De 38-jarige bibliothecaris Vasco Dehaene (asblonde haren, geen bril) bleef zijn minnares Annabel Deprez (thuiswerkend) amper zeventien zaadlozingen trouw. Toen wipte hij, in de periode van de klassieke voorjaarsstormen, over op een andere vrouw: Mandy Vandenbossche, de schoonste schoonmaakster van het instituut, in zijn geheime gedachten en gedichten ook genoemd 'Ladypoes', bij hevige dronkenschap 'Spartakut'. Annabel verdween; Mandy kwam. Het was goed zo.
Vasco Dehaene streelde boeken en proefde woorden. Hij had er zelfs zijn beroep van gemaakt. 'Boekhouder', antwoordde hij soms glimlachend, gevolgd door 'grapje'. Tevens hield hij van een wakkere kut. In de ogen van Mandy werden honderden boeken weerspiegeld, maar zelf had ze nooit meer gelezen dan haar verplichte titeltjes op school: 350 gram Ruyslinck, 180 gram Vandeloo, enkele plakjes Koning van Katoren. Daar was het bij gebleven, en het was goed zo.
Toen Vasco 38 werd, deed hij een schokkende ontdekking: hij begon van koffie te houden. Hij werd verslingerd op de hete damp die in sluiers over de rand van zijn bakje troost waaierde. Ook werd hij telkenmale ietwat opgetild door de cafeïne en zweefde hij bij elke slok even tussen hemel en aarde: hij werd voorwaar een Mohammed van de Mokka. Tot voor deze gezegende leeftijd slurpte hij koffie zoals hij Annabel en enkele anderen placht te nemen: slordig voltankend. Op 38-jarige leeftijd begon Vasco Dehaene tevens nauwlettend de verouderingsverschijnselen bij anderen in de gaten te houden. Geriatrie werd een passie. Wallen onder de ogen bijvoorbeeld beschouwde hij niet langer als lauwerkransen, maar als jaarringen, zoals bij de bomen. Verlangen naar een bepaalde datum of gebeurtenis deed hij ook niet zo hevig meer. Dat er vooral niks voorviel, vond hij al aardig meegenomen in het belang van de wedloop tegen de tijd. Meer en meer hield hij rekening met de weersomstandigheden. Langer aarzelde hij voor zijn kleerkast. Vaker spiedde hij de Vlaamse luchten af. Gedachten aan een hoofddeksel verdrong hij voorlopig. Hoofddeksels vervormden het gelaat, maakten je oud, wijzigden de gedaante en klapten het deksel op je neus. Die dingen werden 'gedragen' door oudere schoolmeesters en wezens die werkzaam waren in de verzekeringssector. Kortom: ongelukkig was de bibliothecaris Vasco Dehaene niet, maar hij begon lelijk van koffie te houden.
Alzo zat Vasco die donderdagmiddag aan de koffie. Dat was hij althans van plan. Als kind al wou hij apotheker worden, zoekend naar het levenselixir. Formules, poeders en reageerbuizen fascineerden hem echter meer dan wetenschap en handigheid. Daarom ook zat hij nu te snakken naar koffie, maar tevens te sakkeren op dat verdomde zetapparaat dat wel rochelde als een oude apotheker na houdbaarheidsdatum, maar geen druppel zwarte troost veroorzaakte. Vasco Dehaene slaagde er niet in koffie te zetten, meer dan 100 jaar na de Max Havelaar. Het regende ook oude wijven: een poel van ellende. Hij legde het apparaat het zwijgen op en keek treurig naar de regen. Het was een muisgrijze donderdagmiddag in Vlaanderen, na de voorjaarsstormen. Het regende tergend: alsof het nooit ofte nimmer op zou houden. Vasco was alleen in de koffiekamer. Ofschoon zich in het Instituut voor Interbellumstudie nu honderden mensen bevonden, was het overal zo stil als op de maan. Af en toe drong een ver, onbestemd gerucht tot hier door. Het versterkte de stilte.
Vasco Dehaene ging aan een venster staan. Ginds, half verzonken, bevond zich zijn bibliotheek: zijn Titanic, zijn Elba, zijn Interbellumboekerij. Om de naslagwerken in dat souterrain te bereiken, moest je een trapje met vier treden nederdalen en je voeten soppen in een altijddurend kokhalzend afvoerroostertje waar je niet omheen kon. De studentes en studenten uit het Instituut voor Interbellumstudie, kort: IVIS, daagden meestal in Vasco's krocht op om te fotokopiëren. Die vervelende, lawaaierige, kankerverwekkende lichtbak was een obstakel in diens bestaan op deze aarde, nou: 'onder' deze aarde. Al 15 jaar lang reproduceerde hij miljoenen overdrukjes, die als lijkbleke, platte drollen werden uitgebraakt en verkocht aanvankelijk à 1 BEF, later 2 BEF, nog later 10 eurocent de bladspiegel. Niemand trok zich ooit iets aan van dat prachtige gedicht voor in elk boek:
'Niets uit deze uitgaaf mag zonder toestemming van de uitgever etc .. etc .. '.
Hoe graag ook had Vasco eens toegegeven aan zijn experimenten- en ontdekkingsdrift door bijvoorbeeld in alle rust en kalmte de contouren van een studente op reproduceerbaarheid te controleren!
['Dag lieve Ann-Sofie'. (Katlijn, Veerle, Line)
'Dag meneer Vasco. Alles kits hier beneden?' 'Ja, dank je. Je mag je nu ontkleden.' 'Graag, meneer Vasco. Helemaal?' 'Helemaal, kind. Van onder tot boven.’ 'Alstublieft.' 'Pico bello. Als je nu even op je buik op het apparaat wil gaan liggen ... ja, zo ... de benen eventjes spreiden ... wacht, ik neem dat potlood weg … ' 'Hihi, net een autootje boven de put!' 'Ja hé, Ann-Sofie. Net een autootje ... een smeerbeurt, haha. Nog even wat drukken, ja ... ' 'Het voelt lekker koel aan, meneer Vasco.' 'Is dat zo. Mm … even denken … DIN A4 ... DIN A3 ... ' 'Zou u niet meteen een groot formaat nemen, meneer Vasco?' 'Waarom niet eigenlijk hé, kind. En 100 exemplaren. Hupsakee, daar gaat ze dan, de machine!' zzzz zzzz zzzz zzzz zzzz zzzz zzzz zzzz zzzz zzzz zzzz zzzz]
Vasco Dehaene ging weer zitten. Treurig bekeek hij het impotente koffiezetapparaat. Hoofden van Lebak! Waarom gaf die godverongelukte fotokopiemachine er nooit eens de brui aan!? Hij controleerde hoeveel tijd hij nog had voor de eerste studenten weer niet zouden komen. Nog 7 minuten had hij. Dan toefde hij weer tussen de boeken, om geld te verdienen, waarmede hij kocht: weer andere boeken, een appartement, drank, kleren, levensmiddelen … koffie!
Klop klop.
Mandy Vandenbossche kwam binnen, de schoonste schoonmaakster van het IVIS. 'Dag meneer Vasco.' Ook hij groette. 'Heeft u nog geen koffiegezet?' Wat was ze lief. Hij ontkende inderdaad. 'Dan zal ik dat maar even doen, daar word ik toch voor betaald, hé.' 'Zeker,' bevestigde Vasco. Hij keek naar niets, naar buiten, door opake gordijnen als lijkwaden, om te camoufleren dat hij er niet in geslaagd was deze koffie te zetten. Mandy moest eens denken dat hij ook thuis niet ... ! Klik, deed ze. Ook bukte ze zich een keer op haar prachtige hurken. Daarna prutste ze wat aan het bovenstel van het apparaat. En zie: het wonder geschiedde. 'U hàd er al water ingedaan, en koffie!' constateerde Mandy verrast. 'Ja,' knikte Vasco. Hij speelde verstrooidheid. 'Doch zonder resultaat. Ik moet ergens een dwaasheid hebben begaan.' Onmiddellijk na deze Chinese zelfbeschuldiging werd Vasco kwaad op zichzelf. 'Ziedaar de eerste druppels reeds, meneer Vasco.' Mandy gebruikte wel vaker boekentaal; ze werkte al behoorlijk lang in deze geletterde omgeving. 'Zeker. Mijn dank is groot, Mandy.' De schoonmaakster wierp nog een laatste, goedkeurende blik op het koffiezetapparaat en ging weer weg. 'Godverdomme,' zei hij.
Het werd tijd om tussen de verzonken boeken te gaan zitten, laatste sessie van vandaag, van 15 uur 10 tot 17 uur 30. Op de koffie wachtte hij niet meer.
Vasco Dehaene liep over het glimmende binnenplein. De IVIS-studenten noemden dit het Plein van de Hemelse Vrede. In het fietsenberghok in de hoek bijvoorbeeld harpoeneerden jongens hun tong in de mond van meisjes. Of ze grepen ze bij hun truitje. Ginds besteeg Mandy Vandenbossche op haar hagelwitte klompjes ijverig de trap naar de aula. Hijzelf daalde vier treden af, sopte zijn rechtervoet in het gorgelende afvoerroostertje en trad zijn fotokopiebedrijf binnen. Het voorportaal van zijn bieb was een leeszaaltje: een ruim van licht voorziene krocht die door middel van veel vensters rechtstreeks op het Plein van de Hemelse Vrede uitgaf. Daardoor had Vasco Dehaene een laag-bij-de-gronds, doch prima panorama op de onderste ledematen van de menselijke soort. Zelf zat hij daarbij in een tussen de boekenrekken uitgespaarde vierkante ruimte: verboden terrein voor de studenten, die hun boeken aan zijn balie dienden op te vragen. Wat hij aldus van de mensen te zien kreeg, waren de benen en een stukje van het onderlijf, tot op navelhoogte ongeveer. Na verloop van jaren was hij erin geslaagd op eender welk onderlijf de bijhorende kop in te vullen, ook al verbleven de meeste studenten hier maar drie jaar. De studie van de kopvoeters (hun stap, hun tieten, hun onzichtbare stem) vormde aldus, naast het lezen en het fotokopiëren, een belangrijk onderdeel van zijn dagtaak in deze catacomben.
De studenten zelf bestudeerden de interbellumproblematiek: de periode tussen WO I en WO II met name, zoals ze het gewoonlijk afkortten. Omdat een interbellum een tijdsstrook tussen twee oorlogen is, zitten we dus voortdurend in een interbellum. Je mag het draaien en keren zoals je het wil. De nobele doelstelling van het IVIS luidde als volgt: 'Door de studie van het interbellum wordt gepoogd bij te dragen tot het zo lang mogelijk rekken van het aan de gang zijnde interbellum.'
Een voortdurend uitstellen van oorlog, zeg maar, zolang de voorraad vrede strekte.
'Maar uitstel is daarom nog geen afstel,' zei Vasco Dehaene plotseling hardop. Hij schrok van zijn eigen stem. Vlug sprong hij op om te controleren of er zich niemand tussen de boekenrekken bevond. Het ordeningsprincipe in zijn bieb was het alfabet, maar dan op zijn meest onbruikbare wijze: het betrof namelijk een landenalfabet. In compartiment A vond je dus zowel Angola als Albanië als Afghanistan, waaronder dan telkens de boeken alfabetisch op de auteursnaam gerangschikt stonden. Wie dàt systeem had uitgedokterd, moest een grote steenezel geweest zijn. Stel dat Japan oorlog begon te voeren met Rusland: dan moest de arme Vasco heen en weer draven tussen twee verafgelegen compartimenten. Terwijl het zoveel eenvoudiger had gekund! Al sinds 1918 (het jaar waarin het IVIS werd opgericht) was dit onnuttige systeem in voege. Daardoor was ook de boedel niet om aan te zien; alle formaten, kleuren, diktes en oorlogen stonden aldus kriskras door elkaar geordend. Van A tot Z was de boekerij van het IVIS een grote puinhoop. Elke aanvraag tot rationalisatie stuitte op een stug veto bij de directie, die de naam van de stichter alzo in ere wou houden.
Geen enkele luistervink hield zich bij een der landen respectievelijk letters op. Gerustgesteld ging Vasco weer zitten. Wat zou hij uitvreten vanavond? Zijn kleurentelevisie was naar de knoppen. Het betrof een vreemd mankement: het ding wou simpelweg niet meer ùit. Gisteravond had Vasco dan maar de hele bedrading ineens met een nijdige ruk uit diverse contacten getrokken. Onmiddellijk daarna ontstond een stank als van verschroeide haren. Toch ging hij slapen als vanouds. Niets gebeurde, maar zijn tv was wel degelijk stuk. Die wou nu niet alleen meer uit, bovendien wou hij vanochtend ook al niet meer in.
Terwijl Vasco naar buiten staarde, naar het binnenplein, naar niets, vormden zijn lippen de naam 'Mandy'. En daarna: 'Annabel'.
'Mandy.' 'Annabel.' 'Mandy.' 'Annabel.' Hij proefde de beide namen en betastte ze met zijn tongpunt. Hij hutselde de letters: 'Manbelly.' 'Annaman.'
Plotseling sprong hij op. Besluitvaardig begaf hij zich naar de afdeling Peresjtroika / Glasnost in het compartiment USSR/GOS. Dit was hét zorgenkind van de boekhouder; alfabetisch gezien was het een kluwen. Sinds 1988 had hij daarom ook een Russische hoek in de leeszaal geïnstalleerd: steeds meer studenten immers wensten boeken en drukwerk omtrent dit fenomeen te kopiëren. Uiteindelijk had Vasco een deel van deze gezochte ontspanningslectuur gemakshalve maar bijeengezet, zich niks meer van dat onlogische achterhaalde alfabet aantrekkend.
Hij kantelde een nooit meer geraadpleegde, halve jaargang van Kroniek van de Lopende Gebeurtenissen uit de rij. Daarachter was de fles verborgen. De whisky legde de omloop van zijn mond af en verdween dan zegevierend benedendeks. Daarna slikte hij een reukloze lookpastille door. Tijdens de week beperkte Vasco zich tot het innemen van deze levensverlengende, bloedzuiverende dingetjes: drie per dag. In de weekends daarentegen gaf hij zich over, volmondig, aan zijn, hij ontkende het niet, lookverslaving. Alle door hem genuttigde levensmiddelen gingen dan gepaard met echte, messcherpe look. Het was een prima manier om gezond te blijven: het zuiverde je bloed, het rekte je leven, het hield andere mensen van je af, en het belette je, wegens stankstraling, andermaal te gaan stappen. Het betekende gelijk een besparing. Voldoening alom dus. Alhoewel: was dat wel nodig, dat rekken? Stel dat er weer een nieuwe oorlog op komst was ... Eigenlijk zat de boekhouder Vasco dus zo'n beetje met een lookprobleem.
Peinzend verborg hij de fles weer achter de Samizdat-jaargangen. Stappen, was hij daar niet eens dringend aan toe? In zijn USSR/GOS-hoek bleef hij daar een wijle over prakkezeren, leunend tegen de grote Ontspanningsgeschriften van nieuwlichtende politici.
'Een donderdag,' mompelde hij. Hij keek op zijn horloge. 'Kwart voor vier uur. Looft de Heer. De dag schuift op. Het regent nog.' Wat werd het vanavond? 'Bier & Biologie misschien,' fluisterde hij in het Engels. 'Downtown.' Gisteravond hoorde hij krek hetzelfde zeggen, door een kletsnat meisje in een BBC-feuilleton, net voor zijn treurbuis de geest gaf. Door Bier was ze dronken genoeg geworden om aan Biologie te doen: het afhandelen van enige lijven, het bepotelen van enkele lichamen. Nuchterheid was daarbij inderdaad volkomen overbodig. Liet Vasco zichzelf hedenavond ook vol lopen en daarna weer leeg? Of zou hij zichzelf weer eerst pijnigen, look etend? Zichzelf aldus tot honkvast thuisblijven veroordelend? En dan, bij nader inzien, naar de peterselie grijpen, het bekende stankwerende tegengif? Om uiteindelijk omstreeks het middernachtelijke uur toch nog uit te rukken? Altijd beter dan zichzelf af te rukken. Zo zielig.
Overdaad schaadt.
Een overdaad aan peterselie kan uw gezondheid ernstige schade toebrengen.
Hij kreeg geweldige trek in een sigaret. Minutenlang had hij nodig om dat verlangen te onderdrukken. Nooit zou hij echter roken in zijn catacomben! Het betrof hier een versterving waar hij ten hemel schreiende moeite voor moest doen. Terwijl hij naar buiten staarde, wachtend op tekens van leven van de kopvoeters, proefde hij de volgende woorden:
Het was verleden jaar geweest, mei-juni ongeveer. Het academisch jaar aan het IVIS liep ten einde. De studenten trokken zich terug om te roken en te hengsten in hun naar te weinig slaap en te veel soloseks stinkende hokken, holen en kotten. Het was heel erg stil in het IVIS. Zo stil moest het op de maan ook zijn. Vasco's fotokopiemachine zweeg als vermoord. Hij was een gelukkig mens. Het Plein van de Hemelse Vrede lag er zonovergoten maar leeg bij. Afgelopen die kuiten- en dijenparade. De directie was spoorloos (Thailand, Benidorm, Polen). De docenten waren naar huis.
Op een bloedhete middag, de kraaien gingen te voet, kwam Mandy Vandenbossche met emmer en zwabber de bieb binnen.
'Tja,' zei Vasco, opkijkend uit een biografie over vader Kennedy, 'ook dat moet gebeuren, nietwaar.' 'Nietwaar,' bevestigde Mandy glimlachend. Ook toen al had ze die sneeuwwitte klompen aan haar voeten. Haar kieltje vertoonde zomerse afmetingen: het reikte tot ver boven haar knieën, zoals bij de meisjesdokters in het Australische tv-feuilleton Flying Doctors. De mooie schoonmaakster bukte zich en schoof een van haar witte klompen, die ze verloren had bij de treden benedenwaarts, weer aan haar fraai gevormde voet. Terwijl ze vervolgens een en ander nat begon te maken, bladerde Vasco ter afwisseling in de memoires van generaal De Gaulle. Doch een gesprek drong zich op: het was 32 graden in de schaduw, en iedereen was weg.
Mandy Vandenbossche was een vriendelijke, mooie meid, alleen maar geteisterd door het schoonmaakstersuniform van het IVIS. Blauw natuurlijk, de kleur zonder seks of erotiek: formidabel ellendig hemeltergend lelijk blauw. Zelfs dat kieltje. Het scheen dat M. Vandenbossche haar weekends in discotheken sleet; soms sliep ze maar een nacht per weekend! 'Eigenlijk is het niet nodig dat ik uw boekerij onder sop, meneer Dehaene,' merkte ze plotseling op. 'Met de studenten die weg zijn, blijft de boel hier proper.' Vasco keek uit zijn memoires op. 'Nee,' bevestigde hij, 'inderdaad. Helemaal niet. Wil je koffie?' Het was eruit. Ze had een petieterig moedervlekje op de linkerdij. 'Ah!' lachte ze verrast. 'Zou ik?' 'Ik trek twee koffies uit de automaat naast de kaartenkamer, minuutje,' zei Vasco, besluitvaardig opspringend.
Vijf minuten later zaten ze in de leeszaal gezellig troost uit plastic bekers te slurpen.
'Voor koffie zou ik een moord begaan,' bekende Mandy toen in een opwelling. Een witte klomp kletterde op de grond. 'O ja!' deed Vasco verbaasd. 'Dat heb ik soms met sigaretten'. 'Ha,' zei ze, 'iedereen heeft wat.' Was het de warmte? De stilte? De vakantie in het verschiet? Het eilanderige gevoel in het verlaten IVIS? Hij wist het niet meer: plotseling bood hij haar en zichzelf toen zomaar een sigaret aan! Driedubbel tegendraads handelde hij:
1. Mandy Vandenbossche rookte niet. 2. Hijzelf rookte nooit in zijn bieb, zijn cenakel! 3. Roken was hierbinnen strikt verboden.
'Hé!' deed ze verrast. Een tweede klompje viel pardoes op de vloer, en ze greep zonder nadenken. Hij reikte haar vuur aan en improviseerde een asbakje met de boekwikkel van Komen de Russen?, deel 2. Uiterst onhandig begon Mandy Vandenbossche te roken, heen en weer zwiepend met haar ene been over het andere. Het was toen dat haar schoonheid hem begon op te vallen. 'Jij bent waarschijnlijk ook een Kreeft,' waagde hij het plotseling te zeggen. 'Nee ..!' protesteerde ze lachend, 'kuisvrouw.' 'Ik bedoel: van sterrenbeeld.' 'O,' zei ze verlegen, 'juist, ja. Hoe ... hoe weet u dat zo vlug?' 'Kreeften zijn geheelonthouders die voor alle verslavingen openstaan,' doceerde hij toen. 'Geef ze de kans, en ze doen het. Eigenlijk zijn het ook bodemloze vaten, of stille waters zoals ze soms zeggen. Ze kennen geen mate: het is niks of het is alles. Onrustige naturen ook. U bijvoorbeeld rookt nooit, maar rookt wel nu. Ik bijvoorbeeld rook nooit in mijn bieb, maar nu wel.' 'Bieb,' had hij gezegd. 'Bieb.' 'Haha!' lachte ze. 'Kreeft, hé!'
Dat was verleden jaar geweest, in een broeikashitte: hete koffie, verzengende benen, en een schone schoonmaakster die nog had gezegd: 'Laten we eens lekkere kreeftensoep maken.'
Dit jaar, tijdens de klassieke voorjaarsstormen, en omdat Annabel zelf toch niet meer opbelde, had Vasco tussen de IVIS-boekenrekken de voorpagina van Mandy Vandenbossche opengeslagen. Ze bleef komen: schoon, proper, stilletjes, vlezig en kruidig. Het was goed zo.
Hoe het gesprek toen nog verder was verlopen, wist Vasco niet zo goed meer. Daar naderde namelijk een kopvoeter, zijn gedachtestroom onderbrekend. 'Weinig sexappeal,' constateerde hij met kennersblik. 'Erudiet, dat wel. Wat lezen we vanavond, jongedame? Jouw appartementje of het mijne? Broodje-polemologie of broodje-kut?' De kopvoeter verdween weer in de regen. Vasco Dehaene bedacht plotseling dat hij Mandy nog nooit op een uitstapje had geïnviteerd. Moest hij dat doen? Hun interbellaire liefde hoefde zich toch niet altijd hier tussen de IVIS-boeken af te spelen!? Maar zou ze dan willen blijven tot de ochtendkoffie?
Hij stond op en pakte het nooit geraadpleegde Richtlijnen voor Middellang-Afstandsdenken uit een rek, compartiment Koude Oorlog. Op de achterkant van dat lijvige boekdeel had Vasco een spiegel vastgekleefd. Hij zette het boek voor zich op tafel en bestudeerde zijn gezicht. Onder zijn linkeroog vormde zich een permanente wal. Hij had nochtans diverse volgeslapen nachten achter de rug. Twee rimpels begonnen zich dwars over zijn voorhoofd af te tekenen. Ook dat nog. Onder het rechteroog kromp ook een en ander ineen. De huid leek er meer verschrompeld dan pakweg de huid van de wang onmiddellijk daaronder. Van heel dichtbij had die een blauwachtige schijn. De haren dan. Behoorlijk lang droeg hij die, zoals het een bewaker van boeken betaamt. Vooraan had hij al inhammen. Die camoufleerde hij door de haren errond nog wat langer dan de andere te laten groeien. Zijn grote bruine ogen waren oceanen waarin
... STOP!
'De ogen van een koe,' riep lang geleden zijn moeder eens, in een zoveelste driftbui. Vasco was toen nog een puber. 'Koeienogen!' Ze spuwde het woord uit zoals een echte koe haar staart heft om de drek de vrije loop te laten. 'Waarom geen spiegeleieren?' dacht de zoon al die jaren. Goed, al goed, oké: oceanen van koeienstront dan. Dag mama. Wat wil je voor je verjaardag?
Aan dat haar zou hij iets moeten doen. Heden ten dage roetsjten ze het allemaal af, tot vlak tegen hun schedel, om oprukkende kaalheid te verbergen. Een goede oplossing, daar niet van. Kaalheid opgetild tot mode: je moest er maar voor uit durven te komen. Gedaan met ten oosten en ten westen van de kop de haren op te sparen en die dan over de kale middenberm van het schedeldak te plakken. Vasco beademde de spiegel.
Daar verscheen een bos van benen op het Plein van de Hemelse Vrede. Hij stopte de Richtlijnen weer weg. Honderden kopvoeters spoedden zich nu door de Vlaamse regen.
< Niemand een kopietje? Iemand een vluggertje? Een ijlings overdrukje? Dat is dan 10 eurocent, Pieter. Nee nee, Myriam: recto-verso zelfde prijs, papier speelt geen rol. Mag ik morgen betalen? Niets uit deze uitgaaf mag zonder toestemming ... De directeur heeft het niet graag. Voor een keer … Allez dan, Hannelore. >
Leve het interbellum: het bleef maar duren. Want ‘de Golf’, dat was geen echte oorlog. Noch I, noch II. Dat was CNN. En Joegoslavië was kinderspel. De achtertuin van Europa.
'DAG BOEKENWURM!' klonk het plotseling knoerthard tussen de rekken. Vasco had het verwacht, en toch schrok hij zich rot. Zijn hart sprong als een jojo op en neer. Met een ruk schoof hij zijn stoel achteruit. Dat die binnendeur op de gang ook nog open was, natuurlijk.
'Dag Mandy, je deed me potvolkoffie wel schrikken!' 'De meesten zijn al naar huis,' zei ze zacht. Vasco keek naar buiten: 'Ja, de school loopt leeg. Kom je?' Hij sloot de beide deuren en draaide de bordjes om.
GESLOTEN. TERUG OM 16.45.
Via de Russische hoek legden ze het circuit af naar de letter G (Golf, GOS). Vanaf de G waren de boekenrekken hoger, tot en met de W. Vooral het J-compartiment breidde sterk uit: de versplintering van Joegoslavië had er alsnog een ruim onderkomen gekregen. Vasco nam de linkerhand van Mandy in zijn rechterhand en schuifelde met haar langs de interbellaire literatuur, terwijl hij en passant met zijn linkerhand vele boekenruggen streelde. De X en de Y waren in een lagere, houten kast geherbergd. Die vormde tevens de bergplaats voor boekjes, brochures, pamfletten en krantenknipsels over petieterige eilandjes, soms atollen, waar nucleaire proeven plaatsvonden. Het Bikini-eilandje bijvoorbeeld zat niet in het B-compartiment. En de Zuidzee, op zich geen land, zat niet in de Z-afdeling. Bij deze explosieve houten kast gekomen, schopte Mandy Vandenbossche resoluut haar hagelwitte klompen uit en stak een handje toe. Met vereende krachten schoven ze de X/Y-kast 50 cm naar voren. Achter de kast stond een veldbed, voor niemand zichtbaar. Het was een achtergebleven souvenir, van toen het IVIS tijdens de Tweede Wereldoorlog als Duits lazaret werd gebruikt. Mandy bukte zich en gooide haar klompjes in hun donker liefdeshol, dat ze weer hermetisch afsloten met de X/Y-kast.
Haastig pelde de schoonste schoonmaakster haar kleren af. De bibliothecaris deed hetzelfde. Toen drukte hij zijn blanke vredesduif uit het interbellum stevig tegen zich aan. Zolang de voorraad Vlees & Vrede strekte, zou hij haar en haar moedervlekje beminnen, met lange, krachtige stralen Darwinzaad.
Het was donderdag, en het bleef maar oude wijven regenen.
Eindelijk heiden. Het was eenvoudig. Had Mauwerik dat geweten, dan was het al veel eerder gebeurd. Om je te laten ontdopen, tikte je op de zoekmachine ‘ontdopen’ in. Een website, standaardformulering en mailadres wezen je verder de weg naar ontslag uit het leger van God met een hoofdletter. Twee dagen later al ontving Mauwerik een bevestigingsmail uit de provinciehoofdplaats, waar de administratie van het bisdom huisde. Men wilde alleen nog weten waar zijn ouders hadden gewoond ten tijde van zijn geboorte, om het juiste parochieregister terug te kunnen vinden. Dat was niet moeilijk: het was het huis waar hij nu zelf woonde, alleen en van geen mens gestoord.
De timing voor dit afzwaaien zat goed. Het hart van Mauweriks vader had ongeveer een jaar geleden geweigerd verder bloed op te pompen en zijn vrouwelijke verwekker had ondertussen immer duidelijker de hyena’s in de verte horen lachen, zodat ze kort daarna op de derde verdieping van de laughing academy in het nieuwe ziekenhuis aan de rand van de provinciestad haar intrek mocht nemen. Van dit oude front viel dus geen weerwerk meer te verwachten. Mauwerik had er zijn oudjes ook niet over geüpdatet, bang voor aanvallen van het hart en opstoten van waanzin. Een nobel gebaar, dat hij evenzeer niet had kunnen maken. De natuur ging zijn gang. Voldongen feiten van lijf en leden hielden met niets rekening.
Hoe ouder Mauwerik werd, hoe meer hij besefte dat een religie van zonde, schuld en boete, gestut door een schijnheilig en corrupt systeem, generaties en samenlevingen kon besmetten, verstikken, vergiftigen en demoniseren. Van in de baarmoeder tot in het graf of de urne bemoeiden ze zich met je. Mauwerik vond het bij nader inzien jammer dat de term ‘ontdoping’ werd gebruikt. Die klonk alweer te negatief, zoals ‘bijgeloof’, ‘ongelovigen’ of ‘atheïst’. Misschien was het meest misbruikte woord wel ‘geloof’. In de Westerse wereld hadden katholieken en consorten het zich onrechtmatig toegeëigend. Andersdenkenden (weer zo’n woord!) leken voortdurend iets te ontkennen, tegen beter weten in.
Mauwerik was dermate een humane mens dat hij de ijdele monopoliepositie van de geloofsbelijders en –verspreiders niet nodig had. In zijn jeugdjaren had hij in een magazine een geïllustreerd verhaal gelezen waarin een zekere Oude Hein bij een gevaarlijke put in de weg eigenhandig een petroleumlamp had gezet zodat er des avonds geen voorbijgangers in vielen. Vanuit zijn nederige stulpje hield deze Oude Hein vervolgens een oogje in het zeil. Mauwerik vond dat zo prachtig dat het zijn hele verdere leven bleef bepalen. Op den duur had hij er zelfs dat hele kerkgedoe niet meer voor nodig, en figuren in lange zwarte rokken die je op de mooiste of diepste momenten van je leven hun koude kerken in joegen om je met een verse portie schuldgevoelens op te zadelen. Alles wat op een dwarshout of een kruis leek, veroorzaakte splinters van woede in zijn aderen. Hij verafschuwde de sadistische en masochistische metaforen waarin ‘bloed’ en ‘lichaam’ de hoofdrol speelden. Hij vond het puur kannibalisme: ‘Drink Mijn bloed, eet Mijn lichaam.’ En moest zo’n god per se een man zijn? ‘In Hem, met Hem en door Hem’? ‘Ik ben die ben.’ Betekende dit waarachtig de ‘verlossing’? Waarvan moest de mens dan wel verlost worden? Van het fabeltje van de erfzonde? Waarom die ijdele hoofdletters? Die vage bezweerpraat? Nou: Mauwerik had uiteindelijk zichzelf verlost van zijn opgelegde lidmaatschap van het leger van God met een hoofdletter. Klare taal. Zuivere syntaxis. Eindelijk heiden.
Vroeger moeiden ze zich vooral met de scholen. ‘Vrij’ onderwijs betekende decennialang ‘onvrij’ onderwijs. Hun invloed was overweldigend en verstikkend. Naarmate er in de loop der jaren minder zwartrokken (m/v) en kruisheren en –vrouwen waren, en de overgebleven kerkkompanen ouder geworden waren, verlegden ze hun aandacht naar de senioren. Hun klauwen en tentakels strekten zich nu uit naar bejaardentehuizen, serviceflats, seniorieën en andere instituten waar mensen op hun dood zaten te wachten. Ze zagen er ondertussen ook anders uit: undercover, in ‘gewone’ verpakking. De bevlekte soutanes en de muffe kappen waren afgegooid. Soms flikkerde er ergens nog een verborgen kruisje op van tussen wat textiel. Toch kon Mauwerik nog altijd van op een verre afstand een non of een priester herkennen. Het waas van bekeerdrift en een bepaalde tint van bemoeienisgrijs waren onmiskenbaar. Soms had hij dan zin om zo iemand die ene vraag te stellen: ‘Waarom laten jullie in godsnaam de mensen niet met rust?’
De grote katholieke gezinnen van na de Tweede Wereldoorlog telden veel zonen en dochters. Zeven was een heilig getal. Statistisch gezien moest daar veel onheil uit voortkomen. Met zulke aantallen liep je een grotere kans mettertijd misdadigers, andersdenkenden, rare kwieten of schuinsmarcheerders gekweekt te hebben. Aldus geschiedde. Driekwart van Mauweriks generatie verhuisde later uit de provinciestad, uit ongenoegen met of in onmin met gezin, kerk, school, vereniging of club. Soms noodgedwongen. Wie er overbleven, hokten met elkaar en pasten ervoor op niet meer dan het ondertussen moderne gemiddelde aantal kinderen van 2,3 te nemen. De kerkstoelen bleven vrijwel leeg. In dat verband deed alweer een negatief woord zijn intrede. Kerken werden bij gebrek aan volk ‘ontwijd’ – die deden verder dienst als kunstgalerij, discotheek, bibliotheek of restaurant. Of ze vlogen in de fik.
Mauwerik hielp daarbij een handje toen hij de toren van de hoofdkerk in brand stak.
Morgen zou hij weer ‘zwaar haar’ hebben. Dat wist hij nu al. Hij werd er ook niet jonger op. Het werd namelijk een steile avond in zijn stamcafé De Heerlijkheid, tot diep in de nacht. Zoals vaak het geval was met geslaagde gebeurtenissen, werd niets vooraf gepland. Ze hadden er zelfs niet eens afgesproken: Geachte Heer, Heerschap, Heer God, Heerlijke Vlinder en Heerschaar, in het echte leven buiten De Heerlijkheid zijnde Dirk, Stefaan, Mauwerik, Carmen en Peter, allen gescheiden, voorlopig vrijgezel of aan een volgend huwelijk bezig. Iets na middernacht was zelfs Allerheiligen nog binnen gekomen. Die was getrouwd, maar ging vreemd. De pret kon niet meer op. Vooral door de gedachte aan de volgende dag, die officieel vrijverklaard was als Dag van de Arbeid. Er werd dus dapper gedronken en geklonken. Vooral Mauweriks ontdoping sprak tot de verbeelding. Ze zouden het allemaal doen, zeiden ze. En ze zouden voor de laatste keer in hun leven een kerk binnengaan. Morgen. Afgesproken. Jammer dat het vannacht niet meer kon. De deuren zouden nu wel gesloten zijn. ‘Als van een kerker,’ zei Mauwerik. ‘De vergrotende trap van kerk’. Dat was een goeie. Daar moest nog een beker des verbonds op gedronken worden. Omstreeks halfdrie in de ochtend leidde bazin Myrtille met zachte aandrang het gezelschap naar buiten, de grauwe werkelijkheid in, waar ze weer hun doopnamen aannamen.
Mauwerik en Stefaan rammelden die nacht toch nog aan enkele deuren van de hoofdkerk. Tot hun stomme verbazing gaf er een mee: in het zijportaal waar het het ergst naar pis stonk. ‘Verdomme!’ ‘Halleluja!’ ‘Bellen we de rest nog?’ ‘Maar die zijn nu al… ‘ ‘Wacht… ‘ Mauwerik probeerde Carmen, daarna Peter, maar geen van beiden reageerde. Hij haalde zijn schouders op. ‘Allerheiligen zal Heerlijke Vlinder wel weer het heilig oliesel toedienen.’ ‘Laat maar. Gaan we… ?’ ‘Ja.’ ‘Sanctuary!’
Het was niet helemaal donker in de kerk van Sint-Pietersbanden. Door de brandglasramen likte zich wat roze schijn naar binnen, net genoeg om het niet oudtestamentisch duister te laten zijn. Helemaal vooraan smeulde ook een rood lampje. Toch gebruikten ze het licht van hun smartphone om zich een weg te banen door de stoelenrijen. Hun dronkenschap leek plotseling gehalveerd. Zonder dat ze het hadden afgesproken, schuifelden ze in de richting van de deuren die aan weerszijden toegang tot de toren verschaften. Ze gingen voor rechts. De deur was open. In de ruimte erachter was een indrukwekkende hoeveelheid adembenemende rommel uit vroegere tijden opgeslagen. Molm en walm deden ze even naar adem happen. Een volgend deurtje gaf toegang tot een smalle stenen wenteltrap: het opstapje naar de hemel. Die was op een natuurlijke wijze miraculeus verlicht, zonder dat er een spoor van elektrisch licht was. Een soort schietgaten diep in de muur, afgewisseld met ronde kijkgaten, zorgden daarvoor.
‘Doen?’ ‘Doen.’
Mauwerik stak een sigaret op. Ze vatten de steile tocht aan. Onderweg passeerden ze twee kerkerachtige ruimtes met een plankenvloer. Gefladder en geritsel verraadde de aanwezigheid van gevogelte en knaagdieren. Misschien werden hier vroeger heidenen opgesloten en gefolterd tot ze het ware geloof uitschreeuwden. Mauwerik en Stefaan dwaalden even in zo’n torenkamer rond. Ze schrokken zich een ongeluk toen de klok drie uur sloeg. Mauweriks sigaret belandde per ongeluk tussen de kieren in de vloer, onbereikbaar.
‘Verdomme.’ ‘Die dooft vanzelf wel. Kom.’ ‘Toch even checken.’ Door zijn gepeuter zocht de peuk nog diepere oorden op, nu onzichtbaar geworden. ‘Dedju. Kan er niet meer aan.’ ‘Pis dan in die kier.’ ‘Moet niet. Kan nog niet.’ ‘Kom.’ Ze klommen verder, tot in de frisse ochtendlucht. ‘De hemel is in zicht.’ ‘Harba lori fa!’
Mauwerik stak een verse sigaret op; Stefaan volgde zijn voorbeeld. Minutenlang staarden ze naar oneindigheid. Daarna deed zich het onvermijdelijke voor, wanneer twee zatte mannen op een meinacht een kerktoren beklommen.
‘Aahh, dat deed deugd.’ ‘Leeglopen: veruit het leukste wat er is.’ ‘O ja?’ ‘Veruit, zei ik.’ ‘Hoog en droog. Met een peuk tussen je lippen. Zo zondig.’ ‘Ik krijg een aanval van hoogtevrees.’ ‘Opzouten dan.’ ‘Straks krijgen we weer zo’n dreun van die klok in onze oren.’ Zacht wiegend op zoek naar wankel evenwicht ritsten ze hun gulp weer dicht. Hoewel het niet geregend had daarboven, vatten ze de spiraalvormige afdaling aan met bespikkelde schoenen, steun zoekend tegen de muren. ‘Waarom deden we dat nu eigenlijk?’ ‘Om eh… daarboven te zijn?’ ‘Ja, en dan?’ ‘Of eh… om voor de laatste keer in een kerk te verschijnen?’ ‘Ik vrees dat dit niet onze laatste keer zal zijn.’ ‘Is dat weer die hoogtevrees van je?’ ‘Ha ha.’ Stefaan veroorzaakte een vuurwerkje door zijn peuk tegen de muur af te schrapen en weg te schieten. ‘Hé, pyromaan!’ Mauwerik deed hetzelfde. ‘Vurige tongen.’
Zo stond anderhalf uur later de complete inboedel en het binnenwerk van de toren van de kerk Sint-Pietersbanden in lichterlaaie. Tegen de glorieuze meiochtend bleef alleen nog een reusachtige holle kies over, zonder kroon en zwartgeblakerd. Het middenschip van de kerk liep vooral nevenschade op, door de gedrevenheid van de brandweer.
‘Wat bezielde jullie toch?’ vroeg Geachte Heer. ‘Niets, dat was het nou net,’ antwoordde Heer God. ‘En we hebben ook helemaal niets gemerkt. Niets gezien… Niets geroken… ’ ‘Eindelijk heiden hé,’ mompelde Heerschap dapper. ‘Ik ben gelukkig al twee maanden gestopt,’ zei Heerlijke Vlinder. ‘Je ziet wat ervan komt.’ ‘Maar is het wel jullie schuld?’ opperde Heerschaar. Allerheiligen knikte: ‘Zo’n kerk barst toch van de kaarsen?’ ‘… en die zijdeur was eigenlijk makkelijk open te krijgen. Die gaf zo mee. Het kon… kan iedereen geweest zijn.’ ‘Dat geloven we, Kinderen Gods,’ zei Myrtille. ‘God beware jullie.’
De toren van Sint-Pietersbanden kwam er nooit meer bovenop. Een oorzaak voor de brand werd niet gevonden. Bij zo’n vuurzee tastte men in het duister. Maar eigenlijk lag een eenvoudig geval van ontdoping aan de basis van dit heilig vuur.
Op het ogenblik dat Erica Blankenbergh op vrijdagavond in sfeercafé De Woede der Noormannen een tomatensap aan het uitschenken was voor de schepen van Sport, begon de aarde in tweeën te splijten. De aarde, synoniemen: wereldbol, aardkloot, blauwe planeet, wereld, Moeder Aarde, het ondermaanse. Dat ging aanvankelijk gepaard met een onhoorbaar gekreun uit de diepste ingewanden van deze Moeder, dat alleen op de schaal van een dichter te registreren zou zijn.
Die vrijdag vloeide ongemerkt over in een zaterdag, zoals dat al eeuwen het geval was geweest. Maar die zaterdag woei het overal ter wereld opvallend hard, ongeacht of het daar dag, nacht, zomer of regenseizoen was. Het was een teken aan de wand. Achtenveertig uur later liep er een totale breuklijn over de gehele aardkorst, van oost naar west, heen en terug de wereldbol omspannend. De breedte ervan bedroeg vijftien centimeter. Alsof de Grote Kaasmeester van het Heelal met Zijn kaasmes door de klont was gegaan en Noord- en Zuidkaas onherroepelijk van elkaar had gescheiden. De breuklijn liep zelfs dwars door Maagdenburg, of all places. IJlings werden peilingen uitgevoerd. Die wezen op het onvoorstelbare: de aardbol was inderdaad middendoor aan het splijten. Over een week zou men een polsstok nodig hebben om van de ene naar de andere helft te huppen. Weldra zou men aan beide kanten van een brede grand canyon naar elkaar staan schreeuwen.
Reeds kolkte in bepaalde streken een kleine hoeveelheid magma naar boven. De aarde kookte inwendig hevig. Het eigenaardige was dat zeeën en oceanen als kokend water in de diepte verdwenen, hoe smal die breuklijn aanvankelijk ook was. Gigantische lege kommen bleven achter, althans: leeg van water, want ze waren voor een derde volgestouwd met menselijk afval van een paar eeuwen welstand, vooral plastic. Ook die kommen vertoonden op hun bodems craquelé, tot ze uiteindelijk net zo goed in tweeën spleten en de aldus ontstane geul (… in het verlengde van de aardgeul… ) geleidelijk alle afval opslokte dat in die richting af gleed. Oceaanwater en eeuwen afval verdwenen voorgoed in de kosmos, losgelaten door de aarde, waarvan de beide droge helften zich steeds verder van elkaar verwijderden. De blauwe planeet was compleet in de war wat zwaartekracht betrof.
‘Zo, dat is dus het fameuze einde van de wereld,’ constateerde Erica Blankenbergh nuchter. Ze was een van de miljarden mensen op aarde die niet in god of ‘een’ god geloofden. De ovenwarme kloof van de aarde liep als een evenaar door De Woede der Noormannen. Erica hupte over de inmiddels dertig centimeter brede spleet, sigaret in de ene, glas rode wijn in de andere hand. Eigenaar Ernie zat mistroostig naar de scheuren in zijn muren te staren. Hij geloofde wel in de ene God van hemel en aarde. ‘Waarom moet uitgerekend De Woede der Noormannen getroffen worden?’ vroeg hij zich hardop af. ‘En zeggen dat die breuk ook door de Colruyt loopt,’ antwoordde Erica. ‘Uitgerekend hier door De Woede en door ‘mijn’ Colruyt verdorie.’ ‘Zelfs door Maagdenburg, heb je het gelezen?’ zei Ernie droevig. ‘Dit is erg.’
De wereldpers bivakkeerde natuurlijk overal ter wereld langsheen de breuklijn, aan beide kanten ervan. Elke extra centimeter opening werd nauwlettend geregistreerd en becommentarieerd, in alle denkbare meeteenheden van de wereld, nou: werelden. Mensen die langsheen of op de aardbreuk woonden of werkten, werden geïnterviewd. Vooral Maagdenburg kreeg de persmeute over zich heen. De halve bollen zaten nog onlosmakelijk in het collectieve geheugen. ‘De kloof wordt steeds groter,’ rapporteerde men wrang, een cliché opduikelend uit de non-profitsector, die het vaak had gehad over de welstandskloof tussen Noord en Zuid.
Ook barmeid Erica Blankenbergh was al ondervraagd, in drie verschillende talen. Of zij voorheen in de omgeving van De Woede der Noormannen iets eigenaardigs opgemerkt had? Iets gehoord ondergronds? Een raar gevoel had gehad? Voorgevoel misschien? ‘Nee, no, nein,’ had Erica schuddend geantwoord. ‘Only the sudden wind on that Saturday, that global wind, you know. Es war so… ’ ‘And you are a waitress?’ ‘Yes I am.’ ‘Do you think this is the end of the world?’ ‘I think it’s the beginning of two worlds.’ ‘May we have your full name for the records?’ ‘Erica Blankenbergh.’ ‘Thank you, Erica Blurgh.’ Sfeercafébaas Ernie werd met rust gelaten, want die beheerste alleen maar zijn dialect.
Toen de breuklijn via de spleetfase echt een kloof van anderhalve meter breed was geworden, werd het verbijsterend duidelijk dat Moeder Aarde op een bestaan in twee werelden aan het afstevenen was. De Woede der Noormannen en de Colruyt een kilometer verder werden ongenadig in tweeën gesplitst en dienden onverwijld hun lucratieve werkzaamheden te staken. Dat gebeurde overal ter wereld in de concreet getroffen etablissementen en op openbare plaatsen: kerken, musea, scholen, parlementen, ziekenhuizen, kazernes, markten, sportterreinen, vliegvelden…
In Maagdenburg vergaderde ijlings een Wereldraad van Wetenschappelijke Wijzen; de afko WWW kreeg hier een andere dimensie. De helft van de geleerden werd er per vliegtuig aangeleverd. Die WWW had geen goed nieuws te melden. Doemdenkers voorspelden dat de aarde verder in kwartjes opgedeeld zou worden, zoals een sinaasappel. Vooralsnog echter bleven op de beide helften apart de consistentie en een deel van de zwaartekracht zich handhaven. Bijgelovigen gooiden munten in de spleet. Verzekeringsmaatschappijen van een ene helft richtten ijlings filialen op de andere helft op. Die geloofden ook nog in een god: die van het geld. Geologen gooiden trapladders naar beneden, maar werden op een bepaald dieptepunt gepocheerd, gebraden, gekookt of geroosterd. De kloof spuugde ze geradbraakt weer uit. Langsheen de hele breuklijn verrezen aan beide kanten hoge afrasteringen, want meer en meer hopelozen bestelden hun vege lijf ter diepte.
Werd het tijd voor overbruggingen voor de beide werelden? Rekbare of rekkelijke bruggen in de hoop dat de kloof op een bepaald punt of ogenblik niet te breed werd, stagneerde, ja: zelfs weer minder zou worden? Kon deze aardreet weer fatsoenlijke afmetingen aannemen? Meetbaar worden? In Maagdenburg was dat een van de vele discussiethema’s onder ingenieurs, geologen, fysici en chemici, naast de panieksessies van de humaan-wetenschappers. Misschien moesten de beide helften zelfs met grote middelen weer aaneengehecht worden, middels giga harpoenen bijvoorbeeld, of reuzenenterhaken, of een mega nietjesgedrocht, of miljoenen kiepwagens ‘colle tout’.
Erica Blankenbergh (ondertussen niet meer werkzaam in sfeercafé De Woede der Noormannen wegens noodgedwongen gesloten, nou: gespleten) dacht thuis na over een mogelijke redding van de werelden, die weer één bol moesten worden. Bestond er een ei van Columbus tegen deze vreselijke splitsing? Erica was niet zo kinderlijk dwaas om, zoals Albert Einstein, Gods gedachten te willen kennen. Diens zogenaamde schepping was immers gespleten. Van relativiteit gesproken. Ging het hier dan toch om een partijtje dobbelen?
Uit Maagdenburg – nu gesitueerd op één welbepaalde wereldhelft; de halve stad was ijlings geëmigreerd – kwam nog altijd geen goed nieuws. Er kwam zelfs helemaal geen nieuws. De wereldbol was als een okkernoot netjes doormidden gekraakt en niemand leek daar iets aan te kunnen doen. Had de inhoud van deze beide helften genoeg van elkaar? Moest de remedie dan ook daar worden gezocht? Kon een kosmopolitische chef-kok een bindende saus bedenken hiervoor?
Diezelfde avond – de kloof was al achtenveertig uur lang niet meer breder geworden – begon niet alleen Maagdenburg op zijn grondvesten te daveren. De hele halve werelden deden dat. Ook Erica’s borsten lilden eensklaps duchtig. De beide wereldhelften bleken plotseling voortdurend door elkaar aangetrokken en van elkaar afgestoten te worden. Zwitserse onderzoekers van CERN (Europees Centrum voor Nucleair Onderzoek) hadden namelijk in een uiterste wanhoopspoging een hoeveelheid zo moeizaam verkregen antimaterie in de kloof gegooid. Er bestond een waterkans dat een ontploffing energie vrij zou maken, waardoor helend wereldcement aangemaakt zou kunnen worden Die antimaterie gedroeg zich echter helemaal niet zoals verhoopt. Er volgde geen ontploffing. Wel bonkten nu de werelddelen onophoudelijk tegen elkaar, tweemaal per seconde. Alsof een grappige god de twee helften van een okkernoot tegen elkaar klepperde. Dat was nefast voor alles en iedereen. Wat bonkt, maakt brokken. Erica Blankenbergh ging op een bewaakt ogenblik ten onder in vuur en vlam, samen met 8 886 266 753 aardbewoners.
‘De muren van de kamer sluiten me niet in, maar omarmen me. Een hoek kan altijd verder verkleind worden tot kleiner en kleiner en dan nogmaals telkens gedeeld door twee zodat die een oneindige uitweg wordt, net zoals het nu-moment een eeuwigheid is, want verleden en toekomst kunnen niet bestaan: ze waren het of ze worden het. De troost van tijd en ruimte zit ‘m in het verwoorden van tijd en ruimte, misschien wel in een formule, want tijd noch ruimte bestaan. We menen die zelf te creëren. IJdelheid. Je kan de begrippen alleen maar benaderen. Misschien moet je er zelfs aan twijfelen. Tijd moet steeds zichzelf vermenigvuldigen en het heelal dijt alsmaar uit in een verregaande onvatbaarheid. Dit alles gaat ons denk- en bevattingsvermogen te boven. Op dit punt zullen sommigen het religie noemen, of God: de troost van het onbegrijpelijke, ook nog genoemd: geloof. Zoethoudertjes voor de zogenaamd ongelovigen zijn er ook: atomen, splitsingen, kwantum, deeltjesversnellers, snaartheorie, toevalkunde. Het zijn allemaal pogingen. Na de wereldbekende formule E=mc2 is de notitie NX wellicht aangewezen om een en ander te relativeren. We weten namelijk nog Niks.’
Professor d’Adesky projecteerde een gigantisch NX op het scherm.
Hier en daar klonk gelach in de aula.
Hoe groot was de kans dat ergens anders op de wereld eenzelfde gedachtegoed met andere woorden of in andere talen werd gedoceerd? In dit geval betrof het een slotmonoloog van een college van professor d’Adesky, die Filosofysica doceerde, de nieuwbakken gecombineerde wetenschap aan de universiteit van Crosslare-Thornportsmouth. Onder het personeel en de studenten had d’Adesky de bijnaam Daddy.
Zoals gebruikelijk reageerden hierop enkele studenten met een anonieme snipper in de ideeënurne, die permanent in de aula opgesteld stond en op gezette tijden door dra. Darmody, de assistente van d’Adesky, geledigd werd. De professor las altijd alle snippers. Hij stond erop dat dit op papier gebeurde, het ouderwetse bindmiddel tussen mensen en ideeën. Reacties in vulpeninkt kregen bij hem zelfs de voorrang. Het moest ook anoniem gebeuren. Dat was allemaal een beetje tegenstrijdig met het nieuwmodisch en spitsvondig ogend vak Filosofysica. Ook verkoos de professor hierbij het woord ‘urne’, omdat veel snippers het alleen maar waard waren … nou: versnipperd te worden. Een goede denkoefening. Hij gunde alle bedenkingen wel wat bespreektijd. Het beknopte snipperformaat was echter ook een letterlijke toepassing van het adagium: ‘In der Beschränking zeigt sich erst der Meister’.
‘Ik wacht op een sniper,’ verkondigde d’Adesky soms uitdagend. ‘Wie de urne met een sniper stukschiet, krijgt de grootste onderscheiding, zonder examentest. Ik heb het hier niet over papieren tijgers: oneliners die alleen maar goed klinken en wensen te scoren op de Schaal van Gevatheid. Nee: het moet een echte bull’s eye zijn.’
Een bloemlezing van de recente snippers als reactie op de NX-slotmonoloog.
‘Ruimte wijkt dus terug wanneer je danst?’
‘Zingen doet de tijd vlugger verstrijken.’
‘Geduld steekt de tijd stokken in de wielen. Stilte misschien ook.’
‘Een mensenleven heeft een duur. Wat duurt, verandert, wordt kleiner of groter, alleszins ouder.’
‘RIMPELROCK HEEFT NIKS MET TIJD TE ZIEN. DE LANGZAMEN STELLEN DE DOOD UIT.’
‘Tijd is. Tijd is niet.’
‘We gebruiken maar 23% van onze hersenen.’
Soms dropte de professor stiekem zelf een snipper in de urne. Om zijn eigen anonimiteit hierbij te beschermen, schreef hij dan met zijn linkerhand, in kapitale letters. Assistente doctoranda Darmody was hiervan op de hoogte, zonder zijn medeweten.
De mooie maand mei liep ten einde. Laatste Snipperdag!
Na een eerste academisch jaar waarin Filosofysica werd gedoceerd, brak de laatste snippersessie aan, tot slot van het college van Daddy. Dra. Darmody ontsloot de ideeënurne en graaide naar de buit. Die bracht ze naar de katheder van professor d’Adesky. Het betrof maar één luttele snipper. De wenkbrauwen van de prof gingen verbaasd de hoogte in. Er stond een formule in hoofdletters op, die door dra. Darmody meteen op het grote aulascherm geprojecteerd werd.
Dat was de sniper! Mayday!
In koeien van letters verscheen DADDY=HE2 over de hele breedte van het scherm.
Hier en daar klonk aarzelend applaus, dat snel aanzwol. Phones flitsten her en der. Van op tien meter afstand stond Betsy Darmody nu Ikabot d’Adesky vernietigend aan te kijken, grimmig en spottend knikkend. Mochten haar ogen kogels zijn…
Professor d’Adesky kreeg twee maanden later uitvoerig de kans om Toegepaste Troost Filosofysica te bedrijven. De muren van zijn cel in De Brede Veertien sloten hem niet in, maar omarmden hem. Een hoek kon altijd verder verkleind worden tot kleiner en kleiner en dan nogmaals telkens gedeeld door twee zodat die een oneindige uitweg werd, net zoals het nu-moment een eeuwigheid was, want verleden en toekomst konden niet bestaan: ze waren het of ze werden het.
Dra. Darmody nam zijn FF-colleges over. NX stond dat nog in de weg.
Het was in het holst van een bloedhete zomer. Half Europa had vakantie genomen; de andere helft lag op apegapen door de aanhoudende hitte. Golfbalduiker Gianluigi Pentangeli, booreilandbediende Rita di Laurentiis en onderwaterlasser Archangelos Karvelas waren aan het snorkelen in de Libische Zee bij het eiland Gavdos, het zuidelijkste punt van Europa – een speldenprik op geografische kaarten. Aan de overkant lag Afrika. Op het strand bewaakte dobbelsteeninspectrice Ilina Tsjechova hun kleren, hoewel er geen levende ziel te bespeuren viel. In deze zinderende namiddaghitte bleven zelfs de schaarse hangmattoeristen en de zwervende hippies weg. Er viel ook helemaal niks te beleven op Gavdos, dat lange tijd geen water- of elektriciteitsvoorzieningen kende. Er was één taverne, bij Evangelina, waar je met wat geluk iets kon eten en drinken. Een Griekse omelet bijvoorbeeld, doorgespoeld met koude Helleense kouffos: een variant op Irish Coffee, waarbij ouzo een belangrijk ingrediënt was.
Ilina volgde met haar kijkertje het trio snorkelaars. Plotseling werd er op haar schouder getikt. Met een gilletje sprong ze overeind. Het verrekijkertje kukelde tussen de keien in het zand. Het was Killmouski Askehave in hoogsteigen persoon. De Vreselijke Deen. ‘Wat… wat voor de duivel… ‘ hakkelde ze. ‘Jij was toch… ‘ Dan kruiste ze ijlings haar armen voor haar borsten, want ze was in monokini. Undercover crime scene-schoonmaker Killmouski grinnikte. ‘De tweeling is in blakende gezondheid, zo te zien.’ ‘Wat moet je hier?’ Ilina deinsde nog een stap achteruit. Zeker weten dat die Scandinavische engerd gewapend was. ‘Ben je dan vergeten wat er in Heraklion gebeurd is, schat?’ Ilina gluurde even naar de snorkelaars. Die waren al een flink stuk naar links afgedwaald. Het zonlicht schetterde over het water en belette een duidelijk zicht op de situatie. ‘Reken maar niet op hen, schat. Ik heb je al driemaal gewurgd vooraleer ze hier weer staan. Je teerling is geworpen. Je hebt me verraden.’ ‘Dat… in Heraklion… dat was een ongelukkige samenloop van omstandigheden, Killmouski. Alstublieft: begrijp dat toch!’ Er golfde één ononderbroken zwarte wenkbrauw boven zijn ogen, een tweede wenkbrauw was naar beneden gezakt en ontsierde zijn bovenlip; beide gingen misprijzend de hoogte in. ‘Toon nog eens je tieten voor ik mijn tanden in je zet,’ gebood hij, terwijl hij een kingsize gekarteld mes tevoorschijn toverde. Ilina’s blikken scheerden weer even over het wateroppervlak. Hel glinsterend licht alom. Toen spreidde ze haar armen. ‘Hier zijn ze.’ ‘Maar… het zijn er nu drie!’ riep Killmouski Askehave verbaasd uit. ‘Ik ben niet voor niets dobbelsteeninspectrice hé,’ merkte Ilina Tsjechova fijntjes op. De undercover crime scene-opruimer, in het onwerkelijke leven bedrijfsspion, zeeg verbouwereerd in het zand neer. Toen rezen uit de Libische Zee de golfbalduiker Gianluigi, de booreilandbediende Rita en de onderwaterlasser Archangelos op. ‘En dat zijn er ook drie!’ wees Ilina.
Industrieel spion Killmouski Askehave werd in volle gelaat door een golfbal getroffen op het ogenblik dat hij opzij keek. Zijn mes zeilde een eind gek weg en plofte meters verder neer. ‘Bull’s eye!’ riep Gianluigi vrolijk. ‘Roos!’ ‘Een Scandinaaf met zwart haar kun je niet missen hé!’ grinnikte Archangelos. Een oogwenk later lag de Vreselijke Deen met opengespat gezicht in het zand te kronkelen. Zijn bloed kleurde het zand roze. ‘Die wenkbrauwen vormden een perfect doelwit. Boogje boven – boogje onder. Dat middelpunt zoog gewoon die voltreffer naar zich toe. Een uitnodigende smiley, ha ha ha!’ ‘Eindelijk weer peis en vree wanneer we terug op ons booreiland zijn.’ ‘Wat doen we met zijn lijk?’ ‘Als bedrijfsspion: zand erover. Een diepe kuil op een stille plek, hier in dit zonnige vakantieoord.’ ‘En zijn mes?’ ‘Dat neemt hij mee in zijn zandgraf. Hij zal het nodig hebben in zijn walhalla.’
De booreilandbediende, onderwaterlasser, golfbalduiker en dobbelsteeninspectrice schoten wat kleren aan en togen aan het werk. In de schaduw van een grillig begroeide kalkrots op het eiland Gavdos – een speldenprik op geografische kaarten – kregen de Vreselijke Deen en zijn mes hun laatste rustplaats respectievelijk roestplaats.
Er moest toch iemand de boekhouding van deze dwaze wereld bijhouden? Dat kon niemand anders zijn dan Edwin Boey. Immers: van jongs af werd zijn schedel door zuinige haargroei getooid. Bijna engelachtig. Tevens torste hij een haakneus, aan weerskanten waarvan een kraaloogje als een blinkend muntje de wereld in de gaten hield. Zo iemand moest wel accountant worden.
Ik had Edwin Boey lange jaren geleden, decennia geleden zelfs, gekend. We speelden ooit in dezelfde volleybalploeg. We waren klasgenoten en studeerden later aan dezelfde universiteit, zij het aan totaal andere faculteiten. We verlieten allebei ons geboortestadje, om definitief ergens anders te gaan wonen. Of bleef hij honkvast haperen? Eigenlijk wist ik dat niet. Ik was plotseling zijn spoor bijster. Mijn eigen boekhouding bestond vooral uit boeken die ik ontleend en gelezen had uit de drie bibliotheekjes in onze geboortestad. Ik was daardoor in mijn dromen en gedachten ook zo’n beetje een detective. Remember Pim Pandoer, Biggles, Poirot, e.v.a.
Soms groeit de behoefte iemand van lang geleden weer te zien of er ten minste wat informatie over te verzamelen. Vaak echter heeft dat geen zin. Zelfs op collectieve gedenkdagen van een generatie veertig-, vijftig- of zestigjarigen voel je het ongemak. Te veel verschillende levens zijn ondertussen harde feiten geworden, waardoor herinneringen weggedrukt zijn. Het is zelfs zinloos om, gewapend met een goed geheugen, dingen uit het verre verleden op te vissen, want de meerderheid van de betrokkenen staart je aan alsof je staat te liegen dat je zwart ziet. Ze zijn een en ander compleet vergeten. Je kan maar hopen op een ontmoeting met iemand die over een even sterk geheugen beschikt. It takes one to know one, you know. Het woord ‘reünie’ gelijkt ook te erg op het woord ‘ruïne’.
Toen ik op een dag op het grote etalageraam van een fraai kantoorgebouw aan de kust Accountancy Decock, Maes & Boey zag staan, met daaronder Edwin Boey nog eens apart vermeld, toen wist ik dat ik beethad. Ik had me namelijk al die jaren diverse keren afgevraagd: waar is Edwin Boey? Wat doet hij? Is hij rijk geworden? Heeft dat engelenhaar op zijn hoofd de kans gekregen grijs te worden of is het door een paar beurscrashes pijlsnel uitgevallen? Zijn die kraaloogjes van hem gunstig geconverteerd naar de Europese munteenheid? Houdt hij ook nog andere boeken bij dan die met getallen, percenten en kolommen? Ik schreef haastig straat en huisnummer op en reed door, op zoek naar een boetiek waar ze ‘black musk’ verkochten: nog iets uit mijn jeugdjaren waar ik naar verlangde. Die oude gevaarlijke geur, weet je wel. Beetje opstand, beetje hippie. Ik wou dat straffe goedje weer eens met mijn vingertoppen achter mijn oorlelletjes aanbrengen, zodat ik het roerige verleden weer op kon snuiven. Ik rook namelijk graag lekker. De kust – het bubbelbad van de beau monde – telde wel een paar van die exotische boetiekjes waar je dergelijke dingen kon vinden.
Thuis googelde ik Edwin Boey. Een en ander werd bevestigd door amper één zuinig item. Hij was het.
Ik besloot een truc te gebruiken om niet alleen Edwin Boey, maar ook een deel van de vroegere reutemeteut uit mijn geboortestadje weer te kunnen zien, zonder zelf verdacht te zijn. Men verkrijgt de beste camouflage en de veiligste anonimiteit door zich in groepen te bewegen. Via de comités die de generaties na veertig, vijftig en zestig jaar leven op deze aardbol ter herdenking op reünies weer samengebracht hadden, verwierf ik diverse adressen. Dat van de hr. Boey zat er niet tussen. Hij was ook nooit op zo’n reüniefeest verschenen. Daarom ook had ik die namiddag aan de kust dat accountancyadres vlug neergekrabbeld.
De volgende stap betrof een oude gekke droom van mij. Ik had die al een paar keer in mijn hoofd geconcipieerd. Nu maakte ik er werk van. Ik zond pakweg vijftig ouwe bekenden ieder een aparte brief. Zo’n ouwe gezellige weliswaar geprinte brief, die ik in een envelop stak waar ik nog aan moest likken. De inhoud en reden van mijn schrijven varieerden naargelang van hun beroep, interesse, leven… en was ondertekend door telkens aan ander pseudoniem. Er ging een uitnodiging mee gepaard, om te verzamelen op een welbepaalde plek op een welbepaald tijdstip. Het betrof telkens een individuele uitnodiging met een specifieke reden, plek en tijd. Maar ieder individu kreeg dezelfde plaats en tijdstip van afspraak… zodat ik een samenscholing for old times’ sake kon veroorzaken. Ikzelf zou daar ook zijn, opgaand in de groep, tevens ‘uitgenodigd’. Ook Edwin Boey zou opgaan in de massa. Ik zou hem onverdacht kunnen observeren. Niemand zou in de gaten hebben dat het allemaal voorwendsels betrof. Ik zou mezelf niet verraden. Ik zou me na een halfuur evenzeer mee met de verontruste groep afvragen:
‘Maar wat doen wij hier eigenlijk? Wie is X, Y of Z? Wat gebeurt er hier nog? Is dit misschien voor televisie? Worden we gefilmd? Is dit voor het voyeursprogramma CAKEJE? Een immense grap? Toon eens uw brief? De mijne vertelt iets anders. Het is toch hier hé dat we moesten zijn? Of zijn we gemist van dag?’
Ik zou toch enkele kornuiten uit een ver verleden teruggezien hebben, waaronder de heer accountant Edwin Boey. Dat laatste vormde de hoofdreden voor mijn eigenaardige campagne: ik wou per se constateren hoe de tand des tijds Edwin Boey, voorheen schooljongen en student, thans accountant, toegetakeld had.
Twee dagen lang typte, vouwde en likte ik. De voorpret kon niet op.
Hem lokte ik met geldgedoe.
Hij daagde op.
Ik herkende hem onmiddellijk, ondanks de ruime modieuze pet op zijn hoofd. De tanden van de tijden waren mild voor hem geweest.
Zesenveertig van de vijftig door mij opgeroepenen, incluis Edwin Boey dus, verschenen die dag omstreeks of klokslag 19 u op het Lindenplein in de middelgrote stad K., ieder gelokt met een aparte brief. Een denderend succes. Ikzelf arriveerde ook netjes op tijd.
Waar ik echter niet op gerekend had: enkelen hielden onmiddellijk al mijn brief in de hand. Verbazing en onbegrip haalden immers al vlug de bovenhand. De samenscholing vond zichzelf blijkbaar verdacht van in den beginne. Als een epidemie verspreidde het zich: meer en meer genodigden haalden de brief boven. Om niet op te vallen, deed ik dat dus ook maar, want ook naar mezelf had ik (als vooruitziend detective) een uitnodiging gezonden. Ik merkte nu hoe sommigen aan hun brief en hun envelop roken. Hoe enkelen hun brieven uitwisselden om er op hun beurt ook aan te ruiken. Ook de chique meneer Edwin Boey stak zijn haakneus in zijn envelop.
Hoewel elke brief neutraal geprint was en zoals gezegd undercover voorzien van pseudogegevens, werd ik na twintig minuten al door enkele snuggere samenzweerders als de dader aangewezen en ontmaskerd. Mijn plezier was van korte duur. Ik werd ter plekke besnuffeld door de man van mevrouw Liliane Deurynck die parfumerie XxX uitbaatte, tevens door mij onder vals voorwendsel uitgenodigd. Toen die bevestigend knikte, begonnen nog anderen aan hun brief en aan mij te ruiken. Ik werd ondervraagd, afgezonderd, beschimpt, door ontgoochelde middenstanders en leraars en loodgieters en bediendes geduwd en gestompt en beduusd op mijn zitvlees op de designkasseitjes van het Lindenplein achtergelaten, op een bed van geurige witte rozen: de tot proppen gebalde brieven van de ontgoochelden. Ik meende in een laatste wraakfase nog Edwin Boey glim- of grimlachend de heksenkring te zien naderen, druk handenwringend om van zijn brief en envelop een papieren projectiel te vervaardigen dat mij als een harde sneeuwbal midscheeps het gezicht zou kunnen treffen, maar zeker was ik daar niet van. Toen ik weer opkeek, was iedereen foetsie. Dat betekende het einde van mijn gigantische practical joke, die ik alleen maar opgezet had om de heer Edwin Boey, voorheen klasgenoot en student, thans accountant, uit zijn tent te lokken. We hadden helaas geen woord gewisseld.