De verborgen factor - Aflevering 5
|
De verborgen factor Aflevering 5 Op dit punt beland dringt zich een bijzonder eigenaardige vraag op, namelijk de kwestie of zij die de geschetste overtuiging zijn toegedaan, sowieso niet in de verleiding komen om voor god te gaan spelen. En er moet in de eerste plaats sprake zijn van een 'eigenaardige' vraag omdat een gedemythologiseerde kijk op wat het christendom is gaan heten, een godsbegrip vereist dat niet weinig zal verschillen van het oude Abrahamitische concept dat gelinkt is aan Jahweh en derhalve ook aan de mammon, aan het monetair systeem en aan de duivel. In de leer die hier aan de orde is, wordt het godsbegrip gelinkt aan de liefde, die een praktijk is, wat inhoudt dat niet de verering van een of andere entiteit in deze leer centraal zal staan maar wel de beoefening van een specifieke ethiek. De verschuiving die hier aan de orde is betreffende het godsbegrip, is een overgang van een aan de mens en aan de wereld extern object, dat wordt gevreesd en daarom ook vereerd, naar een interpersoonlijke praxis. Of de god van voordien hierdoor werd opgeheven, blijft een open vraag: als wordt aangenomen dat hij alleen maar getransformeerd werd, dan heeft hij zich in onze levende werkelijkheid verankerd als een alomtegenwoordigheid en meer bepaald als een zeer specifieke bezieling van het leven. En de gestelde vraag naar het gevaar dat de mens voor god gaat spelen, heeft te maken met een mogelijk reactionair optreden binnen deze nieuwe context, met name waar men er niet in zou slagen om van de oude voorstelling van de godheid afstand te nemen. Als men de godsidee wil behouden, dan moet men (in de onderhavige leer) voortaan aannemen dat hij 'onder ons' is. Pas waar men het goddelijke als zodanig helemaal gaat verwerpen, bestaat het gevaar dat het kind met het badwater wordt buitengegooid, waarbij het kind het sacraal karakter van het 'onder ons'-zijn vertegenwoordigt. En 'sacraal' betekent hier niet heilig in de zin waarin het taboe heilig is: het taboe mag niet overtreden worden omdat dit de leugen van de (wereldse) machthebber aan het licht zou brengen. Daarentegen verwijst de heiligheid die hier bedoeld wordt naar de waarheid zelf en naar de eigenlijkheid van de bewuste praktijk waarin zich het goddelijke getransformeerd heeft. De vaak gehoorde conclusie welke luidt: "als god niet bestaat, is alles geoorloofd", veronachtzaamt de sacraliteit van de nieuwe ethiek en introduceert inderdaad het gevaar dat de mens met vuur gaat spelen, wat betekent dat hij zijn verantwoordelijkheid gaat vergeten. En hier doet zich een bijzondere paradox voor: krachtens de aangehaalde transformatie is de menselijke verantwoordelijkheid een goddelijke zaak maar die aanname staat haaks op de these dat de mens nu zelf god zou zijn. Andermaal: god heeft zich in de leer van de Nazoreeër verplaatst van een aan de mens en aan de wereld extern object naar een specifieke levende praktijk welke geïdentificeerd wordt met de liefde. (J.B., 21 oktober 2026)
|








