Maandag 24 maart 2008
De Xavante Indianen part 4


De volgende morgen ben ik vroeg uit de veren om een bezoek te brengen aan het Funai, de federale Indianendienst. Bij navraag in het hotel blijkt het adres niet meer te kloppen, maar naar enig speurwerk en telefoontje krijg ik een nieuw adres. Het kantoor bevindt zich aan de Avenida Minister Joâo Alberto boven een slagerswinkel. Ik loop de trap op en sta voor een gesloten deur, ook mijn kloppen haalt niks uit.
Dan stormen twee Bororo Indianen de trap op in gezelschap van een oudere vrouw. Deze Bororo zijn afstammelingen van de groepen, die ooit verdwaalden van hun traditionele grond, die reikte van de Boliviaanse grens tot het noorden van de Mato Grosso. Ze vestigden zich aan de rivieren 'Mortos' en 'Garças' (doch dit is een verhaal apart) en onderhouden contacten met de Xavantes.
Deze indianen weten hier in het gebouw goed de weg en lopen meteen de kamer binnen. De vrouw gekleed in een geelgroene zigeunerjurk en droevig gelaat, wacht buiten op de gang. Af en toe kijkt ze me aan, zich afvragend wat deze gringo hiet te zoeken heeft. Een vijftal minuten later komen de twee fors gebouwde mannen weer uit de kamer en overhandigen de vrouw een soort cheque, en alsof de zon vanachter een wolk vandaan komt, zie ik het doorgraaft gezich van de vrouw opklaren. Wanneer de zij de trap afdalen, loop ik de kamer binnen. Ik zie enkele Xavantes, en ik weet niet of ze voor de organisatie werken of deze nu juist nodig hebben. Ze kijken me vreemd aan en ik vraag hun met het vodje papier in mijn hand of iemand de naam kent: 'Roberto Tseretsu. Hij woont in het dorp 'Nossa Senhora Aparecida' Owapu.'
Een abtenaar van het kantoor spreekt me aan: 'Wat is je bedoeling? Het bezoeken van het reservaat kan uitsluitend met toestemming van de 'chef', en die is momenteel bezig in een andere kamer,' zegt de Indiaan van middelbare leeftijd.
'Ik wil Roberto en zijn vrouw bezoeken... is het mogelijk dat ik een lift kan krijgen. Ik hoorde dat er geregeld vrachtwagens naar toe gaan.'
De Indiaan legt me uit dat er vanmorgen net een wagen vertokken was, en dat de volgende bus pas over enkele dagen zou vertrekken. Hij kijkt me duidelijk aan en loopt weg, mij achterlatend met het idee dit plan uit m'n hoofd te zetten.
Dan komt er een vrouw bij, Talithá: 'Misschien kan ik helpen. Ik ken Roberto goed, hij is mijn schoonbroer... De zoon vcan Roberto studeert hier in de stad en woont in een klein hotel... Ik kan je erheen brengen.'
Toeval? Verdomme, neen! Ik geloof niet meer in toeval.
Ik voel dat ik op de goede weg ben, dus verlaat ik opgewekt, samen met Talithá, de mameluca (menging van blanke en Indiaan) het gebouw.
In de warme ochtend zon lopen we naar het kleine hotel in de buurt. Het gebouw heeft meer weg van een pension: 'Santo André'.
Bij aankomst zie ik enkele Xavantes aan de deur zitten.
Binnen aan de rechterzijde is de balie, links staat een televisie met daarvoor een oude sofa, waar Xavantes zitten te kijken naar een film. Achter de sofa bevindt zich een soort 'cour', met links en recht de deuren van de piepkleine kamertjes. De waslijnen zijn goed behangen met kleding van de bewoners en achter door ligt de keuken waar de gezamelijk maaltijd word genuttigd.
De zoon van Roberto blijkt aanwezig te zijn en kijkt verwonderd als hij me ziet. Talithá geeft nader uitleg en doorbreekt de argwaan bij de jonge Xavante: 'Hij is op zoek naar je vader en wil hem graag ontmoeten. Om hem te helpen heb ik hem hier gebracht.'
De jongen die mij de hand schudt heet Reginaldo Abhö-ödi Tseretsu, en heeft een halflang zwarte poykapsel rond zijn bruin glanzend gelaat. Ik vertel hem hoe ik zijn vader en moeder ontmoette in Rio de Janeiro en hem beloofde zijn dorp te bezoeken, ook in verband met de mogelijke opzet van een project. Ik vraag hem de beste mogelijkheid om het dorp te bereiken, en dat de Funai niet al te cooperatief was.
'Morgen om halfzeven vertrekt er een bus die langs het reservaat komt... ik kan met je meegaan, als je mijn reis betaald...'
Ik vond dit een goed idee en ging hiermee akoord, daar mijn reis als puzzelstukken in elkaar begon te passen.
Veel jonge Xavantes studeren in de stad omdat zij weten dat het contact met de blanken onvermijdelijk is. Ze willen iets leren, waar hun stam later voordelen van heeft. Maar velen leven in twee werelden, die van hun voorouders en die van de moderne tijd, de blanken en hun vooruitgang.
Doch er blijven jongelingen die zich hard opstellen tegen alles wat tegen de tradities van hun stam ingaan. Deze groep heeft het moeilijk, want zij zoeken hun wáre indentitiet. Als ik met de jongeren spreek over de grote Braziliaanse steden, viel me op dat Brasilia hun voorkeur had. Reginaldo, die de stad bezocht, is er nog steeds van onder de indruk. Ik zeg hem dat daar andere ideeën over heb. Natuurlijk is de nieuwe hoofdstad van Brazilë een architectonische hoogstand, gebouwd in de hooglandbossen, een glorieus pennenuitvoeisel van Oscar Niemeyer, een waanzinnig idee van een president, maar het was een vernietigende bom voor de Indianen en natuur. Het doet mij voorkomen dat óók voor de jonge Xavantes, ,de geschiedenisboeken verzwijgen hoe deze stad tot stand kwam. De corruptie en het vernietigen van mens en natuur.
Ik besluit mijn rugzak op te halen uit het hotel, en hier in 'Santo André' een kamertje te nemen, de betere plek, onder de Xavantes, op mijn weg naar hun woongebied, bij de 'Rio das Mortos', rivier der dood. Deze naam werd aan de rivier gegeven door een van de eerste expedities die deze waterloop bevoeren. De groep werd in zijn geheel vernietigd, door koorts.
Doch het 'woongebied' is onvolledig, niet correct, want de geschiedenis van de stam verteld over een lange weg, een vlucht naar het huidige reservaat.
wordt vervolgt...
Boven: Bororo Indiaan, foto Waldir de Pina, 1985
Geschreven door Storyteller om 00:00
Reageer op dit bericht







