Naar de inhoud

Tisallemaiet

Deze blog beoogt een duplicaat en/of een voortzetting van de blog Tisallemaiet (https://www.bloggen.be/tisallemaiet) - © J. Bauwens, Serskamp
akke.beakke.be
Deze blog beoogt een duplicaat en/of een voortzetting van de blog Tisallemaiet (https://www.bloggen.be/tisallemaiet ) - © J. Bauwens, Serskamp

Demonen

Demonen

Wie geloven dat demonen alleen bestaan in sprookjes, bekijken de wereld door een gekleurde bril. Het is een feit dat religies de waarnemingen die wij doen, in specifieke contexten positioneren om aldus hun betekenissen te verengen tot zaken waarbij zij garen kunnen spinnen maar dat geldt evenzeer voor ideologieën, zoals de materialistische er een is: op dit ogenblik heerst zij over de wereld en zij kleurt onze kijk, bijvoorbeeld door ons te verbieden om over demonen ook maar te reppen want demonen passen helemaal niet in het plaatje van de Rede, wat dat ook moge zijn.

Tegelijk is het een feit dat het kwaad de duisternis nodig heeft om zich te kunnen manifesteren: wat het licht niet mag zien, behoort tot het onverdedigbare of het boze en lijkt dan ook regelrecht in strijd met al wat redelijk is omdat wie Rede zegt, het over de openbaarheid heeft, die immers sowieso als getuige wordt betrokken in het proces van rechtspraak over waarheden en leugens. Edoch, een bijzonder hardnekkige inconsistentie vreet aan deze hele weliswaar blinkende zaak en wel zoals de welbekende worm vreet aan het hart der aarde. De rede immers promoot de macht aan de massa, wat democratie heet, en over die macht wordt beslist in de duisternissen van de stemhokjes.

Het kwaad heeft de duisternis nodig maar omgekeerd trekken duisternissen ook demonen aan en hier worden helemaal geen monstertjes bedoeld zoals op de doeken van de Nederlander Jeroen Bosch (1450-1516) of op de fresco's van diens tijdgenoot, de Toscaan Luca Signorelli (1450-1523): het zijn de monsters verborgen in ons hart die op een plek waar nimmer een ander komen kan om toe te kijken, hun slag slaan, geheel ongegeneerd want zonder getuigen en derhalve totaal onbestrafbaar. In het stembokje van onze democratieën klauteren de boze geesten, gefrustreerd na een opsluiting van dikwijls vele jaren, uit de verborgen kamers van het hart via de schouder naar de arm en naar de hand waarmee zij het iconische rode potlood besturen dat met één enkele trek het doodvonnis tekent van de opgebruikte gastarbeiders, de tijd- en geld verslindende anders-validen, de ongewenste kinderen, de ouderlingen die zich niet meer verdedigen kunnen en wiens fortuin heimelijk wordt begeerd, de vrijgevochten vrouwen en de homo's die een doorn zijn in het oog van de macho's en hun trawanten: de weke maar even lepe clerus.

De cijfers liegen er niet om: in het stemhokje waar niemand het kan zien, legt de hypocriete burger zijn masker af en toont hij aan zichzelf zijn ware gelaat waaruit alleen maar haat spreekt - haat die alsnog in de duisternis vertoeft maar die nu hoopt, in geheim overleg met de legioenen aan demonen in de even talrijke stemhokjes in het hele land, dat die nu eindelijk een gezicht zal krijgen.

Op dat voor boosaardigen bevrijdende moment dat echter voor hun slachtoffers het begin inluidt van een gewis en onverkwikkelijk einde, wacht een popcorn knabbelende massa voor de beeldbuis terwijl de stemmen worden geteld. Als het legioen van demonen die de haat vertegenwoordigen groot genoeg is, wordt de demon zelf verkozen, de magie van de stemming heeft het fantoom immers getransformeerd in een tastbare gestalte met het gezicht van degene die hem opgeroepen heeft in de harten van alle hypocrieten en op die manier wordt voor de duivel zelf in onze wereld de rode loper uitgerold.

En daar verschijnt het gedrocht in vol ornaat: afzichtelijk maar verplicht te bestempelen als cool en sympathiek; dwaas maar alsnog dingend naar een of andere Nobelprijs; lelijk maar zichzelf om van de snoepen achtend, azend op de vereeuwiging van de eigen afschuw in een reusachtig standbeeld van vierentwintig karaats goud.

Eenmaal uit zijn kerker bevrijd, maakt de demon zijn passen in een openbaarheid die de duisternis waaruit hij stamt, met zich meedraagt in de vorm van wartaal en van toverspreuken. Ver zoek is dan de Rede waarop democraten een beroep doen voor het aan de macht brengen van hun legioenen. “Wir haben es nicht gewußt”, zo zullen ze dan later stamelen, in een poging om zich vrij te pleiten van schuld aan genocide. “Wat zullen ze welsprekend zijn”, zo schrijft op 24 februari 1945 het nieuwsbulletin voor Noord Noord-Holland in Vrij Nederland: “maar de millioenen onschuldig vermoorden uit alle landen van Europa zullen altijd nog duidelijker spreken; een taal, die beter verstaan en eerder geloofd zal worden.”1

(J.B., 7 augustus 2026)

1Vrij Nederland: Nieuwsbulletin voor Noord Noord-Holland, Het Herrenvolk begint al te likken, 24 februari 1945. Cf.: https://www.delpher.nl/nl/kranten/view?coll=ddd&identifier=ddd:010447722:mpeg21:a0003


 

Les extrêmes se touchent

"Les extrêmes se touchent"1

Wanneer politieke partijen hun leden uitnodigen om de 'Pride' te gaan vervoegen, die rond het thema 'Fearless' wordt gebouwd, spreken ze hen persoonlijk aan: “We hebben je nodig!”

3366979-e300e8dccc9535e2a146997ae1ff5317.jpg

Die aanpak lijkt wel geschoeid op de leest van het religieuze proselitisme: godsdiensten werven actief nieuwe leden met slogans zoals: “God needs you!” - in dit geval met een verwijzing naar Jeremia 1:4-10, waar men kan lezen hoe Jahweh zich richt tot de profeet persoonlijk met de mare dat hij voorbestemd is om Hem te dienen en wanneer Jeremia tegenstribbelt en aanvoert dat hij te jong is en niet spreken kan, wordt hij aangemaand tot gehoorzaamheid: onbevreesd moet hij uitrukken en vernietigen.2

3366979-9dfa3bdf2ddc139c9d2d625aa52ce136.jpg

“Heb geen vrees!”, aldus klonk ook het devies van de Russisch-Orthodoxe patriarch Kirill van Moskou aan de rekruten bij Poetins inval in de Oekraïne, een oorlog die inmiddels al ruim een kwart miljoen gesneuvelde Russische soldaten heeft opgeleverd en in totaal al meer dan twee miljoen slachtoffers.

“We hebben je nodig!”: aldus zet een land zijn onderdanen ertoe aan om in (nakende) oorlogstijd in het leger te gaan dienen en aan het front te vechten en berucht zijn de affiches met daarop de verpersoonlijking van de staat die zijn burgers recht in de ogen kijkt en aanwijst: “Your country needs you!”/ “I want you for U.S. Army”/ “Join the fight, enlist today!” En inzake de Belgische rekrutering bij de Special Forces Group klinkt het: “Who dares, wins”.3

3366979-34daa6d0d54f1046a12e054eb62db646.jpg

3366979-e8e2c6a24c4aac8335ac5b48ae9a3f6b.jpg

3366979-0e0ee5a12c2b78d31382a424c5c54200.jpg

3366979-0e1847d8fc31c519eaf907bc76117d55.jpg

Dat met die uitnodiging 'to dare', tot durf, fearlessness of, in wat andere bewoordingen, roekeloosheid, op de genodigden druk wordt uitgeoefend, hoeft geen betoog want alle leden van de betrokken partij worden aangesproken en zo spreken zij ook elkander aan: “Jij gaat toch ook!?” en het voegwoordelijk bijwoord 'toch' onthult de aansporing in wat eruit ziet als een onschuldige vraag, die dan betekent: “Je gaat ons toch niet teleurstellen!?”; “Je laat ons toch niet in de steek!?”; “Beloof ons dat we op je kunnen rekenen!”; “Jij gaat ons toch niet verraden!?”; “Jij bent toch geen lafaard!?” Of hoe krijgsheren hun wagen laten trekken door het tweespan van de schaamte en de schande.

Maar heldhaftigheid en roekeloosheid liggen heel dicht bij elkaar en hetzelfde geldt blijkbaar voor gemeenschapszin en kuddegeest die, paradoxaal genoeg, in juxtapositie misschien wel staan voor elkanders contrapunt, respectievelijk de met gemeenschapszin verbonden verantwoordelijkheid tegenover de onverantwoordelijkheid van de kuddegeest.

Zoals de Hellenen betoogden, ligt de deugd in het midden tussen twee ondeugden en zo houdt de moed het midden tussen de lafheid en de roekeloosheid of de overmoed en zo ook lijkt de gemeenschapszin zich te situeren tussen de kuddegeest en het individualisme - of moet men hier spreken over asociaal gedrag?

De oproep “We hebben je nodig!” is persoonlijk doch richt zich tegelijk tot velen en hij betekent dat men nodig wordt geacht voor een of andere strijd en dus voor een krijgsmacht of een leger, dat zichzelf sowieso altijd zal bestempelen als 'des heils'. Maar hij is hoe dan ook polariserend, hij zet een vijand in de kijker tegen welke geageerd moet worden en in het geval van de Pride wordt die vijand voorgesteld als 'de haat'.

Edoch, haat is een gemoedstoestand en emoties kunnen geen vijanden zijn: omdat haat gericht is tegen personen, gaat hij ook van personen uit en dat zijn de haatdragenden. Maar zijn de haatdragenden dan niet de slaaf van hun gemoedstoestand, onvrij derhalve en nimmer handelend in de hoedanigheid van een (redelijk) persoon? Handelen zij dan niet zoals de dieren die de bewegingen van hun driften volgen?

In het geval van de Pride heeft men het heel abstract over 'de haat' omdat men het schuwt om de haatdragenden bij naam te noemen. Zij kunnen niet worden getypeerd als zekere religieuze groepen omdat religies niet eendrachtig zijn inzake de geloofsleer: naast heilige geschriften zijn er immers nog interpretaties en deze vormen een hele brede waaier met in hun zog telkenmale andersgelovigen. Ook kunnen zij niet worden getypeerd als extreemrechtse groepen omdat ook hier de eendracht zoek is. De 'haat' die hier geviseerd wordt, is een vijand zonder gezicht, een boze geest, een demon.

Zo is de Pride een optocht tegen demonen en hij wordt gehouden rond het thema 'Fearless' omdat demonen angst aanjagen. Want over kwade machten is bekend dat zij mensen kunnen bezitten en dat zijn dan bezetenen, in de betekenis van lui die een duivel van hun vrijheid heeft beroofd. Maar uitgerekend de bezetenen diaboliseren zekere medemensen; zij demoniseren hen of stellen hen als duivels voor en zo creëren ze een vijand teneinde op die manier een reden te hebben om jacht op hen te kunnen maken, om hen monddood te kunnen maken en om hen tenslotte ook effectief te kunnen vermoorden. Ongeacht wie kan worden bezeten door de demon van de haat en toeslaan waar en wanneer niemand het verwacht, om lukraak slachtoffers te maken onder degenen die hij eerst gediaboliseerd heeft. En op die manier legt hij al wie hij viseert, aan banden.

Als de wereld des duivels is, zijn alle mensen vrijwel zonder uitzondering wel van iets bezeten: iedereen heeft zijn demon of demonen en de mensen groeperen zich rond hun specifieke diabolen die, zoals men kan vermoeden, een onderlinge strijd voeren om de hegemonie.

Er is de demon van de afgunst, Leviathan, het machtsmonster dat in de visie van Thomas Hobbes de staat vertegenwoordigt. Leviathan is uiteraard verwant aan de demon van de hebzucht, Mammon, die hen verzamelt die zich het liefst ophouden in de wereld van de centen en de banken, de beurzen, de tollenaren, de schuldeisers, de deurwaarders, de boetes en de opcentiemen. Verwant met de hebzucht is de vraatzucht met demon Beëlzebub, en weer verwant met deze laatste is Asmodeus, de demon van de lust en de onkuisheid: zijn naam stamt van Aëshma-daëva, de demon van de woede in de Avesta, het heilige boek van het zoroastrisme, de religie van de oude Perzen met hun door Friedrich Nietzsche ook in het Westen bekend geworden profeet Zarathoestra. In de Bijbel heet deze demon Amon en de Boeddhisten geloven dat woede alleen met aandacht en vriendelijkheid in toom kan worden gehouden. Belfagor is de demon van de luiheid. En tot spijt van wie het benijdt: boven alle zonden staat de hoogmoed met als demon Lucifer, gekenmerkt door eigenwaan en trots, of: pride.

Trots, in het Engels pride, van het Latijnse parare of klaarmaken is verwant met parade, pronkzuchtige optocht, en is niet voor niets de katholieke hoofdzonde: het is de zonde van Lucifer die de Almachtige naar de kroon steekt. De machthebbers in het Westen, die in hun feitelijke theocratieën hun recht op heerschappij verdedigen middels de katholieke theologie, belichamen de pronkzucht maar bij hun onderdanen propageren zij, middels het tot staatsgodsdienst verklaarde christendom, de nederigheid welke centraal staat in de slavenmoraal, die de hoger genoemde wijsgeer in zijn Jenseits von Gut und Böse (1886) en in zijn Zur Genealogie der Moral (1887) heeft verklaard als reactionair ressentiment: slaven beamen hun lot louter uit overlevingsdrang, als een overlevingsstrategie; wat voor de heren zwakheden zijn, bestempelen zij prompt als deugden en andersom laken zij de pronkzucht van hun meesters.

Pas op het ogenblik dat de onderdrukten de schellen van de ogen vallen, trachten zij hun geperverteerde waardenstelsel weer recht te trekken: zij willen niet langer nederig zijn en dienen doch trots worden, zoals hun overheersers van weleer. Volgens de katholieke kerkleer die menig dictator in het zadel houdt - met op kop de paus van Rome - zijn zij uiteraard rebellen aangevoerd door de demon Lucifer, de demon van de Pride, maar in hun eigen nieuwe filosofie van zelfbevrijding ontmaskeren de onderdrukten op eigen kracht die zogenaamde theologie als de ketening der slavernij doorheen een geschiedenis van tweeduizend jaar. De historische waarheden met betrekking tot de machtigen der aarde en hun machtsmisbruik zijn immers aan het licht gekomen en steeds krachtiger verheft zich dat licht aan de horizon als de nieuwe hoop der onderdrukten: het is het licht van de Rede, die weerstand biedt aan de verlammende magie waarvan 'tovenaars', zoals godsdienst- en nog andere waanzinnigen mogen heten, zich nog steeds bedienen om baas te spelen over andermans bestaan.

Anderen onder de duim houden doet men door hen te definiëren in een mens- en wereldbeeld waarin zij schuldig zijn en moeten boeten. Van zodra zij in hun schuld geloven, willen mensen zich daarvan ontdoen en snakken zij naar straf en boete teneinde zich van die vermeende schuld te kunnen bevrijden omdat geen mens de aanhoudende verwijten van een ander kan verduren, en zodoende zijn zij gelijk een vogel voor de kat. De verwerping van het repressieve mens- en wereldbeeld dat ons van kindsbeen af werd ingelepeld samen met de pap, heeft af te rekenen met een enorme weerstand die van magische makelij is, net zoals het schuldbesef en het besef van zonde: het vergt een overwinning van de aangeprate schaamte maar nog veel meer van de angst voor diabolische represailles. Die manifesteren zich middels door demonen bezetenen die hun aanslagen legitimeren door hun slachtoffers te situeren bij de volgelingen van een of andere demon in hun perverse theologie, filosofie of politieke theorie.

De trots die in de Pride aan bod komt, betreft vooreerst een weigering om nog langer mee te draaien in een millennia oud verhaal dat de eigen repressie beaamt vanuit de angst voor het verlies van het fysieke leven. Die weigering van de voortzetting van de slavernij heeft immers af te rekenen met de gekende moordlust van de machthebbers die in die rebellie hun eeuwenoude voorrechten zien sneuvelen en dat is dan ook de reden waarom zij niet zullen nalaten om toe te slaan van zodra zij dat straffeloos kunnen doen, wat wil zeggen: in de openbaarheid. Dat lukt hen nog zolang zij hun openbare misdaden alsnog weten te verbergen, wat nu gebeurt middels hun laatste maar taaie strohalm: de tactiek van de zelfmoordaanslagen.

Met dat doel worden gewis mensen gebruikt die onder een verschrikkelijke druk worden gezet: als zij na jarenlange hersenspoelingen alsnog zouden weigeren om op commando een aanslag uit te voeren, worden hun geliefden omgebracht. Overleven zij de aanslag, dan zullen zij blijven zwijgen want zij vallen hoe dan ook in handen van hun opdrachtgevers... die lustig mee marcheren in de optocht.

(J.B., 5 augustus 2026)

1Louis-Sébastien Mercier, Tableau de Paris, deel 4 (1782), de titel van Chapitre CCCXLVIII.

2Jeremia 1:4-10: “Het woord des HEEREN dan geschiedde tot mij, zeggende:/ 5 Eer Ik u in moeders buik formeerde, heb Ik u gekend, en eer gij uit de baarmoeder voortkwaamt, heb Ik u geheiligd; Ik heb u den volken tot een profeet gesteld./ 6 Toen zeide ik: Ach, Heere HEERE! zie, ik kan niet spreken, want ik ben jong./ 7 Maar de HEERE zeide tot mij: Zeg niet: Ik ben jong; want overal, waarhenen Ik u zenden zal, zult gij gaan, en alles, wat Ik u gebieden zal, zult gij spreken./ 8 Vrees niet voor hun aangezicht, want Ik ben met u, om u te redden, spreekt de HEERE./ 9 En de HEERE stak Zijn hand uit, en roerde mijn mond aan; en de HEERE zeide tot mij: Zie, Ik geef Mijn woorden in uw mond./ 10 Zie, Ik stel u te dezen dage over de volken en over de koninkrijken, om uit te rukken, en af te breken, en te verderven, en te verstoren; ook om te bouwen en te planten.'” Cf.: https://www.statenvertaling.net/bijbel/jere/1.html


























Het leugenachtig karakter van de industrialiseringsfilosofie (Vervolg 1)

Het leugenachtig karakter van de industrialiseringsfilosofie (Vervolg 1)

Euvels veroorzaakt door industrialisering bestrijden met nog meer industrialisering is een tactiek welke geschoeid is op de leest van de leugenaar die immers euvels veroorzaakt door leugens zal bestrijden met nog meer leugens.

De massaproductie van airconditioningsmachines ter bestrijding van de gevolgen van de klimaatramp is lang geen onschuldige activiteit daar deze de verwerpelijke gang van zaken normaliseert en bagatelliseert. De productie van lapmiddelen tegen de rampen volgend uit de miskenning van de milieuproblematiek die inherent is aan kapitalistische systemen houdt immers de aanvaarding in van het door immoraliteit veroorzaakte kwaad en derhalve een aanvaarding van deze immoraliteit zelf.

De industrialisering is een doodlopend straatje wegens de eindigheid van de grondstoffen, de energie en de tijd, die door dat almaar doordravend proces wordt miskend en dat is dweilen met de kraan open, het is een zoveelste illustratie van een toenemende contraproductiviteit.

Bovendien wordt op die manier een fikse rem gezet op het anderszins en grondig corrigeren van de omgang met de milieuproblematiek maar een wel bijzonder alom opduikend bijverschijnsel van de gelaakte handelwijze is dat zij de kloof tussen rijk en arm steeds groter maakt: ze werkt polariserend en is derhalve ook alles behalve bevorderlijk voor de vrede. Dit bijverschijnsel is misschien wel het meest laakbare van alle mogelijke gevolgen van het genoemde tekort aan ethisch bewustzijn terwijl het tevens het minst zichtbare is. Waar eertijds (in een pre-industrieel tijdperk) rijk en arm de vrije beschikking hadden over zuivere ademlucht, heeft de industrie ervoor gezorgd dat zuivere lucht nu kan worden ingezet als een krachtig chantagemiddel: de lucht werd vervuild door een industrie waarvan de baten aan de rijken ten goede komen maar de armen ontvangen geen compensaties voor het feit dat zij nu niet meer kunnen ademen: zij dienen daarentegen terug te kopen wat hen werd ontnomen, meer bepaald door de aanschaf van systemen om het vuil uit de lucht te zuiveren. Rijkelui hebben hiermee uiteraard geen problemen maar de armen worden genoopt om dit kwaad dan maar te verduren en het levensnoodzakelijke op te geven. Vergelijk het met de handel in dure vaccins waarmee de mensen de gezondheid waarvan zij beroofd werden, kunnen terugkopen (...als zij het geld daartoe hebben) of de dure voertuigen waarmee men (...andermaal, als men het geld daartoe heeft) de afstanden kan overbruggen die een samenleving onder koning auto heeft geschapen.

Merk op dat het hier niet meer gaat om het kwaad van de zogenaamde schijnbehoeften die door de reclame worden aangepraat maar die men kan missen en die men mits het nodige inzicht ook vrijelijk kan vermijden: het huidige kwaad onderscheidt zich bijzonder scherp van de handel in onnodige pseudoproducten in de decennia volgend op de Tweede Wereldoorlog doordat het dit keer gaat om levensnoodzakelijke middelen. De trend om alles wat initieel gratis was, om te zetten in marktproducten waarvoor tol geheven wordt, is tekenend voor een wereld waarin alles tot zijn marktwaarde werd herleid, inclusief de lucht die wij nodig hebben om in leven te blijven en het hele milieu. Alles is te koop en het leven zelf komt via deze leugenachtige omwegen in het bezit van rijken.

(J.B., 4 augustus 2026)


 

Het leugenachtig karakter van de industrialiseringsfilosofie

 

Het leugenachtig karakter van de industrialiseringsfilosofie

IJveraars voor het behoud van het goede leefmilieu hebben sinds meer dan dertig jaar gewaarschuwd voor de gevolgen van de verregaande industrialisering: zij werden niet gehoord omdat zij tevens pacifisten zijn in een wereld van geweld en nu moeten we de eerste en reeds niet minieme gevolgen ondergaan met vooral warmterecords, hittegolven en wereldbranden - en in het zog daarvan kunnen wij overstromingen verwachten tegelijk met droogte, honger en nog meer oorlogen. Productie en consumptie à la bonheur maar het afval belandt wel telkens onder de mat, het werd nooit meegerekend in het plaatje dat enkel oog heeft gehad voor winst. Met winstbejag is weliswaar principieel helemaal niets mis maar wel met vermeende winst, zoals men de winst noemt die geboekt wordt op de korte termijn alsook deze die de eigen zak betreft: in die twee gevallen wordt schade toegebracht aan het algemeen belang - algemeen zowel met betrekking tot in principe alle mensen als met betrekking tot de vooralsnog niet levenden, die echter wel in de toekomst reeds bestaan.

Winstbejag kan verblinden en is in dat geval hardnekkig, zodat men weigert om terug te keren, iets wat verstandige mensen doen op het ogenblik dat zij ontdekken een verkeerde weg te zijn ingeslagen. Zij houden halt, draaien zich om, keren terug naar het punt waar zij zich van weg hebben vergist en zoeken daar dan uit welke de goede richting is. Maar wie verblind zijn, doen dat niet: zij volharden in de foute weg en zetten prompt hun doolgang voort, ook als zij onderweg worden gehinderd door grote ongelukken. De weg die zij dan zijn opgegaan is vergelijkbaar met deze van de bouwlieden van de toren van Babel: zij blijven maar grondstof aanbrengen voor het nog hoger maken van hun toren die de hemelen naar de kroon steekt maar zo zien zij niet dat hun arbeid helemaal geen vruchten kan afwerpen omdat al hetgeen zij aanvoeren, onderweg moet worden opgebruikt voor herstellingswerkzaamheden. De toren wordt helemaal niet meer hoger, hij is veranderd in een val die de middelen en de energie van een heel volk opslorpt zonder er nog wat voor terug te geven en op die manier leidt hij niet langer naar de hemel maar wordt hij het symbool van de weg naar de hel - die plek waar men alle hoop moet laten varen.

Leugenaars zullen nooit bekennen dat zij liegen en dat wordt gegarandeerd door de leugenaarsparadox: als zij zeggen dat zij liegen, spreken zij de waarheid en liegen zij alsnog en als zij zeggen de waarheid te spreken, liegen zij. Verblind door de filosofie van de niets ontziende industrialisering, gehoorzamen op dezelfde manier haar handlangers aan de immer gevaarlijke gek die de troon van de satan bekleedt: in plaats van ze strenger te maken, schaffen zij prompt de milieuwetten af en maken zij reclame voor godbetert nog meer industrialisering, nu in de productie en de consumptie op reusachtige schaal van de instrumenten voor zogenaamde airconditioning.

(J.B., 3 augustus 2026)


 

Augustinus in augustus (Vervolg1)

 

Augustinus in augustus (Vervolg1)

In een fysicalistische wereld die de metafysica schuwt, is het even wennen aan de idee dat het Zijn voorafgaat aan het Niet-Zijn of dus aan zijn Afwezigheid en toch is dat heel vanzelfsprekend: het is zo vanzelfsprekend dat het Leibniz verweesd achterliet in een verbazing welke hij verwoord heeft in het geroemde raadsel: “Waarom is er niet veeleer Niets dan Iets?”

Dat het fysicalisme ons op het verbeende been zet, kan alleen nog in twijfel worden getrokken door wie van de hele zaak geen kaas gegeten hebben en we gaan ons betoog van weleer hier dan ook niet meer herhalen.1 Maar de gedachte dat alles op de een of andere manier geconstrueerd werd en derhalve niet alleen tot in zijn kleinste onderdeeltjes kan ontleed worden maar dan ook opnieuw kan worden gereconstrueerd, blijft degenen verblinden die niet zozeer op zoek zijn de waarheid maar wel naar macht, hier in de vorm van de goddelijke almacht die zij benijden in de schepper.

Edoch, een schepper is er niet, zoals reeds Augustinus heeft betoogd, kennelijk zonder ook goed te beseffen wat zijn onderrichting inhield: het feit dat wij achter de wereld een maker zoeken, heeft zoals de door de katholieke kerk heilig verklaarde man aantoonde, alles te maken met projectie: wij, architecten van een eigen wereld, projecteren wat we doen op een wezen dat het heelal als zodanig geconstrueerd zou hebben. Merk op dat ook de creatio ex nihilo, de schepping uit het niets, dankzij het betoog van de heilige in het water valt en daarmee ook de vastgeroeste veronderstelling dat aan de grondslag van alles een schepper zou liggen, iemand die dat allemaal gemaakt heeft - uit het niets. Maar zoals hoger betoogd, gaat er aan het bestaande helemaal geen Niets vooraf en zijn noch een schepping van iets uit niets, noch een schepper nodig - om te verklaren, nota bene, wat niet om een verklaring vraagt.

(Wordt misschien vervolgd)

(J.B., 3 augustus 2026)

1Cf.: Jan Bauwens, Trans-atheïsme. De metafysica van het Lam, Serskamp 2003. Voor de integrale tekst, zie de volgende PDF: https://blogimages.bloggen.be/transatheism/attach/564.pdf ofwel: https://blogimages.seniorennet.be/tisallemaiet/attach/168587.pdf en voor de meest recente uitgave (2018 (2003)), zie: https://www.boekenbestellen.nl/boek/trans-atheisme-de-metafysica-van-het-lam/10436 .

 

Augustinus in augustus

 

Augustinus in augustus

De realiteit van het Niet-Bestaan' wordt afgeleid uit de realiteit van het Bestaan zoals de realiteit van het A-Theïsme' wordt afgeleid uit de realiteit van het Theïsme' maar zoals het A-Theïsme zijn bestaan dankt aan het bestaan van het Theïsme, zo ook dankt het Niet-Bestaan zijn bestaan aan de realiteit van het Bestaan.

De bovenstaande zin kan cryptisch lijken maar de inhoud ervan is simpel: de dingen gaan vooraf aan hun negatie, er kan pas sprake zijn van een Afwezigheid indien er eerst een Aanwezigheid was, het is bijgevolg een vergissing om ook over ons Bestaan te gaan denken dat het een constructie zou zijn bovenop het Niet-Bestaan.

In nog wat andere bewoordingen: het is een vergissing om te denken dat de initiële toestand der dingen de Dood is, of eerder nog: hun Afwezigheid, en dat een Aanwezigheid iets is dat er bovenop geplaatst wordt. Wie deze kwestie rustig overdenken, zullen alras tot de conclusie komen dat de initiële toestand het Zijn is, of het Leven, en pas daar waar het Zijn of het Leven ontbreken, is er een Tekort (een Niet-Zijn).

Het hele concept van het Niets is in hetzelfde bedje ziek als dat van het Construeren, over hetwelke reeds in de vierde eeuw Augustinus van Hippo schreef. Wij geloven dat de wereld een Maaksel is, zei hij, maar dat wij dat geloven komt hierdoor, dat wij zelf architecten zijn, of makers, die van zodra ze iets zien dat op een gebouw gelijkt, spontaan gaan denken aan een maker. Augustinus verklaarde dit om aan te geven dat de schepping geen maaksel is: een maaksel behoeft grondstof terwijl het geschapene de grondstof zelf is; wat geschapen is, is derhalve uit het niets 'gemaakt'. Dixit Augustinus.

Maar Augustinus ging niet ver genoeg met zijn correctie want wat hij zegde over de oorsprong van de wereld, geldt uiteraard ook voor de wereld zelf en voor het Zijn of het Leven als zodanig. Wel lichtte hij een tipje van de sluier op in zijn ethiek, waar hij ontdekte dat het kwaad niet op zichzelf bestaat doch slechts een afwezigheid kan zijn, een afwezigheid of een tekort aan een zeker goed. En ziehier dan een uitbreiding van Augustinus zijn betoog.

Het Zijn komt niet uit het Niet-Zijn voort en het is ook geen bouwsel bovenop het Niet-Zijn, het is daarentegen de gegeven toestand van de dingen. Dat wij ons de hoger beschreven, verkeerde voorstelling maken, vindt zijn oorsprong hierin dat wij, van zodra we iets zien, we verkeerdelijk gaan geloven dat dit iets - door iemand - in het niets geplaatst werd. Het is echter niet door iemand geplaatst, wij denken dat alleen maar omdat wijzelf iets in een lege ruimte kunnen plaatsen. En het is ook niet in het niets geplaatst, omdat Iets altijd aan Niets voorafgaat, aangezien Niets alleen Afwezigheid kan betekenen.

(Wordt misschien vervolgd)

(J.B., 3 augustus 2026)

De innerlijke mens en de pens

 

De innerlijke mens en de pens

Op de keper beschouwd moeten al wie om welke reden dan ook naar de marge van de samenleving worden gewerkt, wel heel veel missen maar anderzijds blijven zij wel gespaard van de vracht aan illusies waaronder wie er warmpjes geloven in te zitten, helemaal bedolven worden. Het comfort erbij te horen is weliswaar allerminst illusoir omdat het te maken heeft met zelfbehoud, ontwikkelingskansen, welvaart en geluk maar er zit ook een vals gevoel aan vast dat menigeen op het verkeerde been zet en dat heeft alles te maken met het voorwaardelijkheidskarakter van dit deelgenootschap.

Als je een westerling bent met een witte huidskleur en in een witte buurt woont zonder allerlei verstoringen, als je gezond bent en je hebt een job en ook wat geluk met het gezin, als je autootje afbetaald geraakt en je vakantie en je wordt niet aangevallen enzoverder enzovoort, valt je alras een samenhorigheidsgevoel te beurt. Samenhorigheid met meer bepaald alle anderen die eveneens op de hier opgesomde troeven kunnen bogen want het gevoel tot een gemeenschap te behoren omvat tevens de kennis van het feit dat elke gemeenschap grenzen heeft en dat men er binnen en niet buiten valt omdat men voldoet aan zekere voorwaarden die men lang niet altijd te kiezen heeft. Wie er warmpjes in zaten doch door het noodlot werden verrast, kunnen over de genoemde voorwaardelijkheid getuigenis afleggen: het volstaat dat men, zoals vandaag zovelen, zijn job verliest, dat men ernstig ziek wordt of dat men zoals iedereen die dat geluk heeft, gewoon oud wordt, om te kunnen ondervinden dat het been waarop men rust, inderdaad het verkeerde is.

Als men niet langer voldoet aan de voorwaarden die toegang geven tot de voorrechten die het gevoel van erbij te horen, teweeg brengen, kan men niet langer ontkennen hoe dit 'erbij horen' geen vanzelfsprekendheid is, geen natuurlijke toestand en ook geen recht: het is een constructie met een bijzonder voorwaardelijk en tijdelijk karakter, tevens grotendeels bepaald door de lotto van het leven. Het is weliswaar niet zo dat geld gelukkig maakt maar een tekort aan middelen kan er wel voor zorgen dat men zich ongelukkig voelt omdat men niet samen hoort met de groep die het wat beter heeft: men moet dan inzien dat het samenhorigheidsgevoel dat men tot dan toe voor een immaterieel goed hield, louter koopwaar was, precies zoals het immateriële gevoel van eigenwaarde dat het bezit van een materiële sportauto begeleidt. Geestelijken, over wie men denken zou dat zij verstervingen doen en ontberingen lijden, eten prompt hun buikje rond met een grapje waarmee echter helemaal niet te lachen valt, namelijk dat ook de innerlijke mens versterkt moet worden: zij kennen het verband tussen de geest en de maag, om nog te zwijgen over het verband tussen de geest en de drank.

Die laatst genoemde samenhorigheid mochten we al bespreken in IJzeren logica met Omsk Van Togenbirger1 en het betreft hier het verband tussen de plicht van elke priester om dagelijks de heilige mis te vieren, waarvan de consumptie van een soeplepel alcohol deel uitmaakt, met de duizelingwekkende, door de clerus bedachte theologie van de katholieke kerk. Elke verslavingsdeskundige zal immers beamen dat wie dagelijks een slok van de genoemde harddrug tot zich nemen, een gigantische kans hebben om daarvan afhankelijk te worden met als gevolg een almaar toenemende behoefte aan het hallucinogene goedje dat de kerkdienaar eerst geestrijk maakt en hem het hemelrijk openbaart om hem in het navenante delirium tremens een oponthoud te verzekeren in de hel.

Het samenhorigheidsgevoel is koopwaar, het is een comfort waarvoor men aardig moet betalen en wie het geld missen, missen ook dat comfort. Maar het is even illusoir als een sportauto of een overmaat aan drank want er is geen andere band met degenen met wie men samen hoort te horen dan deze die steunt op een vergelijkbaar bezit. Het gevoel heeft uitsluitend te maken met de kuddegeest en derhalve met de slavernij die daaraan eigen is, zoals ook de afhankelijkheid van alcohol, van opium of, om de cirkel rond te maken, van opium voor het volk.

(J.B., 2 augustus 2026)

 

“I've got you under my skin”

 

“I've got you under my skin”

We willen dat de eetwaren die wij in de supermarkt kopen, goed verpakt zijn, dat geeft ons immers het gevoel dat er niets bij kan dat ze zou kunnen besmetten, met legionella bijvoorbeeld, of gewoon met het stof van de vloer. Waar we echter niet aan denken, is dat binnen de hermetische verpakking waarvan we de inhoud naar binnen spelen, zowat alles al aanwezig is om ons ziek te maken of zelfs te doden. Het gif komt het lichaam samen met het voedsel naar binnen zoals de desinformatie meereist met de informatie, zoals allerlei ongewenste plagen ons aandoen samen met de winst die goedkope werkkrachten opleveren of simpelweg zoals de keerzijde de medaille begeleidt. Na allerlei moeizame inspanningen om gezonder te eten en vergif te weren, ontdekken we uiteindelijk dat er geen echt ontsnappen aan het euvel is en leggen we ons er uiteindelijk gemakshalve bij neer: aan alles zit een keerzij vast zoals ook de dood vastzit aan het leven.

Thuis gearriveerd met de eetwaren, ontdoen we deze van de verpakking, door de band plastics, en die verpakking gaat in de blauwe zak die opgehaald wordt en getransporteerd naar een sorteercentrum dat zowat tachtig percent daarvan recycleert. De overige twintig percent belanden (bij elke cyclus opnieuw!) uiteindelijk via restafvalverbrandingsinstallaties met een hoge schouw in de lucht of komen in de oceanen terecht. In de twee gevallen eroderen de plastics tot minuscule deeltjes, nanopartikels, die de grootte hebben van de stofdeeltjes uit rook en die zich derhalve ongeremd verspreiden in de lucht, in het water en in de grond. Ook als we gaan resideren in de Alpen waar we alleen gezonde lucht ademen en als we ons drinkwater halen uit zuivere bronnen, zijn we niet veilig want de afvaldeeltjes reizen onbelemmerd door landsgrenzen of milieuwetten met het drinkwater mee, met de ademlucht en met de bouwstenen van elke plant en van elk dier dat van het gif verzadigd wordt, ziek wordt en voortijdig sterft: de planten, de dieren en uiteraard ook de mensen die aan de top staan van de voedselpiramide.

Het vuilnis in het drinkwater ontsnapt niet alleen aan ons oog maar voor een deel ook aan de filters die het moet passeren tussen omzeggens het Albertkanaal waaruit het wordt opgepompt en het kraantje in de keuken. Het vuil waarmee de lucht verzadigd wordt, nemen wij waar als het roet dat wij weliswaar van de ruiten kunnen wegspoelen maar niet uit onze longen: een long is een met haarvaatjes dooraderd doorlaatbaar vlies met een oppervlakte van zo'n honderd vierkante meter en in de longblaasjes wordt niet alleen de zuurstof opgenomen die wij geen minutenlang kunnen missen maar ook het roet dat aan de ruiten en de meubels kleeft. Het bloed vervoert vervolgens het roet uit de longen maar ook het vuil dat via het voedsel via de maag in het lichaam komt, zonder mankeren naar elk van onze twintig biljoen lichaamscellen. De cellen nemen de voedingsstoffen op maar ook het afval waarvan wij ons geloofden te bevrijden via vuilniszakken, waswater en hoge schouwen: ver weg is het dus niet, hier onder onze huid.

Het leven is niet dom: het recycleert wat goed is en filtert weg wat het kan missen maar omdat perfectie niet bestaat, stapelen zich alsnog resten op in de vuilnisbelten van het lichaam totdat het individu eraan kapot gaat. Maar voor het zo ver is, plant het zich voort: de nieuwe exemplaren zijn weer zuiver.

Of althans tot voor kort was dit zo, of ongeveer zo, want het vuil blijkt ook de genen aan te tasten en dat zijn de plannen voor de (her)opbouw van het wezen, de blauwdrukken voor de (re)constructie van mug, mus, muis en mens, het ontwerp van de dag van morgen.

(J.B., 2 augustus 2026)

Over de terroristische aanslag in Berlijn op 25 juli 2026 (vervolg 2)

 

Over de terroristische aanslag in Berlijn op 25 juli 2026 (vervolg 2)

Dat de massa de andere kant opkijkt waar zich onrecht voordoet, mag niet verwonderen aangezien massa's anoniem zijn en niet bestaan uit menselijke personen doch uit meelopers, individuen die blindelings het devies van hun leider volgen en tot robots werden door de danige hersenspoelingen: op bevel van hun meesters, nadat die hen hebben bewerkt met allerlei beschuldigingen en bedreigingen, begeven zij zich naar een of ander van hogerhand gefabrikeerd front om daar te gaan sneuvelen in de onmogelijke waan waarmee zij werden opgezadeld, namelijk dat zij aldus hun land dienen en hun naasten.

Maar niet alleen de massa kijkt de andere kant op: ook als zij dat doet, volgt zij alleen maar het voorbeeld van haar leiders die het voorstellen als een normaliteit, ja zelfs als een heilige plicht, om de pikorde te respecteren en alle onheil af te wentelen op Atlas, de verpersoonlijking van het leger van slaven, loonslaven en verdrukten die sinds het begin der tijden met hun leed het hemelgewelf moeten torsen en in de modernistische interpretatie, de wereldbol maar hoe dan ook de hele wereld. Als straf, zo leggen de heilige geschriften het uit, want als leider der Titanen stond Atlas op tegen de oppergod Zeus. De beruchte maar door de verdrukten gevierde rebellie kent haar evenbeelden in alle andere 'woke'-mythologieën, die immers het lamentabele karakter van het menselijk bestaan uitleggen als een penitentie voor de verwerping van de bevelen van hogerhand. Zo is er in de katholieke versie van het christendom de rebellie van oproerkraaier Lucifer tegen Jahweh die van zijn schepselen blinde volgzaamheid eist, ook deze die hij die bedeeld heeft met een vrije wil, namelijk de mensen, wat op de keper beschouwd wel een beetje sadistisch mag heten: men krijgt keuzevrijheid tegelijk met het gebod tot gehoorzaamheid. Maar op die manier wordt aan de volgelingen meegegeven dat zij alle kansen kregen doch dat ze die hebben verspild (door ze te gebruiken), waardoor niet alleen het onheil hen treft maar tevens de schuld daarvoor, wat de vermeende godheid van alle zonden vrij moet pleiten. Eveneens sinds het begin der tijden is de beschuldiging van de slachtoffers van het kwaad de tactiek bij uitstek die het de potentaten toelaat om met het onrecht lustig door te kunnen gaan.

De aanslag op de pride die het verzet symboliseert tegen het onrecht van de verdrukking van een seksueel gekarakteriseerde minderheidsgroep ligt in de lijn van het verzet van onder meer de zwarten tegen hun (nota bene andermaal ontegenzeggelijk in hoofdzaak katholieke) kolonisatoren, brandmerkers en uitbuiters, de (bij uitstek in de religies achtergestelde) vrouwen waarmee nog steeds handel wordt gedreven alsof het om objecten ging en sinds kort ook de onmondigen ingevolge allerlei vormen van invaliditeit waaronder de gemarginaliseerde leeftijdsgroepen zoals de (grootschalig door religieuzen misbruikte) kinderen en de ouderen die allang niet meer in de minderheid zijn maar die wel een zekere zwakheid delen die hen bijvoorbeeld belet om hun stem uit te brengen voor partijen die in het politieke veld hun rechten konden verdedigen.

Teneinde zich een beeld te kunnen vormen van de ernst van het onderhavige gebeuren van de aanslag, dient men zich voor ogen te houden dat de impact hiervan immens is terwijl dit meestal niet als zodanig geconcipieerd wordt. Men denkt immers alras dat het gaat om 'slechts' één geval van agressie tegen 'slechts' één of enkele personen en dit verhaal wordt ook wijd en zijd opgehangen door beleidslieden die zich aldus van hun verantwoordelijkheid trachten te ontdoen. Kijken wij hier opnieuw naar het voorbeeld van de laffe moord op veearts-keurder dokter Karel Van Noppen, dan kan niemand ontkennen dat één dergelijke moord volstaat om alle neuzen in dezelfde richting te krijgen, namelijk wegkijkend van het feit dat niet de wet, het recht en de orde regeren maar daarentegen het beestachtige winstbejag of het kapitaal: zij hebben het laatste woord, dat niet een woord is doch een gewelddaad, en dat zij kunnen bewerken dat voortaan elke arm der wet in dezer door die ene moord verlamd zal blijven, blijkt uit het feit dat alle alom te lande openlijk in de weiden uitgestalde vee, onverminderd opgeblazen staat van de hormonen.

Het euvel situeert zich in de angst en in de lafheid: quasi niemand durft het aan om zich (onbeschermd) uit te spreken tegen de geweldenaars omdat egoïsme en opportunisme primeren op algemeen belang en recht. Het is dan maar de tragiek en de paradox van het zogenaamde religieuze dat wie in de naam van de Waarheid rebelleren tegen wereldse machten, uitgerekend door hun (zelfverklaarde) navolgers in de burchten van hun instituten, die louter verzekeringsmaatschappijen zijn, worden verraden.

(J.B., 30 juli 2026)

Over de terroristische aanslag in Berlijn op 25 juli 2026 (vervolg 1)-

 

Over de terroristische aanslag in Berlijn op 25 juli 2026 (vervolg 1)

Religies mogen dan al hun aandeel in de verspreiding van aids ter discussie stellen, dat zij een hoofdrol spelen in de repressie van homo's en dat zij via die weg ook verantwoordelijk zijn voor de excommunicatie en de navenante uitbuiting van deze minderheidsgroep, zal door geen zinnig mens in twijfel worden getrokken. Op grond van relatief recente pauselijke uitspraken in de zin van “Wie ben ik om te oordelen over homo's?” kan men weliswaar tegenwerpen dat hier in de jongste decennia aan de minderheid in kwestie zekere tegemoetkomingen worden gedaan, maar uitspraken in de genoemde trend kunnen niet anders opgevat worden dan als sluwe zetten die erop gericht zijn om gevoelens van antipathie vanwege mensen met empathie voor andersdenkenden te onderdrukken in functie van het behoud van het klerikale miljardencliënteel want zij stellen inhoudelijk helemaal niets voor en als puntje bij paaltje komt, blijven de kerkelijke standpunten even ongewijzigd als de heilige en de dogmatische geschriften waaraan ze uitleg verschuldigd zijn en hetzelfde geldt voor de positie van de vrouw en voor alle andere thema's.

Homo's die zichzelf respecteren zitten overigens helemaal niet te wachten op 'strafvermindering' daar zij de autoriteit van hun onderdrukkers uiteraard radicaal afwijzen; niemand immers heeft het recht om de vrijheid van anderen op grond van een eigen volstrekt arbitrair mens- en wereldbeeld, wat het beeld van gelovigen in feite is, aan banden te leggen, om aan anderen mensenrechten te ontzeggen of om zichzelf voorrechten toe te kennen. Behalve opportunistisch zijn de genoemde lepe zetten vanwege de kerkleiding tevens bedoeld ter verdoezeling van het afschuwelijke kwaad dat haar discriminatie en haar demonisering berokkenen aan de LGBTQ+-gemeenschap en daardoor ook aan de hele maatschappij.

Laten we een ogenblik de abstracties achter ons en bekijken we de feiten, dan kunnen we er samen met de rest van de wereld van getuigen dat de klantenwerving, de acquisitie, de rekrutering van gelovigen, het proselitisme of nog, in de bewoordingen van de kerk zelf, het 'redden van zieltjes' onverminderd een bijzonder agressieve activiteit is gebleven. In de loop van de geschiedenis ging de zogenaamde kerstening of de christianisatie gepaard met onderdrukking, oorlog, bedreigingen en afpersing, zoals men zich herinnert uit de koloniale tijd, onder meer met de kerstening of beter de inlijving - en het tot lijfeigenen maken - van de autochtone bevolking van het Amerikaanse continent sinds de inval van Christoffel Columbus die zich behalve met conquistadores ook wapende met het beruchte 'requierimento' uit 1513, in casu een pauselijk bevelschrift tot onderwerping op straffe van verslaving en dit onder de argumentatie dat men aan de paus, daar hij de vertegenwoordiger op aarde is van de godheid zelf, gehoorzaamheid maar ook totale onderwerping verschuldigd is.

Edoch, zo mogelijk nog erger dan de historische agressies alom ter wereld, is het door de clerus aangewende psychologische geweld ter verknechting van haar aanhang, meer bepaald in en rond de praktijk én de theorie van de inlijving met als meest doortastende zet het zogenaamde doopsel, toegepast op mensen buiten hun eigenste medeweten om, daar zij op het ogenblik van het 'ritueel' amper hooguit enkele dagen oud zijn. Verzet vanwege degene die de handelingen ondergaat, is volkomen uitgesloten terwijl volgens de catechismus van de katholieke kerk de handeling van het doopsel een “onuitwisbaar merkteken” aanbrengt in de ziel (van de dopeling) zodat hier van mensenrechten nimmer sprake kan zijn.

Uitgerekend de executeuren van het geloof dat claimt het recht op leven van ongeborenen te verdedigen, zijn er als de kippen bij om van zodra de mens in kwestie de moederschoot verlaat, zijn vrijheid te fnuiken en zij doet dat met een vastberadenheid welke zich wapent met het verschrikkelijke dreigement aan het adres van de moeder en van de hele familie, dat wie weigeren om het hulpeloze kind aan deze praktijken over te leveren, verantwoordelijk zijn voor het verloren gaan van de betrokken ziel in het eeuwigdurende hellevuur. Immers, de clerus liegt de lichtgelovige wereld voor dat het ritueel in kwestie een duiveluitdrijving is. Het heuse exorcisme zou allernoodzakelijkst zijn omdat, krachtens een sprookje dat de kerk wereldwijd in onze universiteiten als een in haar door iedereen ernstig te nemen theologie ingebedde erfzondeleer weet te verkopen, verkondigt dat de mens door eigen schuld in de macht van de duivel gevangen zit.

Edoch, terwijl de kerk middels de genoemde tactiek principieel elke mens op aarde en feitelijk zowat een derde van de totale wereldbevolking in haar greep heeft, slaagde zij er tot voor kort ook nog in om de mensen in deze bij den bok gezette massa tegen elkaar op te zetten en wel door zekere minderheden (en ik wik en weeg mijn woorden) psychologisch te verminken en sociaal te vermoorden. Deze misdaad voltrok zich gepland uit het zicht van buitenstaanders en de enige getuigen waren, behalve de daders, de slachtoffers die in de onmogelijkheid werden gesteld om van de gruwel die zij moesten ondergaan, kond te doen. Hier volgt nog heel beknopt een schets van de tactiek die we elders al genoodzaakt waren te bespreken.

De katholiek en derhalve homovijandig opgevoede ouders van pubers met homofiele gevoelens gingen in paniek te rade bij de huisarts, die hen ervan verzekerde dat dit een zaak was van voorbijgaande aard. Echter, kort daarop maakte deze vertrouweling de puber onder vier ogen diets wat hem te doen stond om het 'schandaal' waaraan hij op dat moment zelf werd vastgenageld, te vermijden. Dat kon hij alsnog doen door zichzelf te verloochenen, door zich levenslang te onthouden, door alsnog in het huwelijk te treden zoals iedereen of door een roeping te veinzen. Met die laatste uitweg uit de schande deed de kerk prompt nog haar voordeel, wat blijkt uit het feit dat de homo-emancipatie gelijke tred hield met het achterwege blijven van de roepingen. Maar wat de betrokkene ook koos: hij kreeg levenslang met de veroordeling om zich voor te doen als iemand die hij helemaal niet was en die hij ook onmogelijk kon zijn, terwijl zijn gemoed werd aangevreten door de onverteerbare overtuiging dat hij slecht was en dat hij dit tot elke prijs diende verborgen te houden. Hij werd zoals men dat nu uitdrukt, in de kast gestopt en veroordeeld tot een dubbelleven wat er eigenlijk op neerkwam dat hij of zij als sociaal wezen levend werd begraven. Vaak werden geneesmiddelen voorgeschreven ter onderdrukking van alle menselijke gevoelens en werd chemische castratie toegepast, als al niet tot castratie zelf werd overgegaan, waarvoor men zich alhier wendde tot de in het Nederlandse Heiloo residerende dokter Aimé Wijffels, bijgenaamd de 'castreur'. De castratiepraktijk was gangbaar totdat omstreeks de jaren zeventig van de vorige eeuw hiertegen vanuit zelfhulpgroepen algemeen protest ontstond en de onmenselijke praktijken aan het licht waren gekomen.

Vandaag bestaat er geen excuus meer voor dergelijke misdaden en navenante wantoestanden maar het onverstand is hardnekkig: wars van ethiek maar ook van wetenschappelijkheid, verrijst de repressie alom in de vorm van allerlei overigens bijzonder gevaarlijke conversietherapieën en onder druk van religieuze maar ook politieke extremisten zouden zij floreren indien zij niet werden afgeremd door wettelijke verbodsbepalingen en aanzienlijke bestraffingen.

De promotie ervan is in handen van nitwits met poen, en kapitaalkracht is economische en derhalve ook politieke macht welke sinds oudsher samenzweert met religieuze potentaten. Waar machtsstructuren maken dat de top geen enkele voeling meer heeft met degenen die het eigenlijke werk verrichten, is alle empathie zoek en komen een soort van mensen uit de bus die zichzelf werkgevers noemen maar die in feite spelen met het leven van hun 'ondergeschikten'. Ze kunnen omschreven worden als kapitaalkrachtige megalomanen, rijk doch onderontwikkeld; lui wiens geld hen enige macht geeft maar die daardoor gaan geloven dat zij het recht hebben om naar willekeur over het leven van andere mensen te beschikken, wat overigens als normaal wordt beschouwd in tijden van oorlog – edoch, de oorlog is niets anders dan een verlengstuk van de (kapitalistische) economie.

Onderontwikkeld betekent ongenuanceerd, wat bijna synoniem is voor extremistisch en het is in deze middens dat men die lui aantreft die conversietherapieën promoten of dus met de medische wetenschap strijdige en experimentele pogingen gelijkaardig aan deze welke werden uitgeoefend in de concentratiekampen van de nazi's, om via allerlei conditioneringsmechanismen van homo's, hetero's te maken. De praktijken van samenzwering van deze schurken met de kerk zijn een historisch gegeven en uit de tweede wereldoorlog herinnert men zich van bij ons de kerkelijke propaganda via donderpreken voor de rekrutering van strijders aan het oostfront, in feite kanonnenvoer tegen de communisten: het ten bate van de kapitalisten in de frontstrijd gooien van jonge mensen die sowieso hun leven lang in fabrieken moeten slijten. Ook herinnert men zich hoe hoge functionarissen in de kerk er na de nederlaag van Hitler voor gezorgd hebben dat de kopstukken van het nazisme met hun misdaden konden wegkomen door voor hen een vrijgeleide te fabriceren naar het Zuid-Amerikaanse continent waar velen onder hen, onder de hoede van dictators, nog een rustige oude dag hebben gekend en soms zelfs konden doorgaan met hun wreedaardige experimenten.

Andermaal: excuses snijden allang geen hout meer en het enige correcte antwoord op de genoemde en nooit bestrafte misdaden kan alleen nog bestaan in de radicale afwijzing van de waanzin van alle religieuze instituten, een antwoord dat alvast verbeeld wordt in die kunst die nog maagdelijk is gebleven, die zich niet verliest in commercialiteit, onnozelheden en schijndiscussies over esthetiek en die haar maatschappelijke verantwoordelijkheid ernstig neemt: uiteraard wordt zij doodgezwegen door de kapitaalkrachtige burgerij en afgedaan als provocatie maar in het licht van de misdaden die zij aanklaagt, kan zij nooit genoeg shockeren.

 

3366843-1c0ae19de1c5055e0ac647ebae51225f.jpg

3366839-424e2afa6106cb08d247c6b58b31f945.jpg

(Illustraties: Kris Lippeveld.)

Met dank aan de kunstenaar

Het eigen lichaam van de kunstenaar is sowieso een medium of een instrument voor het doorgeven van zijn boodschap: de schilder en de pianist gebruiken naast hun hersenen en hun zintuigen vooral hun handen en de danser ontwikkelt voor zijn artistiek spel zijn hele musculatuur maar waar de kunstenaarshuid de plek inneemt van het canvas, kerft de artiest zijn ets op zijn vel, wat onvermijdelijk aan mutilatie doet denken of aan automutilatie. 

Martelaren gaan nog een stap verder, hun verminkte lichamen zijn de tekenen van hun getuigenis met als voorbeeld de vijf kruiswonden van de Heiland, die als stigmata opnieuw verschijnen op de lijven van zekere heiligen, al is het maar zeer de vraag of zij inderdaad de tekenen zijn van hun identificatie met het leed van de Verrezene ofwel of zij die middenin een psychose aan zichzelf toebrachten - niet ter verwerking van een psychisch leed doch om als held te kunnen scoren op de fora van de toenmalige (middeleeuwse) machtige religieus getinte saga's - onder meer de heilige pater Pio wordt daarvan verdacht, mede daar hij voorafgaand aan het verschijnen van de wondtekenen carbolzuur bestelde bij een apotheker alsook krachtige pijnstillers en hij is lang niet de enige gebleken.

Kunstenaars zijn evenwel geen martelaren maar waar zij het vanuit hun ethiek en verantwoordelijkheidszin opnemen voor wie onrecht moeten ondergaan, riskeren zij wel hun vel maar de motivatie voor hun handelwijze kan verschillen naar gelang de situatie. Waar zoals hier de religies worden geviseerd, heeft de artiest het over het door de kerk aangebrachte brandmerk waartegen hij het verzet op zijn borst laat tatoeëren om het niet langer als een doornenkroon te moeten meedragen in zijn hoofd en niet het doopsel wordt hier geviseerd: het onuitwisbare merkteken in zijn ziel is de door de katholieke excommunicatie aangebrachte wonde bij de puber die nog geheel weerloos zijn veroordeling aanhoort en die, zoals alle kinderen dat spontaan doen, het verdict vanwege zijn meerderen die verondersteld worden voor zijn opvoeding te ijveren, aanvaardt en in zijn hart sluit, waar het zich echter ontpopt als een traag werkend en bijzonder pijnlijk gif dat hem zal opvreten voor de hele duur van zijn verdere bestaan.

(J.B., 28 juli 2026)

























De molen (J.B., Verhalen 2006-2009)-

De molen

De dagen en de nachten begonnen langzaam maar zeker op elkaar te gelijken. De nachten geleken op de dagen wegens de eeuwig brandende lampen langs de autowegen en de straten. En de dagen geleken op de nachten omdat het nog amper klaar werd, nu het wolkendek zo gezwollen stond dat het zonlicht er nog nauwelijks doorheen scheen.

De wolken bleken bovendien niet samengesteld uit alleen maar water: volgens sommige berichten zou de lucht verzadigd zijn met welbepaalde scheikundige dampen en met chemische gassen waarvan de namen voor de meesten raadsels moesten blijven. De dampen hadden alleen een zeer specifieke geur - of beter: een stank - en een bruinachtige kleur die aan riolen deed denken, maar in analogie met geur en stank, bestaat er niet direct een woord voor afstotelijke kleuren. De stank echter was danig indringend dat hij, na korte tijd buiten, ook geproefd werd in de mond. Hoe dan ook ging stilaan niemand nog zomaar de deur uit: na een wandeling van amper een uur, kon men de smurrie van zijn kleren wrijven en het was eender of het nu regende of niet.

Het ergste was wel dat er geen proper water meer te vinden was: water werd als het ware gedistilleerd uit de vieze brij in de riolen die wegens de gifgassen nog nauwelijks als waterwegen dienst konden doen. Schippers droegen dan ook de klok rond speciale maskers. De waterzuivering was een moeizaam, langdurig en peperduur procédé waarvan het eindresultaat - drinkbaar water - het gevolg was van allerlei chemische toevoegingen en reacties. Verder dienden ook alle lichaamsvochten te worden opgespaard en ingezameld, omdat zij tenslotte, vergeleken bij wat de riolen konden bieden, relatief zuiver vocht opleverden.

De aanblik van het landschap was weliswaar bedroevend, maar op school leerden de kinderen dat zij zich daardoor niet moesten laten ontmoedigen en zij zongen:

Zijn de riolen dan vies en zwart en

Stinkt het sap uit de bergrivieren:

Rein is een fles distillaat van een kwart,

Zie de bodem van 't glas safieren!



Naarmate de dagen donkerder werden en het water zwarter, deed zich een verschijnsel voor dat niemand had verwacht: een onverhoopt fenomeen dat de duisternis van deze tijden voor velen weer min of meer draaglijk maakte. Terwijl het natuurschoon verdween en wellicht precies daardoor, kenden de kunsten een explosie als nooit tevoren! Ja, op een wijze die men zich nimmer had kunnen indenken, bleken zij ineens dermate verbeterd in kwaliteit, dat zij aan alle arme en verdorde zielen die injecties gaven die in de vroegere constellatie der dingen afkomstig waren van het natuurlijke licht van de zon, van de kleurrijke bloesems in de lente en van de muziek van de heldere waterfonteintjes. Kunstenaars, zij deden ineens gouden zaken!

De algemene toestand van het klimaat leek nu voorgoed gekeerd, en dat had talloze verreikende gevolgen waarop hier niet kan worden ingegaan. Pas in noodsituaties blijkt hoe groot het menselijke aanpassingsvermogen en de vindingrijkheid kunnen zijn. Maar slechts weinig te verhelpen was er aan de toename van de algemene vochtigheid.

In normale tijden en in draaglijke klimaattypen zijn droogte en vochtigheid gescheiden zaken. De gewassen, en ook de aarde zelf, dienen beurtelings droog en nat te zijn teneinde vruchten te kunnen voortbrengen. Maar als het vocht zich ten allen tijde manifesteert, en de aarde nooit meer droog en korrelig wordt, blijven de vruchten van de akkerbouw weg en gaan heel andere organismen kiemen: zwammen en schimmels komen als uit het niets te voorschijn: zij vormen witte stippen in de aarde, en geleidelijk manifesteert zich een weefsel van tentakels die dra overal liggen te zwellen.

Overal wil niet alleen zeggen: overal in de aarde. Want wat het klimaat doet met de aarde, het water en de lucht, dat doet het eveneens met het menselijk lichaam dat immers een natuur is in het klein, zoals ook alle andere levende organismen die even zovele microkosmossen zijn. We kennen het verschijnsel dat een plotselinge stortbui in de zomer, ook in het lijf onweer teweeg brengt en daar op meerdere wijzen vochtafdrijvend werkt. Zonlicht prikkelt de hypothalamus en wekt alle levende lijven op in de morgen, terwijl de duisternis in alle lichamen de slaap uitstrooit en de verwarring van de dromen. En zo ook heeft het vochtig worden van de hele aarde zijn onstuitbare invloed op al wat leeft.

Zoals het voortdurende nat in de aarde de zwammen doet woekeren, zo werkt datzelfde klimaat in op het vlees. Na korte tijd manifesteren zich symptomen die aan rheuma doen denken, en men gaat zich erover verwonderen dat deze ziekte ineens zo algemeen geworden is en dat zij niet langer enkel de ouderlingen aanvalt doch evenzeer de jeugd en zelfs de kleine kinderen. Zij liggen te woelen in hun bedjes als van een last die niet wijken wil, en die de knokkels opzet met vocht, zodat de huid zich spant en geel wordt, broeierig aanvoelt en koorts doet ontstaan waartegen geneesmiddelen maar weinig helpen. Steeds meer mensen brengen steeds meer uren van de dag door tussen vochtige beddelakens en de stijgende percentages van afwezigheden op de werkvloer zorgen alom voor paniek. De ziekenhuizen raken overbevolkt met mensen die lijden aan een resem van heel nieuwe aandoeningen die men nog niet duiden kan, maar die wellicht allemaal te maken hebben met die vooralsnog onnaspeurbare invloed van het weer. En dan begint het te dagen: het vlees van steeds meer mensen wordt dooraderd met een soort van stippen, slierten of tentakels die doen denken aan de zwammen die opduiken als uit het niets, eenmaal alles altijd om te natter is.

Radiologen brengen de slingers aan het licht: de zwammen die her en der tussen de botten woekeren. Met chemische cocktails worden de dendrieten te lijf gegaan, en ook met allerlei bestralingen. Maar hoe men ook zoekt en tracht: het gif van de cocktails tast ook de organen aan, en de stralen verbranden niet alleen de schimmels. Onderzoekers alom ter wereld geraken het er over eens dat de zwammen die op onze organismen parasiteren, veel sterker zijn dan die organismen zelf. Zoals zij in de eens zo vruchtbare aarde de gewassen opvreten en zelf alle plaats innemen totdat wat eens een aardappelveld was, nu is omgetoverd tot een grijze pap, zo ook zetten zij als het ware de gezonde lichaamscellen om in gisten die zich ongestoord uitbreiden.

Wegsnijden blijkt in de beste gevallen slechts uitstel van executie, want zwammen laten sporen los die zich laten meevoeren over alle akkers ter wereld, die stranden in alle gewassen en in de magen van allerlei organismen, en misschien reizen zij zelfs mee met meteoren naar het andere uiteinde van de kosmos, die wij zo graag 'onze' kosmos noemen, alsof hij speciaal voor ons was gebouwd zoals een huis dat is, of een fraaie tuin. Wegsnijden, met gif bestoken of met bestralingen verbranden: het zijn niet echt opties die aarde aan de dijk brengen, maar niettemin worden ze aangewend, heel eenvoudig omdat we nu eenmaal niet bij de pakken kunnen blijven zitten.

De laatste nieuwe behandelingen verschillen niet in werking van al de voorgaande: ze zijn alleen nog duurder. Maar haast niemand is er die ze niet proberen wil. In de universiteit van de hoofdstad werd een bestralingsmachine gebouwd van een heel nieuw type, ze heeft meer dan een miljard euro gekost. Evenmin als die van haar voorgangers, zorgen haar stralen voor het definitief verdwijnen van de zwammige slierten in het vlees: die komen terug, vrijwel onmiddellijk en ook in een veelvoud van het oorspronkelijke aantal. Het voordeel van de nieuwe machine is alleen dat zij haar stralen nauwkeuriger kan richten. Er wordt gezocht, hier onder de lamp: niet omdat het hier te vinden is, maar slechts omdat het hier heel wat klaarder is dan elders.

Een derde van de mensen heeft nu zwammen in het vlees, en geleerden stellen dat eigenlijk tenminste twéé derden van de mensen lijden aan die 'waterkwaal', alleen kunnen de sporen bij dat andere derde nog niet worden getraceerd. Vroeg of laat worden ook alle spoordragers ziek, en dienen zij te worden behandeld met chemo, met radio, ofwel met de twee. Stilaan maar zeker bevinden zich het merendeel der mensen in bedden, en zij worden door het overige deel naar de machines in de klinieken gebracht en daar dan weer weggehaald, totdat ook deze laatste optie als uitgeput wordt beschouwd. Tenslotte wordt er nog slechts gewacht op het einde - een activiteit die, gezien de omvang van de kwaal, bijzonder belangrijk is geworden.

Tijdens deze periode van wachten op het einde, tracht men nu de wachtenden daarvan te overtuigen om "door de molen te gaan". De lezer vergeve ons de uitdrukking, die slechts een soort van verbloeming is, verwijzend naar een speciaal procédé dat een zeer goed doel beoogt, met name: een poging tot het bieden van een substantiële bijdrage aan de oplossing van het ingevolge de algemene malaise nijpende voedseltekort.

Je kunt het vergelijken met het geven van bloed tijdens het leven, of met het afstaan van andere organen daarna - aldus hebben de reklaampjes het verwoord: met organen red je levens als je er zelf niet meer bij bent, en eigenlijk leef je dan voor een stukje verder met een ander mee. Heel wat doden leven op die manier in feite een tweede leven en, als ze verspreid zitten in meer mensen, een derde en een vierde... En of je nu een mensenleven redt met een orgaan of door het lenigen van enige andere nood, zoals bijvoorbeeld honger: het doet in principe niets af van de goedheid van de daad. "Mevrouw, mijnheer, wil jij niet door de molen gaan?" - het is een pertinente vraag geworden: "Wil er eens over nadenken, nu het nog kan; hier is alvast een foldertje. En als het u kan helpen om te beslissen, dan komen wij u graag eens halen voor een bezoekje aan onze fabriek. Geheel vrijblijvend!"

Iemand uit een heel ander land die van de zaak niets afwist, kon zeggen dat dit 'verhaaltje' van de molen al te gek was om los te lopen, maar wees daarvan verzekerd dat zelfs de ziekste dingen erin gaan als zoete koek, als ze maar lang genoeg worden herhaald. Op de juiste toon en door de meest geschikte voorbeelden weliswaar. Want wij, mensen, zijn groepsdieren, wat wil zeggen dat wij onze idolen zelfs tot in de meest absurde details gaan imiteren. En als dat zo is, dan hebben zij die de idolen maken, ganse volkeren in hun macht. Een clown op een straatfoor vertelde me eens: "Als de wereld vandaag zot draait, wees er dan van overtuigd dat dit het geval is omdat enkele mensen met heel veel macht onder elkaar weddenschappen voor vele miljarden aangaan over wat ze ons allemaal kunnen laten doen." En stel je eens voor dat die man nog maar de halve waarheid sprak. Als god niet bestaat, is immers alles geoorloofd... in de grote mensentuin.

Ik was kritisch, een ongelovige was ik, en ik heb altijd geweigerd om op de uitnodiging in te gaan. Ik maakte mezelf wijs dat het verzinsels waren, grapjes. Tot de dag dat ook hier voedselnood kwam. Ik kan u verzekeren: lang hebben we niet gewacht, mijn vrouw en ik, of ook wij zijn van de koekjes gaan eten. En ja, ze smaken ons! Men hoeft daar niet moeilijk over te doen, het is gewoon een zaak van solidariteit. Wij hebben nu getekend om, als onze tijd gekomen is, op onze beurt door de molen te gaan.

(J.B., 7 juni 2008 - J.B., Verhalen 2006-2009)

 

De heer die zichzelf in stukjes hakte (J.B., Verhalen 2006-2009)

De heer die zichzelf in stukjes hakte

U hebt het een eerste keer mis als u denkt dat dit verhaal begint met een mes dat wordt aangezet en meteen door het vlees kerft van een ‘auto-kannibaal’. En u hebt het een tweede keer mis als u gelooft dat u hier te maken krijgt met alleen maar een verhaal, al vertoont de aanvang ervan enige gelijkenis met het begin van een gewoon sprookje.

Laat ik beginnen met te zeggen dat er talloze mensen wonen in mijn straat – die dus niet alleen de mijne is – mensen die ik overigens van haar noch pluimen ken – de meesten van hen had ik tot voor kort zelfs nooit gezien, laat staan dat ik met hen ooit zou gepraat hebben. Maar bepaalde mensen vallen op. En als ik dat zeg, heb ik het niet over het uiterlijk dat ons – in de goede of in de kwade zin – flink parten kan spelen: ik heb het over het gedrag.

Niet zo lang geleden woonde in mijn straat een heer – intussen woont hij er natuurlijk niet meer – een heer van wie nu gezegd wordt dat hij zichzelf in stukjes heeft gehakt. En het zijn niet zomaar grappen of geruchten die de ronde doen: het nieuws wordt algemeen beschouwd als zijnde ernstig, en het feit dat nu vrijwel alle mensen die hier in de brede omtrek wonen, voor de allereerste keer hun buren aanspreken, liegt er niet om. Ja, de mensen houden elkaar in de gaten nu, ze kijken wie waar woont, en ze blijken elkaar algauw te herkennen: met een gespeelde toevalligheid treffen ze elkaar op de stoep en blijven daar staan praten, meestal ingetoomd of zelfs fluisterend. Niet voor tien of twintig tellen, maar vaak vele minuten lang, soms zelf uren aan een stuk, en omdat het hier vaak regent en de wind verraderlijk is, gebeurt het meermaals dat deze buren, ten einde hun verhaal af te kunnen maken, eventjes binnenspringen bij elkaar, gaan zitten zelfs, koffie drinken en koekjes eten, en van sommigen wordt zelfs gezegd dat ze bij elkaar zijn gaan logeren omdat het ‘eruit’ moest tot de laatste frase. Want het is inderdaad een lange en allerminst simpele geschiedenis welke nu de ronde doet, en men merkt ook dat men nog steeds gist naar het laatste uit de kan. De zaak is dat men pas echt zal weten hoe de vork aan de steel zit, als alle puzzelstukjes werden samen gelegd, en men weet hier ook heel goed dat op de tong van elkeen die hier woont of gewoond heeft, zo’n puzzelstukje gereed kan liggen, misschien wel het ultieme stukje dat de hele zaak klaar en duidelijk zal maken.

Een mens met enige wetenschappelijke aanleg, zoals er beslist ook wel enkelen in mijn buurt wonen, kon denken dat de zaak onmiddellijk en doeltreffend kon opgelost worden door op een afgesproken tijdstip een buurtvergadering te plannen en de dingen welke dus gaande zijn, daar te bespreken: het zou amper enkele minuten vergen om voorgoed duidelijkheid te scheppen voor iedereen. Maar wie daarentegen wat ervaring heeft in de zaken ‘des menschen’, weet heel goed dat zulks een bijzonder naïeve illusie is. Te meer daar het hier gaat om een geval dat zich kennelijk nog nooit voordien zou hebben voorgedaan. Op de koop toe is het onderwerp dermate delicaat, dat het niet anders dan via allerlei sluwe en listige omwegen enigszins – en ik zeg wel duidelijk enigszins – benaderd kan worden.

De naam van de heer in kwestie is voor allen die hier wonen onbekend gebleven… totdat hij op die bewuste ochtend in de krant verscheen. De naam stond in een zinnetje onder een foto van het huis – ja, dat huis in onze straat – waar hij dus woonde. Uiteraard werd het huis door alle buurtbewoners die de krant lezen, meteen herkend, en de historie welke de bewuste foto in de krant omkringelde, was dermate shockerend dat plotseling menigeen, met de krant in de hand, zich ter plekke kwam vergewissen van het feit dat het inderdaad dit huis, hier in deze buurt betrof en geen ander dat er enigszins kon op gelijken. Zelfs het artikel dat verslag uitbracht van de feiten was dermate ongewoon dat de journalist die het schreef, het niet anders durfde te signeren dan met een hoofdletter X gevolgd door een punt met, tussen vierkante haakjes – klaarblijkelijk om de laatste moeilijkheden te vermijden – de supplementaire instructie dat het hier geenszins een initiaal betrof.

Hoewel de naam van de heer eigenlijk niet ter zake doet, moet toch worden vermeld dat hij een anagram vormt van een andere naam die ik liever onuitgesproken laat – de gelegenheid zal zich misschien voordoen dat ik het een ander kan laten zeggen – een woord die sommige mensen in deze context nooit over hun lippen zouden willen laten komen, ook al kregen ze een som toegestopt die ze met een heel leven van hard labeur nooit bijeen konden sparen. Op zich heeft het vanzelfsprekend helemaal niets te betekenen als je naam een anagram is van – ik zeg maar wat – ‘clown’ bijvoorbeeld, maar in dit geval was toeval volkomen uitgesloten, en daarover was iedereen het roerend eens. Zelfs professor V. – een van de meest erudiete humanisten die deze stad ooit gehuisvest heeft – een man naar wiens mening door alle respectabele nieuwszenders met de grootste ijver wordt gehengeld van zodra zich een onverwachte of een onregelmatige gebeurtenis voordoet in het land of zelfs op wereldschaal, zou met een beamende knik aan een vertrouweling hebben bevestigd – weliswaar op een moment dat niemand toekeek – dat in dit geval de gedachte aan toeval alleen maar van volstrekte, maar dan ook volstrekte onwetendheid kon getuigen. Als men bovendien in acht neemt dat de genoemde professor een van de grootste bestrijders is van het bijgeloof, spreekt de zaak voor zich. Maar tot zover voorlopig dit ‘detail’.

Ik wil u, beste lezer, niet nodeloos op uw honger laten, doch geef mij de tijd om de omstandigheden te beschrijven die een goed begrip van de kwestie mogelijk moeten maken, want een goed begrip is wel het minste wat vereist wordt om de zaak te kunnen verstaan – tenminste in zoverre zij te verstaan is. Tot heden is de hoger genoemde geleerde kennelijk de enige die de zaak inderdaad verstaan zou hebben, al blijft het geheel onduidelijk waarom hij ze dan niet publiekelijk uit de doeken doet. Door sommigen wordt gezegd dat V. momenteel een boek over het raadsel voorbereidt – een werk dat reeds in september op de markt zou komen, maar de betrouwbaarheid van deze informatie kan sterk in twijfel getrokken worden. Anderen gewagen van een televisie-uitzending die er beslist zal komen na de afronding van het onderzoek, maar ook hier vraagt men zich af hoe een dergelijke historie dan gebracht zou kunnen worden, delicaat als ze is, zoals reeds gezegd, en vol ‘weerhaken’, zoals velen het reeds hebben verwoord.

Laat ik beginnen met te zeggen dat de heer in kwestie door iedereen beschouwd werd als een dubbelganger van een befaamd heerschap wiens identiteit ik hier in het midden moet laten: een ‘mislukte’ dubbelganger eigenlijk, want de betreffende gelijkenis was niet echt overtuigend. Totdat tenslotte sommigen begonnen te beweren dat de heer zelf altijd alle moeite van de wereld deed om die gelijkenis, die volgens hen onmiskenbaar was, voor de buitenwereld te verbergen. Niet zonder reden, zoals uiteindelijk zou blijken, want vanaf een bepaald moment begon de belangstelling voor de heer plotseling toe te nemen, en doken vreemdelingen in keurige pakken in het straatbeeld op, die kennelijk met geen andere bedoeling daar waren dan om het huis te observeren en met zijn bewoner te ‘onderhandelen’ – malafide heren, zoals elkeen wel zal verstaan. Te laat, zoals weldra zou blijken: hij was hen te vlug af geweest.

Om een lang verhaal kort te maken: in de geheime gesprekken welke intussen stilaan tot de publieke geheimen zijn gaan behoren, wordt er kennelijk vanuit gegaan dat de heer niet een mislukte dubbelganger van het niet nader te noemen hoog geplaatste heerschap was: hij zou daarentegen dat heerschap in eigen persoon zijn. Of beter: geweest zijn – zo zou men het althans kunnen zeggen. Hij hakte zichzelf immers in stukjes. Neen, neen: de kranten schreven dat hij in stukjes werd gehakt, natuurlijk. Maar iedereen weet dat als hij in stukjes werd gehakt, dat dan hijzelf en niemand anders de dader moet zijn. De mensen beamen in koor dat de man in stukjes werd gehakt, en ze geven elkaar ook openlijk te kennen hoe erg ze dat wel vinden, doch tegelijk zoeken zij in het geheim elkaars gezelschap op om met grote ijver al die stukjes weer aaneen te lijmen, en zo reconstrueren ze in het volstrekt ongeziene en al fluisterend een niet zo fraai en zelfs afschuwelijk personage… dat nochtans geregeld op het scherm verschijnt en blijft verschijnen om vanuit zijn functie de hele bevolking met moreel hoogstaande principes om de oren te zwaaien. Of de ‘roddelaars’, zoals men hen wel eens noemt, het werkelijk bij het rechte eind hebben, zal wel niemand ooit met zekerheid weten, tenminste niet wanneer hij niet zelf in die buurt woonde ten tijde van de feiten. Want feiten verjaren en ’s mensens verhalen gaan op den duur een eigen leven leiden: verhalen verdelen zich in onderling gelijkende verhalen – die als het ware elkaars dubbelgangers zijn – sommige al gelijkender dan andere, sommige ook slaan moedwillig eigen wegen in, en op den duur gelijken zij in geen enkel opzicht meer op het oorspronkelijke verhaal waaruit ze voortspruiten. Zoals toch iedereen zeker wel weet!

(J.B., Verhalen 2006-2009)

Over de terroristische aanslag in Berlijn op 25 juli 2026

 

Over de terroristische aanslag in Berlijn op 25 juli 2026

Van de in april 2015 door het Belgische gerecht wegens schuldig verzuim in een misbruikzaak veroordeelde gewezen aartsbisschop André Léonard1 herinnert men zich de 'weerzinwekkende uitspraak'2 dat aids een kwestie zou zijn van 'immanente rechtvaardigheid'3, waarbij Zijne Hoogwaardige Excellentie verwees naar (sinds 27 april 2014 'Sint') Paus Johannes-Paulus II. De verantwoordelijkheid van de kerk inzake de verspreiding van aids is niet gering en haar verdediging voor het onverminderd verbod op condoomgebruik en contraceptie is gammel: het devies van onthouding en trouw is niet realistisch om niet te zeggen absurd (welke keuze hadden overigens met h.i.v. besmette foetussen?) en de beschuldiging van mannen met machogedrag gelijktijdig met het daadwerkelijk promoten van de ongelijkheid tussen de geslachten in de kerk is een van alle schaamte gespeend vals spel.

Even krom en wereldvreemd zijn de religieus geïnspireerde argumenten tegen mensen die niet direct kunnen beamen dat zij schuldig zijn aan alle seksuele activiteiten die zich niet situeren binnen het rooms-katholieke, op de voortplanting gerichte huwelijk. In alle opzichten heeft men hier allerminst te maken met het volgelingschap van 'de Nazoreeër' op wie men zich evenwel beroept maar veeleer met een verzekeringsmaatschappij die, te oordelen naar de exuberante luxe waarin haar aandeelhouders baden, financiële bijdragen int om u tegen te zeggen en als slachtoffers van door haar veroorzaakte rampen komen aankloppen, geeft zij niet thuis. Een geschiedenis van dit keer repressie en misbruik, volgend op de aloude ontkenningen van (in beider betekenissen) astronomische waarheden, speelt de maatschappij nu parten zodat zij zich genoopt ziet om weer wat 'bij te sturen', zoals men haar koerswijzigingen onder druk van de feiten zou kunnen noemen en zodoende blijkt zij ook niet te beroerd om, zich van krommenaas gebarend, de trouwste volgelingen van haar weliswaar wereldvreemde theologie prompt te excommuniceren.

Die volharders in de leugen steunen onder de 'radar' die hier eertijds ter sprake kwam, figuren uit de heuse onderwereld en zo kan men de geschiedenissen nagaan van onder meer Steve Bannon, die Trump in het zadel hielp voor diens eerste termijn en die directeur was van Breitbart News, een forum dat conversietherapie promoot. Bannon stichtte in een klooster in Trisulti nabij Rome het Dignitatis Humanae Institute, een school voor de opleiding van rechtse populisten en conservatieve katholieken, kringen die gefrequenteerd worden door voor racisme veroordeelde figuren, maar het opzet kwam niet van de grond wegens teveel verzet, uiteindelijk ook vanuit de katholieke kerk, toen de hele wereld op het punt stond haar de rug toe te keren. Pas zeer recent zijn deze katholieke extremisten, volgelingen van de Heilige paus Pius X, ook daadwerkelijk geëxcommuniceerd, al ging het voor het pausschap wellicht om een laatste strohalm voor het onder het vuur van de hypocrisie tanende instituut.

Het is derhalve helemaal niet realistisch om vanwege Zijne Heiligheid de Paus van Rome een veroordeling van de tegen homo's gerichte terreur van gisteren te verwachten en zo'n verwachting mag zeker wereldvreemd worden genoemd in het licht van het feit dat de paus er al niet in slaagde om de Shoah, een van de grootste genocides in de menselijke geschiedenis, te veroordelen terwijl hij daarover perfect geïnformeerd was, zoals blijkt uit historisch onderzoek.4 Een onmiddellijke reactie is er over de terreurdaad van gisteren alvast niet; uitspraken worden aan plaatselijke beambten overgelaten en verder kijkt men de kat uit de boom; alvast is er geen haast, voor opportunisten heeft het sowieso altijd nogal wat voeten in de aarde om zijn standpunten te wikken en te wegen in het licht van de op til zijnde gevoeligheden op het politieke toneel.

(Wordt vervolgd)

(J.B., 26 juli 2026)

1Een schromelijk gebrek aan werkelijkheidszin spreekt uit zijn gezegde: “De Belgische bisschoppen hebben schuld bekend (voor de pedofiliezaken binnen de Kerk), met overtuiging, maar dat hoeven we toch niet elke week te doen?’ “ (bron: https://www.knack.be/nieuws/andre-leonard-neemt-ontslag-de-10-meest-opmerkelijke-uitspraken/ )

3 Letterlijk: “Aids is geen straf van God, maar hoogstens een soort immanente gerechtigheid, een beetje zoals we op het ecologische vlak soms de rekening gerepresenteerd krijgen voor wat het milieu aandoen.” (Cf.: https://www.knack.be/nieuws/andre-leonard-neemt-ontslag-de-10-meest-opmerkelijke-uitspraken/ )

4Cf. Dirk Verhofstadt, Een historisch en moraalwetenschappelijk onderzoek naar de morele verantwoordelijkheid van paus Pius XII ten aanzien van de Endlösung der Judenfrage (2010), in 2008 verschenen bij uitgeverij Houtekiet/Atlas onder de titel: Pius XII en de vernietiging van de Joden.

 

Meer van Tisallemaiet

↑ Terug naar de berichten