De verborgen factor - Aflevering 12
|
De verborgen factor Aflevering 12 Als het levende zich ophoudt in de geest, verhuist het zwaartepunt van het bewustzijn van het heden met zijn onmiddellijke zintuiglijke gewaarwordingen, met zijn genot en met zijn lijden, enerzijds naar zijn herinneringen, welke zijn verleden uitmaken, en anderzijds naar zijn verwachtingen, die zijn toekomst zijn. Door de activiteit van de geest wordt het heden aldus opengebroken en gaat het wezen van de levende zich nu vanuit dat heden gaan uitstrekken over het hele gebied van de tijd - die aldus meteen verwerkelijkt wordt. Een wezen dat niet begeesterd is en dat derhalve in het heden gevangen blijft, is onderhevig aan de tijd en zijn voorbijgaan en is ten prooi aan entropie. De geest neemt een aanvang met het woord of met de taal en die ontspringt aan de communicatie welke een product is van het samenleven - men herinnere zich dat de dialoog de oorsprong van het denken is. Aldus opent de taal de poort naar een nieuwe werkelijkheid, namelijk die van de tijd. De taal blijkt zodoende de tijd te creëren. De taal of de geest, het woord, voegt aan wat wij achteraf beschouwen als het heden, de dimensie van de tijd toe. Nota bene: met die 'beschouwing achteraf' wordt hier uiteraard bedoeld dat men pas over het heden kan spreken eenmaal men over de tijd beschikt, die dan wordt ingedeeld in verleden, heden en toekomst. Voordien is dat heden in werkelijkheid zelfs geen 'nu' doch een chaotische toestand en die 'chaos' resulteert uit de afwezigheid van taal of van geest, de afwezigheid van de mogelijkheid om het heden als zodanig te zien, met als gevolg het daaraan compleet onderhevig zijn. Pas met het bezit van of met het in bezit genomen worden door de taal, gaat men participeren aan de wereld van de geest die de levende toelaat om in zekere zin zijn vleselijkheid te boven te komen. Immers, ofschoon het vlees reeds een ordening van en aldus een verlossing uit de levenloze stof betekent, blijft het lichaam, voor zover het stoffelijk is, onderhevig aan de entropie en moet het ervoor vrezen in wanorde te zullen overgaan. Vooraleer we het heden als zodanig kunnen benoemen, is dit niets dan een chaos waarvan wij de speelbal zijn en waarmee we dan ook zelf samenvallen. Het woord of de taal brengt in die chaos orde aan en schept op die manier binnenin de soep van die chaos, de tijd, die er de ordening van is. De tijd is noodzakelijk subjectgebonden, hij bestaat namelijk uitsluitend als de herinnering en als de verwachting en die twee faculteiten kunnen niet anders dan in een lichaam van vlees en bloed ontstaan, een lichaam dat meer bepaald onderhevig is aan leed en aan genot en derhalve in staat om te verlangen - het vlees kan terugverlangen naar wat niet meer is en het kan ook verlangen naar wat - vooralsnog - niet bestaat en hierbij wordt het sowieso gedreven door de mogelijkheid van leed (waarvan wij de afwezigheid bestempelen als genot). Opgejaagd door het leed, vlucht het vlees als het ware uit zichzelf of uit zijn gevangenschap in het heden weg en zoekt zich een toegang tot een 'negatie' van dat heden, een negatie van de chaos of met andere woorden: orde, die het op het spoor komt door de woorden die hun oorsprong hebben in de samenleving. Het leed creëert in het vlees de schreeuw, het woord, het spreken of de taal die het enig soelaas biedt doordat in en door de activiteit van de dialoog en van het denken de werkelijkheid van de tijd ontstaat die ons een ontsnapping uit de chaos lijkt te beloven en een toegang tot een nieuwe werkelijkheid die zich binnenin de aanvankelijke chaos lijkt te situeren maar die daarvan om nog op te helderen redenen mogelijkerwijze onafhankelijk kan worden. We moeten hierbij nu reeds opmerken dat het leed zich laat definiëren als datgene waarvan wij ons onmogelijk kunnen distantiëren als we het ervaren: we zijn het leed waaraan we onderhevig zijn, we vallen samen met ons leed en derhalve wordt ons eigen 'ik' gedefinieerd als ons eigen leed. Het vlees schept de mogelijkheid van het leed, met het leed valt het subject samen en in de socialisatie van de subjecten ligt de oorsprong van de taal die zich in het vlees manifesteert als de mogelijkheid tot het verwachten en het zich herinneren, waardoor de tijd als zodanig voor ons tot leven komt. (Wordt vervolgd) (J.B., 27 oktober 2026) |






