganse natuur en zo werd een compromis gesloten: een deel van het jaar mocht Persephone bij haar moeder, dan werd de natuur blij en ontlook de lente; het andere deel moest zij bij Hades in de onderwereld leven, dan verdorde alles en werd het winter. Hier rond werden de Eleusische mysteriën gesticht, uitbundige feesten over de levenscyclus. (pp. 61-63)

Betoverd door een jaloerse Aphrodite, deelde de koningsdochter Myrrha met een list het bed met haar vader. Toen die haar herkende, vluchtte zij naar Arabië maar toen zij zwanger bleek, schaamde ze zich zozeer dat ze niets meer wenste te zijn, noch levend noch dood. De goden veranderden haar in een myrrheboom die uit zijn bast welriekende gomhars weent om de verloren eer. Uit de schors werd Adonis geboren, een kind zo schoon dat Aphrodite hem adopteerde die het aan Persephone ter bescherming gaf. Ze kregen ruzie over het kind, en Zeus besloot dat het gedurende een derde van het jaar bij Persephone zou verblijven en een derde bij Aphrodite. Over het laatste derde besliste hij zelf en hij koos voor Aphrodite. Aphrodite werd verliefd op Adonis en de jaloerse Ares, in de gedaante van een ever, doodde hem. Adonis' bloed kleurde een beek rood die via de Styx naar de onderwereld stroomde. Waar het bloed van Adonis de aarde doodrenkte, ontsproten alom anemonen. (pp. 64-65)

Dan is er het verhaal van Tantalos die het allemaal voor de wind ging totdat hij de alwetendheid van de goden op de proef wilde stellen. Hij nodigde hen bij hem aan tafel uit en schotelde hen zijn eigen zoon Pelops voor. Alleen de nog in rouw verkerende Persephone at een stuk van zijn schouder, de andere goden doorzagen en verafschuwden de daad. Tantalos belandde in de Tartaros, de diepste hel, gefolterd door een eindeloze kwelling: staande in het water komt hij om van de dorst en onder altijd wijkende vruchten verhongert hij. Zeus liet de stukken van Pelops lichaam weer samenstellen, alleen het opgegeten stuk schouder ontbrak, het werd vervangen door ivoor. Poseidon werd verliefd op Pelops en schonk hem een stel paarden en een renwagen. (pp. 66-68)

De kunst van het paardenrennen kwam Pelops ten goede toen zijn oog viel op Onomaios' mooie dochter Hippodameia. Onomaios immers daagde elke huwelijkskandidaat uit tot een renwagenwedstrijd en boven de paleispoort hingen de dertien hoofden van Pelops' voorgangers tentoon. Hippodameia echter werd verliefd op Pelops en beraamde het plan om haar vader's wagenmenner Myrtillos om te kopen en zijn wagen te saboteren. Zijn loon: de helft van het rijk en de eerste huwelijksnacht met Hippodameia. Pelops won maar misgunde Myrtillos zijn loon en duwde hem van een rots naar beneden. Myrtillos kon Pelops en diens nageslacht nog net vervloeken. Om voor zijn misdaad vergeving te bekomen van zijn vader Hermes en van de andere goden, stichtte Myrtillos de Olympische Spelen. (pp. 69-71)



Maar hiermee werd de beknopte inhoud van slechts de eerste eenentwintig van de in totaal honderdzesendertig verhalen weergegeven. Ze bestrijken een kleine vierhonderd bladzijden en worden aangevuld met een vooral voor oningewijden bijzonder welkome, overzichtelijke genealogie en ook een uitgebreid trefwoordenregister. De tekst wordt verlucht door grappige pentekeningen van de grafische kunstenaar en cartoonist Kurt Vangheluwe. Het boek ligt vlot in de hand met zijn plooibare doch stevige kaft, de bladspiegel oogt fraai en ook lettertype en lettergrootte komen de leesbaarheid zeer ten goede. Een kanjer dan toch, een unicum in de Nederlandse taal en niet van de eerste de beste, een onschatbare rijkdom aan culturele bagage met eeuwigheidswaarde. Binnen pakweg driehonderd jaar zal men dit boek nog lezen in Vlaanderen en in Nederland, en zonder te overdrijven: als een boek het verdient om vertaald te worden, dan wel deze prachtige parel.



Nog iets over mythologie als ware kennis

Wie de oude, zangerige verzen leest waarin gewag gemaakt wordt van de mythologische oorsprong van de dingen, kan zich niet van de indruk ontdoen dat hij te maken heeft met metaforen verweven met welluidende vertelsels, veeleer dan met wat wij vandaag ‘overtuigingen’ zouden noemen. De Griekse oorsprongsmythen treffen wij vandaag meestal aan in een of andere moderne taal en in de vorm van een haast redelijk verslag, terwijl ze eigenlijk gebaseerd zijn op de verzen van, in dit geval, vooral, een van de meesterwerken van een groot dichter, namelijk de Theogonia van Hesiodos: een muzikaal gedicht van meer dan duizend verzen dat er geen twijfel laat over bestaan dat hier vooral de menselijke fantasie van eeuwen aan het werk is geweest, vanuit het opzet om in een symfonische vorm het grote verhaal van het ontstaan van de wereld zo indrukwekkend, zo beeldend en zo volledig mogelijk te vertellen ten behoeve van het kind dat zich verwonderd afvraagt waar wij dan vandaan komen. Geen mens is er die zich die vraag niet heeft gesteld, en er is ook geen mens die de vraag van het kind onbeantwoord kan laten. En het dichterlijke antwoord is ook rijk en mistig genoeg om niet ontkracht te kunnen worden, om de fantasie veeleer te voeden dan ze in te tomen, en om zodoende hoop te schenken aan de mens die zich per slot van rekening verloren weet in de oneindige uitspansels van de ruimte en de tijd. Diezelfde rijkdom en mistigheid die onze vragen weliswaar niet onbeantwoord laten, maar die ze tevens verveelvoudigen, vindt men trouwens ook terug in de zogenaamd wetenschappelijke benaderingen van ten slotte exact dezelfde problemen, die nimmer wijken, doch die terugkeren, telkenmale met hernieuwde kracht geladen en met steeds weer onverwachte verrassingen. Het is daarom beslist niet zo, dat mythen “prewetenschappelijke verklaringen” zouden zijn; veel beter kunnen wij onze wetenschappen als “neomythische verhalen” bestempelen.

De Grieks-Romeinse oorsprongsmythen zijn ons het beste bekend, maar misschien eerder nog de Joods-Christelijke, en het verwondert ons dan ook terecht wanneer wij vaststellen dat, in tegenstelling tot de Helleense, de Joodse ontstaansverhalen bij velen van ons niet eens in strijd worden geacht met wat de moderne wetenschappen ons leren. Wij noemen de Griekse mythen moeiteloos pre-wetenschappelijk, en als wij zelf aan wetenschap doen, dan beschouwen we het zelfs geheel onbewust als een vanzelfsprekendheid dat wij geloof hechten aan wat de wetenschappen ons aangaande de oorsprong van de dingen leren, terwijl wij de mythologie als een folklore beschouwen. Anders blijkt het gesteld, althans bij velen, wanneer het wetenschappelijke arsenaal aan kennis naast de Joods-christelijke mythologie wordt gelegd. Deze laatste geldt immers zeer vaak als ‘geloof’, en ze blijft een eigen bestaan leiden naast het huidige ‘spel’ van de wetenschappen.

Niettemin gebeurt zulks niet onterecht. Immers, de vragen die aan de basis liggen van de mythen, en deze die de wetenschappen hebben doen ontstaan, zijn in de grond dezelfde. Het wetenschappelijke denken is complex geworden en wegens zijn vele, hoge specialisaties uitgelopen op bijna louter technische aangelegenheden, wat het nadeel met zich brengt dat de oorspronkelijke vragen soms geheel uit het gezichtsveld verdwijnen. In de oude mythen daarentegen, blijven die vragen zelf uitdrukkelijk aanwezig en kunnen de prachtige metaforen principieel zelfs bij volslagen leken onmiddellijk de bijzondere gevoelens losmaken die eigen zijn aan de verwondering waarin het ganse opzet van de grote zoektocht naar verklaringen duidelijk wordt. Scholieren die met louter wetenschappelijke gegevens worden volgepropt zonder eerst terdege kennis gemaakt te hebben met het wonder van de mythen, dreigt het daarom te vergaan zoals de reizigers in de karavaan, uit de nachtmerrie van Kaspar Hauser in Werner Herzog’s gelijknamige filmdrama: zij trekken door de leegte van een woestijn, echter zonder kop of staart, zonder oorsprong en geheel onwetend omtrent enig doel. Het schrikbeeld van de volslagen stuurloosheid is ongetwijfeld de allerzwaarste last waarmee de jonge generaties, welke uiteindelijk de toekomst van de mensheid vertegenwoordigen, worden opgezadeld wanneer men hen de schoonheid en de verwondering, zoals deze bij uitstek in de mythen spreekt, onthoudt. En die stuurloosheid is niet alleen een zware last: zij is op de keper beschouwd moordend en onhoudbaar, zowel voor de wetenschappen zelf als voor hun beoefenaars. Immers, de wetenschappelijke bedrijvigheid zelf lijdt er zwaar onder wanneer zij haar beginselen, die haar ziel zelf zijn, moet ontberen, en zo mag het dan ook niemand nog verwonderen dat er ‘wetenschappen’ ontstaan, of althans bedrijvigheden, die, geheel losgekoppeld van enige oorsprong of enig doel, alleen nog technische complexen zijn die niet alleen geen aarde aan de dijk brengen, maar die bovendien, met een knipoog naar de — mythologische — toren van Babel, nog slechts energie en tijd verspillen die men dan elders tekort komt, zodat zij verworden tot een alles verslindend, louter ‘spel’. De doelen zijn dan middel geworden en het middel werd tot doel verheven, om het te zeggen met de auteur van de toren van Babel, met Christus, met Augustinus, met Marx, met Illich en ook met de postmodernen. Het zijn de mythe van de eeuwige Sisyphus, de Tantaloskwelling, de draad van Ariadne. De zaak is nu dat pas deze oerlegenden ons het licht schenken waarin wij ons bewust kunnen worden van waar we aan toe zijn. (1)

(J.B., 27 september 2011)

Noten

(1) Zie: J. Bauwens, Over het ontstaan, in: http://www.bloggen.be/ontstaansvraag/

OVER DE AUTEUR:

Kris Vansteenbrugge (°Grijsloke, 1940) is arts (chirurg) van beroep, net zoals Tsjechov, Slauerhoff en vele andere getalenteerde schrijvers. Hij is dramaturg, romanschrijver, essayist, dichter en marathonloper. In het spoor van zijn naamgenoot Chrisolius, een Armeense missionaris en martelaar die in de derde eeuw de Vlamingen in Grijsloke tot het Christendom kwam bekeren, bekeerde dokter Kris Vansteenbrugge onze gewesten tot de helende loopcultuur als stichter van Vlaanderen's mooiste loopkoers, Dwars door Grijsloke, die in augustus 2011 aan zijn eenendertigste uitgave toe was. Kris Vansteenbrugge is tevens een kenner van de literatuur en in het bijzonder van de Griekse Mythologie. Met Uit het schuim van de zee - de Griekse mythologie in 136 verhalen - komt hij tegemoet aan een aloude vraag naar een volledige, authentieke en overzichtelijke weergave van de verhalen die de basis uitmaken van de bakermat van de westerse cultuur - een unicum in de Vlaamse letteren, met een gezwinde pen en in een vlekkeloos hedendaags Nederlands. Kris Vansteenbrugge publiceerde eerder onder meer "Dwars door Grijsloke - Kanker en hartinfarct moeten niet zijn", over de nieuwe gezondheidsleer, "De mens... een loopdier - De heksen van Grijsloke", "Grijsloke's Olympiade", over de mythologische oorsprong van de verschillende Antieke Spelen" (Grijsloke 2000), "O jerum jerum jerum" (2006), een autobiografie, en nog een aantal toneelstukken. Voor meer info, zie: www.bloggen.be/pierpont  & www.bloggen.be/kris  & www.bloggen.be/dzeus .

 






Salvator Mundi

 

Salvator Mundi

Ter nagedachtenis aan dr. Karel Van Noppen werd een herdenkingstuintje aangelegd in de nabijheid van de gracht waarin hij stierf nadat hij daar werd onder vuur genomen omdat hij trouw bleef aan zijn burgerplicht en niet wilde bezwijken onder de dreigementen van een bende geldwolven. Als men bij de gracht gaat staan, kan men het nog zien gebeuren en weet men dat de mensen die voor het heil van anderen hun leven gaven, ook die mensen zijn die deze wereld op het rechte pad houden - ja, niet zomaar een of ander individu redden zij zodoende maar de heuse wereld, zo groot als hij is.

De wereld wordt door sommigen misprezen en voor een groot stuk terecht maar evenmin als de natuur kan ook maar iemand zich de luxe veroorloven om de wereld naast zich neer te leggen. Er zijn de broeders in de slotkloosters, de kluizenaars en de bannelingen maar ook zij krijgen de wereld niet helemaal weggewerkt; als puntje bij paaltje komt moet de heremiet naar de stembus en brengen grenswachters de vogelvrijverklaarde tot staan. Zonder papieren bestaat men niet langer en eenmaal het contant geld geschiedenis zal zijn, zal zich, dronken van zijn macht, de mammon verheffen boven de massa die eens tot mensheid was bestemd.

“Als jullie van de wereld waren, zou de wereld jullie als het hare erkennen en liefhebben. Maar jullie zijn niet van de wereld: Ik heb jullie uit de wereld uitgekozen, en daarom haat de wereld jullie” ­aldus (in de Willibrordvertaling van 1995) het Johannes-evangelie. De wereld staat in het christendom tegenover het zogenaamde rijk Gods maar in feite heeft het christendom niet het monopolie over het rijk dat zich van de wereld afkeert omdat zich ook in andere religies en in het atheïstisch humanisme een strijd voltrekt tegen het onrecht dat in het wereldse reilen en zeilen verankerd zit - in feite als een 'vervolg' op de wet van de jungle.

De jungle of het 'hart der duisternis' van Joseph Conrad kent zijn gelijke in het hart van de 'beschaafde' mens van wie de wreedheid deze van de wilde dieren in zijn schaduw stelt (met in de Congo van Leopold II zowat twaalf miljoen slachtoffers) en Conrad beschrijft in 1899 het Brussel van de genociderende koning als de 'grafstad'. In 1959 beledigde de Belgische vorst Boudewijn het Congolese volk en toen daarop Patrice Lumumba hem van antwoord diende, werd jacht gemaakt op de vrijheidsstrijder; hij werd opgepakt, gefolterd en vermoord.1

Gedegen historisch onderzoek heeft ook hier de feiten aan het licht gebracht en de daders, die andermaal op persoonlijke winst uit waren, met naam genoemd. Edoch, het kwaad is en blijft hardnekkig en zo bestaat het dat heden een grote renovatie aan de gang is van het Jubelpark, een van de megalomane met slavenbloed gefinancierde bouwwerken van de waanzinnige vorst: tegen het jaar 2030 zal België tweehonderd jaar bestaan en dat zal daar gevierd worden; het is dansen op een gigantisch graf.

Maar die hardnekkigheid van het boze maakt het noodzakelijk dat altijd weer, en met het eigen leven als losgeld, aan de duivel in hoogst eigen persoon, tol betaald wordt voor de redding van de wereld, in het spoor van Sint-Salvator.

(J.B., 1 juli 2026)

1Cf.: Jan Bauwens, De plundering van de Congo en de genocide van 1890 tot 1910. Een synthese van: Adam Hochschild, De geest van koning Leopold II en de plundering van de Congo, Meulenhoff/Kritak 1998 (in een Nederlandse vertaling door Jan Willem Bos). (Oorspronkelijk: King Leopold's Ghost. A Story of Greed, Terror and Heroism in Colonial Africa, Adam Hochschild 1998) - met enkele bedenkingen, Serskamp, 2023.

Voor de integrale tekst, zie: https://blogimages.bloggen.be/tisallemaiet/attach/93208122348.pdf

 

Ludo Noens en het 'fantastisch realisme'

 

Ludo Noens en het 'fantastisch realisme'

In Fantastisch realisme. Opening naar andere kosmische zijnsniveaus in Portulaan nr. 167 d.d. het derde kwartaal 2026 heeft Ludo Noens het (met de nodige voorzichtigheid) andermaal over psychoactieve stoffen welke volgens sommigen de toegang tot andere bewustzijnsniveaus mogelijk zouden maken en in dat verband verwijst hij naar o.m. de Nederlandse (para)psychologen en filosofen J.J. Poortman en H. van Praag en naar de legendarische H.P. Blavatsky. De ietwat verkapte thesis van de auteur houdt in dat er niet een tweedeling van geest en stof is maar een graduele overgang van grof- naar fijnstoffelijk, zeg maar van harde en tastbare materie naar steeds ijlere zijnsvormen die op den duur overgaan in emoties en in bewegingen van de wil, zodat een wederzijdse invloed van het ene op het andere uiterste van het genoemde spectrum zou kunnen verondersteld worden, waarbij de beïnvloeding van de stof door de geest uiteraard het meeste tot de verbeelding spreekt en zo citeert hij ene E.W. Berridge: “(...) Als een mens zich iets verbeeldt, schept hij in feite een vorm op het astraal of zelfs nog hoger vlak; en deze vorm is even werkelijk en objectief voor intelligente wezens op dàt plan, als onze aardse omgeving voor ons is.”1 En de auteur heeft het hier over zogenaamde elementalen van de theosofen die zich onder invloed van gedachten zouden kunnen materialiseren.

Een en ander herinnert aan het in 1976 verschenen The Origin of Consciousness in the Breakdown of the Bicameral Mind van de Amerikaanse psycholoog Julian Jaynes waarin deze betoogt dat het in vroegere tijden toeschrijven van waargenomen stemmen en nog andere verschijningen aan derden (geesten, goden, demonen...), in feite een gevolg was van het feit dat men zich toentertijd nog geheel onbewust was van het eigen denken, omdat het nog als zodanig onbenoemd was en in dat licht zou het alsnog gewag maken van de objectiviteit van die verschijnselen, de nieuwe inzichten gewoon negeren.

Een ander argument dat pleit tegen dat continuüm-idee tussen het stoffelijke (lichaam) en de onstoffelijke geest over steeds ijler wordende 'materie' is het bestaan van een verleidelijke neiging naar reductionisme: wars van het dualisme van geest en stof, wenst men alles te herleiden tot één principe (stof, ijlere stof, nog ijlere stof die zich dan zou voordoen als wil, als geest...) en dit in weerwil van het bestaan van een onoverbrugbare kloof tussen die twee: zo bijvoorbeeld staat een grammaticale naamval in betrekking tot de taal en kan die helemaal niets te maken hebben met materie.

Bovendien lijkt het er op dat de stugge opdeling door de filosofen van het Zijn in subject en object misschien helemaal niet zo fundamenteel blijkt als zij altijd heeft geklonken en moeten wij het onvatbare van die metafysische posities verplaatsen naar het aloude 'mysterie van het (organische) leven' dat zich bewust is van zijn omgeving en van zichzelf.

Voor die meer fenomenologische of vitalistische kijk pleit de facto de vierde-eeuwse wijsgeer Augustinus van Hippo met zijn opvatting over de tijd, die vliegt, en die tevens sneller lijkt te gaan naarmate men ouder wordt. De tijd heeft geen objectief bestaan, zegt Augustinus: hij wordt een realiteit voor ons door toedoen van het vermogen, eigen aan het leven, om verwachtingen te koesteren en herinneringen te hebben. Tijd, ruimte, de kosmos: het bestaat allemaal pas binnen het leven. De aloude kijk op de mens als een quasi zuivere geest (die zich echter wel moet vol gieten met sterke koffie om tot zijn fundamentele ontdekkingen te kunnen komen...) of als het lichaamsloze 'subject' van de filosofen kan best vervangen worden door het vleselijke wezen dat kan denken: het mysterie wijkt niet, het verschuift naar het vlees, maar misschien is het daar wel op zijn plaats.

Bijzonder in dat verband is overigens de katholieke these dat de verrijzenis of dus de opstanding uit de dood niet als beeldspraak op te vatten is: het betreft een heuse opstanding van het vlees. Maar wat is dan het vlees, nietwaar? En zijn in dat verband de onderzoekingen niet relevant rond bijvoorbeeld de afdruk van het verrezen lichaam in de lijkwade van Turijn die door sommige auteurs met 'fijnstoffelijkheid' of met straling in verband wordt gebracht.2

Vlees is hoe dan ook niet zonder meer een materiële zaak zoals weggezet in de micro-reductionistische kijk op mens en wereld en dat wordt overigens ook duidelijker voor wie zich bezighouden met de verschillende opvattingen over gezondheid en geneeskunde. Niemand kan loochenen dat levende cellen opgebouwd zijn uit dode stof maar is het niet zo dat het leven aan de dood voorafgaat in die zin dat het de cel is die de zin (en derhalve ook het 'zijn') geeft aan de stof waaruit zij bestaat? Want het lijkt erop dat de (levens)functies voorafgaan aan de systemen waarin ze zich voltrekken, en dat ze als het ware hun voorwaarden zelf scheppen.

(J.B., 28 juni 2026)

1Ludo Noens, Portulaan, Ukkel 2026, nr. 167, pp. 39-44.

2Cf.: Ludo Noens, Subliem licht op de lijkwade van Turijn: ware herkomst van een omstreden middeleeuwse relikwie, Aspekt, Soesterberg 2015.

 

 

Puffen

Puffen

Puffen is wellicht het werkwoord dat dezer dagen het vaakst gebruikt wordt en het is een klanknabootsing van wie het ongemak laten blijken dat voortkomt uit een tekort aan zuurstof en derhalve aan kracht ingevolge hitte, ozon en nog andere aanverwante mistoestanden resulterend uit het jarenlange in de wind slaan van de waarschuwingen der geleerden inzake klimaat en milieu.

Als de temperaturen voorbij de dertig graden Celsius gaan, spreekt men van hitte en blijven de nachttemperaturen hoog dan bestelen zij ons van de nachtrust nodig om gezond te kunnen blijven functioneren en dan worden wij ziek. De klimaatverandering is inmiddels een onmiskenbaar feit en dertig graden is voortaan te pruimen in het licht van de wetenschap dat nu overal in Europa de kaap van de veertig graden overschreden wordt. Men staat er niet bij stil maar in acht genomen het feit dat onze atmosfeer een heel dun vliesje is over de aarde, is het helemaal niet onmogelijk dat dit nog verder wordt beschadigd en dat de temperaturen overal nog verder oplopen.

En we hebben het hier niet over anderhalve graad, of twee graden, of drie, zoals we het bij overstromingen ook niet hebben over een stijging van het waterpeil met twee, drie centimeter: een overstroming is er plotseling, het is een natuurgeweld dat de kracht van het water etaleert dat in een mum van tijd alles wegspoelt, mensenlichamen inbegrepen. Men moet het eerst meemaken vooraleer men het kan geloven en dat geldt ongetwijfeld ook voor wat wij vooralsnog niet meemaakten, het geldt voor wat we misschien slechts eenmaal kunnen meemaken: het plotselinge uit de pan springen van de temperaturen op aarde.

Want dertig graden mag dan heet zijn en veertig nog lastig met airco te bestrijden: wat zullen we doen als eensklaps onze thermometers het niet meer meten kunnen? Andermaal: dertig is heet, veertig doet puffen maar de temperatuur van de zon bedraagt zestien miljoen graden Celsius en vergeleken bij die hitte is een verschil van tien graden op aarde, of laat het nog honderd graden wezen, helemaal niks. Dit maar om te zeggen dat een plotselinge hittegolf die in een mum van tijd het water van de oceanen aan de kook brengt, alles behalve onmogelijk is: wij kunnen het niet denken omdat het bij ons beste weten nog nooit werd geregistreerd maar dat geldt ook voor alle mogelijke rampen in de verleden tijdspanne van biljoenen jaren welke ontsnapt aan ons simpele ken- en voorstellingsvermogen.

De waarheid is dat het zeewater niet hoeft te koken om alle leven op de aardbol ongedaan te maken: een stijging van de gemiddelde temperatuur met een paar graden ingevolge (alsnog in te perken) menselijke activiteit gemeten aan de hand van CO.2-uitstoot, volstaat ruimschoots om het leven helemaal te destabiliseren op een manier die nimmermeer te corrigeren valt en dat is een wetenschappelijk feit dat wordt herhaald, rondgebazuind, bevestigd door de waarnemingen en... keer na keer geloochend door piraten-nitwits aan de macht die ermee doorgaan drones en raketten in het rond te spuiten dat het een lieve lust is. En het gaat hier nota bene om een handvol onverbeterlijke criminelen, gestoorde lui die alleen maar gehoor geven aan primitieve vernielzucht en die men om de een of andere reden maar niet achter de tralies krijgt.

(J.B., 26 juni 2026)

https://nl.wikipedia.org/wiki/Bestand:Moeten_we_ons_voorbereiden_op_een_nieuwe_ijstijd.webm

 

Vervelende waarheden

 

Vervelende waarheden

3366171-7aef8b34c6c4691ff3304c8dbb2d62d4.jpg

Ongeëvenaard zijn de taferelen waarin het van seniliteit verdachte presidentschap van de machtigste staat op aarde haar onder een ingebeelde triomfboog doorglijdende Führer zich in alle bochten laat wringen om een mouw gepast te krijgen aan de waarheid waar die ook maar een tikkeltje te vervelend wordt. Er is de Epstein-affaire met betrokkenen uit alle hoogste kringen, er is de haat tegenover inwijkelingen en andersdenkenden maar ook tegen het eigen volk, er zijn de vele oorlogen die bergen lijken opleveren en schulden die middels afpersing van 'bevriende' staten zullen worden afbetaald. Edoch, deze piratenregering is geen unicum, haar voorganger en schijnbare tegenpool droeg van hetzelfde laken een broek met de corona-affaire die volgens meer geleerden de rode loper voor de huidige derde wereldoorlog was. En gaat men terug in de geschiedenis dan blijkt dat het nooit anders was.

“Spiegeltje, spiegeltje aan de wand, wie is de mooiste van het land”, uit een oeroud sprookje, te boek gesteld door de gebroeders Grimm. “De nieuwe kleren van de keizer” van de Deen Hans Andersen. Of waarom niet uit eigen land, “Tijl Uilenspiegel” zoals herschreven door Charles De Coster die zijn publiek laat applaudisseren voor een leeg doek?

“Uilenspiegel stond voor het dichtgesloten gordijn.

—Doorluchtige Landgraaf, sprak hij, en gij, mevrouwe de Landgravinne, en gij, hertog van Luneburg, en gij allen, schoone damen en dappere kapiteins, achter dit gordijn heb ik, op mijn beste, uw lieve of krijgshaftige gezichten geschilderd. Een iegelijk zal zich dadelijk herkennen. Gij zijt nieuwsgierig uw konterfeitsel te zien; ’t is redelijk, doch verweerdigt u geduld te nemen en laat mij nog een woord of vijf zeggen. Gij, schoone damen en dappere kapiteins, die allen van edelen bloede zijt, kunt mijn schilderwerk zien en bewonderen, maar mocht onder u zich iemand bevinden van onadellijk bloed, niets zou hij zien dan een witten muur. En nu, verweerdigt U uwe doorluchtige oogen te openen.

Uilenspiegel schoof het gordijn weg.

—Alleen de edelen kunnen iets zien; lieden van gemeene afkomst blijven blind voor dit kunststuk.

Al de hovelingen sperden de oogen open, gebaarden in bewondering te staan, zich zelven en anderen wederzijds te herkennen, doch in werkelijkheid zagen zij niets dan een naakten muur, hetwelk hen gansch onthutste.

Doch de nar die aanwezig was, sprong drie voet hoog, en, zijn narrenstok zwaaiend, sprak hij:

—Men mag mij uitmaken voor boer, en daarenboven voor schurk, voor deugniet, maar ’k zal het roepen en schreeuwen van de daken, dat ik daar een witte muur, een naakten muur, een blooten muur voor mijnen neus heb! Zoo helpe mij God en alle zijne santen.

Uilenspiegel sprak:

—Als de zotten spreken, is ’t tijd dat de wijzen optrekken.

Hij wilde het paleis verlaten, als de landgraaf hem tegenhield.

—Snaak, sprak hij, die overal gaat en komt om het schoone en goede te prijzen en luidkeels te spotten met de dwaasheid; gij, die in tegenwoordigheid van zooveel grooten der aarde, als man uit het volk, zoo onbermhertig dorst spotten met hunne blazoenen en voorrechten, gij zult eens gehangen worden om uw stoute tong.”1

(J.B., 24 juni 2026)

1Charles De Coster, De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders, hoofdstuk 57, in een Nederlandse vertaling van René de Clercq (liederen) en Richard Delbecq (proza) uit 1919. Zie: https://www.gutenberg.org/cache/epub/11208/pg11208-images.html (Oorspronkelijk: La légende et les aventures héroiques, joyeuses et glorieuses d'Ulenspiegel et de Lamme Goedzak au pays de Flandres et ailleurs, 1867.)

 











Wetten

Wetten

We moeten er niet vanuit gaan dat alle mensen goed zijn want doen we dat dan worden we om de haverklap bestolen; als toerist in een vreemd land of alleen maar in een stadskwartier met een exotische tint door niet vertrouwde talen, kan je het wisselgeld natellen als je wat koopt maar verder heb je geen verhaal als geen gevolg gegeven wordt aan je kritiek. Dat kost één euro, zei je, ik heb betaald met twintig euro en kreeg er zes terug!? Dan hebt u fout geteld mevrouw. En daar staat zij dan, geen mens heeft het gezien, gehoord, gesnopen maar naar haar overige dertien euro kan zij fluiten. Hier kom ik nooit meer, denkt ze en aldus wordt het beschaafde stadsdeel weer een stukje kleiner en de jungle wint veld.

De inzet van camera's en de technologie van de gezichtsherkenning zorgen weliswaar voor nu en dan een kleine trofee maar de techniek blijkt allerminst in staat om de sociale controle van weleer bij te benen, alleen al omdat alras de kleinste kinderen weten waar de camera's hangen, wie zij wel en niet kunnen bestelen en hoe men handelen moet om niet gevat te worden: tasjesdieven, malafide commerçanten en toneelspelers allerhande bewaken eigen territoria die het overleven proberen te garanderen en zo delen zij in het lot van steeds meer volkeren in een stilaan overbevolkte wereld.

Hoe ooit kon mevrouw haar dertien euro opeisen, laten we zeggen in een rechtbank waar ze een klacht neerlegt tegen een allochtoon, een twaalfjarige met een lichaamsgewicht dat amper de helft bedraagt van dat van haar eigen twaalfjarig kind, uiteraard omdat het niet half zoveel te eten heeft daar het afstamt van illegalen, weggevlucht uit een door het beschaafde westen gekoloniseerd land waar nu een oorlog uitgevochten wordt tussen Russen en Amerikanen met deze lichtgewichten als huurling aan het front omdat zij geen keuze hebben?

De jungle van de malafide handelaren die in de beschaafde metropolen steeds grotere stadsdelen controleren blijkt klein bier vergeleken bij de jungle door het zogenaamd beschaafde werelddeel geschapen ter gelegenheid van een 'kerstening' welke een plundering verkapt en vaak ook een genocide.

We moeten er niet vanuit gaan dat alle mensen naïef zijn want doen we dat dan worden we om de haverklap bestolen. We moeten weten dat ooit gemaakte bergen schuld, al is het lang geleden en al is het is den vreemde ver van hier, vereffend willen worden volgens een wet die alle rechtspraak in haar schaduw stelt en die zal zegevieren naar gelang de tijden op hun einde lopen.

(J.B., 24 juni 2026)






Meer van Tisallemaiet

↑ Terug naar de berichten