Het argument
"Zijt gij doorgedrongen tot de schatkamers van de sneeuw?
En hebt gij de schatkamers van de hagel gezien,
die Ik heb opgespaard voor de tijd van benauwdheid,
voor de dag van strijd en oorlog?"
"Er was in het land van Uz een man, wiens naam was Job, en die man was vroom en oprecht, godvrezend en wijkende van het kwaad."
Aldus begint het Boek 'Job', een der mooiste teksten uit de hele wereldliteratuur: er was eens een vroom en oprecht man; hij had alles wat zijn hartje lustte. Maar...
Op een dag bezochten de zonen Gods de Heer, en onder hen was de satan.
"Vanwaar komt gij?", vroeg de Heer.
En de satan antwoordde: "Van een zwerftocht over de aarde, die ik doorkruist heb."
"En hebt gij daar ook Job gezien, mijn trouwe knecht?", zo vroeg de Heer vervolgens.
De satan grijnsde: "Trouwe knecht, zegt Gij? Het is niet lastig om trouw te zijn aan hem van wie men alles krijgt wat men maar verlangt!"
De Heer had de list allang door. Het ongeluk staat immers in de sterren geschreven.
"Gij hebt uw hand maar om te draaien", zo sprak de satan, "om hem al zijn bezit te ontnemen. Wedden dat uw 'trouwe knecht' U dan verwerpt?"
En de Heer sprak: "Goed dan, doe met zijn bezit wat ge wilt, maar laat hem zelf met rust".
"Toen ging de satan van des Heren aangezicht heen".
Een man, niet gering van gestalte, gekleed in een helder gewaad, een uil op de rechter schouder gezeten, een bril op de neus en een kaars in de hand, spreekt:
"De satan is een van de zonen Gods."
Een bries steekt plots op en trekt door de nacht; met geritsel alom beamen de takken aan de bomen deze woorden. De vlam van de kaars flakkert eventjes op.
"Hij is een wetenschapper", zo verklaart de spreker zich nader: "hij wil immers zekerheid; hij wil de proef op de som."
Een nieuwe bries steekt op, nieuw geritsel van takken en twijgen, herhaalde beaming van de wijze woorden, het heropflakkeren van de kaarsvlam.
"Beeldt u zich immers eens heel even in, mijn broeders", zo zegt de man, "dat de zonen Gods zomaar alles lieten begaan: zouden ook de schepselen van de hel de Heer niet aanbidden als Hij hun hel tot een plaats van voorspoed maakte?"
De takken zwijgen, hij laat hen de tijd niet om na te denken en gaat voort: "Maar laten we nu verder lezen..."
Job's sprookje werd aan diggelen geslagen: roversbendes plunderden zijn vee en vermoordden de veehoeders; grote stormen staken op en verwoestten de oogst. Maar Job begaf niet en hij zei:
"De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam des Heren zij geloofd."
Edoch, de satan gaf niet op. Opnieuw bezocht hij de Heer. En wanneer deze hem confronteerde met de volharding van zijn knecht, antwoordde de duivel Hem stoutmoedig:
"Gij weet ook wel dat iemand alles over heeft om zijn vel te redden. Gij hebt uw hand maar om te draaien: sta toe dat ik Job zelf aantast, en ge zult zien: hij zal u niet langer vereren!"
Het ongeluk is altijd voortvarender dan wij kunnen vermoeden, maar de Heer had dit voorzien. Hij sprak:
"Goed dan, gij hebt de beschikking over het lijf van mijn knecht, maar spaar zijn leven!"
"Toen ging de satan van des Heren aangezicht heen, en sloeg Job met boze zweren, van zijn voetzool af tot zijn hoofdschedel toe. En hij nam een potscherf om zich daarmee te krabben, terwijl hij neerzat in de as."
"U merkt het", zo spreekt de man in het heldere gewaad: "een wetenschapper zou geen wetenschapper zijn indien hij de wetenschappelijk methode onrecht aandeed door in zijn experiment niet alle factoren af te zonderen die van invloed kunnen zijn op het eindresultaat van zijn proef."
De uil knikt.
"Maar laten we eens kijken wat er nu gebeurt...", en hij plaatst zijn bril terug op de punt van zijn neus, slaat het boek opnieuw open, en verlicht zijn lectuur met de vlam van de kaars. De bomen en de struiken houden de adem in.
Op dat moment verscheen de vrouw van Job ten tonele. Net zoals ooit Eva, Adam verleidde, zo ook verfoeide zij nu haar man omdat hij de Heer nog langer trouw bleef. Echter in tegenstelling tot zijn voorvader, begaf Job niet, en hij berispte zijn vrouw:
"Zoals een zottin spreekt, zo spreekt ook gij; zouden wij het goede van God aannemen en het kwade niet?"
Intussen hoorden 'de drie vrienden van Job' over het onheil dat hem trof, en zij bezochten hem, en bekloegen hem om zijn lot: Elifaz, Bildad en Zofar.
"En zij zaten bij hem op de grond, zeven dagen en zeven nachten; niemand sprak tot hem een woord, want zij zagen, dat zijn smart zeer groot was".
En nu vervloekte Job de dag van zijn geboorte:
"De dag verga, waarop ik geboren werd;
de nacht, die zeide: Een kind is ontvangen.
Die dag zij duisternis."
"Waarom geeft Hij het levenslicht aan rampspoedigen,
en aan hen die bitter bedroefd zijn?
Zij wachten op de dood, en hij komt niet,
zij graven ernaar, meer dan naar verborgen schatten;
zij zouden zich verheugen tot jubelens toe,
blijde zijn, wanneer zij het graf gevonden hadden."
"U merkt het", zo spreekt de man in het heldere gewaad nu opnieuw, "dat het leed zo zwaar kan zijn dat wie erdoor getroffen worden, de dood zoeken, of wensen nooit geboren te zijn. Maar blijkbaar is dat niet wat de Heer wil."
Elifaz nam nu het woord. "Gij hebt zovelen getroost toen zij leden", zo zei hij tot zijn vriend, "maar nu ge zelf lijdt, zijt ge moedeloos. Waarom hebt ge geen vertrouwen in de Heer die toch rechtvaardig is? Leg uw zaak aan Hem zelf voor, Hij zorgt immers dat recht geschiedt; het komt allemaal wel goed."
Job antwoordde: "Laat de Heer mijn leven nemen", zo zei hij, "want het is alleen nog maar een verschrikking. Waarom beaamt gij dat niet? Hebt gij dan geen medelijden met uw vriend? Ik heb u nooit iets gevraagd, en nu negeert ge mijn klacht, en mijn smeekbede om te mogen sterven... "
Vervolgens nam Job's tweede vriend, Bildad, het woord: "Raaskal nu niet", zo vermaande hij Job: "God is immers rechtvaardig, en als gij oprecht zijt, hebt gij niets te vrezen. Kijk het maar na, het is immers altijd zo geweest: God verwerpt de oprechte niet."
Maar Job antwoordde: "Wie zou ik, een sterveling, wel zijn om God in het ongelijk te stellen! Heus, dat doe ik niet: Hij is voorwaar almachtig, en Hij is aan niemand uitleg verschuldigd. De onschuldige en de schuldige verdelgt Hij. De aarde is in de macht van de goddeloze gegeven, en het aangezicht van haar rechters omhult Hij: doet Hij het niet, wie dan? Ik wil alleen maar van God weten waarom Hij zich tegen mij keert. Ach, was ik maar niet geboren! Hoe verlang ik naar de dood!"
Job's derde vriend, Zofar, richtte zich nu tot hem, minder voorzichtig dan de andere twee: "Durft gij te beweren dat God u onschuldig straft? Ik geloof daarentegen dat Hij nog zaken door de vingers ziet als Hij straft! Wie oprecht is, vreest niet, mijn beste!"
De man in het heldere gewaad onderbreekt hier zijn lezing voor een ogenblik. Hij kijkt op naar zijn trouw luisterend publiek dat stil is nu, en zegt:
"Ge merkt wel, wat nu het grootste onheil is in deze hele geschiedenis: niet het verlies van Job zijn bezit, ook niet het verlies van zijn gezondheid, maar het verlies van zijn vrienden, en hun ontrouw jegens hem. Zij hebben geen medelijden, want ze gunnen hem zelfs de dood niet; maar wat meer is: alle drie suggereren zij - de laatste wat duidelijker dan de andere twee - dat zij er Job stiekem van verdenken dat hij gezondigd heeft en onrecht heeft begaan. Ja, daar zijn ze eigenlijk zeker van. Uiteraard kiezen zij partij voor de Heer, die immers almachtig is. Zij geloven zelf nog steeds in het recht - en dat kunnen zij ook makkelijk doen, zo zou de satan zeggen, zolang zij niet eerst zelf op de proef werden gesteld. Zij spreken nu zoals Job zelf ooit placht te spreken - ooit, dat wil zeggen: vooraleer het onheil hem trof. En zij herinneren hem eraan, dat hij de troostelozen troostte, toen. Job's ergste beproeving, mijn waarde publiek, is dus deze: dat hij dit ongeluk helemaal alleen moet dragen. Niemand, ook zijn eigen vrienden niet, geven hem gelijk. Job heeft nog slechts één ander op wie hij zich nog vertrouwen kan - zij het blind en tegen beter weten in - en dat is de Heer zelf, die - vatte wie het vatten kan - toestaat dat de hele natuur én de wereld hem veroordelen. Zofar noemt hem, onrechtstreeks, zelfs een leeghoofd, en dat moet zwaar aankomen. Hoor maar eens, wat hij tot zijn vriend zegde:
"Als een leeghoofd tot inzicht gebracht kan worden,
kan het veulen van een wilde ezel als mens geboren worden.""
En Job antwoordde: "Gij bespot mij. Denkt gij misschien dat ik van de wijsheid Gods nooit heb gehoord? Zelfs de dieren kennen deze wijsheid."
"Raadsheren zendt Hij barrevoets heen,
en rechters maakt hij tot dwazen.
Boeien, door koningen aangelegd, slaakt Hij
en Hij bindt een band om hun lendenen.
Priesters zendt hij barrevoets heen
en wie vast staan, stort hij neer.
Hij beneemt de spraak aan hen op wie men vertrouwen stelt,
en neemt het onderscheidingsvermogen der ouden weg.
Hij giet smaad uit over edelen
en maakt de gordel van machtigen los.
Hij legt de diepten uit de donkerheid bloot
en brengt de diepe duisternis aan het licht.
Hij maakt de volkeren groot en richt hen ten gronde,
breidt volkeren uit en voert hen weg.
Hij beneemt de hoofden van het volk des lands het verstand,
en doet hen ronddwalen in ongebaande wildernis.
Zij tasten rond in lichtloze duisternis,
en hij doet hen dwalen als een beschonkene."
En Job noemde zijn vrienden nu kwakzalvers: "Uw uitspraken zijn spreuken van as". Job wilde dat ze zwegen - alleen dan zou wijsheid aan hun lippen ontspringen. Hij wilde - hoe dat ook kon aflopen - zijn zaak nu aan God zelf voorleggen. En andermaal betreurde hij dat zijn vrienden hem in verdenking stelden in plaats van hem bij te staan. Hij verlangde nu zelf naar een openbare rechtszaak waarin tenminste gezegd zou worden wat hem ten laste werd gelegd.
"U merkt het", zo zegt de man in het heldere gewaad, "dat Job hier nu bekoord wordt tot die praktijken en methoden die de satan zelf hanteerde en waarmee hij hem 'den duvel' aandeed. Immers, net zoals de satan, gaat Job op zijn beurt vragen om een 'proef op de som', een 'wetenschappelijke methode', een gerechtszaak met argumenten en tegenargumenten, een 'bewijs' van zijn onschuld en zijn trouw. Alsof liefde en trouw zaken waren welke konden gewogen worden met menselijke middelen. Ja, ligt hier niet een mogelijke verantwoording voor het feit dat God uiteindelijk aan de duivel vrij spel gaf om hem te testen? Hier, in het feit dat Job deze test zelf goedkeurde, daar hij hem nu op zijn beurt wenste te hanteren om de trouw van God te meten?"
De bomen, de struiken, de wolken: allen blijven zij geruisloos. Zwijgen is toestemmen. Het heldere gewaad wappert, de bladeren van het boek ritselen, de uil blaast de vlam van de kaars. Ik treed nader om de man nog een vraag te stellen, al is de geschiedenis van Job nog lang niet ten einde. Maar terwijl ik hem nader, bemerk ik dat er geen man te bekennen is. Warempel, het is alleen een stuk lompen dat aan een boomtak hangt te waaien in de wind. En de woorden waar ik zo aandachtig naar geluisterd heb, waren slechts toevallige geluiden, zoals men die hoort in de donkerte van de nacht. Het gebeurt dan wel eens, beangstigd als men is voor rovers, dat men echt meent dat men hun stemmen kan horen, ja, dat men zelfs gelooft te verstaan wat ze precies fluisteren onder elkaar.
[Noot: alleen de cursieve tekstgedeelten tussen aanhalingstekens zijn citaten uit de bijbel (NBG, Amsterdam 1975); de rest van de tekst poogt een synthese te brengen. Alleen de hoofdstukken 1 tot 14 halverwege, uit het boek 'Job', werden behandeld.]
(J.B., Verhalen 2006-2009)
|