de lente

de lente
er zat een klein kaboutertje...

er zat een klein kaboutertje...
Er zat een klein kaboutertje te huilen op een steen.
Huilen huilen, de hele dag alleen.
Sta op kaboutertje en droog je traantjes af.
Kies een kindje uit de kring
met wie je dansen mag.
kabouterland
op een grote.....

Op een grote paddestoel
Op een grote paddestoel,
Rood met witte stippen,
Zat kabouter Spillebeen,
Heen en weer te wippen.
Krak, zei toen de paddestoel,
Met een diepe zucht,
Allebei de beentjes,
Hoepla in de lucht!
Maar kabouter Spillebeen
Ging toch door met wippen.
Op die grote paddestoel,
Rood met witte stippen.
Daar kwam Vader Langbaard aan
En die zei toen luid:
"Moet dat stoeltje ook kapot?
Spillebeen, schei uit!"
elfen....kinderen van....
elfen...zo wonen wij
Lentekind

Lentekind
Het is een herinnering zo als zovele,
Maar deze ene laat mij niet los.
Wanneer in 't voorjaar de vlinders spelen,
Dan denk ik weer aan die dag in 't bos.
Daar bij een huisje als van Hans en Grietje,
Zag ik een kind zitten heel alleen.
Haar zachte stem zong een lenteliedje,
Voor duizend vlindertjes om haar heen.
En duizend vogels zijn toen gekomen,
En zongen vrolijk haar liedje voort.
Het schalde juichend door alle bomen,
En heel de wereld heeft dat gehoord.
En overal bleef men even luist'ren,
En een moment was 't rumoer verstomd.
Want zelfs de mensheid moet even fluist'ren,
Wanneer voor 't eerst iets van 't voorjaar komt.
Maar ik alleen heb dat kind zien zingen
Daar in het woud op die zonnedag.
Ik zag haar aan en mijn ogen vingen,
Uit blijde ogen een lichte lach.
En dat is al wat mij is gebleven,
Die lichte lach als een snelle groet.
Maar ik heb nooit van mijn hele leven,
De lente weer van dichtbij ontmoet.
wat is m'n leven waard....

Wat is m'n leven waard....
Wat is mijn leven waard? Aan ’t eind (welk eind?)
Zegt iemand: ik heb driehonderd pop verdiend,
Een ander zegt: ik heb drieduizend dagen roem gekend,
Een ander zegt: ik ben met mijn geweten in het reine en dat is genoeg…
En ik, wanneer ze voor mijn neus staan en mij vragen wat ik heb gedaan,
Zal zeggen: ik heb gekeken naar de dingen en meer niet.
En daarom heb ik hier het universum in mijn broekzak.
En wanneer God mij vraagt: en wat heb jij dan wel gezien in de dingen?
Dan zal ik zeggen: niet meer dan de dingen… Gij hebt er niet meer in gelegd.
En God, die het daarmee eens is, zal van mij een nieuw soort heilige maken
Alberto Caiero
muziekje...
fado....
fado
scharensliep
de lente

Reeds is het statig eiber-paar gekomen,
‘t geduldig rijs wringt stil de knoppen los,
de zoele lente luwt door ‘t zonnig bosch
en wiegt mijn geest in weemoeds-zoete droomen.
Violengeur stijgt op uit vochtig mos,
een bronzen gloed veerjongt de dorre boomen,
en primula’s en dotterbloemen zoomen
de groene wei met gouden voorjaarsdos.
Wat heb ik, milde! naar uw komst gesmacht!
wat scheen uw toeven lang! — is ‘t niet mijn leven
dat door uw donzen adem wordt gewekt?
Eens zult ge niet meer keeren, als ge trekt,
des weerziens zaligheid mij niet meer geven
en grimmig grijnst dan d’eindelooze nacht.
Frederik van Eden 1860-1932
primula
klompertje

Klompertje
Klompertje en zijn wijfje
Die gingen vroeg opstaan,
Om met hun boter en eiertjes
Al naar de markt te gaan.
Ze waren halverwege,
Halverwege den dijk,
Toen braken al de eiertjes
En 't botertje viel in 't slijk.
Het speet 'r niet om d'r eiertjes,
Maar om d'r mooien doek,
Dien ze gister pas gemaakt had
Van Klompertje's beste broek.
Uit: Nederlandsche Baker- en Kinderrijmen
verzameld door J. van Vloten
klompenkapper
anemoontjes
Adio Akropolis
hei molentje
Hei molentje
Tekst: J. Prins - Muziek: B. Verhallen
Hei molentje, molentje, hoog in de wind,
Wat sta je weer dapper te draaien.
Je doet of je 't uiterst noodzakelijk vindt
Het licht van de zomer te maaien.
Je kijkt naar de zon en je denkt: wat een schat,
Wat een schat, laat ik daadlijk beginnen.
De zon is van goud, maar het licht is te glad
Je haalt er geen hallem van binnen.
De wieken bewegen en vliegen en vegen.
Hun schaduwen tegen de grond.
De stenen die dreunen en draaien en steunen
En komen al kreunende rond.
Maal verder, maal verder, maal stevig en straf.
Je werken blijft toch onbegonnen.
Het licht van de zomer, dat maai je niet af
Het licht van de zomerse zonne.
windmolen
4 reacties op dit bericht
de lente voelde ik
Heel mooie lente pps Jos
We wensen u een heel mooie dag en een prettig weekend
Lieve groetjes Gerda & Elza
Prachtige lente pps Jos
Donderdaggroetjes.Maak er een gezellige dag van !!!