Woensdag 29 augustus 2007


.
Geschreven door j. v.e. dreyfsandt zu schlamm om 08:18



ontmoeting| van mij mag de hemel komen zei hij en ik begon aan mijn derde taartje ik zag hem dromen van een bestaan zonder aardse pijn het huisorgel speelde als automaat klanken van Bach zijn vingers toonden het verraad van vergankelijk bestaan die hij reeds bij aanvang van 't leven zag toch was zijn engel nog volledig aards en gastvrij ik pakte op haar verzoek nog maar eens chocola de zoveelste op een rij haar sprekend hart is voor hem als Veronica's doek tot verzachten toe bereid nee, dit was niet zomaar een koffiebezoek het was ontmoeten door liefde geleid |
goddelijk moeop mijn kamer boven ontsluit ik het raam duw het in de duisternis de wereld ligt open en verkondig mijn lied "ach, mensen hoor mij toch laat u niet van de heerlijkheid beroven" ik zing het lied naar buiten over het schone geluid dat elkeen soms ontmoet tijdens een dans met fluiten betoverd worden door een oogverblindend meisje dat wiegt voor mijn ogen mij zuigend naar haar kwetsbaar getekend lijf en sierlijk diep, doch onaantastbaar, voor mijn mannelijk ego heeft gebogen ik roep de leegte toe, waan me als verlosser, "volg mij, zing dit lied in uw duisternis" dan dicht ik tevreden het venster ja, ik ben terecht goddelijk moe |
om de hoek| even kijk ik om de hoek niet van mijn huis of straat maar van het leven vraag mij af wat ik daar zoek en hoe het mij daar dan vergaat ik zal het nooit weten maar als ik zie in de ogen van een blij kind vergeet ik al snel mijn wens dan maakt het mij weinig uit wat ik daar vind |
dag| een druppel valt het is mijn laatste traan bij het koude witte laken de spitse neus prikt een landschap in het uitgestrekte oog in oog met verleden tijd bevroren in een verloren strijd mijn gevoel lift op; hij was een echt mens mijmer ik dat zeg ik altijd bij het overschrijden van de aardse grens ik draai om verlaat wat eens was richt nog één blik dag... zeg ik niet dat hij het hoort maar toch ik hoop dat hij in zijn droomloze slaap nog eenmaal door mij mag worden gestoord |
ik ga maarin dit licht gedicht hoort men alleen de zwakke echo van gedoofde klokken lopend over grind, dat hoort bij rouwen, graaf ik het graf van vertrouwen ik kwam zag en verloor ik ga maar, stilaan, weer op mijzelf bouwen |
ik nodig joukom kijk toch je bent zo welkom in mijn ogen ervaar de milde blik die jou aanschouwt en kleurt met kristallen bogen kom maar geef even je hand dan zal ik hem vluchtig raken mijn vingers zullen je huid bespelen voel dan het ritme van de melodie die we samen maken luister hoor een stem die het zwijgen bezingt geen klank teveel maar slechts, ons, met adem omringt |
zicht op glas| het is koud om me heen als de dageraad daagt ik draai de lamp boven mij hoger en voel de verlichtende warmte mijn gezicht spiegelt in de ruiten van de tuinkamer als het hoofd zich wendt, naar welke kant ook, is mijn bleke gezicht op het glas geplakt, zie mijzelf zitten ik ben niet alleen |
zwanenzang| mijn pen stokt vandaag als ik een onbeschreven blad tracht te ontmaagden ik worstel met een vervlogen drang ben thans aangeland in het gevreesde bordeel van verlopen dichters allen bloot geëtaleerd op oud roze behang alwaar woorden zijn verworden tot zuchten en inkt is verdroogd tot nutteloos zaad ik hoor, met weerzin, bij mijn binnenkomst een wegvliedend zwanengezang van een laatste mislukte daad |
de vlakte van inzicht| heden, ben ik genood de toren van uitzicht te beklimmen reis met koffers vol vragen en gedachten naar de Vlakte van Inzicht teneinde de wijsheid te zien, te beminnen ik bestijg duizend treden elk bekleed met een zinderende spreuk doch boven, geheel buiten adem aangekomen stel ik de fundamentele vraag is zoeken naar de Heilige Zin niet eindeloos peuren met een verroeste zaag ik zie uit over een weidse vlakte met volledige leegheid gevuld slechts diep in de einder ontwaar ik een verlichte tekst "u doet te veel uw best keer terug naar uw ploeg het leven doet de rest" |
ruggen-tegen-elkaar-liefdeik lijd aan ons leven dag in, nacht uit eenzaamheid groeit als een gezwel ziet hij dat wel? o ja, hij heeft me lief door alles heen maar de wijsheid van een moederhart wordt ontkend voelt hij ook mijn smart? overgave aan wat is, waarbij het verleden en heden niet uitsluitend door het geweten wordt opgegeten maar waar liefde slechts door geven wordt gemeten en rijkdom door loslaten groeit zal hij dat nog beleven? hij raakt mij niet kwijt ik voel zo, dat hij aan zichzelf lijdt maar ziet hij ook mijn duizend tranen, mijn, ons eiland van verdriet waardoor wij een steeds kleinere weg banen |
onder-tussenzij is niet meer maar wel zichtbaar dat doet zeer was hier nog lang niet klaar huil ik keer op keer zij praat niet als ik het uitschreeuw van binnen mijn handen raken zo dichtbij wil haar wekken, met mijn eigen leven toedekken hoe kan dit nu zo roerloos ze is toch mooi nog jong was dit nu haar leven nee, ze is er nog, toch? de tijd staat stil onder een wazige stolp ben er wel maar verdwaal in verwarring als ik de komende dagen tel en ik met mijn tranen de ontkennende waarheid deel en eindeloos vertel |
oud in heden| mijn trillende telelens zoemt jou dichterbij wil wel eens zien hoe vergrijsd jij oogt zag zo al, gaandeweg, de kleur verbleken hoe jouw hoofd het doorleefd vel nog kennelijk gedoogt ik denk zowaar terug aan mijn ouden van dagen waar de zoete babbelaar uit het vierkante blik dat de schoorsteen sierde, mijn kinderhart deed opjagen het was somber in de kamer van het haast uitgezeten levenspaar de eeuwige stilte leek nabij slechts wachten op de dood, onderbroken door de gong, ze waren er voor klaar ik zie ze graag komen, kruipen op mijn knie en omarm hun onbewuste dromen zullen zij later nog mijn schaduw zien verhalen van wat was moet haast wel dacht ik zo het is de overgave die ik in hun ogen las |
kleine marieke| een kleine meis met krullen dacht met woorden over mij heen zij dichtte een lied in grijze haren om weer vorm te geven aan mijn uitgewaaierde eigenwaarde haar vingers schreven letters bouwde lagen met een schaar het teveel werd verdreven het couplet was klaar |
zonnige lindelanen| als je lacht hoor ik de echo van je bestaan ondeugend maar toch een onvoorwaardelijk gaan van blijven als ik zie in je ogen en kruitdamp van pijn langzaam zie wegdrijven droog jij je tranen en zucht je zonnige lindelanen |
als stuifzand| letters tot stuifzand geworden glijden door mijn korte vingers verwaaien zonder ooit een woord te vormen vallen terug op het strand waar de oude zee hen opnieuw overmant onderhevig aan vermaledijde stormen ik houd mijn handen op tot dragen toe bereid maar zie met lede ogen aan dat het machteloosheid is dat door mijn vingers glijdt |
ik zag schimmen| het is nog steeds zo vreemd mijzelf in de spiegel te aanschouwen wil wel kijken maar ook weer niet doet het mij goed of wellicht berouwen je weet wel wat ik bedoel zal ik op die kop lijken die ik ergens zwevend boven mijn schouders voel laatst keken schimmen heimelijk mee wilden mijn ogen sluiten naar believen kom wees toch gedwee wij weten veel beter hoe voor jou te kijken al was het maar ons te gerieven plots drong tot mij door dat mijn bril ontbrak op het reflecterend schilderij ik zag een tevreden mens nadat het uitzicht was hersteld het stelde mij dadelijk op mijn gemak ja, wat was ik blij voor even had ik mijzelf gekweld |
gedachteloos| haar tenen raken amper het water van de kronkelige groenige loop alsof zij de stroom niet wil storen het heden niet wil kwetsen voor later de lange haren vallen over haar blanke schouderlijn in enkele resterende vlechten en waar glooiende heupen verborgen in het jonge gras haar aan de aarde doen hechten zo gaat zij verstild op in de zachte zwoele sfeer van zomers genot ik zou haar willen raken; even meedrijven op haar gedachteloos vlot |
blijvende waarde| in mijn dorp van zure druiven zoekt men de blanke pit onder de zoete blauwen, die doorgaans slechts in een gerimpelde oude zit op de kale bank rond de oude olm sterft hij en valt op moeder aarde, deze gerijpte mens met zijn blijvende waarde |
pion| naarmate mijn jaren zich verkorten begint aan het groeiend inzicht van sturing in mijn leven overduidelijk iets te schorten waar groei nog gepaard gaat met versterking van het ik en keuzes mogelijk lijken blijkt bij vergrijzende haren de ruimte steeds meer in te dijken en het geheel minder te verklaren allengs onbereikbaar voor mij wordt de grote gang van de rede als persoon te plaatsen steeds meer ben ik een pion waarbij ik soms nog alleen even de loper mag kaatsen voor de onzichtbare kracht die dat voor mij verzon |