De verborgen factor - Aflevering 10
|
De verborgen factor Aflevering 10 Dat het wezen dat bestemd is voor de toekomst, het leven onttrekt aan de wezens van het verleden, betekent dat, alvast in de wereld van het levende, de toekomst het leven aan het verleden onttrekt of de toekomst zich met het verleden voedt. In het heden eet de toekomst het verleden op; het heden is niets anders dan het punt waarin het verleden overgaat in de toekomst - alvast m.b.t. het levende (dat zich immers met het verleden voedt), want tegelijk gaat in het heden de toekomst over in het verleden m.b.t. de dode stof (die alsnog door het levende te baat genomen wordt). De wet van de entropie of het toenemen van wanorde in de wereld van het levenloze naar gelang de tijd voortschrijdt, betekent dat de toekomst aan het verleden orde onttrekt, wat hetzelfde is als de stelling dat het verleden aan de toekomst wanorde onttrekt: wat wij waarnemen als de dode stof, is in feite de manifestatie van het verleden (in het heden) en wat wij waarnemen als het leven, is niets anders dan de manifestatie van de toekomst in het heden. Er is nu geen enkele tegenspraak meer tussen enerzijds de stelling dat de toekomst leven onttrekt aan het verleden en anderzijds de stelling dat de toekomst orde aan het verleden onttrekt omdat het leven ordent. Het begrip van de ordening, zoals reeds vernoemd, is niets anders dan het proces waarbij het levende de dode stof in zich opneemt en ze zodoende een functie toekent in het proces van het leven, met andere woorden: de ordening der dingen is de inbedding van het levenloze in het levende of het tot leven wekken van wat aanvankelijk levenloos was door dit in de 'levensstroom' op te nemen of een plaats te geven. Dat gebeurt bij de procreatie, het gebeurt ook waar wezens zich voeden en verder gebeurt het eveneens waar zich de wet van de entropie voltrekt die, zoals hoger aangegeven, alleen maar een andere verschijningsvorm is dan de 'ordeningswet' die het levende bestuurt. Spreekt men inzake de wereld van de levenloze stof over oorzakelijkheid, dan moet met betrekking tot de wereld van het levende het welbekende begrip van de 'doeloorzakelijkheid' ernstig genomen worden. Wat dit betreft kan andermaal verwezen worden naar Trans-atheïsme, onder meer naar de stelling 102 die luidt (en de tekst uit 2003 kan hier maar best letterlijk worden geciteerd): "Diep in de taal ligt het geheim van het leven verborgen."1 De orde van de taal keert namelijk de orde van een vervallende wereld om: "(...) Tekens worden [namelijk] bepaald door betekenissen, en de hoogste betekenissen zijn allesbepalend. (...). Het woord is in oorsprong een gegeven woord of een belofte, welke zich voor het eerst manifesteert in de naamgeving, die de uitnodiging is tot het participeren aan de (geestelijke) werkelijkheid. De taal is niet zomaar een schaduw van de geestelijke werkelijkheid in de vergankelijke wereld, maar zij vormt zelf het fundament van alles wat werkelijkheidswaarde heeft, omdat het werkelijke vooreerst het persoonlijke is, terwijl het persoonlijke niet anders bestaat dan binnen de erkenning, of de liefde. Het woord, zoals het eerst in de aanroeping van de naam weerklinkt, gebiedt het zijnde tot participatie aan het Leven. Datgene wat wij de taal noemen, onderscheidt zich van de louter interactionele bewegingen, doordat het zich beroept op het vermogen tot trouw; immers, alleen de trouw is bij machte om de continuïteit die de interacties kenmerkt, te doorbreken en om, zodoende, tegen de wet van de entropie in, een nieuwe beweging of een nieuw verbond in het leven te roepen. Elke beweging verwijst naar een oorsprong die noodzakelijk een discontinu karakter heeft, terwijl die discontinuïteit enkel middels het vermogen van de trouw kan ontstaan zijn. In de structuur van de taal zelf, vindt men bijgevolg de structuur of de orde van de werkelijkheid terug [en zo schrijft Johannes:] “Alle dingen zijn door het Woord geworden en zonder dit is geen ding geworden dat geworden is”. Wat is nu deze structuur van de taal? Indien wij zouden spreken over de taal als zijnde opgebouwd uit lettertekens, woorden, zinnen en zo meer, dan zouden wij dezelfde fout maken als deze waaraan de neo-positivisten zich bezondigd hebben. De werkelijkheid, en daartoe behoort ook de fundamentele werkelijkheid die de werkelijkheid is van de taal, is niet een geheel dat zou opgebouwd of samengesteld zijn uit kleinere eenheden die op hun beurt weer uit nog kleinere eenheden zouden bestaan. Zo’n visie ware micro-reductionistisch en zou de realiteit op z’n kop zetten. Het wezen van de taal bestaat daarentegen uit haar zin, en die zin is niets anders dan haar betekenis. Het is de betekenis van de taal, die aan de oorsprong van de taal zelf ligt. Als men aan iemand iets wil mededelen, dan zoekt men naar middelen om dat te doen, en die middelen worden gezocht in functie van de mededeling, wat ons duidelijk maakt dat de te mededelen betekenis voorafgaat aan de middelen of de tekens. Het teken is immers de aanwezigheid van een afwezigheid - namelijk: het betekende is afwezig, terwijl het teken aanwezig is om van het afwezige of van het elders-zijn van het betekende te getuigen. Het teken verwijst naar het betekende, en het is ook niets anders dan die verwijzing, wat wil zeggen dat een teken zonder een betekende ook geen teken kan zijn. Het teken is wat het is bij de gratie van het betekende. Het betekende is fundamenteler dan het teken, en het gaat er daarom noodzakelijk aan vooraf. Het zijn, om het zo uit te drukken, niet de woorden die samen de zin vormen, maar het is de zin, of de betekenis, die de woorden gebruikt om zich te zeggen. Het zijn niet de letters die samen het woord vormen, maar het is het woord dat zich met letters omkleedt. Het zijn niet de zinnen die samen de boodschap vormen, maar het is de boodschap die zich bedient van de zinnen. Het lijkt er dan op dat de ‘zichtbare’ wereld zich eigenlijk achterste-voren beweegt, vergeleken bij de wereld van de geest: in de geest gaat het doel vooraf aan de middelen, terwijl in de ‘zichtbare’ wereld het doel op de aanwending van de middelen volgt. Dat wij plannen maken, betekent dat wij vertrekken vanuit ons eindpunt, of: dat ons eindpunt ons uitgangspunt is. Door onze trouw aan het eindpunt, kan het uitgangspunt zich ontwikkelen tegen de natuurlijke entropie in, zodat een constructief proces op gang gebracht wordt dat het natuurlijke verloop van de gebeurtenissen tart. De volharding in onze trouw bevrijdt ons zodoende van de normale, natuurlijke gang van zaken, en zij wendt de natuur zelf aan om tegen haar eigen beginselen in te gaan. De trouw vermag het om de natuurkrachten om te buigen of aan te wenden in dienst van de geest, die de tijd omkeert, en die het entropisch verval aldus tot een constructief proces verandert. En zo vermag de taal het om de thuis te zijn van de trouw - dat is, zoals gezegd: het vermogen om van het verval een constructie te maken - waardoor de wereld van de geest, deze van de stof in zijn dienst stelt, en er het stervende doet veranderen in het groeiende, het dode in het levende, het vervallende in het zich oprichtende. De geest manifesteert zich in de stof door de wereld van het stoffelijke om te keren, het ogenschijnlijk onherroepelijke om te keren, de voltooiing in het begin te leggen en in datgene wat zich beëindigt, de zaden van een nieuw begin te planten. De taal is niet alleen het middel voor de bijzondere omkering van de dood in het leven, maar zij is tevens die omkering zelf. Door te participeren aan de taal, participeert men aan de geest. De geest vermag het om het verleden - als de herinnering - en de toekomst - als de verwachting - in het heden samen te brengen, en aldus het ‘niets’ van het heden te vervullen met de totaliteit van het in de tijd versnipperde zijn. De versnippering van het zijn wordt door de werking van de geest tegengegaan. De orde van de taal keert de orde van een vervallende wereld om. Diep in de structuren van de taal zelf verborgen, liggen de mysteries van het leven en van de opstanding, liggen de geheimen van de schepping, en staat de Boom van het Leven. Maar, zoals de Heilige Schrift het zegt, moeten deze geheimen ontoegankelijk blijven voor de mens: “En Hij verdreef de mens en Hij stelde ten Oosten van de hof van Eden de cherubs met een flikkerend zwaard, dat zich heen en weer wendde, om de weg tot de boom des levens te bewaken”. (Genesis, 3:24)."2 Onze stelling in Trans-atheïsme luidt dat het leven richting geeft aan de dode stof maar dat het dit doet naar het voorbeeld van de geest (die zich manifesteert in de taal) welke richting geeft aan het leven. De stelling is een stuk complexer dan in deze artikelenreeks kan worden weergegeven en houdt dus niet op bij het leven, dat immers bezield wordt door het woord of door de geest, die op zijn beurt wordt mogelijk gemaakt door het goede. De betekenis van het vlees omhelst in die context dan ook meer dan alleen maar de begrippen van de dode stof en die van het leven. (Wordt vervolgd) (J.B., 26 oktober 2026) 1J. Bauwens, Trans-atheïsme. Een christelijk geïnspireerde verrijzenis uit het hedendaags materialisme, Serskamp, juni 2003 (wat een bijgewerkte versie is van de oorspronkelijke tekst), o.m. pp. 430v. (De verwijzingen betreffen de pagina's in de uitgave van 600 bladzijden in A4-formaat, als PDF hier te lezen op het internet: https://blogimages.bloggen.be/transatheism/attach/564.pdf ) 2J. Bauwens, o.c. (Trans-atheïsme), pp. 430-432. |







