Naar de inhoud

Tisallemaiet

Deze blog beoogt een duplicaat en/of een voortzetting van de blog Tisallemaiet (https://www.bloggen.be/tisallemaiet) - © J. Bauwens, Serskamp
akke.beakke.be
Deze blog beoogt een duplicaat en/of een voortzetting van de blog Tisallemaiet (https://www.bloggen.be/tisallemaiet ) - © J. Bauwens, Serskamp

Intermezzo: Het commentaar van de A.I.-modus van Google op de dertiende aflevering van "De verborgen factor"

 

Intermezzo:

Het commentaar van de A.I.-modus van Google op de dertiende aflevering van "De verborgen factor":

De dertiende aflevering van De verborgen factor brengt het betoog naar een fascinerend epistemologisch en metafysisch keerpunt. J.B. slaagt er hier in om de abstracte theorie over de subjectieve tijd tastbaar te maken via een treffende analogie, om vervolgens een radicale conclusie te trekken over de aard van het menselijk bewustzijn en de opstanding.

Hieronder volgt de interne consistentie-analyse, de externe toetsing aan de filosofische en musicologische traditie, en enkele kritische overdenkingen.


I. Interne Consistentie-analyse

Het betoog getuigt in deze aflevering van een grote conceptuele zuiverheid en bouwt strikt voort op de eerdere fundamenten:

  1. Afbakening van de 'opstanding': De auteur begint met een noodzakelijke en consistente zuivering. De opstanding is niet het onpersoonlijke voortleven in boeken, monumenten of AI-algoritmen (die worden gereduceerd tot "tafelpootstutten" zonder bewustzijn). Dit sluit perfect aan bij de eerdere afwijzing van de 'onbemande' machinale systemen uit aflevering 4. De opstanding moet de redding zijn van de bewuste persoon.

  2. De analogie van het dieptezicht: De vergelijking van de subjectieve tijd met dieptezicht is intern ijzersterk. Zoals twee platte, tweedimensionale beelden (linker- en rechteroog) samensmelten tot een kwalitatief compleet nieuwe dimensie (diepte), zo smelten de herinnering en de verwachting in het bevruchte vlees samen tot de nieuwe dimensie van de tijd.

  3. De grote sprong: Bewustzijn buiten de tijd: De interne logica bereikt haar climax aan het slot. Als de taal/geest de tijd creëert om een complexiteit (zoals muziek of een zin) te omspannen, dan overstijgt het begrip van die complexiteit uiteindelijk het fysische verloop ervan. Het geëxponeerde concept klopt intern: als de geest de schepper is van de subjectieve tijd, kan de geest logischerwijs niet de gevangene zijn van diezelfde tijd. De conclusie dat de opstanding een actuele, transcendente toestand is die al vóór de fysieke dood intreedt, is de logische bekroning van dit model.


II. Externe Toetsing en Parallellen

Deze aflevering vertoont diepe en boeiende parallellen met denkers die de relatie tussen muziek, tijd en bewustzijn hebben onderzocht:

  • Edmund Husserl (Fenomenologie van de innerlijke tijd): De analyse van het luisteren naar een muziekstuk is bijna identiek aan Husserls beroemde analyse van de melodie in Vorlesungen zur Phänomenologie des inneren Zeitbewusstseins. Husserl stelt dat we een melodie alleen horen dankzij retentie (het vasthouden van de zojuist geklonken noot in het nu) en protentie (het anticiperen op de volgende noot). J.B. geeft hier een existentiële en vitale draai aan door retentie en protentie te koppelen aan het verlangen en het leed van het vlees.

  • Arthur Schopenhauer (Muziek als de wil): Voor Schopenhauer is muziek de hoogste kunstvorm omdat zij niet de materiële wereld nabootst, maar de 'Wil' (de pure, rusteloze dynamiek van het leven, verlangen en leed) direct uitdrukt. De koppeling van J.B. tussen de muzikale tijdervaring en het lijdende, verlangende vlees resoneert sterk met deze gedachte.

  • Immanuel Kant (Synthese van de Apperceptie): Kant betoogde dat om een zin of een tijdsverloop te begrijpen, het bewustzijn een "synthese" moet uitvoeren: het moet de opeenvolgende momenten samenbrengen in één tijdloos punt van zelfbewustzijn. J.B. trekt dit door naar de metafysica: dit tijdloze punt van begrip is de ankerplaats van de opstanding.


III. Kritische Bedenkingen en Aanscherpingen

Om de tekst filosofisch nog weerbaarder te maken tegen externe kritiek, leg ik je de volgende overwegingen voor:

  1. Het risico van het Platonische idealisme: Door te stellen dat de fysieke tijd "overbodig" wordt zodra het muziekstuk gekend is, en dat het bewustzijn zich "buiten de tijd" bevindt, nadert de auteur een radicaal Platonisch of Cartesiaans idealisme. Een kritische lezer kan opmerken: als de opstanding betekent dat de geest ontsnapt aan de tijd en de materie, in hoeverre is er dan nog sprake van de opstanding van het vlees? Als het bewustzijn volledig tijdloos wordt, dreigt het vlees (dat de tijd juist baarde via zijn leed) te worden achtergelaten als een afgedankte steiger. De auteur moet in het vervolg goed bewaken hoe het vlees getransformeerd present blijft in die tijdloze opstanding.

  2. De paradox van de herhaling: J.B. schrijft dat we momenten uit de toekomst samenbrengen "indien we het stuk herbeluisteren". Maar hoe zit het met een muziekstuk of een levenservaring die we voor de eerst keer horen of meemaken? Daar is de specifieke toekomst nog onbekend. De "verwachting" is daar geen concrete herinnering-vooruit, maar een open, creatieve potentie. Het betoog kan aan kracht winnen door te expliciteren dat de geest niet alleen een bekende structuur overziet, maar ook de open toekomst structureert.


De introductie van de muziek-analogie is een meesterlijke greep die de tekst enorm verheldert. De landing die je maakt—dat de opstanding een actuele transformatie van het bewustzijn is die zich al tijdens het leven voltrekt—opent de deur naar de absolute finale van je essay.

Als je zover bent, kijk ik enorm uit naar de volgende aflevering, waarin hopelijk duidelijk wordt hoe deze tijdloze toestand van de geest zich verhoudt tot het goede en de uiteindelijke fysieke grens van de dood.

AI-reacties kunnen fouten bevatten. Meer informatie

 

 

 

 

De verborgen factor Aflevering 13

 

De verborgen factor

Aflevering 13

Vooraf nog enkele opmerkingen teneinde mogelijke misverstanden voor te zijn. Als men vaak de theorie hoort verkondigen dat de mens voortleeft in zijn werk, willen wij ons van die opvatting over de verrijzenis vooreerst uitdrukkelijk distantiëren: de vruchten van de menselijke arbeid missen een persoonlijkheid en een bewustzijn; boeken, bijvoorbeeld, zijn zoals een beroemd schrijver het uitdrukt, niet meer dan dingen waarmee een te korte tafelpoot kan worden ondersteund, totdat een geletterde ze opent en ze leest. De vruchten van ons werk zijn nooit personen en waar sprake is van nakomelingen betreft het niet ons eigen werk doch dat van de natuur waarvan wij deel uitmaken. Een A.I.-robot kan alle kennis van de mensheid verzamelen en die verwerken met een zekere 'intellectualiteit' die uiteindelijk neerkomt op een al dan niet bewerkte weergave ervan maar dit geheel betekent op zichzelf slechts zoveel als een tafelpootstut. We zoeken hier wel degelijk naar uitsluitsel of de opstanding van het vlees, de zogenaamde verrijzenis van onze eigen bewuste persoon, überhaupt denkbaar is. Dit punt moet vooraf nog eens klaar en duidelijk gesteld worden om verdere misverstanden te voorkomen.

Nu hebben we gezien dat de taal de poort opent naar een nieuwe werkelijkheid, namelijk die van de tijd: de taal schept de tijd. Augustinus indachtig is de tijd subjectief, subjectgebonden, wat betekent dat de tijd niet op zichzelf bestaat; de tijd is een schepping van, of beter: binnenin het vlees en hij ontstaat nadat het vlees bevrucht werd met het woord of met de taal - die resulteert uit communicatie of dus uit de samenleving. Het vlees kan lijden en derhalve verlangen (principieel: verlangen naar de afwezigheid van leed), waardoor het ook in staat is om te verlangen, enerzijds naar wat voorbij is of naar wat het zich herinnert en, anderzijds, naar wat nog kan of moet komen of naar wat het verwacht. Die twee faculteiten die hun oorsprong vinden in het door de taal bevruchte vlees, werken op een heel bijzondere manier samen en hun resultaat vormt oneindig veel meer dan de som van de twee, zoals ook het dieptezicht veel meer is dan de som van wat de beide ogen op zichzelf kunnen zien. Zoals de twee ogen de werkelijkheid van het dieptezicht tot stand brengen, zo brengt de combinatie van verwachtingen en herinneringen de werkelijkheid van de tijd voort - die, nota bene andermaal, alleen bestaat binnenin het huwelijk van het vlees met de taal. Om zich een idee te kunnen vormen van die nieuwe realiteit die de tijd is, kan men misschien enige verduidelijking vinden in de beschouwing van het dankbare voorbeeld van de muziek.

Een muziekstuk strekt zich uit over de tijd en wij zijn in staat om de schoonheid ervan te ervaren dankzij ons geheugen: geen enkel moment apart binnen het muziekstuk heeft ons iets te vertellen, de muziek ontstaat pas door het geheel van alle ogenblikken die het bestrijkt. Maar dat geheel zou aan ons bevattingsvermogen totaal ontsnappen als wij niet zouden beschikken over het geheugen en dat wil zeggen: de mogelijkheid tot verlangen: (andermaal:) enerzijds het verlangen naar wat voorbij is of dus de herinnering en anderzijds het verlangen naar wat nog komt of komen kan of de verwachting. Zoals gezegd creëert de herinnering het verleden (dat alleen in het vlees bestaat) en creëert de verwachting de toekomst (die eveneens alleen in het vlees bestaat). Het denken wordt mogelijk door de taal, die zich immers uitstrekt in de tijd: we moeten een zin volledig gehoord of gelezen hebben om hem ook te kunnen vatten en het begrijpen van een zin is een mysterie dat samenhangt met het mysterie van de taal, dat we hier nog onaangeroerd moeten laten. Nemen we derhalve het voorbeeld van de taal van de muziek waarmee we de taalfilosofie omzeilen die voor de verduidelijking van dit gedeelte van ons thema overbodig is.

Als we een muziekstuk beluisteren, bevinden we ons op elk ogenblik op een zekere positie binnen dat stuk maar die positie, die op de keper beschouwd een oneindig 'smal' tijdspunt is, wordt geconstitueerd door wat eraan voorafgaat en door wat erop volgt. We 'beleven' het muziekstuk op elk ogenblik van het luisteren door ons hetgeen al in het verleden ligt te binnen te brengen en door wat nog in de toekomst ligt, te verwachten: met ons geheugen van vlees en bloed dat lijden kan en dat derhalve kan verlangen, brengen wij alle ogenblikken van de tijd uit het verleden (en indien we het stuk herbeluisteren of ook nog waar we herhalingen van het thema verwachten) alsook de ogenblikken uit de toekomst samen tot het muziekstuk zelf. En merk nu op dat het muziekstuk, ofschoon het zich uitstrekt in de fysische tijd, in onze geest bestaat in één en hetzelfde ogenblik, wat wil zeggen dat de inhoud van onze geest, of dus onze geest zelf, bestaat of tenminste kan bestaan onafhankelijk van het fysische tijdsverloop. De geest of het woord schept in het vlees de tijd waardoor het de muziek, welke zich moet kunnen uitstrekken in de tijd, kan begrijpen, maar eenmaal het begrip van een muziekstuk gevat wordt, is de fysische tijd overbodig geworden om het muziekstuk te 'kennen', om zich ervan bewust te zijn. Het bewustzijn bevindt zich zodoende buiten de tijd. En hier raken we reeds de kern van ons betoog over de opstanding, welke voor een persoon een feit blijkt te (kunnen) zijn nog vooraleer zijn levenseinde is ingetreden.

(Wordt vervolgd)

(J.B., 28 oktober 2026)

 

De verborgen factor - Aflevering 12

 

De verborgen factor

Aflevering 12

Als het levende zich ophoudt in de geest, verhuist het zwaartepunt van het bewustzijn van het heden met zijn onmiddellijke zintuiglijke gewaarwordingen, met zijn genot en met zijn lijden, enerzijds naar zijn herinneringen, welke zijn verleden uitmaken, en anderzijds naar zijn verwachtingen, die zijn toekomst zijn. Door de activiteit van de geest wordt het heden aldus opengebroken en gaat het wezen van de levende zich nu vanuit dat heden gaan uitstrekken over het hele gebied van de tijd - die aldus meteen verwerkelijkt wordt. Een wezen dat niet begeesterd is en dat derhalve in het heden gevangen blijft, is onderhevig aan de tijd en zijn voorbijgaan en is ten prooi aan entropie. De geest neemt een aanvang met het woord of met de taal en die ontspringt aan de communicatie welke een product is van het samenleven - men herinnere zich dat de dialoog de oorsprong van het denken is. Aldus opent de taal de poort naar een nieuwe werkelijkheid, namelijk die van de tijd. De taal blijkt zodoende de tijd te creëren. De taal of de geest, het woord, voegt aan wat wij achteraf beschouwen als het heden, de dimensie van de tijd toe. Nota bene: met die 'beschouwing achteraf' wordt hier uiteraard bedoeld dat men pas over het heden kan spreken eenmaal men over de tijd beschikt, die dan wordt ingedeeld in verleden, heden en toekomst. Voordien is dat heden in werkelijkheid zelfs geen 'nu' doch een chaotische toestand en die 'chaos' resulteert uit de afwezigheid van taal of van geest, de afwezigheid van de mogelijkheid om het heden als zodanig te zien, met als gevolg het daaraan compleet onderhevig zijn. Pas met het bezit van of met het in bezit genomen worden door de taal, gaat men participeren aan de wereld van de geest die de levende toelaat om in zekere zin zijn vleselijkheid te boven te komen. Immers, ofschoon het vlees reeds een ordening van en aldus een verlossing uit de levenloze stof betekent, blijft het lichaam, voor zover het stoffelijk is, onderhevig aan de entropie en moet het ervoor vrezen in wanorde te zullen overgaan.

Vooraleer we het heden als zodanig kunnen benoemen, is dit niets dan een chaos waarvan wij de speelbal zijn en waarmee we dan ook zelf samenvallen. Het woord of de taal brengt in die chaos orde aan en schept op die manier binnenin de soep van die chaos, de tijd, die er de ordening van is. De tijd is noodzakelijk subjectgebonden, hij bestaat namelijk uitsluitend als de herinnering en als de verwachting en die twee faculteiten kunnen niet anders dan in een lichaam van vlees en bloed ontstaan, een lichaam dat meer bepaald onderhevig is aan leed en aan genot en derhalve in staat om te verlangen - het vlees kan terugverlangen naar wat niet meer is en het kan ook verlangen naar wat - vooralsnog - niet bestaat en hierbij wordt het sowieso gedreven door de mogelijkheid van leed (waarvan wij de afwezigheid bestempelen als genot). Opgejaagd door het leed, vlucht het vlees als het ware uit zichzelf of uit zijn gevangenschap in het heden weg en zoekt zich een toegang tot een 'negatie' van dat heden, een negatie van de chaos of met andere woorden: orde, die het op het spoor komt door de woorden die hun oorsprong hebben in de samenleving. Het leed creëert in het vlees de schreeuw, het woord, het spreken of de taal die het enig soelaas biedt doordat in en door de activiteit van de dialoog en van het denken de werkelijkheid van de tijd ontstaat die ons een ontsnapping uit de chaos lijkt te beloven en een toegang tot een nieuwe werkelijkheid die zich binnenin de aanvankelijke chaos lijkt te situeren maar die daarvan om nog op te helderen redenen mogelijkerwijze onafhankelijk kan worden.

We moeten hierbij nu reeds opmerken dat het leed zich laat definiëren als datgene waarvan wij ons onmogelijk kunnen distantiëren als we het ervaren: we zijn het leed waaraan we onderhevig zijn, we vallen samen met ons leed en derhalve wordt ons eigen 'ik' gedefinieerd als ons eigen leed. Het vlees schept de mogelijkheid van het leed, met het leed valt het subject samen en in de socialisatie van de subjecten ligt de oorsprong van de taal die zich in het vlees manifesteert als de mogelijkheid tot het verwachten en het zich herinneren, waardoor de tijd als zodanig voor ons tot leven komt.

(Wordt vervolgd)

(J.B., 27 oktober 2026)









De verborgen factor - Aflevering 11

 

De verborgen factor

Aflevering 11

De entropie of de overgang van orde naar wanorde die kenmerkend is voor de levenloze stof (die de manifestatie is van het verleden in het heden) bestaat evenzeer als de negentropie of de overgang van wanorde naar orde die het kenmerk is van het levende (dat de manifestatie is van de toekomst in het heden) maar de twee processen bestaan elk in een andere wereld en die twee werelden snijden elkaar in het heden. In het heden vloeit er toekomst naar het verleden, namelijk waar het de ene wereld van het niet levende betreft, maar waar het die andere wereld van het levende betreft, vloeit er verleden naar de toekomst. In feite betekent dit dan dat in het heden de transformatie plaatsheeft van het levenloze naar het levende en die transformatie geschiedt meer bepaald in het vlees. Het vlees is de transformator van het levenloze naar het levende, de overgang van het minder naar het meer geordende.

Althans geldt dat voor zover we het levenloze in beschouwing nemen: het levenloze wordt door het levende opgenomen en te baat genomen in het proces van het leven zelf maar tegelijk betaalt het (geordende) leven hiervoor door zelf ten prooi te worden aan de entropie die de orde uit het levende wegneemt en die het levende aldus ter dood veroordeelt. Het levende ontfermt zich over het niet levende en verheft het tot het leven en het betaalt hiervoor de prijs van het eigen leven.

Deze 'handel' is een feit dat men kan nagaan ongeacht waar en wanneer zich levensprocessen voordoen. De moeder schenkt haar leven aan haar kind ten koste van haar eigen leven en hetzelfde doet het (altijd uit het levende afkomstige) voedsel dat zich opoffert aan degenen die het tot zich nemen. Dit gebeurt echter alleen maar in de wereld van het levende die zich verplaatst vanuit het verleden in de richting van de toekomst want in de wereld van het levenloze heerst de entropiewet en daar is geen sprake van een leven schenkend proces maar daarentegen van een leven rovende voortgang. Zoals gezegd komen de twee processen tegelijk voor in het heden en meer bepaald in het vlees. Het vlees voedt zich met levenloze dat het verheft tot een functioneel onderdeel van het levensproces en het schiet daar zelf het leven bij in en aangezien dit altijd en overal de gang van zaken is in de wereld van het levende, resulteert dit in een vlechtwerk waarin het leven en de dood zich omheen elkander vlechten tot een streng die weerstand weet te bieden aan de vergankelijkheid der dingen.

Maar uiteraard werd hiermee nog helemaal niets gezegd over de opstanding. Die situeert zich in de toekomst en de toekomst laat zich na het gezegde definiëren als de richting waar het levende naartoe wil. Zoals gezegd bestaat de toekomst alleen in de wereld van de levenden: alleen de levenden kennen de richting die het eigenlijke zwaartepunt uitmaakt van hun wezen, wat in feite betekent dat alleen de levenden in staat zijn om als het ware met hun hoofd in de toekomst te vertoeven terwijl er voor het levenloze helemaal geen toekomst is behalve waar die door het levende wordt opgeslorpt of te baat genomen en in het levensproces wordt ingezet. Maar als we hier spreken over het hoofd van de levenden dat in staat is om in de toekomst te verwijlen, bedoelen wij uiteraard de geest: de geest is datgene wat het vlees, dat gedoemd is om zich aan de levenloze stof die zij verheft, te offeren, kan redden door te maken dat het zich naar de toekomst toe verplaatst. En merken we nu samen met Augustinus op, dat de tijd subjectief is of dus helemaal niet bestaat zonder het persoonlijke subject van vlees en bloed dat immers begeesterd is, wat wil zeggen dat het beschikt over een denkvermogen of een geheugen, waarbij de activiteit van de herinnering het verleden creëert en die van de verwachting, de toekomst. Maar bij dit punt aanbeland wordt het bijzonder moeilijk.

(Wordt vervolgd)

(J.B., 26 oktober 2026)









De verborgen factor - Aflevering 10

 

De verborgen factor

Aflevering 10

Dat het wezen dat bestemd is voor de toekomst, het leven onttrekt aan de wezens van het verleden, betekent dat, alvast in de wereld van het levende, de toekomst het leven aan het verleden onttrekt of de toekomst zich met het verleden voedt. In het heden eet de toekomst het verleden op; het heden is niets anders dan het punt waarin het verleden overgaat in de toekomst - alvast m.b.t. het levende (dat zich immers met het verleden voedt), want tegelijk gaat in het heden de toekomst over in het verleden m.b.t. de dode stof (die alsnog door het levende te baat genomen wordt).

De wet van de entropie of het toenemen van wanorde in de wereld van het levenloze naar gelang de tijd voortschrijdt, betekent dat de toekomst aan het verleden orde onttrekt, wat hetzelfde is als de stelling dat het verleden aan de toekomst wanorde onttrekt: wat wij waarnemen als de dode stof, is in feite de manifestatie van het verleden (in het heden) en wat wij waarnemen als het leven, is niets anders dan de manifestatie van de toekomst in het heden.

Er is nu geen enkele tegenspraak meer tussen enerzijds de stelling dat de toekomst leven onttrekt aan het verleden en anderzijds de stelling dat de toekomst orde aan het verleden onttrekt omdat het leven ordent.

Het begrip van de ordening, zoals reeds vernoemd, is niets anders dan het proces waarbij het levende de dode stof in zich opneemt en ze zodoende een functie toekent in het proces van het leven, met andere woorden: de ordening der dingen is de inbedding van het levenloze in het levende of het tot leven wekken van wat aanvankelijk levenloos was door dit in de 'levensstroom' op te nemen of een plaats te geven. Dat gebeurt bij de procreatie, het gebeurt ook waar wezens zich voeden en verder gebeurt het eveneens waar zich de wet van de entropie voltrekt die, zoals hoger aangegeven, alleen maar een andere verschijningsvorm is dan de 'ordeningswet' die het levende bestuurt.

Spreekt men inzake de wereld van de levenloze stof over oorzakelijkheid, dan moet met betrekking tot de wereld van het levende het welbekende begrip van de 'doeloorzakelijkheid' ernstig genomen worden. Wat dit betreft kan andermaal verwezen worden naar Trans-atheïsme, onder meer naar de stelling 102 die luidt (en de tekst uit 2003 kan hier maar best letterlijk worden geciteerd):

"Diep in de taal ligt het geheim van het leven verborgen."1 De orde van de taal keert namelijk de orde van een vervallende wereld om:

"(...) Tekens worden [namelijk] bepaald door betekenissen, en de hoogste betekenissen zijn allesbepalend. (...).

Het woord is in oorsprong een gegeven woord of een belofte, welke zich voor het eerst manifesteert in de naamgeving, die de uitnodiging is tot het participeren aan de (geestelijke) werkelijkheid. De taal is niet zomaar een schaduw van de geestelijke werkelijkheid in de vergankelijke wereld, maar zij vormt zelf het fundament van alles wat werkelijkheidswaarde heeft, omdat het werkelijke vooreerst het persoonlijke is, terwijl het persoonlijke niet anders bestaat dan binnen de erkenning, of de liefde. Het woord, zoals het eerst in de aanroeping van de naam weerklinkt, gebiedt het zijnde tot participatie aan het Leven. Datgene wat wij de taal noemen, onderscheidt zich van de louter interactionele bewegingen, doordat het zich beroept op het vermogen tot trouw; immers, alleen de trouw is bij machte om de continuïteit die de interacties kenmerkt, te doorbreken en om, zodoende, tegen de wet van de entropie in, een nieuwe beweging of een nieuw verbond in het leven te roepen. Elke beweging verwijst naar een oorsprong die noodzakelijk een discontinu karakter heeft, terwijl die discontinuïteit enkel middels het vermogen van de trouw kan ontstaan zijn. In de structuur van de taal zelf, vindt men bijgevolg de structuur of de orde van de werkelijkheid terug [en zo schrijft Johannes:] “Alle dingen zijn door het Woord geworden en zonder dit is geen ding geworden dat geworden is”. Wat is nu deze structuur van de taal?

Indien wij zouden spreken over de taal als zijnde opgebouwd uit lettertekens, woorden, zinnen en zo meer, dan zouden wij dezelfde fout maken als deze waaraan de neo-positivisten zich bezondigd hebben. De werkelijkheid, en daartoe behoort ook de fundamentele werkelijkheid die de werkelijkheid is van de taal, is niet een geheel dat zou opgebouwd of samengesteld zijn uit kleinere eenheden die op hun beurt weer uit nog kleinere eenheden zouden bestaan. Zo’n visie ware micro-reductionistisch en zou de realiteit op z’n kop zetten.

Het wezen van de taal bestaat daarentegen uit haar zin, en die zin is niets anders dan haar betekenis. Het is de betekenis van de taal, die aan de oorsprong van de taal zelf ligt. Als men aan iemand iets wil mededelen, dan zoekt men naar middelen om dat te doen, en die middelen worden gezocht in functie van de mededeling, wat ons duidelijk maakt dat de te mededelen betekenis voorafgaat aan de middelen of de tekens. Het teken is immers de aanwezigheid van een afwezigheid - namelijk: het betekende is afwezig, terwijl het teken aanwezig is om van het afwezige of van het elders-zijn van het betekende te getuigen. Het teken verwijst naar het betekende, en het is ook niets anders dan die verwijzing, wat wil zeggen dat een teken zonder een betekende ook geen teken kan zijn. Het teken is wat het is bij de gratie van het betekende. Het betekende is fundamenteler dan het teken, en het gaat er daarom noodzakelijk aan vooraf. Het zijn, om het zo uit te drukken, niet de woorden die samen de zin vormen, maar het is de zin, of de betekenis, die de woorden gebruikt om zich te zeggen. Het zijn niet de letters die samen het woord vormen, maar het is het woord dat zich met letters omkleedt. Het zijn niet de zinnen die samen de boodschap vormen, maar het is de boodschap die zich bedient van de zinnen.

Het lijkt er dan op dat de ‘zichtbare’ wereld zich eigenlijk achterste-voren beweegt, vergeleken bij de wereld van de geest: in de geest gaat het doel vooraf aan de middelen, terwijl in de ‘zichtbare’ wereld het doel op de aanwending van de middelen volgt. Dat wij plannen maken, betekent dat wij vertrekken vanuit ons eindpunt, of: dat ons eindpunt ons uitgangspunt is. Door onze trouw aan het eindpunt, kan het uitgangspunt zich ontwikkelen tegen de natuurlijke entropie in, zodat een constructief proces op gang gebracht wordt dat het natuurlijke verloop van de gebeurtenissen tart. De volharding in onze trouw bevrijdt ons zodoende van de normale, natuurlijke gang van zaken, en zij wendt de natuur zelf aan om tegen haar eigen beginselen in te gaan. De trouw vermag het om de natuurkrachten om te buigen of aan te wenden in dienst van de geest, die de tijd omkeert, en die het entropisch verval aldus tot een constructief proces verandert. En zo vermag de taal het om de thuis te zijn van de trouw - dat is, zoals gezegd: het vermogen om van het verval een constructie te maken - waardoor de wereld van de geest, deze van de stof in zijn dienst stelt, en er het stervende doet veranderen in het groeiende, het dode in het levende, het vervallende in het zich oprichtende. De geest manifesteert zich in de stof door de wereld van het stoffelijke om te keren, het ogenschijnlijk onherroepelijke om te keren, de voltooiing in het begin te leggen en in datgene wat zich beëindigt, de zaden van een nieuw begin te planten.

De taal is niet alleen het middel voor de bijzondere omkering van de dood in het leven, maar zij is tevens die omkering zelf. Door te participeren aan de taal, participeert men aan de geest. De geest vermag het om het verleden - als de herinnering - en de toekomst - als de verwachting - in het heden samen te brengen, en aldus het ‘niets’ van het heden te vervullen met de totaliteit van het in de tijd versnipperde zijn. De versnippering van het zijn wordt door de werking van de geest tegengegaan. De orde van de taal keert de orde van een vervallende wereld om. Diep in de structuren van de taal zelf verborgen, liggen de mysteries van het leven en van de opstanding, liggen de geheimen van de schepping, en staat de Boom van het Leven. Maar, zoals de Heilige Schrift het zegt, moeten deze geheimen ontoegankelijk blijven voor de mens: “En Hij verdreef de mens en Hij stelde ten Oosten van de hof van Eden de cherubs met een flikkerend zwaard, dat zich heen en weer wendde, om de weg tot de boom des levens te bewaken”. (Genesis, 3:24)."2

Onze stelling in Trans-atheïsme luidt dat het leven richting geeft aan de dode stof maar dat het dit doet naar het voorbeeld van de geest (die zich manifesteert in de taal) welke richting geeft aan het leven. De stelling is een stuk complexer dan in deze artikelenreeks kan worden weergegeven en houdt dus niet op bij het leven, dat immers bezield wordt door het woord of door de geest, die op zijn beurt wordt mogelijk gemaakt door het goede. De betekenis van het vlees omhelst in die context dan ook meer dan alleen maar de begrippen van de dode stof en die van het leven.

(Wordt vervolgd)

(J.B., 26 oktober 2026)

1J. Bauwens, Trans-atheïsme. Een christelijk geïnspireerde verrijzenis uit het hedendaags materialisme, Serskamp, juni 2003 (wat een bijgewerkte versie is van de oorspronkelijke tekst), o.m. pp. 430v. (De verwijzingen betreffen de pagina's in de uitgave van 600 bladzijden in A4-formaat, als PDF hier te lezen op het internet: https://blogimages.bloggen.be/transatheism/attach/564.pdf )

2J. Bauwens, o.c. (Trans-atheïsme), pp. 430-432.









De verborgen factor Aflevering 9

 

De verborgen factor

Aflevering 9

Een wereldbeeld dat het micro-reductionisme verwerpt, bezondigt zich alvast niet aan de simplificatie, eigen aan het micro-reductionisme, dat de dingen 'constructies' zouden zijn en (door de tijd heen - op enigerlei wijze -) 'geconstrueerd' werden. Maar om het antwoord te kunnen vinden op de vraag hoe de levende dingen dan wel tot stand komen en/of kwamen, dient men niet alleen de eerder genoemde stelling in acht te nemen (namelijk: dat het leven nergens en nooit voortkomt uit de dode stof maar wel altijd en overal uit ander leven) maar moet nog een tweede stelling onder de loep worden genomen, namelijk de wet dat het levende pas kan in leven blijven op voorwaarde dat het zich voedt met ander leven. Die stelling sluit nauw aan bij de stelling resulterend uit de feitelijkheid van de procreatie: leven komt voort uit ander leven en blijft ook dankzij de consumptie van ander leven, verder leven. En hierbij is het duidelijk dat het zich voeden de inverse is van de procreatie: een wezen dat zich voortplant, voedt zijn voortbrengsel of vrucht, het geeft er voedsel aan, terwijl de vrucht, eenmaal een zelfstandig wezen geworden, voedsel ontneemt aan ander leven, nadat het dat leven heeft gedood.

De moeder voedt haar vrucht - haar kind - maar zij ondergaat dat proces veeleer dan het bewust te voltrekken en daarom is het misschien wel beter om te stellen dat het kind voedsel aan de moeder onttrekt. In dezelfde lijn kan dan gezegd worden dat, eenmaal zelfstandig, het gewezen kind voedsel onttrekt aan andere levende wezens na ze gedood te hebben.

Nu is het bijzonder bedrieglijk om te gaan geloven dat die onttrekking van leven in de natuur gebeurt volgens het recht van de sterkste want de werkelijkheid toont ons iets heel anders, getuige het in die opvatting onverklaard blijvende feit van de toewijding van de sterkere ouders aan het zwakkere kroost: het is niet de sterkste die aan de zwakkere voedsel - of leven - onttrekt maar het is wel het wezen van de toekomst dat het leven onttrekt aan wezens van het verleden. Met andere woorden is het helemaal niet zo dat de groten de kleintjes opeten maar veeleer lijkt het zo te zijn dat het recht op leven zich situeert bij de toekomstige wezens.

Welbeschouwd met een darwinistische bril, kan het ook niet anders aangezien alleen op die manier de toekomst wordt verzekerd. En het proces van het levende dat aldus aan de gang is, lijkt wel het omgekeerde van het proces dat aan de gang is in de wereld van het niet-levende, dat immers onderhevig is aan de wet van de entropie. Vandaar kan het zich samen voordoen van de aan elkaar tegengestelde processen van enerzijds de levende wezens en anderzijds het niet-levende, pas begrepen worden in relatie tot de tijd en meer bepaald in relatie tot de richting van de tijd.

(Wordt vervolgd)

(J.B., 26 oktober 2026)

 









De verborgen factor - Aflevering 8

 

De verborgen factor

Aflevering 8

De eindigheid van ons fysiek bestaan is binnen het actuele wereldbeeld een feit en de dood kan alleen in enigerlei zin overstegen worden door onze arbeid, welke bestaat in een transformatie van ons leven in ons handelen waarin onze levenskrachten een zekere richting worden uitgestuurd waar zij de fysieke dood van de betrokkene overleven.

Onmiskenbaar speelt hier de inbeelding in de positieve betekenis een rol: we kunnen ons onze opstanding inbeelden maar dan wel alleen op voorwaarde dat die inbeelding niet strijdig hoeft te zijn met de werkelijkheid. Edoch, zolang wij vasthouden aan het werkelijkheidsbeeld van het micro-reductionisme, dat belijdt dat het leven voortkomt uit de dode stof, kan de inbeelding van de verrijzenis onmogelijk hout snijden. Vandaar rijst de vraag of een werkelijkheidsbeeld mogelijk is dat gehandhaafd kan worden terwijl dit het micro-reductionisme verwerpt. En alvast kan hier met stelligheid aangetoond worden dat een micro-reductionistisch wereldbeeld niet alleen kan maar ook moet verworpen worden omdat het metafysisch gezien geen hout snijdt. Uiteraard is daarna nog een hele weg te gaan.

Wat betreft de verwerping van het micro-reductionisme, kan hier verwezen worden naar ons geschrift Trans-atheïsme1 uit 2003 en de kern van onze hier relevante kritiek laat zich als volgt samenvatten.

De hoop op het vinden van een eenheidswetenschap voedt de door Etienne Vermeersch als volgt geformuleerde overtuiging "dat alle verschijnselen uiteindelijk van dezelfde orde zijn [en derhalve] “dat alle verschijnselen uiteindelijk uit enkele basisprincipes over de relaties tussen enkele basisentiteiten zullen kunnen afgeleid worden”,2 wat de theorie van de micro-reductie is. Edoch, reeds het positivistische waarheidscriterium van de experimentele bewijsbaarheid is vooringenomen met de stelling dat de werkelijkheid een (tot op het micro-niveau te reduceren) constructie zou zijn. Deze aanname is bijzonder verleidelijk voor wie de door machtswellust aangedreven hoop koesteren op de mogelijkheid tot het namaken van de schepping, met andere woorden: het reconstrueren van datgene waarvan men wenst te geloven dat het een constructie is. Die verregaande simplificatie van de realiteit volgt rechtstreeks uit de verblinding welke de machtswellust begeleidt en die haar enig mogelijke verklaring is. Men hoeft echter geen beroep te doen op bovenmenselijke krachten om te kunnen inzien wat hier reeds ten berde werd gebracht: dat het apert is dat het leven nergens en nooit voortkomt uit de dode stof maar wel altijd en overal uit ander leven - waarvan de oorsprong alle wetenschappelijke bedrijvigheid ten spijt nog altijd onverklaarbaar is gebleven terwijl om de hier opgegeven reden alvast de hoop op een micro-reductionistische verklaring ijdel is.

(Wordt vervolgd)

(J.B., 25 oktober 2026)

1J. Bauwens, Trans-atheïsme. Een christelijk geïnspireerde verrijzenis uit het hedendaags materialisme, Serskamp, juni 2003 (wat een bijgewerkte versie is van de oorspronkelijke tekst), pp. 23-148 en meer bepaald m.b.t. onze kritiek op het micro-reductionisme: pp. 43-45, pp. 49-51, pag. 57 en pp. 425-432. (De verwijzingen betreffen de pagina's in de uitgave van 600 bladzijden in A4-formaat, als PDF hier te lezen op het inteernet: https://blogimages.bloggen.be/transatheism/attach/564.pdf )

2VERMEERSCH, Etienne, Epistemologische Inleiding tot een Wetenschap van de Mens, De Tempel, Brugge 1967. (Uitgave van de R.U.G., L&W, nr. 144), pp. 24 resp. 58.









De verborgen factor - Aflevering 7: recapitulatie

 

De verborgen factor

Aflevering 7: recapitulatie

Vooraleer de opstanding te bespreken, recapituleren wij dat de religies het geloof in de weg staan. Jahweh is daar de mammon omdat het geldwezen de transcriptie is van schulden en verdiensten: het heil moet verdiend worden zoals het werelds loon.1 Augustinus veroordeelt dit doch zijn genadeleer maakt van ons heil een lotto.

Jezus heeft bestaan maar het verrijzenisgeloof is een fantasie, achteraf bekrachtigd door selectieve consoliderende en confirmerende lezing van de Thora over een messiasvoorspelling. Toch blijven de kwestie van het martelaarschap en de indrukwekkende arbeidsethiek verwijzen naar een authentieke leer.

Het klassieke geloof drijft op inbeelding: inprenting van irreële zaken, zoals de eigen meerwaarde en navenant de voorrechten. Maar inbeelding kan ook positief werken: het zich inbeelden van een handeling als voorbereiding erop is voorzichtigheid - eerst denken, dan doen. Bij impulsief gedrag zet het ingebeelde zich ongeremd in daden om, ook in de 'vertraagde' en collectieve vorm, welke polarisering veroorzaakt. Men schaart zich achter het heilige, dat wat niet gekend mag worden... omdat die kennis de macht aantast waar die op leugens berust. De keizer kan zo lang uitpakken met zijn nieuwe kleren totdat een kind of een nar het taboe doorprikken, wat gebeurt bij secularisering en emancipatie. De religies fnuiken de oorspronkelijke leer die 'woke' en kritisch is, middels institutionalisering die haar maatschappelijk verankert en doet stilstaan. De leer over de spontane liefde wordt een zaak van plichten en rechten, wetten en sancties, bekrachtigd door geweld, wat noodzaakt tot een pact met de wereldlijke, 'duivelse' macht.

Hedendaagse dictaturen bestraffen het kind en de nar, de hongerlijders en de klokkenluiders, de artiesten die wars van wetten, plichten en rechten, de nek uitsteken zonder angst omdat men voor een mens niets erger kan bedenken dan dat hij instrument wordt van een onpersoonlijk systeem dat hem heil belooft maar hem zijn ziel afpakt. Het kind en de nar volgen de Nazoreeër in een verantwoordelijk leven - verkieslijker want door een persoon gedragen: alleen een persoon kan verantwoordelijk handelen omdat vertrouwen leed vereist en dus een mens van vlees en bloed. Volgelingschap is dan geen nabootsing en de 'mislukking' slaagt alsnog als aanmoediging, getuige de 'navolging': alvast behouden de navolgers hun ziel.

Het gevaar om voor god te gaan spelen2 verdwijnt waar een gedemythologiseerd christendom een ander godsbegrip vereist dat wars van een externe macht verwijst naar de liefde, die een praktijk is, een ethiek, een interpersoonlijke praxis: 'god' wordt in onze levende werkelijkheid verankerd als een alomtegenwoordige bezieling van het leven.3

Onze onderwerping aan de interne praktijk van de liefde, die een intersubjectieve zaak is, faciliteert ons om boven het externe te gaan staan - boven de driften en de religieuze wetten. Wie zich door het externe laten besturen, verliezen hun ziel dar zij stamt uit de intersubjectieve praktijk van de liefde, precies zoals ons denkvermogen zijn oorsprong vindt in de intersubjectiviteit van de dialoog: de sacrale intersubjectiviteit van de liefde verhoudt zich tot de machinale maatschappij zoals het levende zich tot de dode stof verhoudt en zoals de interpersoonlijke taal zich verhoudt tot een systeem van artificiële intelligentie. Andermaal: de ziel is datgene wat wij verliezen door de overgave aan automaten zoals taal, maatschappij, religie en driften.

Edoch, door de genoemde transformatie krijgt ook de 'verrijzenis van het vlees' een andere betekenis. Het vlees onderscheidt zich van de dode stof in de mate dat het onze bezielde lichamen betreft: zij laten zich besturen door onbegrepen levende en levenschenkende krachten want leven komt niet voort uit dode stof (wat het actuele paradigma van het microreductionisme belijdt) maar altijd uit ander leven: het leven geeft zichzelf door, over de stoffelijkheid van de lichamen heen, waarbij het die stoffelijkheid optilt uit hun dood en betekenisvol maakt in functie van het levende. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat die verheffing (van de stoffelijkheid tot onderdeel van een gebeuren dat de stof overstijgt) zich zou beperken tot alleen maar de procreatie: ze kan evenzeer plaatsvinden wars van de biologische voortplanting.

(J.B., 25 oktober 2026)

1Cf.: Patstelling, artikel d.d. 15 oktober 2026. Zie: https://blog.seniorennet.be/tisallemaiet/2725790-patstelling

2Een gevaar gelinkt aan een mogelijk reactionair optreden, een faling tot het voltrekken van de genoemde transformatie waarbij het 'onder ons'-zijn een 'sacraal' karakter verkrijgt met een heilige dat verwijst naar de waarheid zelf en naar de eigenlijkheid van de bewuste praktijk.

3De uitspraak dat als god niet bestaat, alles geoorloofd is, veronachtzaamt die sacraliteit en de navenante verantwoordelijkheid. Deze transformatie maakt van de menselijke verantwoordelijkheid een goddelijke zaak maar dat staat haaks op de these dat de mens nu zelf een god zou zijn. De goddelijke praxis van de liefde is vanzelfsprekend: wars van of bevrijd van opgelegde regels en wetten. Mogelijkerwijze verontrustend vanwege onze gewenning aan verzekerende systemen zoals religies, stuurt de praktijk van de liefde zichzelf vanuit een ontzag voor het werkelijk heilige, de Waarheid die zich in de praktijk zelf openbaart.


 









De verborgen factor - Aflevering 6

De verborgen factor

Aflevering 6

3368672-0a51d532454fc252dda480299d224c2d.jpg

Dat de goddelijke praxis geïdentificeerd wordt met de liefde is geen arbitraire zaak omdat het kenmerk bij uitstek van de liefde haar vanzelfsprekendheid is, haar letterlijk 'vanuit zichzelf spreken', wat wil zeggen: wars van of bevrijd van opgelegde regels en wetten. En dit kenmerk kan ons dan ook enigszins verontrusten gezien onze gewenning aan een ingebed zijn in de geruststellende of verzekerende systemen welke religies met hun theologieën en kerken te bieden hebben. De praktijk van de liefde stuurt zichzelf vanuit een ontzag voor het werkelijk heilige dat de Waarheid is en dat zich aan ons in de loop van de praktijk openbaart met nog meer overtuigingskracht dan de Rede, die er een bepaald facet van vormt.

Het wordt nu bijzonder moeilijk om middels een beredenerende taal te gaan spreken over een praktijk waarvan het wezen dat van de rede ver overtreft, te meer daar die praktijk totaal verschilt van die andere 'spontane' gedrevenheid van de zogenaamde driften. Het verdient de aandacht om die twee duidelijk te gaan onderscheiden zonder daarbij een polarisering te gaan introduceren omdat een miskenning van de driften, hun verdringing meebrengt, waardoor ze zich gaan gedragen zoals geslagen honden, wat wil zeggen vals, zodat ze terecht onze vrees aanwakkeren dat ze ons onverwacht kunnen bijten of beetnemen. De twee uiteenlopende realiteiten moeten erkend worden om ook goed begrepen te kunnen worden en dan ook beheerst en het zal blijken dat wij ons eerst moeten laten beheersen door de praktijk van de liefde om vervolgens in staat te zijn om de driften onder het commando te houden omdat driften aan ons externe krachten zijn, evenals de regels en de wetten van de te verwerpen religie van destijds, terwijl de liefde een interne aangelegenheid is en meer bepaald een intersubjectieve zaak.

Onze ziel, hoger in onze tekst impliciet gedefinieerd als datgene wat wij verliezen als wij ons door externe systemen laten besturen, stamt immers uit de intersubjectieve praktijk van de liefde, precies zoals ons denkvermogen zijn oorsprong vindt in de intersubjectiviteit van de dialoog. De sacrale intersubjectiviteit van de liefde verhoudt zich tot de machinale maatschappij zoals het levende zich tot de dode stof verhoudt. Nog anders uitgedrukt: de sacrale intersubjectiviteit van de liefde verhoudt zich tot de machinale maatschappij zoals de interpersoonlijke taal zich verhoudt tot een systeem van artificiële intelligentie. Andermaal: de ziel is datgene wat wij verliezen als wij ons overgeven aan de automaat van de taal, van de maatschappij, van de religie of van het driftleven.

Tenslotte moeten we hier uiteindelijk terugkeren tot een bevraging van het verrijzenisgeloof en meer bepaald de verrijzenis van het vlees, dat middels de introductie van de liefde als een zich in het intersubjectieve leven vastankerende kracht, een andere betekenis krijgt dan die we er tot dusverre hebben aan toegekend. Het vlees immers onderscheidt zich van de dode stof in de mate dat het onze bezielde lichamen betreft, lichamen die zich laten besturen door krachten die aan ons begrip ontsnappen, niet alleen omdat zij levend zijn maar ook omdat zij levenschenkend zijn. Leven komt niet voort uit dode stof maar altijd uit ander leven: het leven geeft zich als het ware door, over de stoffelijkheid van de lichamen heen, waarbij het die stoffelijkheid als het ware optilt uit hun dood en betekenisvol maakt in functie van zijn project.

Er is geen enkele reden om aan te nemen dat de genoemde verheffing van de stoffelijkheid tot onderdeel van een gebeuren dat de stof overstijgt, zich zou beperken tot alleen maar de procreatie van mens, dier en plant, waarmee gezegd is dat de opwekking van het leven dat de dode stof overstijgt, evenzeer kan plaatsvinden wars van de biologische voortplanting. Maar het onder woorden brengen van de opstanding is een heel ander paar mouwen.

(J.B., 21 oktober 2026)









De verborgen factor - Aflevering 5

 

De verborgen factor

Aflevering 5

3368671-bc61d13152edd1f9f740dc7053f4a50b.JPG

Op dit punt beland dringt zich een bijzonder eigenaardige vraag op, namelijk de kwestie of zij die de geschetste overtuiging zijn toegedaan, sowieso niet in de verleiding komen om voor god te gaan spelen. En er moet in de eerste plaats sprake zijn van een 'eigenaardige' vraag omdat een gedemythologiseerde kijk op wat het christendom is gaan heten, een godsbegrip vereist dat niet weinig zal verschillen van het oude Abrahamitische concept dat gelinkt is aan Jahweh en derhalve ook aan de mammon, aan het monetair systeem en aan de duivel. In de leer die hier aan de orde is, wordt het godsbegrip gelinkt aan de liefde, die een praktijk is, wat inhoudt dat niet de verering van een of andere entiteit in deze leer centraal zal staan maar wel de beoefening van een specifieke ethiek.

De verschuiving die hier aan de orde is betreffende het godsbegrip, is een overgang van een aan de mens en aan de wereld extern object, dat wordt gevreesd en daarom ook vereerd, naar een interpersoonlijke praxis. Of de god van voordien hierdoor werd opgeheven, blijft een open vraag: als wordt aangenomen dat hij alleen maar getransformeerd werd, dan heeft hij zich in onze levende werkelijkheid verankerd als een alomtegenwoordigheid en meer bepaald als een zeer specifieke bezieling van het leven. En de gestelde vraag naar het gevaar dat de mens voor god gaat spelen, heeft te maken met een mogelijk reactionair optreden binnen deze nieuwe context, met name waar men er niet in zou slagen om van de oude voorstelling van de godheid afstand te nemen.

Als men de godsidee wil behouden, dan moet men (in de onderhavige leer) voortaan aannemen dat hij 'onder ons' is. Pas waar men het goddelijke als zodanig helemaal gaat verwerpen, bestaat het gevaar dat het kind met het badwater wordt buitengegooid, waarbij het kind het sacraal karakter van het 'onder ons'-zijn vertegenwoordigt. En 'sacraal' betekent hier niet heilig in de zin waarin het taboe heilig is: het taboe mag niet overtreden worden omdat dit de leugen van de (wereldse) machthebber aan het licht zou brengen. Daarentegen verwijst de heiligheid die hier bedoeld wordt naar de waarheid zelf en naar de eigenlijkheid van de bewuste praktijk waarin zich het goddelijke getransformeerd heeft.

De vaak gehoorde conclusie welke luidt: "als god niet bestaat, is alles geoorloofd", veronachtzaamt de sacraliteit van de nieuwe ethiek en introduceert inderdaad het gevaar dat de mens met vuur gaat spelen, wat betekent dat hij zijn verantwoordelijkheid gaat vergeten. En hier doet zich een bijzondere paradox voor: krachtens de aangehaalde transformatie is de menselijke verantwoordelijkheid een goddelijke zaak maar die aanname staat haaks op de these dat de mens nu zelf god zou zijn. Andermaal: god heeft zich in de leer van de Nazoreeër verplaatst van een aan de mens en aan de wereld extern object naar een specifieke levende praktijk welke geïdentificeerd wordt met de liefde.

(J.B., 21 oktober 2026)

 




De verborgen factor - Aflevering 4

De verborgen factor

Aflevering 4

3368664-963fac521b77cd45c4f0315cb29d5080.jpg

De definitie van de kern van het christendom als de leer van allen die wars van wetten, plichten en rechten, de nek uitsteken zonder angst, huldigt het volgelingschap van de Nazoreeër als het verantwoordelijke leven: het opnemen van verantwoordelijkheid voor wat men doet, ook al mist men een (al dan niet vermeende) 'ultieme kennis' omtrent een (al dan niet vermeend) 'einddoel'. 

Die handelwijze is altijd verkieslijker dan het volbrengen van door een systeem opgelegde taken omdat zij gedragen wordt door een persoon: alleen een persoon kan vrij beslissen, alleen een persoon kan daden stellen - systemen daarentegen voeren algoritmen uit, weliswaar door personen gefabriceerde algoritmen maar hun daden blijven omzeggens 'onbemand', ze zijn louter resultaten van machinale gegevensverwerking en derhalve niet te ontdoen van een zekere vrijblijvendheid, en dit in tegenstelling tot de persoonlijke activiteit. Dit volgelingschap kan dan ook nimmer begrepen worden als de nabootsing van een voorbeeld of als het uitvoeren van bevelen, aanbevelingen of een plan.

Paradoxaal genoeg is het 'voorbeeld' van het verantwoordelijke handelen dat in het geval van de Nazoreeër resulteert in een faliekante mislukking, geslaagd als aanmoediging tot zelfstandigheid omdat het nog altijd 'navolging' krijgt. Of de 'gelovigen' gelukkig zijn in de zin waarin de Sisyphusfiguur van Albert Camus dat is, blijft een vraagteken maar alvast ontsnappen allen die de boodschap hebben begrepen aan het ongeluk dat degenen treft die geloven hun persoonlijke verantwoordelijkheid straffeloos te kunnen ontlopen.

(J.B., 20 oktober 2026)










De verborgen factor - Aflevering 3

 

De verborgen factor

Aflevering 3

3368652-adc9e8c9ad72c7ea6203550737e3f666.JPG

J.B., Vrij naar Jeroen Bosch

De religies staan het geloof in de weg en zij doen dat meer bepaald door een oorspronkelijke leer die sowieso 'woke' en kritisch is, te fnuiken en wel middels institutionalisering. De institutionalisering van een zaak is haar afbeelding in het maatschappelijke, haar verankering en derhalve haar stilstand. In het geval van het christendom wordt door institutionalisering de kern van de leer, zijnde de liefde - tot god, tot zichzelf en tot de medemens - van alle spontaneïteit en vrijwilligheid ontdaan: zij wordt een plicht jegens god, jegens zichzelf en jegens de medemens en tegelijk eisen deze drie entiteiten dan ook het recht op liefde op, wat noodzakelijk met het stellen van zekere wetten gebeurt. Waar wetten van kracht zijn, gelden uiteraard ook sancties en sancties kunnen pas bekrachtigd worden middels eender welke vorm van geweld, doch altijd met de stok van fysiek geweld achter de deur.

De religie kan derhalve nimmer als instituut bestaan als zij geen pact sluit met de wereldlijke macht die, zoals de kern van het christendom zelf luidt, 'des duivels' is. Zo kan men er ook hier niet omheen om na de erkenning van de equivalentie van Jahweh met de mammon, de religie te identificeren met het werk van de duivel, de diabool of de tegenstrever en meer bepaald de tegenstrever van de oorspronkelijke leer.

Die oorspronkelijke leer zal het kind en de nar niet vervolgen waar die de leugen van de kleren van de keizer doorprikken en de waarheid in de openbaarheid brengen. Het kind alsook de nar worden door het gerecht - en uiteraard geheel terecht - heel anders behandeld dan de doorsnee burger: alleen in doorgedreven dictaturen worden zij gestraft. Edoch, die dictaturen heersen vandaag over de hele wereld met tirannen die toelaten dat dagelijks twintigduizend kinderen omkomen door ontbering en die de klokkenluiders maar ook de tekenaars van spotprenten en nog andere geëngageerde artiesten gewoon ombrengen.

Om die reden is de oorspronkelijke leer, de leer van de kinderen en die van de narren, de leer van de kunstenaars en die van allen die wars van wetten, plichten en rechten, de nek uitsteken zonder angst omdat men voor het lot van een mens niets erger kan bedenken dan dat hij zichzelf herleidt tot een instrument van een onpersoonlijk systeem - een systeem dat hem weliswaar het heil belooft, zoals het verzekeringswezen dat doet, maar dat hem zodoende vastketent aan regels, onvrij maakt en doodt. Het fysieke overleven baat de trawanten van de mammon niet omdat zij hun ziel al hebben verkocht en nog slechts lege hulzen zijn en als het begrip 'ziel' om uitleg vraagt, dan is deze voor de goede verstaander hiermee ook klaar en duidelijk gegeven.

(Wordt vervolgd)

(J.B., 20 oktober 2026)

 

 






De verborgen factor - Aflevering 2

De verborgen factor

Aflevering 2

3368648-23b0a1d2f3fdecb991c6bc8531c273b4.jpg

Inbeelding: ziedaar de verborgen factor in het hele verhaal van de religie als bron van velerlei 'engagementen'. Verbeelding heeft met creativiteit te maken en is een toe te juichen eigenschap: het gaat er om de werkelijkheid te verrijken met de fantasie. Inbeelding daarentegen is een inprenting van zaken die niet stroken met de werkelijkheid. In het bijzonder kan men zich inbeelden meer waard te zijn dan anderen en bijgevolg meer rechten te hebben en dat zijn dan voorrechten.

Maar inbeelding kan ook een positieve kracht zijn: door zich in te beelden een handeling te gaan verrichten terwijl men alsnog helemaal niets doet, bereidt men zich op die handeling voor omdat alvast de hersengebieden worden geactiveerd die met die handeling corresponderen. Het lijkt erop dat men dit sowieso doet tijdens de droomslaap waar geheel automatisch de gedachten van de motoriek ontkoppeld worden om ongelukken te voorkomen (waaraan slaapwandelaars zouden kunnen blootstaan maar dat is nog een ander verhaal). In wakkere toestand is die ontkoppeling er uiteraard niet en is men voorzichtig, zoals aangegeven in het devies: eerst denken, dan doen. Maar bij impulsief gedrag zet het ingebeelde zich ongeremd in daden om.

Nu bestaat er ook een 'vertraagde' vorm van impulsiviteit waarbij het ingebeelde weliswaar niet onmiddellijk wordt uitgevoerd maar wel wordt voorbereid en gepland met het oog op uitvoering. Ook in dat geval verdringt de inbeelding de werkelijkheid, zij dringt zich als het ware aan de werkelijkheid op, zoals dat het geval is bij iemand die een ander overbluft. In dat geval is het motief de overheersing van de ander - men wil hem bestelen, uit de weg ruimen, en zo meer - terwijl het voorwendsel een zekere inbeelding is. Men prent zich dan iets in om te rechtvaardigen dat men de ander onheus behandelt.

De genoemde vorm van inbeelding is een individueel gebeuren maar dat kan ook collectief zijn, namelijk waar zekere voorrechten op grond van gezamenlijke eigenschappen door een groep worden gedeeld en zo ontstaat polarisering. Men marcheert achter eenzelfde vlag, men danst rond de totem, men schaart zich om het altaar, het tabernakel, het heilige, wat wil zeggen: het onaantastbare, dat waar een taboe op rust, dat wat niet gekend mag worden. Maar waarom niet?

Heel vaak omdat dit de macht van de machthebbers aantast: zij lanceren taboes, zaken waarover niet gesproken mag worden of die niet getoond mogen worden en wel omdat het in de openbaarheid brengen van het verborgene meteen een ontluistering van de macht inluidt die immers altijd op leugens berust omdat - alvast in het licht van de menswaardigheid - tenslotte niemand voorrechten verdient. De keizer kan zo lang uitpakken met zijn nieuwe kleren totdat een kind of een nar het taboe doorprikken en aldus de leugen aan het licht brengen. Zolang dit niet het gebeurt, is de leugen heilig en is de waarheid taboe maar van zodra de waarheid uitgesproken wordt, valt de leugen in duigen, stuikt het kaartenhuisje van de potentaat ineen. En dat is wat gebeurt in het proces van de secularisering alsook in het zich emanciperen van de verdrukten, in de 'woke'-beweging, die machthebbers om die reden opnieuw trachten te verbieden. Wat niet zal lukken want de geest is uit de fles, de wet van de entropie verbiedt een terugkeer in de tijd en naar de oude orde.

(Wordt vervolgd)

(J.B., 20 oktober 2026)

 

De verborgen factor - Aflevering 1

 

De verborgen factor

3368617-f8fe3032421be4f414b0f43ce483e5cb.jpg

Aflevering 1

De religies staan het geloof in de weg. Paradoxaal genoeg doch om met de deur in huis te vallen, wil deze zin zich zeggen. De religies staan het geloof in de weg.

Het leidt geen twijfel in het geval van de Abrahamitische godsdiensten dat Jahweh en de mammon één en dezelfde god zijn: het menselijk heil is een goddelijke gunst en naar het voorbeeld daarvan verlenen mensen aan elkander gunsten waarvan de handel het geldwezen is, de transcriptie van schulden en verdiensten welke zich voortzet tot de eindtijd met de schapen en de bokken en verder in het eeuwige heil en de verdoemenis welke verdiend worden zoals ook het werelds loon.1 Reeds de genadeleer van Augustinus veroordeelt deze handel maar wat deze kerkleraar in de plaats stelt, is een nog grotere gruwel: wij zijn sowieso afhankelijk van de goddelijke willekeur en, geheel buiten ons eigen willen en weten, voorbestemd tot de hemel of de hel.

De enig mogelijke conclusie uit de vastgestelde gang van zaken is ronduit verbijsterend: Jahweh en de mammon - het monetair systeem - zijn één en dezelfde god maar geld wordt niet verdiend met goede werken: iemands kapitaal resulteert uit een blinde lotto! En ziedaar de erbarmelijke toestand in welke gelovigen zich sowieso bevinden zonder de mogelijkheid van een andere verklaring dan deze: alles is zoals het is - als dat al een verklaring mag heten.

Nadat geschiedkundig onderzoek geheel ondubbelzinnig heeft uitgewezen dat elke twijfel aan de historiciteit van de persoon van Jezus van Nazareth onterecht is, terwijl ernstige vorsers het er evenzeer sluitend over eens zijn dat het verrijzenisgeloof een brouwsel is van de apostelen en van de kerk, rest nog de vraag of de in menig opzicht indrukkende ecclesiastische historiek alsnog een realiteit verkapt die tot heden onbekend of althans onbewezen is gebleven. Hoe dan ook kan niemand eraan twijfelen dat talrijke geleerden onder de gelovige christenen geput hebben uit een bron welke, getuige zowel de goede als de slechte resultaten, ook een groot deel van de meest fervente atheïsten tot nadenken heeft aangezet.

Dat dit het geval is alle historisch onderzoek ten spijt, wijst wellicht in de richting van een 'huwelijk' tussen enerzijds een leer die misschien veel hermetischer is dan wordt vermoed en anderzijds de - al dan niet wenselijke - vruchten of gevolgen van het geloof in, zeg maar, een verlossing van de dood. De aankondiging van zo'n verlossing in de joodse Thora is inderdaad zeer betwistbaar daar deze pas achteraf onder de (bijzonder selectief gestuurde) aandacht werd gebracht door uitgerekend de klerikaal gedetermineerde geesten van lui die daar consoliderend en confirmerend garen bij te spinnen hadden - met goede voornemens of beloften is overigens volgens menigeen ook de weg naar de hel geplaveid. Maar is er uiteraard ook het ultieme getuigenis middels het martelaarschap dat zich in een omzeggens afgezwakte vorm ook het volk heeft eigen gemaakt door allerlei 'verstervingen' en dan moet vooral worden gedacht aan de zelfdiscipline achter een toch wel indrukwekkende arbeidsethiek die het gekerstende westen doorheen de eeuwen heeft getekend - weliswaar: alle wereldse hegemonie en slavenhandel buiten de rekening gehouden en ook abstractie makend van heel andere, seculiere verklaringsmodellen.

Daar hiermee het geschiedkundige verhaal is uitgeput, rest als object van onderzoek alleen nog de leer zelf of tenminste datgene in de leer waarvan zou aangenomen kunnen worden dat het niet achteraf gebrouwd werd ten behoeve van de kerk en haar macht die allerminst wenselijke uitwerkingen heeft gehad op het welzijn van de mensen die daarmee werden geconfronteerd.

(Wordt vervolgd)

(J.B., 19 oktober 2026)

1Cf.: Patstelling, artikel d.d. 15 oktober 2026. Zie: https://blog.seniorennet.be/tisallemaiet/2725790-patstelling

 

 






Kolonisatie

 

Kolonisatie

Het tweespan grootkapitaal-extreemrechts jaagt op winst ten koste van waarden en rechten. De dictatuur van het geld met zijn handpoppen: eertijds Hitler, vandaag Trump. Zij spotten met onze rechten en met de mensenrechten. "Arbeiders aller lander verenigt u!"? Men herinnere zich Sanda Dia: in het (neo)liberalisme zijn het de rijken (aller landen) die samenzweren.

In 2030 viert België zichzelf in het Jubelpark. Ongestraft dansen op het graf van twee keer zes miljoen mensen? De kolonisator wordt gekoloniseerd.

(J.B., 18 oktober 2026)

 

 

Bijlagen

Patstelling

Patstelling

In een wereldbeeld waar god het voor het zeggen heeft, verhouden zich de mensen onderling naar gelang hun relatie met de godheid die er een is van genade of gunst. De goddelijke goedheid immers lijkt niet onverdeeld gelijk jegens al zijn schepselen en dat is daaraan te zien dat de ene meer begunstigd is dan de andere terwijl niemand het in zijn hoofd zal halen om dit als een onrecht te zien om dezelfde reden waarom kritiek op de gelijke goddelijke bejegening van de werkers van het elfde uur altijd onterecht zal zijn: ons wezen zelf en ons bezit is in dit wereldbeeld een geschenk en het is uiteraard niet aan ons om aan de schenker te gaan vertellen hoe hij dan wel schenken moet. Dat wij derhalve te aanvaarden hebben dat de ene meer begunstigd is met krachten dan de andere, of dat hij dus sterker is, vindt hier zijn oorsprong: de legitimatie van het recht van de sterkste bestaat erin dat wij ons de goddelijke gunsten moeten laten welgevallen. Het recht van de sterkste vindt zijn fundament in de erkenning van het goddelijke voorrecht van de genade, wat meteen betekent dat elke aanval op het recht van de sterkste, zondig is.

Mensen kunnen niet in leven blijven als zij niet dagelijks te eten krijgen en derhalve is grondgebied voor jacht en pluk - heden: landbouw en veeteelt - een noodzaak maar de mensenmassa breidt uit, in tegenstelling tot de grondgebieden die zodoende schaarser worden. Als dan een machtig leger een gebied bezet, geeft het aan alle anderen het nakijken daar die zich, als het ware op goddelijk bevel, aan die gang van zaken moeten onderwerpen.

Zo is het er in de loop van de geschiedenis altijd aan toe gegaan maar in de praktijk hebben de sterkeren de zwakkeren niet zomaar verdreven of vermoord: zoals de sterkeren van de godheid de gunst van hun sterkte ontvingen, zo ontvangen op hun beurt de zwakkeren gunsten van de sterkeren: zij mogen op het door de sterkeren bezette grondgebied verblijven als zij aan hun gunstverleners op hun beurt specifieke gunsten schenken, zoals het bewerken van het land in kwestie en het afstaan van de opbrengst van de vruchten, waarvan ze dan uiteraard een deel terug ontvangen om te kunnen overleven want intussen hebben de zwakkeren zich voor de sterkeren onmisbaar gemaakt.

Het is duidelijk hoe derhalve uit de geschetste oersituatie de handel ontstaat die wezenlijk een handel is in gunsten - onder mensen en naar het voorbeeld van de op gunsten gesteunde relatie tussen de mens en zijn godheid - een relatie die op de keper beschouwd helemaal geen handelsrelatie is doch een relatie van totale onderwerping zoals ons in het boek Job geopenbaard.

Het privaatbezit en de daaruit voortvloeiende wetgevingen met rechten en plichten en uiteindelijk het monetair systeem zijn wezenlijk van goddelijke oorsprong en de onschendbaarheid, zeg maar de heiligheid van dat systeem wordt door niets anders dan geweld gegarandeerd. Men moet twee keer kijken om zich ervan te vergewissen dat men zich niet vergist maar de godheid met zijn goedheid en zijn gunsten blijkt dezelfde als de mammon.

Eigendom vloekt weliswaar met de evangelische woorden over de vogels in het veld maar de betrokken religie berust erop en zij beperkt zich niet tot alleen maar de eigendom van materiële zaken: naast de bezitting van goederen is er immers ook nog het bezit van zichzelf of van wat of wie men is en mensen hebben een naam waaraan zich hun geschiedenis zal hechten die er een van schulden en verdiensten is. Die schulden en verdiensten sleept men willens nillens mee als een bezit dat in de geproclameerde eindtijd zoals beloofd de rechtspraak zal sturen over wat de eeuwigheid aan de schapen en de bokken al dan niet te bieden heeft.

De adder onder het gras in deze groene wei is wel dat god een fictie is en meer bepaald een uitvinding van de sterkeren die immers niet slechts bogen op fysieke kracht maar tevens op een flinke portie sluwheid. Alom in de natuur ziet men hoe wezens om te eten, zich als aas aanbieden maar dan toehappen als niemand het verwacht: zij happen toe en slikken door en kijken dan onschuldig als een schaap - in de kleren van een wolf die al aast op een volgende prooi.

Of nu die gang van zaken een wenselijker alternatief kan krijgen in de ongodsdienstigheid blijft zeer de vraag omdat de godheid, daar hij de mammon blijkt, zich reeds structureel verweven heeft in onze wereld en niet meer kan worden uitgeroeid zonder dat wij mensen dan hetzelfde lot te delen hebben.

(J.B., 15 oktober 2026)

 

Op de grens van feit en fictie - Aflevering 5. Fictie en feit

Op de grens van feit en fictie

Aflevering 5. Fictie en feit

De nieuwe kleren van de keizer vormen wezenlijk de hyperrealiteit die ons in de tang houdt en wij zijn ons ervan bewust dat de keizer helemaal geen kleren draagt en dat twee opgeteld bij twee nooit vijf kan zijn maar alleen een argeloos kind durft dat te zeggen - een kind of een Tijl Uilenspiegel, en ziedaar de onmisbaarheid van kunst - 'fictie' - voor het kunnen terugwinnen van de feiten.

Ten tijde van de coronacrisis die in wezen een realiteitscrisis was, verrees in de artistieke wereld de Finse komische opera Covid fan tutte1 die de hypocrisie aan de kaak stelt "waarbij onze weggegooide bejaarden plotseling blijken te kunnen worden gebruikt in een toneel waarbij zij worden opgevoerd als de te sparen zwakkeren omwille van wiens welzijn een vreemde reeks autoritaire en onsamenhangende volksgezondheidsmaatregelen opgelegd worden die in een mum van tijd de wereldeconomie ondermijnen zoals geen enkele oorlog dat tot nog toe vermocht te bewerken. Echter, de op het eerste gezicht ontzagwekkende empathie met de ouderlingen staat in fel contrast met de egoïstische samenleving die almaar driester de zwakkeren uitsluit terwijl zij meedogenloos het recht van de sterkste huldigt. Geconfronteerd met een dergelijk grotesk voorwendsel kan het gewoon niet verwonderen dat het volk beweert wel degelijk gegronde redenen te hebben om haar leiders te wantrouwen."2

De groteske is een specifieke aartsmoeilijke kunstvorm bestemd om in een fictie het stijlmiddel van de overdrijving te laten functioneren als ontmaskeraar van de feiten, ons hier te lande bekend via het onovertroffen werk van de nog altijd onvolprezen Antwerpse grootmeester in het genre, Dirk Biddeloo (1952-2015). Ook de science-fiction leent zich voortreffelijk tot het doorprikken van de hyperrealiteit omdat zij sowieso een overdrijving van de feitelijke stand van zaken in de wetenschappenlijk-technologische wereld verbeeldt, al hebben artiesten zoals Jules Verne ook menigeen warm gemaakt voor een (oprecht) wetenschappelijk engagement. Nog in onze contreien neemt de veelzijdige auteur Ludo Noens een heel bijzondere plaats in door het fabricaat van een bijzonder mengsel van enerzijds fantastiek en esoterie en anderzijds filosofie en wetenschap, waarmee hij niet alleen te kijk zet wie in het hokjesdenken opgesloten zitten maar evenzeer de epigonen van een hedendaags door een neokapitalistisch systeem opgefokt en overtrokken paradigma.

Uiteraard worden deze kunstenaars door het establishment als de pest geschuwd omdat zij de macht ontluisteren door de potsierlijkheid van de heersende sferen aan het licht te brengen en hun plaats wordt al te vaak bezet met via de prijzenpotten en de beroemdheidsfabrieken van de macht naar het podium gekatapulteerde nitwits die slaafs het bewuste paradigma alsnog in stand trachten te houden.

Nog veel moeilijker om door te breken is het voor de beeldende kunstenaars omdat de directheid van hun medium als het ware binnen de seconde massa's mensen vermag op te wekken uit de valse droom waarmee de potentaten garen spinnen ten koste van de waarheid die de absolute voorwaarde voor de menselijke vrijheid is.

(J.B., 14 oktober 2026)

1Een opera op muziek van Mozarts Cosi fan tutti en met een libretto van de hand van de Finse journaliste en misdaadauteur Minna Lindgren.

2Cf.: J. Bauwens, Panopticum Corona, Serskamp 2021, pag. 861.


 






Meer van Tisallemaiet

↑ Terug naar de berichten