Naar de inhoud

Tisallemaiet

Deze blog beoogt een duplicaat en/of een voortzetting van de blog Tisallemaiet (https://www.bloggen.be/tisallemaiet) - © J. Bauwens, Serskamp
akke.beakke.be
Deze blog beoogt een duplicaat en/of een voortzetting van de blog Tisallemaiet (https://www.bloggen.be/tisallemaiet ) - © J. Bauwens, Serskamp

Puffen

Puffen

Puffen is wellicht het werkwoord dat dezer dagen het vaakst gebruikt wordt en het is een klanknabootsing van wie het ongemak laten blijken dat voortkomt uit een tekort aan zuurstof en derhalve aan kracht ingevolge hitte, ozon en nog andere aanverwante mistoestanden resulterend uit het jarenlange in de wind slaan van de waarschuwingen der geleerden inzake klimaat en milieu.

Als de temperaturen voorbij de dertig graden Celsius gaan, spreekt men van hitte en blijven de nachttemperaturen hoog dan bestelen zij ons van de nachtrust nodig om gezond te kunnen blijven functioneren en dan worden wij ziek. De klimaatverandering is inmiddels een onmiskenbaar feit en dertig graden is voortaan te pruimen in het licht van de wetenschap dat nu overal in Europa de kaap van de veertig graden overschreden wordt. Men staat er niet bij stil maar in acht genomen het feit dat onze atmosfeer een heel dun vliesje is over de aarde, is het helemaal niet onmogelijk dat dit nog verder wordt beschadigd en dat de temperaturen overal nog verder oplopen.

En we hebben het hier niet over anderhalve graad, of twee graden, of drie, zoals we het bij overstromingen ook niet hebben over een stijging van het waterpeil met twee, drie centimeter: een overstroming is er plotseling, het is een natuurgeweld dat de kracht van het water etaleert dat in een mum van tijd alles wegspoelt, mensenlichamen inbegrepen. Men moet het eerst meemaken vooraleer men het kan geloven en dat geldt ongetwijfeld ook voor wat wij vooralsnog niet meemaakten, het geldt voor wat we misschien slechts eenmaal kunnen meemaken: het plotselinge uit de pan springen van de temperaturen op aarde.

Want dertig graden mag dan heet zijn en veertig nog lastig met airco te bestrijden: wat zullen we doen als eensklaps onze thermometers het niet meer meten kunnen? Andermaal: dertig is heet, veertig doet puffen maar de temperatuur van de zon bedraagt zestien miljoen graden Celsius en vergeleken bij die hitte is een verschil van tien graden op aarde, of laat het nog honderd graden wezen, helemaal niks. Dit maar om te zeggen dat een plotselinge hittegolf die in een mum van tijd het water van de oceanen aan de kook brengt, alles behalve onmogelijk is: wij kunnen het niet denken omdat het bij ons beste weten nog nooit werd geregistreerd maar dat geldt ook voor alle mogelijke rampen in de verleden tijdspanne van biljoenen jaren welke ontsnapt aan ons simpele ken- en voorstellingsvermogen.

De waarheid is dat het zeewater niet hoeft te koken om alle leven op de aardbol ongedaan te maken: een stijging van de gemiddelde temperatuur met een paar graden ingevolge (alsnog in te perken) menselijke activiteit gemeten aan de hand van CO.2-uitstoot, volstaat ruimschoots om het leven helemaal te destabiliseren op een manier die nimmermeer te corrigeren valt en dat is een wetenschappelijk feit dat wordt herhaald, rondgebazuind, bevestigd door de waarnemingen en... keer na keer geloochend door piraten-nitwits aan de macht die ermee doorgaan drones en raketten in het rond te spuiten dat het een lieve lust is. En het gaat hier nota bene om een handvol onverbeterlijke criminelen, gestoorde lui die alleen maar gehoor geven aan primitieve vernielzucht en die men om de een of andere reden maar niet achter de tralies krijgt.

(J.B., 26 juni 2026)

https://nl.wikipedia.org/wiki/Bestand:Moeten_we_ons_voorbereiden_op_een_nieuwe_ijstijd.webm

 

Vervelende waarheden

 

Vervelende waarheden

3366171-7aef8b34c6c4691ff3304c8dbb2d62d4.jpg

Ongeëvenaard zijn de taferelen waarin het van seniliteit verdachte presidentschap van de machtigste staat op aarde haar onder een ingebeelde triomfboog doorglijdende Führer zich in alle bochten laat wringen om een mouw gepast te krijgen aan de waarheid waar die ook maar een tikkeltje te vervelend wordt. Er is de Epstein-affaire met betrokkenen uit alle hoogste kringen, er is de haat tegenover inwijkelingen en andersdenkenden maar ook tegen het eigen volk, er zijn de vele oorlogen die bergen lijken opleveren en schulden die middels afpersing van 'bevriende' staten zullen worden afbetaald. Edoch, deze piratenregering is geen unicum, haar voorganger en schijnbare tegenpool droeg van hetzelfde laken een broek met de corona-affaire die volgens meer geleerden de rode loper voor de huidige derde wereldoorlog was. En gaat men terug in de geschiedenis dan blijkt dat het nooit anders was.

“Spiegeltje, spiegeltje aan de wand, wie is de mooiste van het land”, uit een oeroud sprookje, te boek gesteld door de gebroeders Grimm. “De nieuwe kleren van de keizer” van de Deen Hans Andersen. Of waarom niet uit eigen land, “Tijl Uilenspiegel” zoals herschreven door Charles De Coster die zijn publiek laat applaudisseren voor een leeg doek?

“Uilenspiegel stond voor het dichtgesloten gordijn.

—Doorluchtige Landgraaf, sprak hij, en gij, mevrouwe de Landgravinne, en gij, hertog van Luneburg, en gij allen, schoone damen en dappere kapiteins, achter dit gordijn heb ik, op mijn beste, uw lieve of krijgshaftige gezichten geschilderd. Een iegelijk zal zich dadelijk herkennen. Gij zijt nieuwsgierig uw konterfeitsel te zien; ’t is redelijk, doch verweerdigt u geduld te nemen en laat mij nog een woord of vijf zeggen. Gij, schoone damen en dappere kapiteins, die allen van edelen bloede zijt, kunt mijn schilderwerk zien en bewonderen, maar mocht onder u zich iemand bevinden van onadellijk bloed, niets zou hij zien dan een witten muur. En nu, verweerdigt U uwe doorluchtige oogen te openen.

Uilenspiegel schoof het gordijn weg.

—Alleen de edelen kunnen iets zien; lieden van gemeene afkomst blijven blind voor dit kunststuk.

Al de hovelingen sperden de oogen open, gebaarden in bewondering te staan, zich zelven en anderen wederzijds te herkennen, doch in werkelijkheid zagen zij niets dan een naakten muur, hetwelk hen gansch onthutste.

Doch de nar die aanwezig was, sprong drie voet hoog, en, zijn narrenstok zwaaiend, sprak hij:

—Men mag mij uitmaken voor boer, en daarenboven voor schurk, voor deugniet, maar ’k zal het roepen en schreeuwen van de daken, dat ik daar een witte muur, een naakten muur, een blooten muur voor mijnen neus heb! Zoo helpe mij God en alle zijne santen.

Uilenspiegel sprak:

—Als de zotten spreken, is ’t tijd dat de wijzen optrekken.

Hij wilde het paleis verlaten, als de landgraaf hem tegenhield.

—Snaak, sprak hij, die overal gaat en komt om het schoone en goede te prijzen en luidkeels te spotten met de dwaasheid; gij, die in tegenwoordigheid van zooveel grooten der aarde, als man uit het volk, zoo onbermhertig dorst spotten met hunne blazoenen en voorrechten, gij zult eens gehangen worden om uw stoute tong.”1

(J.B., 24 juni 2026)

1Charles De Coster, De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders, hoofdstuk 57, in een Nederlandse vertaling van René de Clercq (liederen) en Richard Delbecq (proza) uit 1919. Zie: https://www.gutenberg.org/cache/epub/11208/pg11208-images.html (Oorspronkelijk: La légende et les aventures héroiques, joyeuses et glorieuses d'Ulenspiegel et de Lamme Goedzak au pays de Flandres et ailleurs, 1867.)

 











Wetten

Wetten

We moeten er niet vanuit gaan dat alle mensen goed zijn want doen we dat dan worden we om de haverklap bestolen; als toerist in een vreemd land of alleen maar in een stadskwartier met een exotische tint door niet vertrouwde talen, kan je het wisselgeld natellen als je wat koopt maar verder heb je geen verhaal als geen gevolg gegeven wordt aan je kritiek. Dat kost één euro, zei je, ik heb betaald met twintig euro en kreeg er zes terug!? Dan hebt u fout geteld mevrouw. En daar staat zij dan, geen mens heeft het gezien, gehoord, gesnopen maar naar haar overige dertien euro kan zij fluiten. Hier kom ik nooit meer, denkt ze en aldus wordt het beschaafde stadsdeel weer een stukje kleiner en de jungle wint veld.

De inzet van camera's en de technologie van de gezichtsherkenning zorgen weliswaar voor nu en dan een kleine trofee maar de techniek blijkt allerminst in staat om de sociale controle van weleer bij te benen, alleen al omdat alras de kleinste kinderen weten waar de camera's hangen, wie zij wel en niet kunnen bestelen en hoe men handelen moet om niet gevat te worden: tasjesdieven, malafide commerçanten en toneelspelers allerhande bewaken eigen territoria die het overleven proberen te garanderen en zo delen zij in het lot van steeds meer volkeren in een stilaan overbevolkte wereld.

Hoe ooit kon mevrouw haar dertien euro opeisen, laten we zeggen in een rechtbank waar ze een klacht neerlegt tegen een allochtoon, een twaalfjarige met een lichaamsgewicht dat amper de helft bedraagt van dat van haar eigen twaalfjarig kind, uiteraard omdat het niet half zoveel te eten heeft daar het afstamt van illegalen, weggevlucht uit een door het beschaafde westen gekoloniseerd land waar nu een oorlog uitgevochten wordt tussen Russen en Amerikanen met deze lichtgewichten als huurling aan het front omdat zij geen keuze hebben?

De jungle van de malafide handelaren die in de beschaafde metropolen steeds grotere stadsdelen controleren blijkt klein bier vergeleken bij de jungle door het zogenaamd beschaafde werelddeel geschapen ter gelegenheid van een 'kerstening' welke een plundering verkapt en vaak ook een genocide.

We moeten er niet vanuit gaan dat alle mensen naïef zijn want doen we dat dan worden we om de haverklap bestolen. We moeten weten dat ooit gemaakte bergen schuld, al is het lang geleden en al is het is den vreemde ver van hier, vereffend willen worden volgens een wet die alle rechtspraak in haar schaduw stelt en die zal zegevieren naar gelang de tijden op hun einde lopen.

(J.B., 24 juni 2026)






De hemel en de afgrond

De hemel en de afgrond

In de tijd dat ons, ons nog kende, was wie uit een eerder liberaal gezin kwam, een vreemde eend in de bijt van de groep rekruten jeugdschrijvers die werden uitgenodigd in de abdij van Averbode. Het geluk dat alleen schrijvers kennen bij het zien verschijnen van hun eerste stukjes: in de jeugdmagazines van de uitgeverij alsook in katholieke kranten en in de door de grote voorbeelden, John Flanders alias Jean Ray en Cyriel Verleyen gespijsde reeks der Vlaamse Filmpjes. Zo was Project Jota een verhaal over een uit de hand gelopen wetenschappelijk experiment met de AEZ-14 schimmel die in de marge van het manuscript het commentaar van “nogal vergezocht” kreeg opgeplakt en de volgende dertig inzendingen van dezelfde auteur werden niet meer opgenomen in de reeks. Vreemd, als men bedenkt hoe actueel het thema intussen wel werd maar tevens vreemd in acht genomen het feit dat de leiding van de bewuste abdij waar de uitgeverij zetelde, nog steeds 's lands centrum voor exorcisme is.

Vergezocht? De kerk en de duivel: ziekten welke hardnekkig voor bezetenheid moeten blijven doorgaan en artsen die een stap opzij zetten voor 'erkende duiveluitdrijvers'. Erkend, weliswaar alleen maar door de kerk maar elk protest vanwege medische en juridische korpsen bleef wel achterwege bij de uitvoering van navenante gruweldaden die niet moesten onderdoen voor de foltertaferelen afgebeeld door middeleeuwse miniaturisten, nog te bezichtigen in Brugge, die Schone.

Edoch niet alleen psychische aandoeningen werden lange tijd beschouwd als demonische bezetenheid, ook het van de norm voor seksuele voorkeur afwijkend gedrag werd door de kerk hardhandig aangepakt en dat wil zeggen met geweld en meer bepaald met lichamelijke verminking van meer specifiek de edele delen, zoals dat nu nog altijd in het jodendom en in de islam gangbaar is. De katholieke kerk hield het niet bij besnijdenissen maar voerde heuse castraties door, onder meer bij gezonde en allerminst criminele mensen met een homoseksuele aanleg en voor de ingreep in kwestie werd men doorverwezen naar specialist dokter Aimé Wijffels, in het Nederlandse Heiloo die met zijn vele honderden ontmanningen gouden zaken deed.1 Pas na luid protest van zelfhulpgroepen en van enkele gerenommeerde schrijvers van wie het werk op de index der door de katholieke kerk verboden geschriften stond, werd in de jaren zeventig van de vorige eeuw aan de criminele praktijken een halt toegeroepen.

Kennelijk echter blijft het gros der mensen onderontwikkeld, wellicht in hoofdzaak doordat wie geleerd zijn, ook aan het eind van hun dagen zijn beland en worden vervangen door onwetende kinderen. Demonisering immers rukt in sneltempo weer op, hand in hand met uiteraard kerk en geloof, vermeende heldenmoed bij de onderdrukking van anderen en een kersvers elitarisme dat in wezen een verkapt egoïsme is, aangevuld met de nodige misvattingen waaraan het leeuwendeel der ongeletterden onderhevig blijken. Koploper in dezer is vandaag de V.S. die onder het bewind van een bende piraten een gewisse afgrond tegemoet ijlt.

(J.B., 23 juni 2026)

1 Zie: Thys, Erik. (2015). Psychogenocide. Psychiatrie, kunst en massamoord onder de nazi's, Epo, Berchem, alsook: https://www.standaard.be/weekend/het-nederlandse-heiloo-schuiloord-voor-pedopriesters/42862828.html

 







Verbondenheid---

 

  1.  

    Verbondenheid

    In kapitalen siert het woord een steeg langsheen een herberg, de voorbijganger leest het onwillekeurig en denkt er even onwillekeurig een ogenblik over na: verbondenheid, het klinkt zoals veiligheid, maar als ik vraag aan mijn correspondente of zij veilig is, nu ze over een nakend warmte-onweer heeft bericht in de Dolomieten waar zij toeft, luidt het ontnuchterende antwoord: “Veilig? Nooit, en jij ook niet.” Derhalve vraagt men zich af of men ooit wel verbonden is.

    Kennis is pas eigenlijk als die tot actie aan kan zetten en dat geldt evenzeer voor verbondenheid: als de batterij van de iPhone het begeeft, toont zich de onoverbrugbaarheid van de afstanden die wij dachten weggewerkt te hebben. Als wij alleen maar met getikte zinnen in contact stonden met elkaar en als we bovendien elkaar ook nooit fysiek zouden ontmoeten, waren we vervangbaar door robots, wat betekent dat wij er dan evengoed helemaal niet hadden kunnen zijn. Het vleselijke lichaam of het leven is waar het allemaal om draait en al de rest zijn mooie spinsels die met even mooie woorden een bestaan opeisen dat in feite pure fictie is. Cultuur, communicatie, satellieten: het is uiteindelijk alleen ons rauwe vlees dat er een zin aan geeft.

    Want dat is het gevaar van deze 'cultuur': dat hij ons van onze lichamen doet vervreemden, dat hij ons laat geloven dat wij geesten zijn, ja, spoken voor wie louter woorden volstaan terwijl het lichaam er helemaal niet toe doet. Men heeft allerlei zaken uitgevonden die ons in extase brengen of dus buiten onszelf, zodat wij naast onze schoenen lopen. We hoeven geen honger meer te hebben en geen dorst en er zijn pillen die elk pijntje stillen en er is Bach, er is Dostojewski en er is Lippeveld maar ach, zo wordt de mens van vlees en bloed vergeten die gaat geloven dat voedsel, beweging en dergelijke zaken meer voor primitieven zijn.

    Nota bene: wij zijn primitieven of wij zijn niet!

    (J.B., 22 juni 2026)

  2. 3366133-a8442c82eae7121232ad67ad88253264.jpg






Drijfzand

 

  1. Drijfzand

    Men verneemt dezer dagen vaker dat de werken aan een bouwsel moeten onderbroken worden wegens verzakkingen en meestal kan het hele zaakje alsnog rechtgetrokken worden maar als de fundamenten waarop een mensenleven is gebouwd, wankel blijken of vals, zijn de brokken niet zo makkelijk te lijmen. En waar de grondslagen van het leven ter sprake komen, moet men denken aan mens- en wereldbeelden, aan ideologieën en religies. 

    De vraag rijst waar mens- en wereldbeelden dan vandaan komen, of beter: de kwestie of zij ontstaan vanuit een aan de mens inherente nood ofwel of zij ons worden opgedrongen. Het antwoord is complexer dan de vraag: als mensen de handen vol hebben met werken om den brode, zijn metafysische speculaties zeker niet de eerste zorg maar het leidt geen twijfel dat primitieve volkeren in nood soelaas zoeken in de aanroeping van wat men kon bestempelen als ‘hogere machten’ en als het antwoord op die aanroepingen uitblijft, zullen er wel altijd gewiekste lieden opduiken om voor buikspreker te spelen en voor souffleur.

    Tegen een kleine vergoeding uiteraard, die zeker niemand zal misgunnen aan wie alsnog troost weten te bieden aan arme lui in tijden van hoge existentiële nood. Want het lijden en de eindigheid van het bestaan kunnen geen klein bier worden genoemd door wie het klappen van de zweep al hebben moeten leren kennen en er wordt aardig wat vindingrijkheid en talent vereist om dan, in fel contrast met het gezond verstand, alsnog uitgelegd te krijgen dat het lijden een kostelijke illusie is en het leven eeuwigdurend. Dat immers is wat de zogenaamde kerkvaders presteerden in de naar hen genoemde periode van de patristiek en later ook ten tijde van de scholastiek, waar de wondere Thomas Aquinas de kroon spande. 

    Over hem wordt gezegd dat hij zijn werken dicteerde aan zeven scriptores tegelijk, elk van hen schreef een apart hoofdstuk en de geleerde sprong aldus moeiteloos over van het eerste naar het tweede en dan naar het derde hoofdstuk en zo verder tot en met het zevende, voor het dicteren van de openingszin. Vervolgens keerde hij voor het dicteren van de tweede zin terug naar de scriptor van het eerste hoofdstuk, dan naar de tweede, de derde en zo verder, de hele dag lang tot een stuk in de nacht. Op een andere manier immers kan geen mens uitgelegd krijgen hoe de theoloog er kon in slagen om in net geen vijftig levensjaren een oeuvre te creëren dat enkele meters boeken in de rekken van onze universiteitsbibliotheken beslaat - een slordige twintig duizend bladzijden. Alleen een figuur zoals Johann Sebastian Bach deed het hem na, alleen wordt van deze laatste niet gezegd dat hij kon leviteren, al doet hij met zijn muziek nog steeds, en wellicht tot aan het einde van de tijden, alle melomanen zweven. 

    Maar op een dag komt men er onherroepelijk achter dat de theologische constructies van de heiligen op louter drijfzand steunen en wel omdat vervelende professoren er tegen wil en dank toe komen middels gedegen historisch onderzoek, dat van een intrede in de geschiedenis van de godheid zelf nog altijd geen enkel bewijs geleverd werd. Uiteraard worden de brengers van de nare want zo troosteloze mare verketterd, al kunnen zij het helemaal niet helpen dat het de waarheid is waarvan zij bezeten zijn en als de waarheid god is, dan zijn zij van god bezeten en heeft die bezetenheid ervoor gezorgd dat zij de openbaring naar de prullenmand hebben verwezen. Samen met de stoeten wonderbare leugenaars, incluis de ijverige Thomas van Aquino. Van Bach blijft men uiteindelijk alsnog houden zoals men houdt van al het schone - dat dikwijls met het ware vloekt.

    En de ontdekking waarvan sprake is uiteraard niet niks: het is de ontsluiering van een geheim gehouden leugen omtrent de grond van ons bestaan en over de zin van al ons streven. De ontdekking van het metafysisch drijfzand… die paradoxaal genoeg voor de meesten onder ons helemaal geen mijlpaal zal betekenen want wij weten dat bijvoorbeeld de getuigen van Jehovah die al talloze keren het einde van de wereld hebben voorspeld, gewoon doorgaan met geloven omdat zij steeds weer nieuwe uitleggingen weten te verzinnen zoals alle leugenaars dat doen sinds het begin der tijden. 

    Drijfzand, inderdaad, maar kijk vanavond als het helemaal donker is eens naar de sterrenhemel en vraag u af of er een meer ontwrichtend drijfzand kan bestaan dan dat van het lege en ijskoude firmament dat zelfs in de blikken van de krekels en de vissen valt.

    (J.B., 19 juni 2026)

     

 





Het geheel en de delen: burgers van andere werelden

 

Het geheel en de delen: burgers van andere werelden 

De zomer doet zijn intrede en daar zijn de hittegolven al; zoals voorspeld zullen zij begeleid worden door stortregens met navenante overstromingen en dat is dan één van de vele rampzalige gevolgen van wat men verkeerdelijk overbevolking noemt want in feite gaat het hier om overconsumptie, een kwaad dat sterk samenhangt met een economie die moet blijven groeien, zoals dat het geval is met de kapitalistische. Eén procent van de mensen verbruikt evenveel als de overblijvende negenennegentig procent, wat betekent dat mits matiging van het verbruik de aarde in staat is om nog veel meer mensen te dragen dan heden het geval is. Maar dat betekent uiteraard geenszins dat de draagkracht van de aarde oneindig groot is, al kan er wel meer ruimte worden geschapen door bijvoorbeeld de vleesconsumptie te beperken. 

Overbevolking is er nog niet maar het kan komen en in dat geval doet zich een bijzonder ethisch probleem voor dat, zoals de geschiedenis uitwijst, door onze politici meestal helemaal niet wordt begrepen. Het heeft te maken met een misvatting die we al enkele keren mochten bespreken en die hardnekkig en rampzalig genoeg is om dat andermaal te doen. Het gaat om het probleem dat in de wiskunde of in de logica bekend staat als het bollenprobleem en dat, meer algemeen, het waarschijnlijkheidsrekenen domineert. Het geheel is namelijk niet gelijk aan de som van de onderdelen maar wat meer is: de eigenschappen die toepasselijk zijn op de onderdelen hebben geen uitstaans met de eigenschappen van het geheel, al lijkt het vaak zo, en die illusie is een bron van miserie.

In het verleden haalden we in dit verband al de voorbeelden aan van de zogenaamde volksgezondheid en van de ‘gezonde’ economie. Adolf Hitler verving de artsen door beulen en naar zijn inzicht kwam dat de volksgezondheid ten goede. Voor de slechte verstaander: als alle zieken worden vergast, zal de gezondheid van de gemiddelde burger erop vooruitgaan. Evenzo gaat de economie erop vooruit als de mensen meer produceren en meer consumeren. Maar de zaak is dat de gemiddelde burger een fictie van jewelste is en dat de economie niet eindeloos kan opgedreven worden. De gemiddelde burger is de norm maar het enige normaal is de afwijking van de norm - ziedaar de paradox. Het opdrijven van de productie en van de consumptie helpt de economie vooruit maar dan wel in de richting van haar totale instorting en van het einde van de mens. 

In de genoemde gevallen bestaat het kwaad in een (weliswaar verkapte) zogenaamde middeldoelomkering: een volk is geen menselijk lichaam en heeft derhalve helemaal geen gezondheid: het gebruik van die term voor zowel de mens als voor het volk, schept een nooit goed te praten verwarring. De economie is een instrument van de mens en niet andersom: dat wij de economie nodig hebben, maakt haar helemaal niet belangrijker dan de mens en op cruciale momenten moeten wij haar - ten bate van onszelf - kunnen loslaten. 

En dan is er de parabel van de splinter en de balk of het onvermogen om het kwaad dat we bij anderen vaststellen, ook bij onszelf te zien: Hitler wordt heel terecht veroordeeld voor zijn kortzichtigheid maar als wij niet aandachtiger toekijken, dreigen wij precies dezelfde dramatische stommiteiten te begaan want vandaag leest men in de pers bijvoorbeeld dit: ‘Voor het eerst proberen Europese leiders mensenrechten af te zwakken in plaats van uit te breiden’ (1) Migratie zou niet goed zijn voor de economie (wat tussen haakjes op zich al een foute opvatting is) en derhalve dienen mensenrechten eraan opgeofferd te worden. De auteur van het artikel in kwestie waarschuwt dat niet alleen migranten bedreigd worden maar ook vele andere groepen. In feite al wie afwijken van de norm, en dat is zonder uitzondering dus iedereen. 

(J.B., 18 juni 2026)

(1) 

  1. https://www.mo.be/analyse/voor-het-eerst-proberen-europese-leiders-mensenrechten-af-te-zwakken-in-plaats-van-uit-te-breiden?utm_campaign=eMO&utm_medium=newsletter&utm_source=email 

 





Over het (on)herbergzame

 

Over het (on)herbergzame

“Als Zarathustra dreißig Jahre alt war, verließ er seine Heimat und den See seiner Heimat und ging in das Gebirge. ” (1)

Naar het voorbeeld van de grote Duitse wijsgeer en dichter Friedrich Wilhelm Nietzsche, trekken steeds meer mensen de bergen in. Misschien niet zozeer om daar in het gebergte te vertoeven maar wellicht veeleer om de lagere regionen te ontvluchten. Uiteraard begrijpe men dit alles in de figuurlijke zin en niet letterlijk zoals Adolf Hitler deed met zijn arendsnest van waaruit hij in zijn waan van hoogheid neer kon kijken op de wereld aan zijn voeten. Ook onderscheidt zich dit gedrag van de zogenaamde ‘cocooning’, waarmee in 1981 de futuristische schrijfster en trendsetter Faith Plotkin (NYC, 1943) een zich terugtrekken in de eigen knusse woonst ver van de drukte heeft beoogd. Bij de drang om zich terug te trekken in de bergen moet men daarentegen veeleer denken aan de verzuchtingen der heremieten: anders dan de cocooners die een knus verblijf creëren voor zichzelf, begeven kluizenaars zich in het on-herbergzame, een beetje zoals de Nazoreeër deed die zich geregeld terugtrok in de woestijn, en wel omdat zij zijn gaan inzien dat de herbergzaamheid van de cultuur waarin wij heden leven, eerder bedrieglijk is. Liever de authentieke onherbergzaamheid dan een oneigenlijke hospitaliteit.

Vals is immers de herbergzaamheid van het moderne dat louter materieel van aard is en dat de ziel vergeet, de vrede des harten en de rust die voortkomt uit het zich verzoenen met de eenvoud. Uiteraard naast haar selectiviteit want, eigen aan de vermeende thuis die het moderne leven zegt te bieden, zijn de muren die de bewoners ervan afschermen voor het lugubere prijskaartje dat eraan vasthangt en dat het leven en het welzijn aangaat van degenen die van onderdak verstoken moeten blijven. De gastvrijheid immers welke ons moet herbergen, blijkt bijzonder conditioneel; kennelijk kent zij geen ‘erbij horen’ zonder de praktijken van de uitsluiting; kennelijk ontspringt zij aan een polarisering die zij bovendien in de hand werkt; haar inclusie vergt een exclusie; haar ‘wij’ bestaat niet zonder een ‘zij’ en zo bestendigt zij een oorlog, zoniet een geïnstitutionaliseerd geweld.

In het woord ‘herbergzaamheid’ zit het woord ‘berg’ ingesloten: de bergen zijn hetgeen onze vallei omringen en derhalve mogelijk maken; de bergen zijn de muren van de burcht waar wij geborgen zijn, de muren van ons huis, van onze thuis. Zij schermen ons af van allerlei vijandelijkheden waaraan wij onderhevig zijn door onze kwetsbaarheid. Maar muren schermen ons ook af van het licht als zij geen vensters hebben en geen deuren en in het donker zijn wij vanzelfsprekend extra fragiel. Het juiste evenwicht waarover de Antieken spraken, blijkt een devies dat tijdloos is. 

Door ons te verplaatsen in een wildernis die authentiek is, helpen wij het empathische vermogen in onszelf om te begrijpen hoe nefast exclusie inwerkt op het gemoed van wie in onze herbergzaam geachte oorden alle werk opknappen zonder waarachtige gastvrijheid te genieten, zonder erbij te mogen horen. In het onherbergzame van de hoge bergen staan wij bloot aan een natuur die helemaal geen mededogen kent en die daarom gelijkenis vertoont met het onmenselijke in onszelf dat aan het recht van de sterkste alle lof toezwaait zolang het onszelf maar niet belaagt. In de authentieke jungle leren wij het onbeschaafde en het onbeschofte kennen dat, woonachtig in het eigen ‘heart of darkness’, maakt dat de welluidende gastvrijheid die wij aanbieden aan zekere genodigden, met een even lelijke uitsluiting wordt betaald van wie slechts welkom zijn om in het geniep te worden bestolen.

We moeten terug naar de natuur, verder weg van de hedendaagse cultuur die er geen is. Pas in de wildernis kan men het zien, hoe giftig onze steden zijn; pas bij het aan het werk zien van de naarstige bijen die de aarde vruchtbaar houden en de talrijke bomen die ons van zuurstof voorzien bij elke nieuwe ademteug, ziet men waar het echt op aan komt. Het gedoe van wat ze beschaving noemen, blijkt voor het overgrote deel een gigantisch bedrog. Met als kersen op die taart, Sintertrump en Sintermusk met hun door ons aller noeste arbeid te financieren superbommen. De mensen beseffen het niet meer omdat ze allemaal vergiftigd zijn en ziek. 

(1) F.W. Nietzsche, Alzo sprach Zarathustra, Vorrede, eerste zin.

(J.B., 15 juni 2026)





Is het waar dat alles verdwijnt? - Over de fataliteit van het leven

Is het waar dat alles verdwijnt?

Over de fataliteit van het leven

Van Herakleitos, een van de alleroudste filosofen, is de uitspraak panta rei alom bekend, wat letterlijk betekent: alles stroomt, alle dingen veranderen of niets blijft hetzelfde. Alles verandert maar evenwel wordt niet gezegd dat alles verdwijnt en dan rijst de vraag of het ene dat in het andere veranderd is, dan niet echt verdwenen is. Het lijkt weliswaar een woordenspel maar het blijkt ernst van zodra men zich realiseert dat ‘verandering’ misschien wel een eufemisme is voor ‘verdwijning’ of ‘vernietiging’. Die vrees wordt bovendien gevoed door de steeds meer veld winnende overtuiging dat wie geloven in het eeuwig leven, zich wat op de mouw laten spelden. 

Het verlies van geliefden gaat gepaard met een leed dat weliswaar slijt door de tijd maar dat nimmer geheel kan verdwijnen omdat de wens dat zij terugkeren nog nooit werd ingelost. Troost wordt gezocht in de verklaring dat de doden in hun nakomelingen worden herboren maar iedereen weet dat nakomelingen nieuwe en andere mensen zijn: zij kunnen gelijken op hun voorouders maar gelijkenissen zijn even bedrieglijk als luchtspiegelingen en pareidolie. Bovendien herkennen de nakomelingen de geliefden van hun voorzaten helemaal niet en zogenaamd gereïncarneerden zijn door de band ook niet in staat om zich hun vroegere levens voor de geest te brengen. Materie en energie worden voortdurend gerecupereerd maar uitgerekend hetgeen voor ons het meest waardevolle is, glipt ons zoals water door de vingers. 

En dat komt doordat leven, bewegen is en stilstand de dood. Beweging is verandering, in de beweging gaat het ene over in het andere en alleen op die manier kan er beweging zijn. Hetgeen waar wij belang aan hechten, wat betekenis heeft voor ons, dat waarvan wij houden en dat ons zo dierbaar is, is niet de stilstaande materie, het beeld, de prent of de onveranderbare herinnering maar het is een zich uitsluitend in een voorbijgaande beweging manifesterende gestalte. Wij nemen er kennis van, we hechten ons eraan, we willen ze vastgrijpen en ze naar ons toe trekken, ze bezitten en bewaren, ze koesteren en aaien maar terwijl we dat doen en precies doordat we dat doen, onttrekt zij zich aan onze greep en aan ons zicht terwijl wij ons alleen nog een herinnering daaraan voor de geest kunnen brengen - de geest, die leest op bladen die niet echt bestaan dan in een soort van dromen welke evenwel aan de werkelijkheid ontsproten zijn.

Pas als de dingen voorbij zijn, is het hun afwezigheid die ze voor ons aanwezig maakt zoals dat nooit voordien het geval was en zoals dat ook nooit voordien het geval kon zijn omdat het gemis de voorwaarde is voor het daadwerkelijke aanvoelen van het wezenlijke van wat ons te beurt viel. Wij ontmoeten onze geliefden zoals nooit voordien als zij er niet langer zijn, zoals we ook een symfonie pas ten volle kunnen kunnen appreciëren als zij eerst werd uitgevoerd tot de allerlaatste noot. Zij is dan voorbij maar zij is niet verdwenen omdat zij in de herinnering blijft bestaan: onze geest is in staat om ze opnieuw op te roepen, precies zoals ze eenmaal was, met al het goede en het exalterende eraan maar ook met alle soms pijnlijke tekorten. Zij is dan niet meer veranderbaar, zij blijft zoals zij eenmaal was, voor eeuwig en altijd. 

(J.B., 14 juni 2026)






Informatie, desinformatie, ruis - Over het zwarte gat van de huidige tijd

Informatie, desinformatie, ruis

Over het zwarte gat van de huidige tijd

Men zegt ons dat wij leven in het informatietijdperk, het tijdperk van de kennis en kennis is wat resulteert uit feiten en gegevens die verwerkt geworden zijn, waarbij die verwerking energie vertegenwoordigt en derhalve geld en macht. Elon Musk, over wie gezegd wordt dat hij de rijkste mens ooit is, dankt zijn rijkdom aan geld en macht en derhalve aan het bezit van informatie of kennis. In feite beschikt hij over waarheid, wat betekent dat hij de waarheid kent en dat hij dus in staat is om te liegen want alleen wie geïnformeerd zijn, kunnen (anderen) desinformeren, op het verkeerde been zetten, om de tuin leiden en in hun greep houden. De machtigen der aarde zijn zij die geïnformeerd zijn en als zij hun macht uitbreiden, dan doe zij dat door te liegen: zij spreken de waarheid als het hen zo goed uitkomt maar als het in hun kraam past, dan liegen zij er op los en zij houden de touwtjes in handen doordat alleen zij, doordat zij kunnen liegen, de waarheid van de leugen kunnen onderscheiden. Zij weten wat zij doen terwijl alle anderen er op los gokken. Doordat zij machtig zijn, winnen zij sowieso het vertrouwen van alle anderen die immers geen andere keuze hebben en dat vertrouwen misbruiken zij - uiteraard doen zij dat niet altijd, zoals een leugenaar niet altijd liegt: zij doen het zoals het hen best uitkomt. Informatie en desinformatie, het officiële nieuws en de zogenaamde samenzweringstheorieën, de waarheid en de nepwaarheden, de wereld van factcheck en van nep-factcheck, het kluwen van regels en uitzonderingen, de handel in waarheden en in leugens. 

Maar er is niet alleen informatie en desinformatie, er is ook nog een derde ding in het geding, een ding dat minder opvalt dan de twee genoemden maar dat wellicht nog veel belangrijker is om te herkennen omdat het gaat om een realiteit welke elke andere werkelijkheid dreigt op te slorpen, zoals zwarte gaten dat met materie doen in de mysterieuze kosmos van de sterrenkundigen.

Omdat informatie pas informatie is op voorwaarde dat wij er wat kunnen mee aanvangen, zijn gegevens, en ook en vooral ware gegevens, waarmee wij helemaal niets kunnen doen, geheel nutteloos en nutteloze informatie wordt ook wel ruis genoemd.

In zijn Kritik der Grundlagen des Zeitalters. (Nijhoff, Den Haag 1974) ziet de Duitse fenomenoloog Rudolf Boehm de menselijke betrachting naar kennis omwille van de kennis of dus het streven naar kennis als doel op zich, wat de essentie is van de wetenschappen, als de formule bij uitstek voor het bereiken van het ongeluk. Waar de wetenschappen de wiskunde als voorbeeld nemen, lijken zij te vergeten wat reeds René Descartes van zijn melk bracht, namelijk het feit dat wiskundige waarheden ons over de werkelijkheid helemaal niets vertellen. Dat de som van de hoeken van een driehoek altijd honderdtachtig graden is, is waar in de wereld van de wakkeren maar die waarheid geldt evenzeer in de droomwereld, wat in feite betekent dat de wiskunde zich niets aantrekt van het onderscheid tussen werkelijkheid en droom en dat maakt de wiskundige waarheden uiteraard nietszeggend. De wiskunde is een spel dat zich ontvouwt vanuit eenmaal vastgestelde axioma’s maar die hebben geen betrekking op de werkelijkheid: ze worden afgesproken en alles wat eruit voortkomt, zat er al in. Waar de wetenschappen de wiskunde als model hanteren, zijn zij in hetzelfde bedje ziek. Zij geven beschrijvingen van de werkelijkheid, die afbeeldingen zijn, en zij verlangen op de koop toe dat onze kennis zich naar die afbeeldingen richt, zich op die afbeeldingen afstemt, in plaats van op de werkelijkheid zelf. 

Edoch, kennis mag dan al niet onwaar zijn: als zij geen gevolgen heeft voor ons handelen, is zij volstrekt nutteloos. Dat er in het centrum van onze zon een wonderbare muis woont die perfect bestand is tegen de hitte, zou wel eens een waarheid als een koe kunnen wezen maar dat kan niemand interesseren om de heel eenvoudige reden dat het al dan niet waar zijn van dat verhaal, geen enkel gevolg kan hebben voor onze handelwijzen. Het kan waar zijn en het mag dan ook nog een bewezen waarheid zijn: omdat wij er helemaal niets kunnen mee aanvangen, is die informatie nutteloos - zij is ruis.

Maar de ruis waarvan sprake is niet alleen nutteloos en dat is hier nu het punt: de ruis waarover wij het hebben is bijzonder schadelijk. En zij is schadelijk, precies omdat wij haar voor nuttig houden en dat laatste doen wij omdat wij er verkeerdelijk vanuit gaan dat waarheid sowieso nuttig is. 

De diepe waarheid van het zopas gestelde wordt misschien nog het best verduidelijkt bij onze confrontatie met de Artificiële Intelligentie of de AI, de moderne gedaante van de golem of het menselijk instrument dat de mens instrumentaliseert, aan zich onderwerpt. Het resultaat van die middeldoelomkering is een kip zonder kop, een gepraat zonder mond, laat staan verstand en verantwoordelijkheid, een kluwen van roddels die zich onafgebroken herschikken zoals leugenaars dat met hun leugens doen, en die ons in de val trachten te lokken met de belofte dat zij het op een dag wel allemaal zullen weten. 

Er zijn mensen die zich ledig houden met het verzamelen van kennis, zoals er mensen zijn die zich vermaken met het verzamelen van geld maar zoals men helemaal niets meer kan aanvangen met het geld dat men teveel heeft, zo geldt dat ook voor die zogenaamde kennis: het maakt niets uit of men zekere dingen al dan niet weet zoals het ook eender is of men eigenaar is van een biljoen dollar ofwel twee. De schade wordt veroorzaakt door de illusie van die ‘kennis’ en wel omdat zij de aandacht naar zich toetrekt zonder er ooit wat voor terug te geven: zij gaat aan de haal met onze tijd en met onze laatste krachten zoals ook het zwarte gat doet dat, raar maar waar, alle materie opzuigt en laat verdwijnen in de bodemloze put waarop zij nog het beste lijkt.

(J.B., 13 juni 2026)

3365961-ecfbf7a2abb69f28a645f866b1fbc1ba.jpg






Het geheim van de vooruitgang

 

Het geheim van de vooruitgang

Een korte meditatie bij het gedenkteken van dr. Karel Van Noppen

“Weigering (van een compromis - n.v.d.r.) is altijd een essentieel gebaar geweest. De weinigen die geschiedenis hebben geschreven, zijn zij, die nee hebben gezegd, niet de hovelingen en assistenten van de kardinalen. Om de weigering te laten functioneren, moet deze groot zijn, niet klein, volledig, niet op dit of dat punt, ‘absurd’, zonder gezond verstand.”

Dit citaat uit “Intervista corsare sulla politica e sulla vita” of de corsaire interviews d.d. 1955-1975 van de op 2 november 1975  vermoorde Italiaanse cineast en dichter Piero Paolo Pasolini staat op een plakkaat geplaatst ter gelegenheid van de dertigjarige herdenking van de gruwelijke moord op dr. Karel Van Noppen (1953-1995) op zijn gedenkplaats in Wechelderzande. 

Het gaat om de weigering om toe te geven aan hebzucht en nog andersoortig kwaad dat betaald wordt met de afbraak van het leven; het gaat om de weigering om zich te compromitteren met wat mensonwaardig is, het is een radicaal afwijzen van de corruptie en van de dubbele moraal, van het bedrog en van de achterbaksheid. 

En die weigering is uiteraard een belediging aan het adres van de boze die zich almachtig waant, zij is een slag in het gezicht van wie geloven dat ze iedereen te grazen mogen nemen want zij getuigt van een kracht die de dood niet vreest: wie radicaal neen zeggen tegen onrecht, staan met hun leven borg voor datgene waarin zij geloven en waarvoor zij vechten; zij weten dat er dingen zijn die erger zijn dan de dood en daarvan leggen zij ook getuigenis af. 

In 2015 publiceerde de grote Roemeense filosoof Costica Bradatan over het onderwerp in kwestie dat het martelaarschap behandelt, Dying for Ideas. The Dangerous Lives of the Philosophers. (In de Nederlandse vertaling: Sterven voor een idee. Filosoferen met gevaar voor eigen leven). Het werk gaat over de psychologie van de zelfopoffering en de trouw, waarvoor naast Socrates ook figuren zoals Giordano Bruno en Thomas More voorbeeldig zijn. Het trotseren van wereldlijk nadeel, fysieke pijn en schade tot en met het risico van om te komen, gedood te worden of zelfs het bewust kiezen voor de dood zijn niet slechts waanzin, zij getuigen van een 'heilige waanzin' welke gepaard gaat met extase. 

Het toonbeeld hier is uiteraard Socrates die zich in zijn verdedigingsrede aldus richtte tot het volk: “Schaamt u zich niet dat u zich bekommert om geld (…) en om aanzien en eer, zonder zorg of aandacht te hebben voor de bestemming en over de gevaren ervan'?” Maar “de daad is zijn eigen beloning”, aldus Bradatan: martelaars moeten “hun belichaming transcenderen” en hij citeert Simone Weil: “'De mens is zo gemaakt dat degene die verplettert niets voelt; het is de verpletterde persoon die voelt wat er gebeurt'” Hij doet bewust wat hij doet en vastberaden en zo zegt Giordano Bruno tot zijn vervolgers: “'U bent ongetwijfeld banger om dit vonnis tegen mij uit te spreken dan ik om het te horen.'” Omtrent “'de meest Socratische van de moderne filosofen'”, Jan Patocka, merkt Havel op dat het getuigenis iemands ultieme test is voor zijn geloofwaardigheid: Op een cruciaal moment “kan iemand zijn geloofwaardigheid alleen behouden door ervoor te kiezen om te sterven.”

Bradatan verduidelijkt dit middels een personage uit Dostojevski's Duivels, namelijk Kirillov, die inziet dat onze doodsangst verbonden is met het heilige en dat is de zelftranscendentie, de vrijheid, de wil. De martelaar plaatst zichzelf buiten het begrijpelijke maar tegelijk ook buiten de menselijke samenleving (“hij gaat in tegen het overlevingsinstinct waarop het leven gebaseerd wordt” en veroorzaakt aldus fascinatie en afkeer (het fascinans et tremendum van het heilige sec. Rudolf Otto). 

Dat lot onderging ook Jan Palach die zichzelf in brand stak op de protesten tegen de inval van de Sovjets (Praag, 1969): zijn ontoegankelijkheid verschaft hem tevens “de mysterieuze macht die voortkomt uit het feit dat hij de dood nabij is.” Dat gebeurde ook met de hongerstakende Gandhi. Het offer maakt heilig: 'sacrifice' is een samenstelling uit 'sacrum' en 'facere'. Ook bij de filosofe en mystica Simone Weil is het een kwestie van “trouw blijven aan zichzelf, ongeacht de gevolgen. Ze moet het zelfs als een opperste bevrijding hebben ervaren. Want de ware vrijheid (…) 'wordt niet bepaald door een relatie tussen begeerte en bevrediging daarvan, maar door een relatie tussen denken en handelen.'” Bradatan: “In de kern is het martelaarschap een dematerialisatieproject.” (bronnen: Jan Bauwens, Achter de coulissen: https://blogimages.bloggen.be/tisallemaiet/attach/93208129869.pdf   en Cryptofascisme: https://blogimages.bloggen.be/tisallemaiet/attach/93208129870.pdf  ).

Het plichtsbewustzijn van Karel Van Noppen plaatst hem in de rij van die enkelingen die vandaag de lichtende voorbeelden voor de mensheid zijn: zonder hen - want mensen met heldenmoed zijn schaars - géén vooruitgang, géén beschaving, géén ethiek maar slechts geweld, verderf en oorlog. 

(J.B., 10 juni 2026)

 

 

Over de pikorde

 

Over de pikorde

Volgens sommigen zijn mensen predatoren of roofdieren die aan de top van de voedselketen staan: zij doden en consumeren principieel alle andere dieren en planten en zij doen dat in de hoedanigheid van jagers maar tevens parasiteren zij - niet op de dieren en de planten zelf maar op de soorten die zij bovendien voederen en kweken om met dat parasiteren door te kunnen gaan en dat doen zij in de hoedanigheid van landbouwers en veetelers. Tevens zou men kunnen zeggen dat mensen naast veestapels ook nog ‘mensenstapels’ houden ofwel slaven, loonslaven en soldaten doordat zij hun soort in categorieën onderverdelen in de zogenaamde pikorde met aan de top de potentaten - zij die de macht hebben: de macht over soortgenoten die zich situeren in de lagere echelons. Op die manier is de maatschappij of het sociale leven van het mensdom dan een afspiegeling van het dieren- en het plantenrijk met aan de basis de genoemde slaven die in feite sociaal dood zijn en aan de top de genoemde machthebbers die andermans leven consumeren - in de vorm van onder meer tijd. 

Hiërarchieën zijn nodig om orde te houden in samenlevingen en om het rendement van de samenwerking te optimaliseren: ze bestaan bij vele diersoorten en dus ook bij mensen en zij hoeven niet perse met uitbuiting te maken te hebben: zelfs het (niet met het kerkendom te verwarren) christendom, dat zich beroept op de naastenliefde en op het dienaarschap als hoogste goed, kent hiërarchieën die ook aanwezig zijn in een zeker gelijkaardig humanisme: zij worden volstrekt probleemloos op voorwaarde dat de top zich vrijwillig in dienst stelt van de basis. Men zou zelfs kunnen stellen dat een welbepaalde omkering van de pikorde ervoor kan zorgen dat zich de utopie realiseert van een meer volmaakte wereld. In het licht van een ethiek waarin de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen, verschijnt het zogenaamde ‘recht van de sterkste’ als een wet voor wezens van een lagere orde, wezens met een beperkt bewustzijn, wezens die van niet beter weten. 

Een zeker deel van het mensdom boekt ontegenzeggelijk vooruitgang maar een ander deel blijft jammerlijk achter en waar de besten de dienstbaarheid vieren als het hoogste goed, missen degenen die geloven van die situatie te moeten profiteren, het besef dat zij in feite achterblijvers zijn; zij verkijken zich op positie en op macht zoals de dieren doen die ongevoelig blijven voor het verheffende geluk van de solidariteit. 

Het gemis waarvan sprake is uiteraard bijzonder duidelijk waar zich geweld manifesteert en niemand die bij zijn verstand is, kan in twijfel trekken dat met oorlogszuchtige ‘wereldleiders’ aan de top, de mensenwereld als het ware de hele natuur op zijn kop zet want natuurlijkerwijze dragen alle dieren de grootste zorg voor hun jongen en naar dat voorbeeld voegen kuddedieren zich naar de bevelen van hun aanvoerders die slechts het welzijn van allen op het oog hebben. 

Waar daarentegen presidenten de aan hen toevertrouwde mensen depersonaliseren om hen vervolgens te degraderen tot kanonnenvoer, is allang geen sprake meer van leiderschap: aan de orde aldaar is een vreselijke ziekte welke voortkomt uit een losgeslagen drift, uit de hebzucht en de moordlust, uit een verslaving aan eindeloze concurrentie en uit een ongeremde drang tot zelfdestructie. In oorlogen maar evenzeer in andere vormen van genocide zoals in de veelsoortige massamoorden op de kwetsbaren en de weerlozen komt een achterlijkheid aan het licht die helaas alomtegenwoordig blijkt en die zich in vredestijd verschuilt in allelei verkapte handelsvormen.

Polarisering en onderscheidingsdrang wortelen paradoxaal genoeg al te vaak in ideologieën die pretenderen verheffend te zijn: zij spreken in termen van ‘goed-beter-best’ en de parameter voor kwaliteit kan uiteraard geen andere zijn dan de concurrentie, de strijd, het gevecht, het geweld of de oorlog. Zij die zich de beteren achten, lijken verheven doordat zij de anderen naar beneden duwen maar hun activiteit draagt helemaal niets bij tot het welzijn van de samenleving die zich onder de invloed van hun waanzin verdeelt in elkaar bekampende individuen waardoor zij uit elkaar valt. 

Edoch, achter de praalzucht van de ‘winnaars’ schuilt een krampachtige angst om uit de groep te worden uitgestoten, een angst om te moeten terugvallen op een zelf dat veel te zwak is om alleen en niet afhankelijk te zijn. De helden van de oorlog zijn alleen al om die reden marionetten en zij dansen naar de pijpen van een meester die hen met haar en huid bezit en die op zijn beurt bang is en zich moet verschuilen achter dikke muren, die zich omgeeft met bodyguards en die geen hap meer durft te eten die niet werd voorgeproefd door een meute van geminachte lakeien. 

Nood aan bevestiging hebben alleen zij die weten dat hun wandel wankel is omdat wie recht staan in hun schoenen, zichzelf van bij het begin tot meester zijn. Het proselitisme kenmerkt wie lijden aan onzekerheid: zij denken het hebben van ongelijk te kunnen vereffenen met het krijgen van een gelijk dat zij dan afdwingen van wie zij uit hun handen laten eten. Maar wie aldus zichzelf bedriegen, houden uiteraard ook alle anderen voor de gek.

Het meest hoogstaand zijn om die reden wellicht al degenen die helemaal onderaan staan op de maatschappelijke ladder: de werklui en, nog onder hen, de zogenaamde onaanraakbaren. Zij worden gevreesd door alle clowns omwille van hun blik die, volledig bevrijd van de illusie van het ego, een spiegel is. 

(J.B., 8 juni 2026)

 

 

HET LEVEN ALS REIS - ENKELE BESCHOUWINGEN (delen 1 en 2) (Herhaling d.d. 1995 en 2013)

 

HET LEVEN ALS REIS - ENKELE BESCHOUWINGEN
(delen 1 en 2)

(J.B., 1995 en 2013, herhaling)
 
1.
 

 In dimidio dierum meorum/ vadam ad portas inferni - aldus Isaïas, vers 38. Voor de 'anders-geletterden': In het midden van mijn levensdagen/ zal ik gaan naar de poorten van de onderwereld.

We gaan ons niet verliezen in citaten, maar voor de epigonen die we tot op zekere hoogte toch allemaal zijn, ware het zonde om hier de onsterfelijke Dante te vergeten. De eerste verzen van de eerste zang in het eerste lied van zijn Commedia luiden als volgt: Juist midden op de reistocht van ons leven/ zag ik mij in een donker woud verloren,/ daar ik van 't goede pad was afgeweken.



U zal merken dat deze verzen eigenlijk best als leidmotieven kunnen fungeren. Maar laten we de hele zaak eerst eens in filosofisch perspectief plaatsen.

Want eigenlijk heeft een van de grootste filosofen van de twintigste eeuw - met name Alfred North Whitehead - van 'het Zijn' - U weet, 'het Zijn' waarover filosofen het altijd hebben - Whitehead heeft van dat Zijn eigenlijk een Reizen gemaakt. De titel van zijn groot werk, 'Process and Reality', spreekt voor zich: het bestaan - ook ons bestaan - is in werkelijkheid geen Zijn, maar een Worden: het bestaan is wezenlijk een proces, dat wil zeggen: een onderweg-zijn. Dat wij bestaan, betekent: dat wij onderweg zijn. Elk bestaan, elk leven, is onderweg. Wat stagneert, wat niet meer vooruitgaat, wat niet meer zoekt en wrocht, kan alleen maar... dood zijn.

Nu is de hele realiteit een zaak die ons uiteindelijk boven het hoofd gaat - de filosofen spreken in dit verband van 'het transcendente' - datgene dat groter is dan wat wijzelf zijn, datgene waarvan wij deel uitmaken. Onze weg - fysisch, psychisch, sociaal, economisch, kosmisch zelfs - past in een groter geheel - een geheel, waarvan men zou kunnen zeggen dat het altijd 'op weg' is. 

Het onderweg-zijn is een gebeuren dat wij samen én ondergaan, én realiseren, scheppen, waar maken. 

Dit brengt vanzelfsprekend met zich mee, dat wij al een heel eind weegs zijn, op het moment dat wij ons ueberhaupt realiseren dat wij effectief onderweg zijn. De weg die we al hebben afgelegd op het ogenblik dat wij gaan beseffen dat we ergens heen gaan, was dus niet alleen maar de onze.



Wij zijn van bij onze geboorte, een weg gegaan die ons door de natuur gegeven werd. En dat geldt vanzelfsprekend niet alleen voor ons allen, individueel, maar ook voor onze soort, dé mens. 

Dat geldt ook voor hét leven, voor de kosmos, voor het hele bestaan: behalve datgene wat we zelf creëren, vormt ook al datgene waarvan wij deel uitmaken - de hele lange geschiedenis door - één groot proces. Het is één reusachtig Onderweg-Zijn. Wij waren reeds onderweg, lang voordat wij dat gingen beseffen.



Keren we nu een ogenblik terug naar Dante Alighieri.

Dante was vijfendertig, dus ongeveer halverwege op zijn levensreis, toen hij - zoals wij het zouden uitdrukken - zijn 'andropauze' beleefde. De grote dichter verloor zijn platonische geliefde, Beatrice, heel vroeg, en daarbij kwam nog dat hij uit zijn geboortestad, Firenze, verbannen werd. Wij weten vanzelfsprekend - hoe jammer het ook is - dat het ongeluk vaak de rijkste voedingsbodem van de wijsheid is gebleken. Pas de van zijn geluk verbannen mens, is de grote dichter geworden.

Kortom: zijn ballingschap bracht Dante tot inkeer: over de weg die hij had afgelegd, over de weg die hij nog af te leggen had, over dé Weg die wij allen te gaan hebben.



Het moet nu ook worden gezegd, dat ook de eerste filosofen bannelingen, of breder nog: reizigers, ontheemden, of gastarbeiders waren.

Wij weten dat aan de basis van onze Westerse beschaving de Griekse cultuur ligt. Maar eigenlijk waren het niet de Grieken zelf die de sophia, de wijsheid, stichtten: de eerste filosofen waren sofisten, inwijkelingen afkomstig van Ionië, Klein-Azië, mensen die hun kennis als enige koopwaar aan de man trachtten te brengen. 

Mensen ook die, precies omdat ze van elders kwamen, niet verblind werden door de waas van vanzelfsprekendheden die ons allen begoochelt. Zij brachten een ander perspectief, zij deden dingen zien die wij niet meer zagen. Zij waren - ook letterlijk - op weg: weg van thuis, weg van het vanzelfsprekende en van het 'gewone'. 

Wij staan er eigenlijk niet bij stil, maar eigenlijk is niéts 'gewoon'. 



Dat niéts gewoon is, ontdekken we meestal pas wanneer we gehinderd worden in onze gewone gang van zaken. En wie van ons verkeert, vroeg of laat, niet een keer in dat geval?



Wij zijn onvolmaakte wezens, ons leven verloopt niet - nooit - vlekkeloos, soms zijn wij de weg bijster, en willen wij plots 'wég' van de plaats waar we ons dan bevinden: wij willen dan uit het slop geraken, wij creëren een 'opstand', wij gaan opstaan en we gaan 'wég'. 

We gaan op zoek naar onze oorsprong, naar het begin van onze weg. Wij vragen ons af waar onze weg ons heen leidt. Wij willen niet verstarren, en daarom willen wij opstaan, en ergens heen gaan.



De commedia van Dante schildert een reis die als het ware een allegorie vormt op onze levensreis zelf. Welnu, ongetwijfeld is het zo, dat wij onze eigen levensreis beter kunnen leren begrijpen... wanneer wij ons die op een allegorische of metaforische manier kunnen bewust worden... door het maken van een kleine reis, of een pelgrimage.



Laten we ons eens bezinnen over deze manier van reizen, over dit... pelgrimschap, dit op weg zijn, en over de zin ervan.

We zouden ons eerst de volgende, eenvoudige vraag kunnen stellen: 'Wat is reizen?'



Wanneer wij om het even welke onderneming starten, tasten wij eigenlijk in het duister naar de uiteindelijke afloop ervan.

We bouwen een huis, of we vatten een studie aan, of we willen een voordracht bijwonen - het is om het even: telkens kunnen we ons voorbereiden op wat we van plan zijn te doen - we verzamelen informatie, we doen prospecties, we verzekeren ons om eventuele risico's uit te schakelen - maar tenslotte kunnen we nooit volkomen anticiperen op wat komen gaat. 

Stel dat we een perfect plan hebben voor een huis: we halen de beste architect in huis, en we informeren ons bij de meest ervaren adviseurs. Met gesofisticeerde computerprogramma's kunnen we, bij wijze van spreken, al door de kamers wandelen, nog voor de eerste steen van het huis gelegd is. 

De bouw neemt een aanvang, en na enkele maanden trekken wij er in. En wat blijkt? We vergaten de kelder. Of we komen plotseling tot de ontdekking dat we de kamers een nog veel leukere bestemming kunnen geven dan deze waarvoor ze aanvankelijk bedoeld waren. De buren vallen mee of tegen. Onvoorziene lawaaihinder in gevolge plots aangevangen wegwerkzaamheden zullen ons jarenlang tergen. Of we bevinden ons onverhoopt in een oase van rust en stilte. Of iemand wordt ziek en de trap moet herbouwd worden.

Kortom: telkens wij iets ondernemen, hoe omzichtig we ook te werk gaan - er blijft steeds de factor van het onverwachte, het onbepaalde, het niet-voorspelbare. En die dingen kunnen zowel gelukkig als ongelukkig uitvallen.

Welnu, indien wij ons niet op voorhand kunnen neerleggen bij de realiteit van het onvoorziene, dan zullen we ook niet en nooit in staat zijn om keuzen en beslissingen te maken.



Dat geldt voor het bouwen van een huis, voor het aangaan van een studie of een werk, en ook en vooral geldt dit voor het hele leven zelf.

Morgen doen wij aan eugenetica, en zullen wij misschien mensen 'op bestelling' maken. Maar niets of niemand zal verhinderen dat alles toch anders zal blijven verlopen dan wij hadden verwacht, of gepland.



De reis, als metafoor van het leven, bevat al deze kenmerken op de meest pregnante manier. Wij leven niet om te reizen, maar wij reizen om te leren... leven.

Want net zoals het leven, houdt elke reis in dat men een weg volgt. De weg is voor de reiziger zelf onbekend, maar het feit dat er een weg is, betekent vanzelfsprekend dat anderen in het verleden het traject al hebben afgelegd.

Dat de weg werd aangelegd, betekent ook dat hij ergens heen leidt, want niemand haalt het in z'n hoofd om zomaar een weg te bouwen: elke weg heeft een doel.



Wij kunnen, door allen dezelfde weg te gaan, dit doel tot het onze maken, maar tegelijk blijft het een persoonlijk doel: we komen dan aan op dezelfde plaats, maar we bereiken elk een andere bestemming.

De Vlaming en de Moslim-migrant bereiken, via dezelfde weg, dezelfde plaats - bij voorbeeld de heilige stad Mekka. Maar hun bestemming is verschillend: de Vlaming komt aan in zijn vakantie-oord, of, wanneer hij als journalist vertrekt, op zijn werkterrein, en de Moslim komt aan bij zijn God. De ene is op zakenreis, de andere reist als pelgrim.

Zelfs wanneer alles er aan de buitenkant gelijkaardig uitziet, is elke reis die wij ondernemen, aan de binnenkant, een hoogst persoonlijke weg, met eigen bedoelingen, verwachtingen en betekenissen.



We kunnen met verschillende bedoelingen reizen, maar wanneer we ons willen bezinnen over het leven, dan moeten wij reizen zoals wij leven. En daarbij is het dan onze bestemming om het leven beter te begrijpen.

En dit soort van reizen mag wel heel bijzonder heten, want, anders uitgedrukt, is onze reisbestemming deze: de bestemming van het leven te achterhalen.



Nu kunnen wij de bestemming, de zin van het leven, ongetwijfeld terugvinden in de reis. Maar dan moeten we ook de moeite doen om na te denken over de betekenis van het 'op weg zijn'. 

En, om te beginnen, houdt elke tocht in, dat wij ergens weggaan.



Wie reist, laat het vertrouwde achter zich, zoals men het verleden achter zich laat: hij neemt afscheid - van een plaats, maar ook van alle mensen en gebeurtenissen die aan deze plaats verbonden zijn.

Hij neemt ook afscheid van zichzelf, als verbondene met die vertrouwde omgeving.

Hij bevrijdt zich van zijn verleden, terwijl hij het toch onoverkomelijk met zich mee zal blijven dragen - in zijn herinneringen, maar ook in zijn verwachtingen en in zijn wensen, wanneer hij zal terugdenken aan, of terugkeren naar die plaats.

Hij bevrijdt zich van bepaalde banden en verplichtingen, maar ook verliest hij tegelijk verworven zekerheden en geborgenheden.

Hij ruilt het oude voor het nieuwe in: het bekende voor het onbekende, het geplande voor het ongeplande, het verleden voor de toekomst.

Eigenlijk verbreekt hij voor een stuk de continuïteit van zijn bestaan: hij slaat een bres in zijn dagen, hij schept zelf een kloof, hij gaat plotseling een door anderen niet verwachte richting uit, en hij laat vallen wat hij heeft, blijkbaar om iets anders te verwerven - iets waarnaar hij zozeer verlangt dat hij er alles, voorlopig, voor achter laat.



De reiziger kan een doel hebben, en zijn doel kenbaar maken, en, bijvoorbeeld, zeggen: 'Ik ga naar Santiago de Compostella'. Maar zijn eigenlijke bestemming blijft voor alle anderen, die deze plaats nochtans goed kunnen situeren, één groot raadsel.



'Tout choix est une sacrifice', schreef de Franse filosoof Henri Bergson. 

Welnu, de bestemming van de weg moet dit offer zeker waard zijn.

En ongetwijfeld is dit het geval waar wij de bestemming van het leven zelf voor ogen hebben.



Nu heeft niet iedereen een pelgrimage nodig, want niet iedereen is de weg - van het leven - bijster. Of beter: niet iedereen beseft het, de weg bijster te zijn.

De echte bedevaarder zal daarom nooit pogingen ondernemen om anderen met zich mee te trekken: als de bestemming, in de vorm van de verwachting, niet reeds in het hart ligt van bij het vertrek, dan heeft het geen enkele zin om op reis te gaan.

De pelgrim reist per definitie alleen - hij vertrekt althans alleen. Wanneer hij voor een kortere of langere tijd kompanen zal krijgen, zullen die onverwacht, misschien onverhoopt, maar zeer zeker ongepland zijn.

Over de bestemming die zij tegemoet gaan, kan hij leren, door het samen onderweg zijn, en hierdoor kan ook licht op zijn eigen bestemming worden geworpen.



Bekijken we nu eens onze pelgrim. Ik bedoel: vragen we ons eens af, wat iemand tot pelgrim maakt.

En het is hier belangrijk om twee manieren van 'reizen' te onderscheiden. 

Want er zijn mensen die 'ergens willen zijn', en er zijn anderen die willen 'wegvluchten' van de situatie in dewelke ze zich bevinden. 

De eersten, zij die een doel voor ogen hebben, zullen dit doel beschouwen als kostbaar genoeg om er de inspanningen en de tijd aan te spenderen.

Bij de laatst genoemden, zij die alleen maar willen wegvluchten, stelt zich het probleem van het offer niet: zij hebben immers niets te verliezen, en ze zijn er van overtuigd dat het alleen maar beter kan worden wanneer zij hun pakken achterlaten.

De eerst genoemden streven een hoogstaand doel na, de laatst genoemden zijn eigenlijk vluchtelingen, of ballingen.



Het is duidelijk dat wij het hier niet over de vluchtelingen zullen hebben. Maar tegelijk moet gezegd worden, dat wij in wezen allemaal voor een stuk ballingen zijn.

Milton's Paradise Lost of Vondel's Adam in ballingschap: het is doorheen de hele geschiedenis van de literatuur, maar ook elders, een constant gegeven.

Wanneer Noord-Afrikanen, haast zonder middelen, het leven riskeren in een vermetele overtocht naar het beloofde land van Europa, dan is het uiteindelijk niets anders dan die drang naar het Verloren Paradijs, die hen daartoe de - vaak bovenmenselijke - kracht geeft.

Weliswaar werden de meesten van hen misleid door sterke maar leugenachtige verhalen, zodat ze meestal reeds na een kortstondig verblijf geen andere verzuchting meer koesteren dan zo gauw mogelijk terug te keren naar de plaats van herkomst - als dit tenminste nog mogelijk is.

Deze dikwijls zieltergende tragedies zijn ons maar al te goed bekend. Dat mensen toch steeds weer bereid blijken zich in dergelijke roekeloze avonturen te storten, kan ons alleen maar van de ernst van hun armoedige situatie overtuigen.

Met andere woorden: vluchten is geen hoogstaand doel, maar toch moet het gezegd worden: hoe erger het met ons gesteld is, des te meer zijn wij bereid - of voorbereid - om te vertrekken.



En hoe is het met ons gesteld? - en ik doel hier niet op onze materiële verzuchtingen, ik doel hier niet op zaken zoals onze carrière, zelfs niet op onze gezondheid: ik bedoel hier enkel en alleen onze condition humaine in vraag te stellen.

Meteen kunnen wij het antwoord distilleren uit de lading die aan de uitdrukking - condition humaine - zelf haar diepe betekenis heeft gegeven: met de mens is het, welhaast per definitie, niet te best gesteld.

Van nature zijn wij, mensen, onafgewerkte dieren. Wij dragen geen pels, onze 'jongen' kunnen niet overleven als wij hen niet vele jaren lang met zorg ommantelen, onze soort zou weldra uitsterven indien wij ons niet met techniek inlieten, en indien de duizenden problemen van de wetenschap niet de onze waren.



Maar ook als mens, zijn wij onaf, en voelen wij - althans in momenten waarop wij tot eerlijkheid met onszelf gedwongen worden - in het diepste van onze ziel, een vage ontevredenheid, een verre heimwee, en een pijn als van een groot verlies.

Ook voelen wij, haast voortdurend, dat wij onze bestemming nog niet hebben bereikt: we willen vooruitgang, verandering, vernieuwing, en wij hopen daarbij telkens een stapje dichter te zullen komen bij datgene waarvan we ons leven lang dromen, terwijl we het toch niet exact kunnen benoemen.



Citeren we nogmaals Dante, de verzen 124 tot 126 uit het tiende gezang van het Purgatorium: Non v' accorgete voi, che noi siam vermi,/ nati a formar l' angelica farfalla,/ che vola alla quistizia senza schermi?

In vertaling: Beseft ge niet, dat wij de rups gelijken,/ waaruit de hemelvlinder zich ontwikkelt,/ die onverhuld ten oordeel op moet stijgen?

 

 

 

Wij kùnnen, om het met andere woorden te zeggen, onmogelijk berusten in de situatie waarin wij verkeren, omdat het ons lot is om naar het hogere te streven: de mens heeft een roeping, hij moét hogerop, hij is gedoemd om, keer na keer, het verworvene en het vertrouwde gedag te zeggen, nieuwe horizonten te verkennen, risico's te nemen, het onbekende recht in de ogen te kijken, en het te overwinnen, om zo hogerop te gaan. dat is de enige weg die ons kan vrijwaren voor een troosteloze ondergang. De mens is aan een eeuwige verpopping onderhevig. En het is precies dank zij dit 'juk', dank zij zijn heimwee en zijn troosteloze zoeken, dat hij zich 'mens' kan noemen. De mens, de nooit gearriveerde, de altijd op weg zijnde, de reiziger bij uitstek.

(J.B., 1995)


2.

We kennen allen het verhaal van het doel en de weg erheen, maar als inderdaad niet het doel het belangrijkste is, doch de weg erheen, dan perverteert het kapitalisme de vooruitgang omdat het tijd identificeert met geld terwijl het mikt op snelheid of tijdwinst.

Indien het maar mogelijk was dan zou de kapitalist ervoor zorgen dat men in helemaal géén tijd van punt A naar punt B kon reizen. Het zou dan volstaan om in B te willen zijn om daar ook effectief te arriveren. Wie dacht aan B, was al in B aanwezig. Het onderscheid tussen de wens en het feit ware onbestaande, het verschil tussen werkelijkheid en droom opgeheven. De vraag luidt echter of er dan überhaupt nog iets zou (kunnen) zijn. 

In zijn Jeder für Sich und Gott gegen alle uit 1974 laat de Duitse cineast Werner Herzog, de vondeling Kaspar Hauser enkele van zijn visioenen vertellen nadat hij werd bevrijd uit de kelder waarin hij zijn hele kindertijd heeft doorgebracht. In een van die visioenen ziet de zonderling een lange karavaan van mensen die over de wereld trekken, maar de karavaan heeft kop noch staart, de mensen blijken helemaal nergens heen te gaan. (1)

In dezelfde zeventiger jaren publiceerde de prestigieuze Club Van Rome, een boek over de grenzen aan de groei, dat herinnert aan de legendarische toren van Babel: de toren groeit totdat hij op een dag niet verder groeien kan omdat het materiaal dat aangevoerd wordt voor de verdere bouw, voor de onderhoudswerkzaamheden onderweg wordt opgebruikt.

Onze communicatiemiddelen worden complexer, onze taal differentieert en op den duur verstaan we elkaar niet meer en loopt alles in het honderd. De instrumenten die ons leven makkelijker moeten maken, bemoeilijken het. Tuigen die ons moeten helpen om tijd te winnen, nemen ons hele leven in beslag. Scholen maken ons afhankelijk en dom. De tegendoelmatigheid uit de Griekse tragedies blijkt ook onze vloek; de weg is een modderpoel en aan de einder verzwinden onze doelstellingen in een dichte mist. 

De mensheid verlangt naar vrijheid én naar veiligheid; de vrijheid schept met ongeremde droom het doel maar de veiligheid verspert de weg erheen daar deze ligt bezaaid met wolfijzers en schietgeweren. De vrijen gaan op weg en de voorzichtigen blijven bij de pakken zitten omdat zij geloven sowieso hetzelfde lot te delen: worden zij niet allen buit gemaakt door de dood? Zij die op weg willen naar hun doel, wensen alleen niet te beseffen dat wat gebeuren moet, hoe dan ook gebeuren zal; zij verkeren in de waan dat zij hun toekomst kiezen.

Als het leven een reis is dan leidt hij naar de dood, zoveel is zeker en geen mens die dapper genoeg is om de feiten onder ogen te zien, zal dit ontkennen. Toch geven wij allen een eigen betekenis aan het einde van onze weg en dat doen we heel terecht, alleen al omdat er geen einde is zonder weg, zodat het steeds gaat over het specifieke einde van een specifieke weg. Het einde van een plezierreis is daar waar het plezier ophoudt - het is een triestig einde; het einde van een lijdensweg is daar waar geen leed meer is - het is een verlossing. De dood kan eruit zien als een dief die het genot wegsteelt of als een zalf die alle wonden heelt. Elk eindpunt wordt bepaald door de weg die daaraan voorafgaat en omdat wijzelf het zijn die een weg kiezen, kiezen we ook een eigen eindpunt.

Het begrip vooruitgang zelf - het vooruitgaan - bevat reeds het op weg zijn, maar tevens duidt vooruitgang op een toename of een vermeerdering, een groei van al datgene wat de toekomst tegemoet gaat. Dat wij vooruitgaan betekent dat wij winst boeken, het wil zeggen dat wij klimmen, van niveau veranderen, carrière maken, hogerop geraken. En zo begint een honderd jaar oud lied als volgt:

Heidewitsjka! Vooruit geef gas! Dat oude getreuzel komt niet meer van pas!

Het gaat hier om de letterlijke vooruitgang die geboekt wordt door de uitvinding van de auto, die zal toelaten dat wij ons sneller verplaatsen. Sneller, hoger, sterker, zo scanderen de Olympische atleten het in hun vurige vlaggen. Want er moet tijd gewonnen worden, tijd is immers geld, of is het veeleer andersom? Onze levenstijd is beperkt, gewis heeft elk van ons een eigen dood welke geduldig op hem wacht, de tijd tikt weg en niemand kan hem stoppen; daarom ook zoeken wij soelaas in het opdrijven van de snelheid waarmee wij door het leven gaan of razen. Ergens spiegelen wij onszelf voor dat als onze snelheid maar hoog genoeg is, de dood ons niet zal inhalen. Maar Achilles haalt de schildpad in, wat Zeno ons ook wil laten geloven. Een hogere snelheid laat ons toe om in dezelfde tijd een grotere afstand af te leggen, maar de tijd blijft uiteraard dezelfde, er komt geen fractie van een seconde bij. Het is bovendien zo dat grote snelheden onze aandacht zozeer opslorpen, dat wij als het ware helemaal onttrokken worden aan de weg en aan de plaatsen waaraan wij nog slechts voorbijrazen, terwijl zij ooit, in veel tragere tijden, rustpauzen boden en lafenis, verhalen en histories, geheimen en beloften. Vandaag lijken alle plaatsen eender, zij zijn verworden tot louter punten op de rechte lijn waartoe onze reis herleid werd. En inderhaast hebben wij helemaal niets gewonnen, integendeel vergooien we aldus het weinige dat wij ooit bezaten of ervoeren. En naast die hypersnelle verplaatsingen spenderen wij ons hele leven aan de fabricatie van de supersnelle tuigen en aan het bijeenschrapen van energie en andere middelen om ze te laten werken. Winst boeken wij niet bij die hele onderneming, zeer in tegendeel: rust verkeert in haast en drukte, ons bestaan verwordt tot dat van een robot die sowieso geen tijdsbesef meer heeft.

De weg is belangrijker dan het doel en zeg nu zelf wat uw voorkeur geniet: een langzame uitstap met paard en kar via veldwegels tussen bloemen en bossen met een picknick her en der, een schuilplaats als een onweer losbarst, een fazant of een haas op een geïmproviseerde barbecue en spannende verhalen na de zonsondergang bij een kampvuur na een frisse duik in een of andere wal - ofwel een reis per supersonische raket waarin men stokstijf neerligt, niet bewegen kan, een zuurstofmasker op de snuit en instrumentenborden die doen duizelen.

Weliswaar geraakt men met de raket véél verder dan met de houten kar, misschien wel honderdduizend keren verder, misschien belandt men met die tuigen op de maan, op Mars of in een ander zonnestelsel, terwijl de kar ons zelfs niet van de aarde kan verheffen, geen stroom kan oversteken en bij ontij wachten moet. Maar andermaal: indien het inderdaad zo is dat het doel er niet toe doet en dat het om de weg gaat die erheen leidt, zou men dan kiezen voor een leven in de gevangenis van een astronautenpak en in de hoogspanning van aandacht en gevaar terwijl daar altijd nog het aards paradijs te wachten ligt van bij 't begin der tijden om ontdekt te worden?

(J.B., 31 augustus 2013)

 

Van Togenbirger in twee woorden. Een beknopt interview

Van Togenbirger in twee woorden. Een beknopt interview

Omsk Van Togenbirger, men zou het niet zeggen maar u bent intussen hoogbejaard zoals men dat zegt?

OVT: Zo zegt men dat inderdaad, het einde komt in zicht.

Het is zeer zeker een ongenuanceerde vraag maar zou ik u mogen vragen tot welke conclusies u gekomen bent inzake uw wereldbeeld, in zoverre men tot conclusies kan komen uiteraard, want meningen veranderen en het is niet ondenkbaar dat ze nog verder zouden veranderen indien u, om maar iets te zeggen, nog eens zo oud werd als u heden bent?

OVT: Wat betreft uw laatste vraag, geloof ik niet dat mijn mening nog sterk zou veranderen indien ik nog veel ouder werd dan ik nu ben.

Ook niet als er ineens een wezen zou nederdalen uit de hemel dat beweert de schepper van hemel en aarde te zijn?

OVT: Dan zou ik onmiddellijk denken aan een illusie, hetzij ingevolge een mentale ziekte, hetzij door technologische trucs!

U vindt mijn vraag ook niet misplaatst?

OVT: Neen hoor. Om te beginnen is mijn mening helemaal niet zo belangrijk maar anderzijds zou het wel vervelend zijn om op het laatste nippertje nog in de mot te moeten krijgen dat men in het wilde weg gaat speculeren... Niemand kan het fijn vinden dat men hem of haar belijdenissen in de mond gaat leggen die niet de zijne of de hare zijn.

Komt u dan tot een eenduidige slotsom?

OVT: Mijn slotsom is tweevoudig en kan in twee woorden worden uitgedrukt, al doet men op die wijze de waarheid sowieso geweld aan. Er zijn twee punten en ze zijn niet zonder morele implicaties, maar dan wel morele implicaties voor het eigen leven... dat bijna ten einde is, want dat is paradoxaal genoeg een grandioos euvel, nietwaar?

U bedoelt dat men pas tot een definitieve moraal kan komen als het leven er op zit?

OVT: Eenmaal een vakman zijn stiel begint te kennen, wordt hij te oud om die nog uit te oefenen, ja, en dat geldt voor iedereen.

Twee punten, zegt u?

OVT: Het eerste laat zich samenvatten in een erkenning van de bevindingen van het historisch onderzoek omtrent de Abrahamitische godsdiensten, de openbaringsgodsdiensten: ik geloof te begrijpen dat de betrokken religies weliswaar reuzen zijn maar dan wel reuzen op lemen voeten.

En dat wil zeggen?

OVT : Dat de feiten ontbreken: alles berust op fantasie, inbeelding en dus waanzin. Vergeeflijk weliswaar maar niet langer vergeeflijk in het licht van de genoemde bevindingen waarvan iedereen kennis kan nemen. Traagheid gecombineerd met onwetendheid maken dat de religieuze wereldbeelden vooralsnog bestaan. Ook is er de immoraliteit die met die religies samenhangt, maar dat is hier nu niet aan de orde.

En de overige godsdiensten?

OVT: Fantasie! Meestal met bijbedoelingen, bijvoorbeeld in het geval van het Hindoeïsme, dat het kastensysteem ondersteunt. Ik beweer niet dat profeten allerhande geen ware dingen hebben gezegd, volkswijsheden bijvoorbeeld, maar dat maakt niet uit.

Dan bent u een verlichte geest?

OVT: Helemaal niet en dat is mijn tweede punt.

Leg eens uit!

OVT: Het belang van de rede bestaat er volgens mij in dat zij gedegen kritiek mogelijk maakt op onder meer de genoemde godsdiensten. Het zou oneerlijk zijn om historici die hebben aangetoond dat de feiten waar religies naar verwijzen, luchtspiegelingen zijn, over het hoofd te zien. Fair play vereist dat men zich daarbij neerlegt, punt.

Maar er is een maar?

OVT: Waar de rede zich in de plaats gaat stellen van het geloof, maak zij zichzelf tot profeet en vervalt zij alras in een gelijkaardige waanzin.

Wat bedoelt u daarmee?

OVT: De werkelijkheid heeft geen redelijke structuur, als ik het zo mag uitdrukken. Met de rede kan men wel graven tot op een zekere diepte maar daaronder zitten nog lagen die onkenbaar zullen blijven.

U bedoelt dat het mysterie blijft?

OVT: Het zou zelfs vloeken met de rede als men aannam dat de werkelijkheid rationeel uitlegbaar was. De stelling dat hetgeen wij niet kunnen begrijpen, ook niet kan bestaan, is gewoon onnozel.

En de wetenschappelijkheid dan?

OVT: Wetenschappen beschrijven, hun verklaringen zijn louter beschrijvingen, ze verklaren niet ten gronde en een grondige verklaring is bovendien principieel onmogelijk.

Waarom dan?

OVT: Het gekende is een klein deeltje van het Zijn maar sommigen willen het Zijn met hun kennis insluiten en dat zet alles op zijn kop: dat is een muizenval, zoals het solipsisme.

De Verlichting zegt u derhalve niets?

OVT: De rede laat ons toe om aan te tonen dat iets niet zus of zo kan zijn. Maar waar zij dan verder het laken naar zich toe trekt, krijgt men een potsierlijkheid vanjewelste. U hebt beslist gehoord over de Verlichte geesten van de Franse Revolutie met hun nieuwe kalender en hun nieuwe heiligen?

Moeten wij de wetenschappen dan achter ons laten?

OVT: Beslist niet. Maar waar zij systemen worden, dreigen zij te veranderen in leugenfabrieken. Systemen vertonen niet bepaald de neiging om hun fouten te erkennen of om toe te geven dat zij werken met waarschijnlijkheden en allerminst met waarheid. Zij schermen met feiten maar men kan nooit beschikken over alle feiten en dat maakt de feiten waarover wij wel geloven te beschikken, irrelevant.

Is dat zo?

OVT: Nieuwe feiten, ontdekkingen, kunnen een wereldbeeld op zijn kop zetten. Het snijdt geen hout om zich te gaan verschuilen achter het geloof dat men het met de rede uiteindelijk wel zal klaarspelen. Geef ons nog wat tijd, zo zegt men, maar dat argument houdt helemaal geen steek, het heeft alleen vat op fans. Ook wie zweren bij de Verlichting, zijn fans of dus gelovigen.

En wat zijn de morele implicaties van uw wereldbeeld?

OVT: Wie tot de genoemde slotsom menen te moeten komen, behouden een verwondering met betrekking tot het leven.

En wat houdt die verwondering dan in?

OVT: Dat is niet langer uitdrukbaar omdat verwonderd zijn een toestand is waarin men gaat verkeren, zoals bijvoorbeeld de verliefdheid.

En daar houdt het op?

OVT: Ik zou zeggen, daar begint het eindelijk.

(J.B., 2 juni 2026)

 

Canetti's Massa en macht Aflevering 9: Totalitarisme en de anticipatie van alle kritiek

Canetti's Massa en macht

Aflevering 9: Totalitarisme en de anticipatie van alle kritiek

Manufacturing Consent uit 1988 van Noam Chomsky en Edward Herman1 over hoe potentaten de massa bewerken met het oog op het bereiken van instemming met de gevoerde politiek, is uiteraard ook en vooral van toepassing bij een bespreking over de verhouding tussen macht en massa. In dat werk wordt met talrijke voorbeelden aangetoond hoe de beïnvloeding van het oordeel van de massa heel subtiel gebeurt, wat wil zeggen: niet door grofweg te gaan liegen maar door bijvoorbeeld publicaties die in de kaart van de potentaat spelen, te promoten en door kritiek op zijn politiek te verzwijgen. Promotie gebeurt onder meer middels eerbetoon in de vorm van toekenning van grote prijzen - een handelwijze die de machtigen der aarde hanteren sinds het begin ter tijden - wat eigenlijk alles verdacht maakt wat zich afspeelt in het licht van de schijnwerpers. Het verzwijgen van kritiek is dan het uit het licht van de schijnwerpers houden van alle mogelijke tegenstanders van het gevoerde beleid.

Dat die tactiek mettertijd ook agressiever is geworden, leidt geen twijfel: aan medestanders worden Nobelprijzen toegekend maar er wordt ook steeds vaker actief naar tegenstanders gezocht die dan genadeloos worden afgemaakt en hier wordt dan niet langer vrede genomen met het verzwijgen van de waarheid maar gaat men zich daarentegen bezondigen aan het verspreiden van leugens. De leugenaar doet er alles aan om zijn ontmaskering als een maskerade - als een leugen - voor te stellen, wat vaak gebeurt door zijn eigen gekleurde oordelen voor te stellen als zijnde afkomstig van een objectieve rechter. In een kapitalistisch systeem deelt het geld de lakens uit en is het niet alleen ondenkbaar maar tevens onvermijdelijk dat de bemanning van grote prijzencommissies zoals het Nobelprijscommitee maar ook die van machtige organisaties zoals de WHO wordt aangeduid door het kapitaal dat op die manier zijn beleggingen beveiligt.

Wanneer Elias Canetti, zelfverklaard atheïst maar desalniettemin met joodse roots, in Meute und Religion, het derde hoofdstuk van zijn Masse und Macht, op een bijzonder selectieve manier de religies gaat behandelen, gaat nu als vanzelf het door Chomsky en Herman gesmede belletje rinkelen en aan de aandachtige lezer zal de ijver niet ontgaan waarmee de auteur onderscheid maakt tussen zijn mede- en tegenstanders op het vlak van religie. Waarschijnlijk geheel ongewild blijkt ook Canetti een slachtoffer van de systemen die hij analyseert.

(J.B., 28 mei 2026)

1Noam Chomsky en Edward S. Herman, Manufacturing Consent. De politieke economie van de massamedia, vertaling naar het Nederlands door Jan Reyniers, Epo, Berchem 2025. Oorspronkelijk: Manufacturing Consent. The Political Economy of the Mass Media, Pantheon Books, New York 1988.

 

Meer van Tisallemaiet

↑ Terug naar de berichten