|
De verborgen factor
Aflevering 13
Vooraf nog enkele opmerkingen teneinde mogelijke misverstanden voor te zijn. Als men vaak de theorie hoort verkondigen dat de mens voortleeft in zijn werk, willen wij ons van die opvatting over de verrijzenis vooreerst uitdrukkelijk distantiëren: de vruchten van de menselijke arbeid missen een persoonlijkheid en een bewustzijn; boeken, bijvoorbeeld, zijn zoals een beroemd schrijver het uitdrukt, niet meer dan dingen waarmee een te korte tafelpoot kan worden ondersteund, totdat een geletterde ze opent en ze leest. De vruchten van ons werk zijn nooit personen en waar sprake is van nakomelingen betreft het niet ons eigen werk doch dat van de natuur waarvan wij deel uitmaken. Een A.I.-robot kan alle kennis van de mensheid verzamelen en die verwerken met een zekere 'intellectualiteit' die uiteindelijk neerkomt op een al dan niet bewerkte weergave ervan maar dit geheel betekent op zichzelf slechts zoveel als een tafelpootstut. We zoeken hier wel degelijk naar uitsluitsel of de opstanding van het vlees, de zogenaamde verrijzenis van onze eigen bewuste persoon, überhaupt denkbaar is. Dit punt moet vooraf nog eens klaar en duidelijk gesteld worden om verdere misverstanden te voorkomen.
Nu hebben we gezien dat de taal de poort opent naar een nieuwe werkelijkheid, namelijk die van de tijd: de taal schept de tijd. Augustinus indachtig is de tijd subjectief, subjectgebonden, wat betekent dat de tijd niet op zichzelf bestaat; de tijd is een schepping van, of beter: binnenin het vlees en hij ontstaat nadat het vlees bevrucht werd met het woord of met de taal - die resulteert uit communicatie of dus uit de samenleving. Het vlees kan lijden en derhalve verlangen (principieel: verlangen naar de afwezigheid van leed), waardoor het ook in staat is om te verlangen, enerzijds naar wat voorbij is of naar wat het zich herinnert en, anderzijds, naar wat nog kan of moet komen of naar wat het verwacht. Die twee faculteiten die hun oorsprong vinden in het door de taal bevruchte vlees, werken op een heel bijzondere manier samen en hun resultaat vormt oneindig veel meer dan de som van de twee, zoals ook het dieptezicht veel meer is dan de som van wat de beide ogen op zichzelf kunnen zien. Zoals de twee ogen de werkelijkheid van het dieptezicht tot stand brengen, zo brengt de combinatie van verwachtingen en herinneringen de werkelijkheid van de tijd voort - die, nota bene andermaal, alleen bestaat binnenin het huwelijk van het vlees met de taal. Om zich een idee te kunnen vormen van die nieuwe realiteit die de tijd is, kan men misschien enige verduidelijking vinden in de beschouwing van het dankbare voorbeeld van de muziek.
Een muziekstuk strekt zich uit over de tijd en wij zijn in staat om de schoonheid ervan te ervaren dankzij ons geheugen: geen enkel moment apart binnen het muziekstuk heeft ons iets te vertellen, de muziek ontstaat pas door het geheel van alle ogenblikken die het bestrijkt. Maar dat geheel zou aan ons bevattingsvermogen totaal ontsnappen als wij niet zouden beschikken over het geheugen en dat wil zeggen: de mogelijkheid tot verlangen: (andermaal:) enerzijds het verlangen naar wat voorbij is of dus de herinnering en anderzijds het verlangen naar wat nog komt of komen kan of de verwachting. Zoals gezegd creëert de herinnering het verleden (dat alleen in het vlees bestaat) en creëert de verwachting de toekomst (die eveneens alleen in het vlees bestaat). Het denken wordt mogelijk door de taal, die zich immers uitstrekt in de tijd: we moeten een zin volledig gehoord of gelezen hebben om hem ook te kunnen vatten en het begrijpen van een zin is een mysterie dat samenhangt met het mysterie van de taal, dat we hier nog onaangeroerd moeten laten. Nemen we derhalve het voorbeeld van de taal van de muziek waarmee we de taalfilosofie omzeilen die voor de verduidelijking van dit gedeelte van ons thema overbodig is.
Als we een muziekstuk beluisteren, bevinden we ons op elk ogenblik op een zekere positie binnen dat stuk maar die positie, die op de keper beschouwd een oneindig 'smal' tijdspunt is, wordt geconstitueerd door wat eraan voorafgaat en door wat erop volgt. We 'beleven' het muziekstuk op elk ogenblik van het luisteren door ons hetgeen al in het verleden ligt te binnen te brengen en door wat nog in de toekomst ligt, te verwachten: met ons geheugen van vlees en bloed dat lijden kan en dat derhalve kan verlangen, brengen wij alle ogenblikken van de tijd uit het verleden (en indien we het stuk herbeluisteren of ook nog waar we herhalingen van het thema verwachten) alsook de ogenblikken uit de toekomst samen tot het muziekstuk zelf. En merk nu op dat het muziekstuk, ofschoon het zich uitstrekt in de fysische tijd, in onze geest bestaat in één en hetzelfde ogenblik, wat wil zeggen dat de inhoud van onze geest, of dus onze geest zelf, bestaat of tenminste kan bestaan onafhankelijk van het fysische tijdsverloop. De geest of het woord schept in het vlees de tijd waardoor het de muziek, welke zich moet kunnen uitstrekken in de tijd, kan begrijpen, maar eenmaal het begrip van een muziekstuk gevat wordt, is de fysische tijd overbodig geworden om het muziekstuk te 'kennen', om zich ervan bewust te zijn. Het bewustzijn bevindt zich zodoende buiten de tijd. En hier raken we reeds de kern van ons betoog over de opstanding, welke voor een persoon een feit blijkt te (kunnen) zijn nog vooraleer zijn levenseinde is ingetreden.
(Wordt vervolgd)
(J.B., 28 oktober 2026)
|