De verborgen factor - Aflevering 6

|
De verborgen factor Aflevering 6
Dat de goddelijke praxis geïdentificeerd wordt met de liefde is geen arbitraire zaak omdat het kenmerk bij uitstek van de liefde haar vanzelfsprekendheid is, haar letterlijk 'vanuit zichzelf spreken', wat wil zeggen: wars van of bevrijd van opgelegde regels en wetten. En dit kenmerk kan ons dan ook enigszins verontrusten gezien onze gewenning aan een ingebed zijn in de geruststellende of verzekerende systemen welke religies met hun theologieën en kerken te bieden hebben. De praktijk van de liefde stuurt zichzelf vanuit een ontzag voor het werkelijk heilige dat de Waarheid is en dat zich aan ons in de loop van de praktijk openbaart met nog meer overtuigingskracht dan de Rede, die er een bepaald facet van vormt. Het wordt nu bijzonder moeilijk om middels een beredenerende taal te gaan spreken over een praktijk waarvan het wezen dat van de rede ver overtreft, te meer daar die praktijk totaal verschilt van die andere 'spontane' gedrevenheid van de zogenaamde driften. Het verdient de aandacht om die twee duidelijk te gaan onderscheiden zonder daarbij een polarisering te gaan introduceren omdat een miskenning van de driften, hun verdringing meebrengt, waardoor ze zich gaan gedragen zoals geslagen honden, wat wil zeggen vals, zodat ze terecht onze vrees aanwakkeren dat ze ons onverwacht kunnen bijten of beetnemen. De twee uiteenlopende realiteiten moeten erkend worden om ook goed begrepen te kunnen worden en dan ook beheerst en het zal blijken dat wij ons eerst moeten laten beheersen door de praktijk van de liefde om vervolgens in staat te zijn om de driften onder het commando te houden omdat driften aan ons externe krachten zijn, evenals de regels en de wetten van de te verwerpen religie van destijds, terwijl de liefde een interne aangelegenheid is en meer bepaald een intersubjectieve zaak. Onze ziel, hoger in onze tekst impliciet gedefinieerd als datgene wat wij verliezen als wij ons door externe systemen laten besturen, stamt immers uit de intersubjectieve praktijk van de liefde, precies zoals ons denkvermogen zijn oorsprong vindt in de intersubjectiviteit van de dialoog. De sacrale intersubjectiviteit van de liefde verhoudt zich tot de machinale maatschappij zoals het levende zich tot de dode stof verhoudt. Nog anders uitgedrukt: de sacrale intersubjectiviteit van de liefde verhoudt zich tot de machinale maatschappij zoals de interpersoonlijke taal zich verhoudt tot een systeem van artificiële intelligentie. Andermaal: de ziel is datgene wat wij verliezen als wij ons overgeven aan de automaat van de taal, van de maatschappij, van de religie of van het driftleven. Tenslotte moeten we hier uiteindelijk terugkeren tot een bevraging van het verrijzenisgeloof en meer bepaald de verrijzenis van het vlees, dat middels de introductie van de liefde als een zich in het intersubjectieve leven vastankerende kracht, een andere betekenis krijgt dan die we er tot dusverre hebben aan toegekend. Het vlees immers onderscheidt zich van de dode stof in de mate dat het onze bezielde lichamen betreft, lichamen die zich laten besturen door krachten die aan ons begrip ontsnappen, niet alleen omdat zij levend zijn maar ook omdat zij levenschenkend zijn. Leven komt niet voort uit dode stof maar altijd uit ander leven: het leven geeft zich als het ware door, over de stoffelijkheid van de lichamen heen, waarbij het die stoffelijkheid als het ware optilt uit hun dood en betekenisvol maakt in functie van zijn project. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat de genoemde verheffing van de stoffelijkheid tot onderdeel van een gebeuren dat de stof overstijgt, zich zou beperken tot alleen maar de procreatie van mens, dier en plant, waarmee gezegd is dat de opwekking van het leven dat de dode stof overstijgt, evenzeer kan plaatsvinden wars van de biologische voortplanting. Maar het onder woorden brengen van de opstanding is een heel ander paar mouwen. (J.B., 21 oktober 2026) |








