Donderdag 27 maart 2008
De Xavante Indianen part. 7


De circelvormige hutten van de Xavantes hebben een of meerdere ingangen. Ze zijn tien tot twaalf meter lang, zeven tot negen meter breed, en zo'n vier meter hoog.
De hut van Roberto en zijn vrouw Maria Carla is verdeeld in drie vertrekken. Het dak en zijwanden zijn geconstrueerd van boomstammen en dikke takken, bedekt met palmblaren en droog gras. De vloer is veelal van leem of tegenwoordig soms ruw cement. In de hut staat een oud fornuis dat gevoed wordt door flessen butagas. Er is een tafel, stoelen en een zitbank tegen de verste wand, het interieur van de woonruimte.
Via een opening, afgeschermd door een dierenvel, bevindt zich een tweede ruimte, het slaapvertrek, daar aangrenzend een derde vertrek, waar ik geen idee van had waar het voor diende, alhoewel ik af en toe mensengeluiden waarnam.
De Jonge meisjes zijn bezig met het klaarmaken van het middageten en kijken me af en toe, schuchter of giechelend aan, en ik ruik de geur van zwarte bonen en gebraden kip. Kleine kinderen lopen achter me aan of staren aandachtend naar mijn hoofd.
Het doet me goed te weten dat ze me mogen, al ben ik een vreemdeling in het dorp.
Ik graai in mijn rugzak en vindt de droge koekjes die ik nog over heb, en verder een lappen-paljas en ratje, dat ik meenam uit Belo Horizonte, waar ik de Limburgse zuster Brunilla Maessen bezocht, die werkte in een arme buurt in Taquaril. Ik geef de kinderen de spullen en ze zijn blij, terwijl hun oogjes stralen als de sterren aan de Mato Grosso hemel.
In de hut scharrelt een 'porco do Mato' rond, een bosvarken.
Zijn naam is Ohü en hij wordt al rap mijn vriend en drukt zijn zwarte modderige snuit tegen me aan.
Roberto verteld me dat hij hem meenam uit het bos toen hij nog jong en wild was. Nu is hij een kameraad voor de kinderen en een soort kruimelveger in de hut.
Alles wat voor zijn bek komt verdwijnt naar binnen. Wonderbaarlijk luistert hij naar Roberto of zijn vrouw wanneer hij te rebellig wordt. Dan loopt hij waggelend naar een hoek en legt zich daar grommer te neder. Ohü is afstammeling van de bosvarkens die zo'n zeven miljoen jaren geleden vanuit midden-Amerika naar het zuiden trokken over de landengte van Panama, die toen een brug vormde voor de immigrerende landzoogdieren. Daaronder waren katachtigen, knaagdieren, herten, en de witsnuitwasbeer, of te wel Caoti, met zijn flexibele neus.
Verder lopen er katten rond, denkelijk afstammelingen van de Europese boskat, die ooit moet zijn meegevoerd door blanken.Dan zijn er de vele kippen, die ook proberen een graantje mee te pikken, terwijl een magere hond te ligt dromen in de hoek.
De Xavantes verzorgen hun huisdieren als gelijken, alleen als een gast komt wordt de kip een kopje kleiner gemaakt, zoals in mijn geval.
Buiten is het warm, maar de hut geeft een goede bescherming. Ik voel een geborgenheid hier in de baarmoeder van de Mato.
Ik heb een sterk gevoel dat me zegt dat deze mensen eerlijk zijn, zachtaardig en gastvrij . Dit in tegenstelling hetgeen de mensen me in Rio vaak zeiden, om op te passen voor de wilde Indiaan.
Het lijkt me een onbegrip dat nog steeds bij vele Brazilianen leeft, alsof de 'Indio' een vreemd wezen is, een ander mens, excentriek en onbetrouwbaar.
Dat hij anders is, is zeker een optie.
wordt vervolgd
Foto: Maria Carla
Geschreven door Storyteller om 00:00
Reageer op dit bericht












