de zwaan

De zwaan verschilt veel van de haan Ook is zij wel driemaal zoveel mans
Als een magere gans
En gaat men haar braden
Dan kan ze wel een half dozijn eters verzaden
Wanneer men haar ziet
Niet in het lis of in het riet
Vescholen maar in een vijver of vliet
Zich dompelen en wassen en poedelen en plassen
Dan denkt menig schone :Wat heeft toch dat dier
Een pret en plezier
O mocht ik jong meisje zo ploeteren op een reisje
Heb je ooit van je leven er acht op gegeven
Hoe blank en hoe sneeuwitin haar kleren
Of beter gezegd haar dons zijn haar veren
En hoe kraakzindelijk en net zonder vlekjes en smet
De zwaan zich vertoont als ze drijft in het wed
In 't water is zij een hele baas
Maar op 't land of de bevroren plas
slaat zij een mislijke schaats





















