Naar de inhoud

Tisallemaiet

Deze blog beoogt een duplicaat en/of een voortzetting van de blog Tisallemaiet (https://www.bloggen.be/tisallemaiet) - © J. Bauwens, Serskamp
akke.beakke.be
Deze blog beoogt een duplicaat en/of een voortzetting van de blog Tisallemaiet (https://www.bloggen.be/tisallemaiet ) - © J. Bauwens, Serskamp

De verborgen factor - Aflevering 8

 

De verborgen factor

Aflevering 8

De eindigheid van ons fysiek bestaan is binnen het actuele wereldbeeld een feit en de dood kan alleen in enigerlei zin overstegen worden door onze arbeid, welke bestaat in een transformatie van ons leven in ons handelen waarin onze levenskrachten een zekere richting worden uitgestuurd waar zij de fysieke dood van de betrokkene overleven.

Onmiskenbaar speelt hier de inbeelding in de positieve betekenis een rol: we kunnen ons onze opstanding inbeelden maar dan wel alleen op voorwaarde dat die inbeelding niet strijdig hoeft te zijn met de werkelijkheid. Edoch, zolang wij vasthouden aan het werkelijkheidsbeeld van het micro-reductionisme, dat belijdt dat het leven voortkomt uit de dode stof, kan de inbeelding van de verrijzenis onmogelijk hout snijden. Vandaar rijst de vraag of een werkelijkheidsbeeld mogelijk is dat gehandhaafd kan worden terwijl dit het micro-reductionisme verwerpt. En alvast kan hier met stelligheid aangetoond worden dat een micro-reductionistisch wereldbeeld niet alleen kan maar ook moet verworpen worden omdat het metafysisch gezien geen hout snijdt. Uiteraard is daarna nog een hele weg te gaan.

Wat betreft de verwerping van het micro-reductionisme, kan hier verwezen worden naar ons geschrift Trans-atheïsme1 uit 2003 en de kern van onze hier relevante kritiek laat zich als volgt samenvatten.

De hoop op het vinden van een eenheidswetenschap voedt de door Etienne Vermeersch als volgt geformuleerde overtuiging "dat alle verschijnselen uiteindelijk van dezelfde orde zijn [en derhalve] “dat alle verschijnselen uiteindelijk uit enkele basisprincipes over de relaties tussen enkele basisentiteiten zullen kunnen afgeleid worden”,2 wat de theorie van de micro-reductie is. Edoch, reeds het positivistische waarheidscriterium van de experimentele bewijsbaarheid is vooringenomen met de stelling dat de werkelijkheid een (tot op het micro-niveau te reduceren) constructie zou zijn. Deze aanname is bijzonder verleidelijk voor wie de door machtswellust aangedreven hoop koesteren op de mogelijkheid tot het namaken van de schepping, met andere woorden: het reconstrueren van datgene waarvan men wenst te geloven dat het een constructie is. Die verregaande simplificatie van de realiteit volgt rechtstreeks uit de verblinding welke de machtswellust begeleidt en die haar enig mogelijke verklaring is. Men hoeft echter geen beroep te doen op bovenmenselijke krachten om te kunnen inzien wat hier reeds ten berde werd gebracht: dat het apert is dat het leven nergens en nooit voortkomt uit de dode stof maar wel altijd en overal uit ander leven - waarvan de oorsprong alle wetenschappelijke bedrijvigheid ten spijt nog altijd onverklaarbaar is gebleven terwijl om de hier opgegeven reden alvast de hoop op een micro-reductionistische verklaring ijdel is.

(Wordt vervolgd)

(J.B., 25 oktober 2026)

1J. Bauwens, Trans-atheïsme. Een christelijk geïnspireerde verrijzenis uit het hedendaags materialisme, Serskamp, juni 2003 (wat een bijgewerkte versie is van de oorspronkelijke tekst), pp. 23-148 en meer bepaald m.b.t. onze kritiek op het micro-reductionisme: pp. 43-45, pp. 49-51, pag. 57 en pp. 425-432. (De verwijzingen betreffen de pagina's in de uitgave van 600 bladzijden in A4-formaat, als PDF hier te lezen op het inteernet: https://blogimages.bloggen.be/transatheism/attach/564.pdf )

2VERMEERSCH, Etienne, Epistemologische Inleiding tot een Wetenschap van de Mens, De Tempel, Brugge 1967. (Uitgave van de R.U.G., L&W, nr. 144), pp. 24 resp. 58.









De verborgen factor - Aflevering 7: recapitulatie

 

De verborgen factor

Aflevering 7: recapitulatie

Vooraleer de opstanding te bespreken, recapituleren wij dat de religies het geloof in de weg staan. Jahweh is daar de mammon omdat het geldwezen de transcriptie is van schulden en verdiensten: het heil moet verdiend worden zoals het werelds loon.1 Augustinus veroordeelt dit doch zijn genadeleer maakt van ons heil een lotto.

Jezus heeft bestaan maar het verrijzenisgeloof is een fantasie, achteraf bekrachtigd door selectieve consoliderende en confirmerende lezing van de Thora over een messiasvoorspelling. Toch blijven de kwestie van het martelaarschap en de indrukwekkende arbeidsethiek verwijzen naar een authentieke leer.

Het klassieke geloof drijft op inbeelding: inprenting van irreële zaken, zoals de eigen meerwaarde en navenant de voorrechten. Maar inbeelding kan ook positief werken: het zich inbeelden van een handeling als voorbereiding erop is voorzichtigheid - eerst denken, dan doen. Bij impulsief gedrag zet het ingebeelde zich ongeremd in daden om, ook in de 'vertraagde' en collectieve vorm, welke polarisering veroorzaakt. Men schaart zich achter het heilige, dat wat niet gekend mag worden... omdat die kennis de macht aantast waar die op leugens berust. De keizer kan zo lang uitpakken met zijn nieuwe kleren totdat een kind of een nar het taboe doorprikken, wat gebeurt bij secularisering en emancipatie. De religies fnuiken de oorspronkelijke leer die 'woke' en kritisch is, middels institutionalisering die haar maatschappelijk verankert en doet stilstaan. De leer over de spontane liefde wordt een zaak van plichten en rechten, wetten en sancties, bekrachtigd door geweld, wat noodzaakt tot een pact met de wereldlijke, 'duivelse' macht.

Hedendaagse dictaturen bestraffen het kind en de nar, de hongerlijders en de klokkenluiders, de artiesten die wars van wetten, plichten en rechten, de nek uitsteken zonder angst omdat men voor een mens niets erger kan bedenken dan dat hij instrument wordt van een onpersoonlijk systeem dat hem heil belooft maar hem zijn ziel afpakt. Het kind en de nar volgen de Nazoreeër in een verantwoordelijk leven - verkieslijker want door een persoon gedragen: alleen een persoon kan verantwoordelijk handelen omdat vertrouwen leed vereist en dus een mens van vlees en bloed. Volgelingschap is dan geen nabootsing en de 'mislukking' slaagt alsnog als aanmoediging, getuige de 'navolging': alvast behouden de navolgers hun ziel.

Het gevaar om voor god te gaan spelen2 verdwijnt waar een gedemythologiseerd christendom een ander godsbegrip vereist dat wars van een externe macht verwijst naar de liefde, die een praktijk is, een ethiek, een interpersoonlijke praxis: 'god' wordt in onze levende werkelijkheid verankerd als een alomtegenwoordige bezieling van het leven.3

Onze onderwerping aan de interne praktijk van de liefde, die een intersubjectieve zaak is, faciliteert ons om boven het externe te gaan staan - boven de driften en de religieuze wetten. Wie zich door het externe laten besturen, verliezen hun ziel dar zij stamt uit de intersubjectieve praktijk van de liefde, precies zoals ons denkvermogen zijn oorsprong vindt in de intersubjectiviteit van de dialoog: de sacrale intersubjectiviteit van de liefde verhoudt zich tot de machinale maatschappij zoals het levende zich tot de dode stof verhoudt en zoals de interpersoonlijke taal zich verhoudt tot een systeem van artificiële intelligentie. Andermaal: de ziel is datgene wat wij verliezen door de overgave aan automaten zoals taal, maatschappij, religie en driften.

Edoch, door de genoemde transformatie krijgt ook de 'verrijzenis van het vlees' een andere betekenis. Het vlees onderscheidt zich van de dode stof in de mate dat het onze bezielde lichamen betreft: zij laten zich besturen door onbegrepen levende en levenschenkende krachten want leven komt niet voort uit dode stof (wat het actuele paradigma van het microreductionisme belijdt) maar altijd uit ander leven: het leven geeft zichzelf door, over de stoffelijkheid van de lichamen heen, waarbij het die stoffelijkheid optilt uit hun dood en betekenisvol maakt in functie van het levende. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat die verheffing (van de stoffelijkheid tot onderdeel van een gebeuren dat de stof overstijgt) zich zou beperken tot alleen maar de procreatie: ze kan evenzeer plaatsvinden wars van de biologische voortplanting.

(J.B., 25 oktober 2026)

1Cf.: Patstelling, artikel d.d. 15 oktober 2026. Zie: https://blog.seniorennet.be/tisallemaiet/2725790-patstelling

2Een gevaar gelinkt aan een mogelijk reactionair optreden, een faling tot het voltrekken van de genoemde transformatie waarbij het 'onder ons'-zijn een 'sacraal' karakter verkrijgt met een heilige dat verwijst naar de waarheid zelf en naar de eigenlijkheid van de bewuste praktijk.

3De uitspraak dat als god niet bestaat, alles geoorloofd is, veronachtzaamt die sacraliteit en de navenante verantwoordelijkheid. Deze transformatie maakt van de menselijke verantwoordelijkheid een goddelijke zaak maar dat staat haaks op de these dat de mens nu zelf een god zou zijn. De goddelijke praxis van de liefde is vanzelfsprekend: wars van of bevrijd van opgelegde regels en wetten. Mogelijkerwijze verontrustend vanwege onze gewenning aan verzekerende systemen zoals religies, stuurt de praktijk van de liefde zichzelf vanuit een ontzag voor het werkelijk heilige, de Waarheid die zich in de praktijk zelf openbaart.


 









De verborgen factor - Aflevering 6

De verborgen factor

Aflevering 6

3368672-0a51d532454fc252dda480299d224c2d.jpg

Dat de goddelijke praxis geïdentificeerd wordt met de liefde is geen arbitraire zaak omdat het kenmerk bij uitstek van de liefde haar vanzelfsprekendheid is, haar letterlijk 'vanuit zichzelf spreken', wat wil zeggen: wars van of bevrijd van opgelegde regels en wetten. En dit kenmerk kan ons dan ook enigszins verontrusten gezien onze gewenning aan een ingebed zijn in de geruststellende of verzekerende systemen welke religies met hun theologieën en kerken te bieden hebben. De praktijk van de liefde stuurt zichzelf vanuit een ontzag voor het werkelijk heilige dat de Waarheid is en dat zich aan ons in de loop van de praktijk openbaart met nog meer overtuigingskracht dan de Rede, die er een bepaald facet van vormt.

Het wordt nu bijzonder moeilijk om middels een beredenerende taal te gaan spreken over een praktijk waarvan het wezen dat van de rede ver overtreft, te meer daar die praktijk totaal verschilt van die andere 'spontane' gedrevenheid van de zogenaamde driften. Het verdient de aandacht om die twee duidelijk te gaan onderscheiden zonder daarbij een polarisering te gaan introduceren omdat een miskenning van de driften, hun verdringing meebrengt, waardoor ze zich gaan gedragen zoals geslagen honden, wat wil zeggen vals, zodat ze terecht onze vrees aanwakkeren dat ze ons onverwacht kunnen bijten of beetnemen. De twee uiteenlopende realiteiten moeten erkend worden om ook goed begrepen te kunnen worden en dan ook beheerst en het zal blijken dat wij ons eerst moeten laten beheersen door de praktijk van de liefde om vervolgens in staat te zijn om de driften onder het commando te houden omdat driften aan ons externe krachten zijn, evenals de regels en de wetten van de te verwerpen religie van destijds, terwijl de liefde een interne aangelegenheid is en meer bepaald een intersubjectieve zaak.

Onze ziel, hoger in onze tekst impliciet gedefinieerd als datgene wat wij verliezen als wij ons door externe systemen laten besturen, stamt immers uit de intersubjectieve praktijk van de liefde, precies zoals ons denkvermogen zijn oorsprong vindt in de intersubjectiviteit van de dialoog. De sacrale intersubjectiviteit van de liefde verhoudt zich tot de machinale maatschappij zoals het levende zich tot de dode stof verhoudt. Nog anders uitgedrukt: de sacrale intersubjectiviteit van de liefde verhoudt zich tot de machinale maatschappij zoals de interpersoonlijke taal zich verhoudt tot een systeem van artificiële intelligentie. Andermaal: de ziel is datgene wat wij verliezen als wij ons overgeven aan de automaat van de taal, van de maatschappij, van de religie of van het driftleven.

Tenslotte moeten we hier uiteindelijk terugkeren tot een bevraging van het verrijzenisgeloof en meer bepaald de verrijzenis van het vlees, dat middels de introductie van de liefde als een zich in het intersubjectieve leven vastankerende kracht, een andere betekenis krijgt dan die we er tot dusverre hebben aan toegekend. Het vlees immers onderscheidt zich van de dode stof in de mate dat het onze bezielde lichamen betreft, lichamen die zich laten besturen door krachten die aan ons begrip ontsnappen, niet alleen omdat zij levend zijn maar ook omdat zij levenschenkend zijn. Leven komt niet voort uit dode stof maar altijd uit ander leven: het leven geeft zich als het ware door, over de stoffelijkheid van de lichamen heen, waarbij het die stoffelijkheid als het ware optilt uit hun dood en betekenisvol maakt in functie van zijn project.

Er is geen enkele reden om aan te nemen dat de genoemde verheffing van de stoffelijkheid tot onderdeel van een gebeuren dat de stof overstijgt, zich zou beperken tot alleen maar de procreatie van mens, dier en plant, waarmee gezegd is dat de opwekking van het leven dat de dode stof overstijgt, evenzeer kan plaatsvinden wars van de biologische voortplanting. Maar het onder woorden brengen van de opstanding is een heel ander paar mouwen.

(J.B., 21 oktober 2026)









De verborgen factor - Aflevering 5

 

De verborgen factor

Aflevering 5

3368671-bc61d13152edd1f9f740dc7053f4a50b.JPG

Op dit punt beland dringt zich een bijzonder eigenaardige vraag op, namelijk de kwestie of zij die de geschetste overtuiging zijn toegedaan, sowieso niet in de verleiding komen om voor god te gaan spelen. En er moet in de eerste plaats sprake zijn van een 'eigenaardige' vraag omdat een gedemythologiseerde kijk op wat het christendom is gaan heten, een godsbegrip vereist dat niet weinig zal verschillen van het oude Abrahamitische concept dat gelinkt is aan Jahweh en derhalve ook aan de mammon, aan het monetair systeem en aan de duivel. In de leer die hier aan de orde is, wordt het godsbegrip gelinkt aan de liefde, die een praktijk is, wat inhoudt dat niet de verering van een of andere entiteit in deze leer centraal zal staan maar wel de beoefening van een specifieke ethiek.

De verschuiving die hier aan de orde is betreffende het godsbegrip, is een overgang van een aan de mens en aan de wereld extern object, dat wordt gevreesd en daarom ook vereerd, naar een interpersoonlijke praxis. Of de god van voordien hierdoor werd opgeheven, blijft een open vraag: als wordt aangenomen dat hij alleen maar getransformeerd werd, dan heeft hij zich in onze levende werkelijkheid verankerd als een alomtegenwoordigheid en meer bepaald als een zeer specifieke bezieling van het leven. En de gestelde vraag naar het gevaar dat de mens voor god gaat spelen, heeft te maken met een mogelijk reactionair optreden binnen deze nieuwe context, met name waar men er niet in zou slagen om van de oude voorstelling van de godheid afstand te nemen.

Als men de godsidee wil behouden, dan moet men (in de onderhavige leer) voortaan aannemen dat hij 'onder ons' is. Pas waar men het goddelijke als zodanig helemaal gaat verwerpen, bestaat het gevaar dat het kind met het badwater wordt buitengegooid, waarbij het kind het sacraal karakter van het 'onder ons'-zijn vertegenwoordigt. En 'sacraal' betekent hier niet heilig in de zin waarin het taboe heilig is: het taboe mag niet overtreden worden omdat dit de leugen van de (wereldse) machthebber aan het licht zou brengen. Daarentegen verwijst de heiligheid die hier bedoeld wordt naar de waarheid zelf en naar de eigenlijkheid van de bewuste praktijk waarin zich het goddelijke getransformeerd heeft.

De vaak gehoorde conclusie welke luidt: "als god niet bestaat, is alles geoorloofd", veronachtzaamt de sacraliteit van de nieuwe ethiek en introduceert inderdaad het gevaar dat de mens met vuur gaat spelen, wat betekent dat hij zijn verantwoordelijkheid gaat vergeten. En hier doet zich een bijzondere paradox voor: krachtens de aangehaalde transformatie is de menselijke verantwoordelijkheid een goddelijke zaak maar die aanname staat haaks op de these dat de mens nu zelf god zou zijn. Andermaal: god heeft zich in de leer van de Nazoreeër verplaatst van een aan de mens en aan de wereld extern object naar een specifieke levende praktijk welke geïdentificeerd wordt met de liefde.

(J.B., 21 oktober 2026)

 




De verborgen factor - Aflevering 4

De verborgen factor

Aflevering 4

3368664-963fac521b77cd45c4f0315cb29d5080.jpg

De definitie van de kern van het christendom als de leer van allen die wars van wetten, plichten en rechten, de nek uitsteken zonder angst, huldigt het volgelingschap van de Nazoreeër als het verantwoordelijke leven: het opnemen van verantwoordelijkheid voor wat men doet, ook al mist men een (al dan niet vermeende) 'ultieme kennis' omtrent een (al dan niet vermeend) 'einddoel'. 

Die handelwijze is altijd verkieslijker dan het volbrengen van door een systeem opgelegde taken omdat zij gedragen wordt door een persoon: alleen een persoon kan vrij beslissen, alleen een persoon kan daden stellen - systemen daarentegen voeren algoritmen uit, weliswaar door personen gefabriceerde algoritmen maar hun daden blijven omzeggens 'onbemand', ze zijn louter resultaten van machinale gegevensverwerking en derhalve niet te ontdoen van een zekere vrijblijvendheid, en dit in tegenstelling tot de persoonlijke activiteit. Dit volgelingschap kan dan ook nimmer begrepen worden als de nabootsing van een voorbeeld of als het uitvoeren van bevelen, aanbevelingen of een plan.

Paradoxaal genoeg is het 'voorbeeld' van het verantwoordelijke handelen dat in het geval van de Nazoreeër resulteert in een faliekante mislukking, geslaagd als aanmoediging tot zelfstandigheid omdat het nog altijd 'navolging' krijgt. Of de 'gelovigen' gelukkig zijn in de zin waarin de Sisyphusfiguur van Albert Camus dat is, blijft een vraagteken maar alvast ontsnappen allen die de boodschap hebben begrepen aan het ongeluk dat degenen treft die geloven hun persoonlijke verantwoordelijkheid straffeloos te kunnen ontlopen.

(J.B., 20 oktober 2026)










De verborgen factor - Aflevering 3

 

De verborgen factor

Aflevering 3

3368652-adc9e8c9ad72c7ea6203550737e3f666.JPG

J.B., Vrij naar Jeroen Bosch

De religies staan het geloof in de weg en zij doen dat meer bepaald door een oorspronkelijke leer die sowieso 'woke' en kritisch is, te fnuiken en wel middels institutionalisering. De institutionalisering van een zaak is haar afbeelding in het maatschappelijke, haar verankering en derhalve haar stilstand. In het geval van het christendom wordt door institutionalisering de kern van de leer, zijnde de liefde - tot god, tot zichzelf en tot de medemens - van alle spontaneïteit en vrijwilligheid ontdaan: zij wordt een plicht jegens god, jegens zichzelf en jegens de medemens en tegelijk eisen deze drie entiteiten dan ook het recht op liefde op, wat noodzakelijk met het stellen van zekere wetten gebeurt. Waar wetten van kracht zijn, gelden uiteraard ook sancties en sancties kunnen pas bekrachtigd worden middels eender welke vorm van geweld, doch altijd met de stok van fysiek geweld achter de deur.

De religie kan derhalve nimmer als instituut bestaan als zij geen pact sluit met de wereldlijke macht die, zoals de kern van het christendom zelf luidt, 'des duivels' is. Zo kan men er ook hier niet omheen om na de erkenning van de equivalentie van Jahweh met de mammon, de religie te identificeren met het werk van de duivel, de diabool of de tegenstrever en meer bepaald de tegenstrever van de oorspronkelijke leer.

Die oorspronkelijke leer zal het kind en de nar niet vervolgen waar die de leugen van de kleren van de keizer doorprikken en de waarheid in de openbaarheid brengen. Het kind alsook de nar worden door het gerecht - en uiteraard geheel terecht - heel anders behandeld dan de doorsnee burger: alleen in doorgedreven dictaturen worden zij gestraft. Edoch, die dictaturen heersen vandaag over de hele wereld met tirannen die toelaten dat dagelijks twintigduizend kinderen omkomen door ontbering en die de klokkenluiders maar ook de tekenaars van spotprenten en nog andere geëngageerde artiesten gewoon ombrengen.

Om die reden is de oorspronkelijke leer, de leer van de kinderen en die van de narren, de leer van de kunstenaars en die van allen die wars van wetten, plichten en rechten, de nek uitsteken zonder angst omdat men voor het lot van een mens niets erger kan bedenken dan dat hij zichzelf herleidt tot een instrument van een onpersoonlijk systeem - een systeem dat hem weliswaar het heil belooft, zoals het verzekeringswezen dat doet, maar dat hem zodoende vastketent aan regels, onvrij maakt en doodt. Het fysieke overleven baat de trawanten van de mammon niet omdat zij hun ziel al hebben verkocht en nog slechts lege hulzen zijn en als het begrip 'ziel' om uitleg vraagt, dan is deze voor de goede verstaander hiermee ook klaar en duidelijk gegeven.

(Wordt vervolgd)

(J.B., 20 oktober 2026)

 

 






De verborgen factor - Aflevering 2

De verborgen factor

Aflevering 2

3368648-23b0a1d2f3fdecb991c6bc8531c273b4.jpg

Inbeelding: ziedaar de verborgen factor in het hele verhaal van de religie als bron van velerlei 'engagementen'. Verbeelding heeft met creativiteit te maken en is een toe te juichen eigenschap: het gaat er om de werkelijkheid te verrijken met de fantasie. Inbeelding daarentegen is een inprenting van zaken die niet stroken met de werkelijkheid. In het bijzonder kan men zich inbeelden meer waard te zijn dan anderen en bijgevolg meer rechten te hebben en dat zijn dan voorrechten.

Maar inbeelding kan ook een positieve kracht zijn: door zich in te beelden een handeling te gaan verrichten terwijl men alsnog helemaal niets doet, bereidt men zich op die handeling voor omdat alvast de hersengebieden worden geactiveerd die met die handeling corresponderen. Het lijkt erop dat men dit sowieso doet tijdens de droomslaap waar geheel automatisch de gedachten van de motoriek ontkoppeld worden om ongelukken te voorkomen (waaraan slaapwandelaars zouden kunnen blootstaan maar dat is nog een ander verhaal). In wakkere toestand is die ontkoppeling er uiteraard niet en is men voorzichtig, zoals aangegeven in het devies: eerst denken, dan doen. Maar bij impulsief gedrag zet het ingebeelde zich ongeremd in daden om.

Nu bestaat er ook een 'vertraagde' vorm van impulsiviteit waarbij het ingebeelde weliswaar niet onmiddellijk wordt uitgevoerd maar wel wordt voorbereid en gepland met het oog op uitvoering. Ook in dat geval verdringt de inbeelding de werkelijkheid, zij dringt zich als het ware aan de werkelijkheid op, zoals dat het geval is bij iemand die een ander overbluft. In dat geval is het motief de overheersing van de ander - men wil hem bestelen, uit de weg ruimen, en zo meer - terwijl het voorwendsel een zekere inbeelding is. Men prent zich dan iets in om te rechtvaardigen dat men de ander onheus behandelt.

De genoemde vorm van inbeelding is een individueel gebeuren maar dat kan ook collectief zijn, namelijk waar zekere voorrechten op grond van gezamenlijke eigenschappen door een groep worden gedeeld en zo ontstaat polarisering. Men marcheert achter eenzelfde vlag, men danst rond de totem, men schaart zich om het altaar, het tabernakel, het heilige, wat wil zeggen: het onaantastbare, dat waar een taboe op rust, dat wat niet gekend mag worden. Maar waarom niet?

Heel vaak omdat dit de macht van de machthebbers aantast: zij lanceren taboes, zaken waarover niet gesproken mag worden of die niet getoond mogen worden en wel omdat het in de openbaarheid brengen van het verborgene meteen een ontluistering van de macht inluidt die immers altijd op leugens berust omdat - alvast in het licht van de menswaardigheid - tenslotte niemand voorrechten verdient. De keizer kan zo lang uitpakken met zijn nieuwe kleren totdat een kind of een nar het taboe doorprikken en aldus de leugen aan het licht brengen. Zolang dit niet het gebeurt, is de leugen heilig en is de waarheid taboe maar van zodra de waarheid uitgesproken wordt, valt de leugen in duigen, stuikt het kaartenhuisje van de potentaat ineen. En dat is wat gebeurt in het proces van de secularisering alsook in het zich emanciperen van de verdrukten, in de 'woke'-beweging, die machthebbers om die reden opnieuw trachten te verbieden. Wat niet zal lukken want de geest is uit de fles, de wet van de entropie verbiedt een terugkeer in de tijd en naar de oude orde.

(Wordt vervolgd)

(J.B., 20 oktober 2026)

 

De verborgen factor - Aflevering 1

 

De verborgen factor

3368617-f8fe3032421be4f414b0f43ce483e5cb.jpg

Aflevering 1

De religies staan het geloof in de weg. Paradoxaal genoeg doch om met de deur in huis te vallen, wil deze zin zich zeggen. De religies staan het geloof in de weg.

Het leidt geen twijfel in het geval van de Abrahamitische godsdiensten dat Jahweh en de mammon één en dezelfde god zijn: het menselijk heil is een goddelijke gunst en naar het voorbeeld daarvan verlenen mensen aan elkander gunsten waarvan de handel het geldwezen is, de transcriptie van schulden en verdiensten welke zich voortzet tot de eindtijd met de schapen en de bokken en verder in het eeuwige heil en de verdoemenis welke verdiend worden zoals ook het werelds loon.1 Reeds de genadeleer van Augustinus veroordeelt deze handel maar wat deze kerkleraar in de plaats stelt, is een nog grotere gruwel: wij zijn sowieso afhankelijk van de goddelijke willekeur en, geheel buiten ons eigen willen en weten, voorbestemd tot de hemel of de hel.

De enig mogelijke conclusie uit de vastgestelde gang van zaken is ronduit verbijsterend: Jahweh en de mammon - het monetair systeem - zijn één en dezelfde god maar geld wordt niet verdiend met goede werken: iemands kapitaal resulteert uit een blinde lotto! En ziedaar de erbarmelijke toestand in welke gelovigen zich sowieso bevinden zonder de mogelijkheid van een andere verklaring dan deze: alles is zoals het is - als dat al een verklaring mag heten.

Nadat geschiedkundig onderzoek geheel ondubbelzinnig heeft uitgewezen dat elke twijfel aan de historiciteit van de persoon van Jezus van Nazareth onterecht is, terwijl ernstige vorsers het er evenzeer sluitend over eens zijn dat het verrijzenisgeloof een brouwsel is van de apostelen en van de kerk, rest nog de vraag of de in menig opzicht indrukkende ecclesiastische historiek alsnog een realiteit verkapt die tot heden onbekend of althans onbewezen is gebleven. Hoe dan ook kan niemand eraan twijfelen dat talrijke geleerden onder de gelovige christenen geput hebben uit een bron welke, getuige zowel de goede als de slechte resultaten, ook een groot deel van de meest fervente atheïsten tot nadenken heeft aangezet.

Dat dit het geval is alle historisch onderzoek ten spijt, wijst wellicht in de richting van een 'huwelijk' tussen enerzijds een leer die misschien veel hermetischer is dan wordt vermoed en anderzijds de - al dan niet wenselijke - vruchten of gevolgen van het geloof in, zeg maar, een verlossing van de dood. De aankondiging van zo'n verlossing in de joodse Thora is inderdaad zeer betwistbaar daar deze pas achteraf onder de (bijzonder selectief gestuurde) aandacht werd gebracht door uitgerekend de klerikaal gedetermineerde geesten van lui die daar consoliderend en confirmerend garen bij te spinnen hadden - met goede voornemens of beloften is overigens volgens menigeen ook de weg naar de hel geplaveid. Maar is er uiteraard ook het ultieme getuigenis middels het martelaarschap dat zich in een omzeggens afgezwakte vorm ook het volk heeft eigen gemaakt door allerlei 'verstervingen' en dan moet vooral worden gedacht aan de zelfdiscipline achter een toch wel indrukwekkende arbeidsethiek die het gekerstende westen doorheen de eeuwen heeft getekend - weliswaar: alle wereldse hegemonie en slavenhandel buiten de rekening gehouden en ook abstractie makend van heel andere, seculiere verklaringsmodellen.

Daar hiermee het geschiedkundige verhaal is uitgeput, rest als object van onderzoek alleen nog de leer zelf of tenminste datgene in de leer waarvan zou aangenomen kunnen worden dat het niet achteraf gebrouwd werd ten behoeve van de kerk en haar macht die allerminst wenselijke uitwerkingen heeft gehad op het welzijn van de mensen die daarmee werden geconfronteerd.

(Wordt vervolgd)

(J.B., 19 oktober 2026)

1Cf.: Patstelling, artikel d.d. 15 oktober 2026. Zie: https://blog.seniorennet.be/tisallemaiet/2725790-patstelling

 

 






Kolonisatie

 

Kolonisatie

Het tweespan grootkapitaal-extreemrechts jaagt op winst ten koste van waarden en rechten. De dictatuur van het geld met zijn handpoppen: eertijds Hitler, vandaag Trump. Zij spotten met onze rechten en met de mensenrechten. "Arbeiders aller lander verenigt u!"? Men herinnere zich Sanda Dia: in het (neo)liberalisme zijn het de rijken (aller landen) die samenzweren.

In 2030 viert België zichzelf in het Jubelpark. Ongestraft dansen op het graf van twee keer zes miljoen mensen? De kolonisator wordt gekoloniseerd.

(J.B., 18 oktober 2026)

 

 

Bijlagen

Patstelling

Patstelling

In een wereldbeeld waar god het voor het zeggen heeft, verhouden zich de mensen onderling naar gelang hun relatie met de godheid die er een is van genade of gunst. De goddelijke goedheid immers lijkt niet onverdeeld gelijk jegens al zijn schepselen en dat is daaraan te zien dat de ene meer begunstigd is dan de andere terwijl niemand het in zijn hoofd zal halen om dit als een onrecht te zien om dezelfde reden waarom kritiek op de gelijke goddelijke bejegening van de werkers van het elfde uur altijd onterecht zal zijn: ons wezen zelf en ons bezit is in dit wereldbeeld een geschenk en het is uiteraard niet aan ons om aan de schenker te gaan vertellen hoe hij dan wel schenken moet. Dat wij derhalve te aanvaarden hebben dat de ene meer begunstigd is met krachten dan de andere, of dat hij dus sterker is, vindt hier zijn oorsprong: de legitimatie van het recht van de sterkste bestaat erin dat wij ons de goddelijke gunsten moeten laten welgevallen. Het recht van de sterkste vindt zijn fundament in de erkenning van het goddelijke voorrecht van de genade, wat meteen betekent dat elke aanval op het recht van de sterkste, zondig is.

Mensen kunnen niet in leven blijven als zij niet dagelijks te eten krijgen en derhalve is grondgebied voor jacht en pluk - heden: landbouw en veeteelt - een noodzaak maar de mensenmassa breidt uit, in tegenstelling tot de grondgebieden die zodoende schaarser worden. Als dan een machtig leger een gebied bezet, geeft het aan alle anderen het nakijken daar die zich, als het ware op goddelijk bevel, aan die gang van zaken moeten onderwerpen.

Zo is het er in de loop van de geschiedenis altijd aan toe gegaan maar in de praktijk hebben de sterkeren de zwakkeren niet zomaar verdreven of vermoord: zoals de sterkeren van de godheid de gunst van hun sterkte ontvingen, zo ontvangen op hun beurt de zwakkeren gunsten van de sterkeren: zij mogen op het door de sterkeren bezette grondgebied verblijven als zij aan hun gunstverleners op hun beurt specifieke gunsten schenken, zoals het bewerken van het land in kwestie en het afstaan van de opbrengst van de vruchten, waarvan ze dan uiteraard een deel terug ontvangen om te kunnen overleven want intussen hebben de zwakkeren zich voor de sterkeren onmisbaar gemaakt.

Het is duidelijk hoe derhalve uit de geschetste oersituatie de handel ontstaat die wezenlijk een handel is in gunsten - onder mensen en naar het voorbeeld van de op gunsten gesteunde relatie tussen de mens en zijn godheid - een relatie die op de keper beschouwd helemaal geen handelsrelatie is doch een relatie van totale onderwerping zoals ons in het boek Job geopenbaard.

Het privaatbezit en de daaruit voortvloeiende wetgevingen met rechten en plichten en uiteindelijk het monetair systeem zijn wezenlijk van goddelijke oorsprong en de onschendbaarheid, zeg maar de heiligheid van dat systeem wordt door niets anders dan geweld gegarandeerd. Men moet twee keer kijken om zich ervan te vergewissen dat men zich niet vergist maar de godheid met zijn goedheid en zijn gunsten blijkt dezelfde als de mammon.

Eigendom vloekt weliswaar met de evangelische woorden over de vogels in het veld maar de betrokken religie berust erop en zij beperkt zich niet tot alleen maar de eigendom van materiële zaken: naast de bezitting van goederen is er immers ook nog het bezit van zichzelf of van wat of wie men is en mensen hebben een naam waaraan zich hun geschiedenis zal hechten die er een van schulden en verdiensten is. Die schulden en verdiensten sleept men willens nillens mee als een bezit dat in de geproclameerde eindtijd zoals beloofd de rechtspraak zal sturen over wat de eeuwigheid aan de schapen en de bokken al dan niet te bieden heeft.

De adder onder het gras in deze groene wei is wel dat god een fictie is en meer bepaald een uitvinding van de sterkeren die immers niet slechts bogen op fysieke kracht maar tevens op een flinke portie sluwheid. Alom in de natuur ziet men hoe wezens om te eten, zich als aas aanbieden maar dan toehappen als niemand het verwacht: zij happen toe en slikken door en kijken dan onschuldig als een schaap - in de kleren van een wolf die al aast op een volgende prooi.

Of nu die gang van zaken een wenselijker alternatief kan krijgen in de ongodsdienstigheid blijft zeer de vraag omdat de godheid, daar hij de mammon blijkt, zich reeds structureel verweven heeft in onze wereld en niet meer kan worden uitgeroeid zonder dat wij mensen dan hetzelfde lot te delen hebben.

(J.B., 15 oktober 2026)

 

Op de grens van feit en fictie - Aflevering 5. Fictie en feit

Op de grens van feit en fictie

Aflevering 5. Fictie en feit

De nieuwe kleren van de keizer vormen wezenlijk de hyperrealiteit die ons in de tang houdt en wij zijn ons ervan bewust dat de keizer helemaal geen kleren draagt en dat twee opgeteld bij twee nooit vijf kan zijn maar alleen een argeloos kind durft dat te zeggen - een kind of een Tijl Uilenspiegel, en ziedaar de onmisbaarheid van kunst - 'fictie' - voor het kunnen terugwinnen van de feiten.

Ten tijde van de coronacrisis die in wezen een realiteitscrisis was, verrees in de artistieke wereld de Finse komische opera Covid fan tutte1 die de hypocrisie aan de kaak stelt "waarbij onze weggegooide bejaarden plotseling blijken te kunnen worden gebruikt in een toneel waarbij zij worden opgevoerd als de te sparen zwakkeren omwille van wiens welzijn een vreemde reeks autoritaire en onsamenhangende volksgezondheidsmaatregelen opgelegd worden die in een mum van tijd de wereldeconomie ondermijnen zoals geen enkele oorlog dat tot nog toe vermocht te bewerken. Echter, de op het eerste gezicht ontzagwekkende empathie met de ouderlingen staat in fel contrast met de egoïstische samenleving die almaar driester de zwakkeren uitsluit terwijl zij meedogenloos het recht van de sterkste huldigt. Geconfronteerd met een dergelijk grotesk voorwendsel kan het gewoon niet verwonderen dat het volk beweert wel degelijk gegronde redenen te hebben om haar leiders te wantrouwen."2

De groteske is een specifieke aartsmoeilijke kunstvorm bestemd om in een fictie het stijlmiddel van de overdrijving te laten functioneren als ontmaskeraar van de feiten, ons hier te lande bekend via het onovertroffen werk van de nog altijd onvolprezen Antwerpse grootmeester in het genre, Dirk Biddeloo (1952-2015). Ook de science-fiction leent zich voortreffelijk tot het doorprikken van de hyperrealiteit omdat zij sowieso een overdrijving van de feitelijke stand van zaken in de wetenschappenlijk-technologische wereld verbeeldt, al hebben artiesten zoals Jules Verne ook menigeen warm gemaakt voor een (oprecht) wetenschappelijk engagement. Nog in onze contreien neemt de veelzijdige auteur Ludo Noens een heel bijzondere plaats in door het fabricaat van een bijzonder mengsel van enerzijds fantastiek en esoterie en anderzijds filosofie en wetenschap, waarmee hij niet alleen te kijk zet wie in het hokjesdenken opgesloten zitten maar evenzeer de epigonen van een hedendaags door een neokapitalistisch systeem opgefokt en overtrokken paradigma.

Uiteraard worden deze kunstenaars door het establishment als de pest geschuwd omdat zij de macht ontluisteren door de potsierlijkheid van de heersende sferen aan het licht te brengen en hun plaats wordt al te vaak bezet met via de prijzenpotten en de beroemdheidsfabrieken van de macht naar het podium gekatapulteerde nitwits die slaafs het bewuste paradigma alsnog in stand trachten te houden.

Nog veel moeilijker om door te breken is het voor de beeldende kunstenaars omdat de directheid van hun medium als het ware binnen de seconde massa's mensen vermag op te wekken uit de valse droom waarmee de potentaten garen spinnen ten koste van de waarheid die de absolute voorwaarde voor de menselijke vrijheid is.

(J.B., 14 oktober 2026)

1Een opera op muziek van Mozarts Cosi fan tutti en met een libretto van de hand van de Finse journaliste en misdaadauteur Minna Lindgren.

2Cf.: J. Bauwens, Panopticum Corona, Serskamp 2021, pag. 861.


 






Op de grens van feit en fictie - Aflevering 4. Schijn en werkelijkheid

 

Op de grens van feit en fictie

Aflevering 4. Schijn en werkelijkheid

Willen wij weten of het warm of koud is, dan is de meest directe manier om ons daaromtrent te informeren het eigen lichaamsgevoel maar we kijken naar de thermometer of we raadplegen het KMI op onze telefoon. Steeds vaker negeren we het eigen gevoel omtrent onze toestand en vragen we daarover info aan een of andere app of aan onze horoscoop. Willen we weten of we ziek zijn of gezond, dan gaan we naar de huisarts. We hebben kennelijk meer vertrouwen in onze instrumenten en in derden dan in onze eigen ervaring. We zijn met andere woorden van de werkelijkheid vervreemd en we vertoeven in een wereld die daarvan een afbeelding is.

Maar het wantrouwen jegens onszelf werd ons aangeleerd door derden die ons op die wijze manipuleren: we worden bang gemaakt voor ons eigen ik en we volgen de leider en het systeem dat het instrument is waarmee hij ons herleidt tot zijn instrumenten. Dat systeem is een gespeelde werkelijkheid, het is een spel dat wij onder druk meespelen.

Jean Baudrillard lanceerde het concept van de hyperrealiteit, een simulatie van de werkelijkheid die zelf verdrongen wordt of helemaal niet (meer) bestaat, zoals de televisiewerkelijkheid. In een recent supplementair college Historische Kritiek herhaalde de negentigjarige Gentse historicus professor Walter Prevenier zijn allerbelangrijkste waarschuwing inzake nieuwsgaring of kennis van de werkelijkheid: het commentaar bij de beelden van gebeurtenissen is er pas achteraf gekomen en het determineert wat we wel en niet te zien krijgen. We krijgen niet het voorval zelf te zien doch een zekere interpretatie en die vervreemdt ons van de werkelijkheid en plaatst ons in een fictie; verliest die fictie de link met de werkelijkheid volledig, dan belanden we in een hyperrealiteit. Daarin is bijvoorbeeld onze auto niet langer in de eerste plaats een voertuig maar een statussymbool. Het geldwezen is een exponent van de hyperrealiteit die de werkelijkheid zelf in de tang houdt: het geldwezen en de hele bureaucratie, zoals de sans-papiers beter dan wie ook beseffen.

Maar ook de werkelijkheid zelf is een spel of blijft een spel, zij is geen realiteit maar is ook een hyperrealiteit. En dit herinnert aan von Humboldt en aan de structuralisten: de dingen bestaan niet op zichzelf: net als wijzelf komen ze tot stand door structuren.

Echter, er blijft altijd een onuitwisbare grond van werkelijkheid bestaan en dat is onze lichamelijkheid met centraal daarin de pijn waarmee we samenvallen: de menselijke kwetsbaarheid en de sterfelijkheid kunnen nimmer worden geloochend maar om zich te handhaven doet de hyperrealiteit er alles aan om die onwegwerkbaarheid uit het zicht te houden. En zo bijvoorbeeld is discriminatie niet zozeer het uit de wereld bannen van het onvolmaakte maar wel het verstoten van de werkelijkheid zelf want wie discrimineren, katapulteren zichzelf buiten de werkelijkheid en reduceren zichzelf tot schijnwezens: discriminatie is in wezen suïcide.

(J.B., 14 oktober 2026)

 






Op de grens van feit en fictie - Aflevering 3. Het lichaam als betekenisgever van de taal

 

Op de grens van feit en fictie

Aflevering 3. Het lichaam als betekenisgever van de taal

Fictie stimuleert bij kinderen de cognitieve ontwikkeling doordat het een spel van voorbereiding op de werkelijkheid is en het vangt aan met de vorm van de taal, de cadans en de muziek, zonder op de inhoud acht te slaan, waarna de kennis ontstaat door het associëren: de aangeleerde woorden worden onderling aan mekaar gerelateerd maar ook aan de dingen. Bij A.I. ontbreekt het laatste waardoor in de wereld van de A.I.-robot de betrekkingen met de dingen afwezig blijven. Echter, de A.I. blijft wel in betrekking staan tot zijn (verwisselbare) hardware waarvan ze afhankelijk is maar de twee - hardware en software - zijn en blijven instrumenten, of beter: onderdelen van een instrument. De relatie tussen de hardware en de A.I. is dezelfde als die tussen de radio en de muziek die hij weergeeft maar ze is wezenlijk niet verschillend van de relatie tussen de onderdelen van de radio zelf omdat de radio de muziek alleen maar 'kent' als golven. Er zijn echter wel mensen nodig om die twee - de radio en de muziek - aan elkander te smeden, wat uiteindelijk neerkomt op het vermogen om de muziek tegelijk als fysisch fenomeen (golven) en als kunst te kunnen 'kennen' maar die relatie (tussen het fysisch en het psychisch fenomeen) is nog anders dan deze tussen tekens en betekenissen omdat tekens reeds aan de stof onttrokken zijn. En de relaties tussen de woorden binnen de A.I. ontlenen hun echtheid ten langen leste ook uitsluitend aan het menselijk vermogen om hun 'betekenis' te koppelen aan de dingen zelf, of beter: om ze van tekens naar betekenissen te doen overgaan door de koppeling met de lichamelijk ervaarbare dingen. Ontkoppeld van de dingen vormen de 'werkelijkheden' binnen de A.I. een hyperrealiteit, wat derhalve nog iets anders is dan de fictie.

(J.B., 13 oktober 2026)






Op de grens van feit en fictie - Aflevering 2. Taal, lichaam en bewustzijn

 

Op de grens van feit en fictie

Aflevering 2. Taal, lichaam en bewustzijn

3368488-4c462356bd0946a94c71f260b708db1e.jpg

J.B., Jean-Paul Sartre. Cf.: www.bloggen.be/portretten

De structuralisten hebben beweerd dat wij geen eigen essentie hebben doch louter een product zijn van structuren, zoals de taal, maar daarop hebben de existentialisten deze these radicaal verworpen en met Jean-Paul Sartre gewezen op het feit dat de mens tot vrijheid veroordeeld is. Maurice Merleau-Ponty verdedigt dat wij kunnen denken vooraleer wij in contact komen met de taal. Volgens de cognitieve psychologie van Steve Pinker hebben wij gedachten vooraleer die in taal worden omgezet. Ook in de neurofysiologie blijkt dat zekere denkactiviteiten verlopen zonder dat het taalcentrum wordt aangesproken en mensen die ingevolge een beroerte het spraakvermogen zijn kwijtgeraakt, blijken nog perfect te kunnen rekenen en bijvoorbeeld ook hun inschattingsvermogen van andermans intenties blijkt intact. Het denken blijkt aan de taal vooraf te gaan: we denken en gebruiken dan de taal om onze gedachten kenbaar te maken. 

Maar dat neemt niet weg dat het denken en de taal elkaar sterk beïnvloeden: nu eens bepaalt het denken de taal en dan weer bepaalt de taal het denken. Dat laatste is bijvoorbeeld het geval waar literatuur met het denken aan de haal gaat - retorica maar evenzeer fictie. De fictie faciliteert het denken, zij vormt een katalysator voor het voorstellingsvermogen en voor de vorming van ideeën. Het weefsel van de taal ontstaat bij kinderen vanuit absurde rijmpjes waarvan zij de betekenis niet snappen maar dat hoeft ook niet: het volstaat dat zij de cadans van de woorden en de zinnen in zich opnemen en nabootsen om er op die manier 'in' te komen en betekenissen hechten zich daar dan via associaties spontaan aan vast.

Op uitgerekend deze manier gaan nu ook de taalrobots te werk om zich het weefsel van de taal eigen te maken, al is het daar zo dat woorden weliswaar worden gerelateerd aan andere woorden maar nooit aan werkelijk bestaande dingen of ervaarbare gevoelens omdat het levende lichaam dat de taal met de dingen verbindt, ontbreekt. Het is nu in die confrontatie van het lichaam van vlees en bloed met enerzijds de dingen en anderzijds de taalvormen, dat het bewustzijn kan gesitueerd worden.

Omdat bij de robot het lichaam van vlees en bloed ontbreekt, blijft de activiteit van dat ding beperkt tot wat zich in een brein afspeelt, echter zonder link met de werkelijkheid - zelfs de werkelijkheid van het brein ontbreekt. Het lichaam van vlees en bloed is het mysterie waarin de pijnervaring mogelijk is, die elke andere ervaring en derhalve het bewustzijn zelf fundeert omdat zij onherroepelijk naar het 'ik' verwijst, waarbij het volstrekt onmogelijk is voor een subject om zich van zijn of haar pijn te distantiëren: ik ben de pijn die ik heb. De mogelijkheid van het ontstaan van bewustzijn in de 'taalmachine' is bijgevolg compleet onbestaande.

(J.B., 13 oktober 2026)



 

 
















Op de grens van feit en fictie - Aflevering 1. Taal en bewustzijn

 

Op de grens van feit en fictie

Aflevering 1. Taal en bewustzijn

3368469-2c18137d8bb0d21646971ea6612c926a.jpg

J.B., Wilhelm von Humboldt (1767-1835-). Cf.: https://blogimages.bloggen.be/portretten/2028633-d96570c5f25bd2f0e5ce69fdf9fa6d4a.jpg

Nadat hij in 1819 wegens kritiek op reactionaire bewegingen ontslagen werd uit zijn politieke functie in Pruisen, ging de liberaal gezinde diplomaat en onderwijshervormer Wilhelm von Humboldt zich intensief bezighouden met de taal welke naar zijn inzichten identiek is aan de geest: "Ihre Sprache ist ihr Geist und ihr Geist ihre Sprache."1 Zoals zeven noten een oneindig aantal melodieën kunnen voortbrengen, zo kan met een alfabet van zesentwintig tekens en met een eindige woordenschat een oneindig aantal gedachten worden voortgebracht.

Van von Humboldt kennen wij het begrip van de 'Sprachgeist', ook wel 'het genie van de taal' genoemd: behalve een instrument is de taal ook een spiegel van de volksgeest en leidt zij als het ware een eigen leven dat spontaan nieuwe woorden en wendingen voortbrengt maar ook inzichten, specifiek voor elke taalgemeenschap en voor elke tijd - waaruit dan het begrip 'tijdsgeest'.

Componisten beweren wel eens dat de muziek zichzelf schrijft, zoals ook in de geest van Rembrandt prachtige figuren spontaan opduiken uit louter vlekken, en ook de taal blijkt een eigen weg te gaan en zo stelt het structuralisme dat wij niet zozeer de taal spreken maar dat de taal zelf spreekt via ons en dat zij aldus ons bewustzijn zelf voortbrengt.

Die idee is even revolutionair als actueel in het licht van de opkomst van de Artificiële Intelligentie die de gebruiker van de taalrobot met verstomming slaat omdat die de indruk krijgt dat hij met een mens van vlees en bloed te maken heeft. Edoch, als die illusie zo overweldigend is, rijst de vraag of ook ons eigen bewustzijn dan niet een door de taal voortgebrachte 'illusie' is - waarbij die 'illusie' dan bovendien haar producent in echtheid lijkt te overtreffen. Maar wat is echt en wat is illusoir?

(J.B., 12 oktober 2026)

1Vervolledigd: "Die Sprache ist gleichsam die äußerliche Erscheinung des Geistes der Völker; ihre Sprache ist ihr Geist und ihr Geist ihre Sprache, man kann sich beide nie identisch genug denken." Cf.: Wilhelm von Humboldt, Über die Verschiedenheit des menschlichen Sprachbaues und ihren Einfluß auf die geistige Entwickelung des Menschengeschlechts, geschreven in 1830-1835 en postuum gepubliceerd in 1836 als inleiding tot het boek Über die Kawisprache auf der Insel Java.



 

 











Meer van Tisallemaiet

↑ Terug naar de berichten