Naar de inhoud

.

akke.beakke.be
WELKOM OP DEZE WEBSITE GEWIJD AAN ALLE ASPECTEN VAN HET OUDE EGYPTE DER FARAO'S
indexpicturepr6.jpg

Inhoud



Een herschikking van het blog is aan de gang om alle delen aanklikbaar te maken vanuit het centrale Inhoudsmenu. Enig geduld wordt op prijs gesteld. Ondertussen kan u nog steeds bij de artikels terecht via de inhoud in rechterkolom
e-mail van de auteur: ronald.milo@skynet.be

Archief

Sened (Senedi)

NAAM EN INSCRIPTIES

snd01mb7.jpg


De nesoet-biti nam Sened is zowel aanwezig op de koningslijst van Sakkara (in het graf van Tjoeloi), de lijst van Abydos in de tempel van Seti I als op de Koninklijke Papyrus van Turijn(cat.1874) en dit steeds als vijfde koning1 van de Tweede Dynastie. Hij volgde zoals deze documenten aantonen Oeneg(Oeadjnes) op. Over zijn opvolger bestaat er minder overeenkomst want respectievelijk Neferkara, Djadjatepi (Chasechemoei) en Aaka worden in deze lijsten als dusdanig vernoemd.


Ongelukkig genoeg zijn er geen goed bewezen eigentijdse bronnen voor deze koning. De meest overtuigende inscriptie is nog deze gevonden in de tempel van Chafra te Gizeh2. Het handelt om een hergebruikte schaal waarop "nswt-biti Snd" voorkomt. Het is mogelijk dat het handelt om een vaas uit de Tweede Dynastie alhoewel de epigrafie wijst op een lichtjes latere datum3(Derde Dynastie ?).


sened04pv5.jpg
Valse deur uit het graf van Sheri.Foto John D. Degreef, Caпro 1384


Een inscriptie4 in het graf van Sheri (Mastaba MM B3), onbetwistbaar uit de Vierde Dynastie,13 toont een cartouche van koning Sened (zie figuur hierboven ). De titels van Sheri wijzen er dus op dat zijn begrafenis cultus te Sakkara werd gevierd en dat men zich deze koning nog herinnerde een hondertal jaar na zijn dood. De titels van Sheri zullen worden vertaald aan het eind van dit artikel5.


Voor sommigen6 getuigen Sheri's titels voor een connectie tussen de begrafeniscultussen van Sened en Peribsen. Van deze laatste zijn alleen vondsten in Opper-Egypte bekend. Indien Sened in het zuiden zou hebben geregeerd en Peribsen in het noorden kan het naast elkaar vieren te Sakkara van hun begrafeniscultus betekenen dat, althans in het begin, de territoriale verdeling van het rijk zoals voorgesteld na de dood van Ni-Netjer op een vreedzame basis werd doorgevoerd7. Het feit alleen dat er een opzichter van de Oeab-priesters van Peribsen bestond in de necropool van Sakkara tijdens de Vierde Dynastie vertelt heel wat over ons gebrek aan kennis over de koningen van de Tweede Dynastie.


Volgens andere geleerden zouden deze titels er eerder op wijzen dat beide namen Sened en Peribsen slechts ййn persoon aan duiden 8. De naam Snd die zou betekenen de "Verschrikkelijke", zou dan een pejoratieve naam zijn die men in het Nieuwe Rijk aan deze "ketterse" koning Peribsen heeft gegeven. De naam wordt echter beter vertaald als "Hij die vrees aanjaagt" en de koningen blijken duidelijk niet identiek te zijn. Immers een cartouche van Peribsen op een cilinderzegel in Milaan toont aan dat de nesoet-biti van Seth-Peribsen eveneens Peribsen en zeker niet Sened is9. Daarnaast zie ik niet goed in hoe de naam Sened pas in het Nieuwe Rijk zou zijn gegeven aan Peribsen terwijl beide namen reeds voorkomen op de valse deur in Sjeri's graf ( daterend uit de Vierde Dynastie). Bovendien is er een groot verschil in de afkomst van de bronnen van Peribsen en Chasechemoei en deze van de vijf eerste koningen van de Tweede Dynastie.


Een ander document uit het Nieuwe Rijk dat nog de nesoet-biti van Sened vernoemt is de Berlijnse Medische Papyrus (3038), die qua inhoud trouwens sterk gelijkt op de papyrus avn Ebers. Van deze papyrus wordt gezegd (15,1 1-3) dat hij behoorde aan koning Hspti (of Chasti / Zemti = Den uit de Eerste Dyn.) die hem zou gegeven hebben aan zijn opvolger Send (dit is historisch onmogelijk want op zijn minst 7 koningen zouden gedurende ongever 120 jaar tussen beide hebben geregeerd). De naam Sened wordt hier met het hiлroglief Gard. G 54 (geslachte gans) geschreven10.




sened03qq7.jpg
Cartouche op riem van Berlijns brons 8433 cfr voetnoot 4 Wildung tav 4,1


Op de rugzijde van de riem van een bronzen beeldje (Berlijn n° 8433) uit de periode van de Zesentwintigste Dynsatie staat eveneens in een cartouche de naam van Sened. De naam is geschreven op de archaпsche wijze met drie tekens (s-n-d). In elk geval bewijst dit dat hoe obscuur Sened ook moge wezen voor de moderne Egyptologie men zich zijn naam nog eeuwen na zijn dood herinnerde.11


Vanuit de area van Ni-Netjer's gallerijen te Sakkara kent men een tichelsteen12met de cartouche naam van koning NeferSenedjRa. Dit is een aanduiding van de aanwezigheid van een offerschrijn of zelfs van het graf van deze koning in de nabijheid. Indien deze cartouche werkelijk op Sened zou duiden dan is het de oudst gekende cartouche naam die men kent en dus ouder dan deze op de zegels van Neferkaseker, Peribsen uit de Tweede en Nebka en Hoeni-Nisoeteh uit De Derde Dynastie.


Sened kent men, net als zijn voorganger, slechts uit vondsten van Neder-Egypte (PM V, 90 die Sheri te Abydos localiseert is duidelijk een vergissing) en ook evenals zijn voorganger Oeneg is er maar ййn graf te Sakkara S 3014 (niet gepubliceerd maar blijkbaar uit de tijd van Oeneg) waar materiaal betreffende deze koning gevonden werd.


HET GRAF

De tombe van Sened is nog niet gevonden maar gezien de inscripties op de valse deur in het graf van Sheri13 moet het ergens in de necropool van Sakkara en mogelijks in de buurt van Sjeri's graf gezocht gezocht worden. Wel werd er, zonder overigens over duidelijke bewijzen te beschikken geopperd dat de gallerijen onder het westelijk massief van het Djoser complex hiervoor in aanmerking zouden komen

De exacte plaats van Mastaba B3 te Sakkara is echter verloren maar het moet ongeveer in de omgeving van een plaats een 350 m (tot hoogstens 1500m )14 ten noorden van Djoser temenos geweest zijn waar zich nog andere graven uit de Vierde Dynastie bevindenen zoals Leps. 6 van Metjen.

Een alternatieve locatie is in de necropolis van het Nieuwe Rijk, waar Horemheb's graf gelegen is (ten zuiden van de gallerijen A en B (graven van Hetepsechemwoei en Ni-Netjer)en ten oosten van het Sechemhet complex. Begin 2002 werd hier door Dr. Raven en R.Van Walsem15 van de Universiteit van Leiden een graf en gallerijen ontdekt behorende aan Merineith-Merira (een hogepriester van Aton te Memfis en Achetaton -tijdens de regering van de ketterse farao Achnaton uit de Achtiende Dynastie). Het ondergrondse deel bleek bijna geheel te bestaan uit herbuikte delen daterende uit de Tweede Dynastie ( we komen hier later op terug). Maar tot nader order zijn de graven van Sened en Oeneg voorlopig nog niet gelocaliseerd.16

Delen van de muurreliлfs van de door Mariette 17 ontdekte Mastaba B3 van Sheri in Sakkara zijn verspreid over musea in de ganse wereld 18 : Cairo(1384), Florence (2554), London (B.M.1192), Oxford (Ashm.Mus. 794), Aix en Provence en een copij, naar het origineel in Caпro, van de valse deur in de Museo archeologico Napoli19.

De laatste koningen van de Tweede Dynastie (Sechemib, Peribsen en Chasechemoei) zijn slechts vaag bekend te Sakkara (maar dit kan natuurlijk louter het gevolg van een "archeologisch toeval" zijn of meer waarschijnlijk te wijten aan de aanwezigheid van de uitgebreide bouwwerken van de Derde Dynastie die bij hun aanleg deze van de voorgaande dynsatie zouden vernietigd hebben ). Er bestaat dus nog een kleine kans dat nog vondsten van deze koningen te Sakkara worden gedaan. Minder waarschijnlijk is het daarentegen dat er te Abydos nog vondsten van de alleen in het noorden bekende fara's worden gedaan.


Er is misschien een kleine kans dat Peribsen, Sened heeft opgevolgd 20 maar dan kunnen we Neferkara-Aaka, Neferkaseker, Sechemib-Perenmaat niet meer plaatsen in deze dynastie. Een interval van 10-20 jaar tussen beide koningen is in elk geval beter aanvaardbaar. Dan kunnen we in deze periode te Memfis Neferkara-Aaka, Neferkaseker, laten regeren en te Abydos Sechemib waarna dan Peribsen dan op de troon komt.


Het voorkomen van hun cultusgoed dicht bij elkaar te Sakkara schijnt niet te wijzen op een breuk of burgeroorlog. Volgens F.Raffaele was er tijdens deze periode alleen maar een crisis ( zoals in de Derde en Vierde Dynastie ook voorkomt) spruitende uit moeilijkheden bij de opvolging, korte regeringen en economische en omgevingsfactoren en misschien de religieuze hervormingen van Peribsen, wat zich dan uit in een zwakke centrale autoriteit en een relatieve schaarsheid van de bronnen.Maar catastrofes of buitengewone gebeurtenissen dat niet.

In een artikel van 1979 21(Z.A.S. 106 p. 120-32) bespreekt W. Helck de chronologie van de inscripties op de stenen vazen gepubliceerd door Lacau-Lauer in hun studie van het Djoser complex. Hij besluit dat Ni-Netjer opgevolgd werd door Peribsen,Sechemib en Chasechem in Opper-Egypte en ongeveer gelijktijdig met voornoemden en in vrede met hen levend door Oeneg , Sened , Noebnefer en mogelijks een tweetal ander koningen in Neder-Egypte. Het zou dan Chasechemi zijn die beide rijken terug verenigde. De titels van Sjeri zouden dan niet alleen aantonen dat Sened en Peribsen twee verschillende koningen waren en ze zouden tevens geen argumenten aanbrengen om aan te nemen dat Peribsen ook in Neder-Egypte had geregeerd maar wel dat beide rijken op goede voet met elkaar stonden (enige moeilijkheden later in de dynastie daar gelaten).


P. Kaplony geeft in een studie over stenen vazen 22 een lijst van voorkomen van opschriften van de koningen na Ni-Netjer in volgende volgorde: Wng (10) Nfr-nb (2), Snd (1), Prj-ib-sn (2), Schm-ib /Prj-n-maat (10), Chaj-sechemwy (11). Wat opvalt is de posities die hij toeschrijft aan Nfr-nb (Noebnefer) en Sechemib-Perenmaat . Daarnaast blijkt hieruit dat het opschrift op de vaas ( met uitsluiting van de Nefersenedjra tichelsteen) de enige getuige is voor het bestaan van Sened darterend uit zijn eigen tijd.


Wildung 23 besluit de paragraaf handelend over dit onderwerp aldus :" in ihm (Seth - Peribsen) nicht einen selbstandigen Herrscher zu sehen,sondern einen lokal gebundenen Aspekt des zusammen mit ihm in den Inschriften genannten Snd, der uns unter diesem Namen noch mehrfach in der spatern Uberlieferung begegnen wird ".

BESLUIT

Met de huidige kennis van zaken moeten we helaas besluiten dat men niet met zekerheid kan zeggen of Sened en Peribsen:
  1. twee verschillende koningen waren die onmiddellijk na elkaar regeerden. Grdseloff 24 stelt zelfs een vader zoon relatie voor.
  2. twee verschillende koningen waren wiens regeringen ongeveer 5 tot 20 jaar uit elkaar lagen met enkele korte regeringen er tussenin.
  3. twee verschillende koningen waren die gelijktijdig min of meer in vrede naast elkaar regerden te in Neder- en Opper-Egypte.
  4. ze slechts twee aspekten vormden van een koning waarbij Snd de naam van de koning in Neder-Egypte en Peribsen de Seth (=Horus) naam was van deze koning in Opper-Egypte. Deze laatste hypothese is echter de minst waarschijnlijke want zowel de titels van Sjeri als de cartouche met de nesoet-biti naam van Peribsen , eveneeens Peribsen op het cylinderzegel van Milaan (Milan Civ. Racc. R.a.n. 997.02.01) spreken deze theorie tegen.

    De reconstructies van de Analensteen laten voor de periode tussen de dood van Ni-Netjer en de troonsbestijging van Chasechem plaats voor een veertigtal jaar. Persoonlijk ben ik eerder geneigd te geloven dat een dergelijke periode beter past bij een reeks koningen die elkaar opvolgen dan bij een gelijktijdige reeks in Opper- en NederEgypte waarbij Sened en Peribsen twee verschillende koningen zouden zijn die mekaar niet direct zijn opgevolgd. Dit blijft uiteraard een hypothese.

    De tekst op de valse deur van sheri



    sened05sw4.jpg

    Tracht op zijn minst al de cartouches te vertalen morgen geef ik de transliteratie en overmorgen de vertaling

    senedsherydeurfp2.jpg


    Hieronder de transliteratie van de tekst. Let er op dat de cartouche van Peribseb vooraan werd gezet uit eerbied. Deze van Sened staat op zijn plaats in de bovenste zin maar eveneens vooraan in de twee andere. Sjeri bij alle zinnen helemaal achteraan is de naam van de ambtenaar.


    sjerideurteksttranslitdt2.jpg


    Vertaling :


    • Zin 1. De opzichter van de Oeab-priesters van Peribsen in de necropool van Sened in het paleis, en in al de plaatsen van hem ( van zijn cultus) de meester van de dingen vn de koning ( de verantwoordelijke voor  de koninklijke zaken ) Sjeri.
    • Zin 2.De opzichter (directeur) van de begrafenispriesters van Sened in de necropool, Sjeri
    • Zin 3.Priester van Sened in zijn graf, meester van het dak (?), Sjeri

1.W.Helck, 1984 "Sened", LÄ:849<br>
2.Steindorff in U. Hцlscher 1912:"Das Grabendenkmal des Königs Chephren", p.106.<br>
3.T.Wilkinson,1999, "Early Dynastic Egypt", p.88<br>
4.B.Grdseloff 1944, "Notes d'épigraphie archaïпque", ASAE 44:294;D. Wildung 1969," Die Rolle Ägyptischer Könige im Bewusstsein ihrer Nachwelt", MДS, pl.III.2;W. Kaiser, 1991, "Zur Nennung von Sened und Peribsen in Sakkara B3", GM 122:49-55
5.F.Raffaele website
6.T Wilkinson, 1999, op.cit. p 88<br>
7.W.Helck, "Die Datierung der Gefässaufschriften der Djoserpyramide", ZДS 106: p.132<br>
8.Barta, 1981,"Die Chronologie der 1. bis 5. Dynastie nach Angaben des reconstruierten Annalensteins, Z.Д.S. 108,p. 23-33.
9.Seth-Peribsen moet één tot vier regeringen en zowat 10 tot 20 jaar later hebben geregeerd dan Sened.<br>
10.D. Wildung 1969, op. cit. p. 45-51<br>
11.D. Wildung 1969, op cit. p.51, tav. IV,1; p. 45-51 <br>
12.Orientalia 57, 1988 p. 330<br>
13. W.S. Smith "A History of Eg. Sculpture and Painting in the Old Kingdom' p.173' ;W.S.Smith 'A History of Egyptian Sculpture and Painting in the Old Kingdom' p.173" plaats de datering van Sjeri tussen het midden en het einde van de Vierde Dynastie. Helck dateert de mastaba van Sjeri tijdens de regering van Khafra (Khefren); cfr. i.e. id. in M.D.A.I.K. 15, 1957 p. 93 . Hij werd daarin gevolgd door Weill in "La IIe et la IIIe dynasties" 1908 p. 35, 333 en A.Moret "Fragments du Mastaba de Shery, prêtre des Rois Peribsen et Send' Fondation Piot 25, Paris 1922 ;p. 298 <br>
14.A.Dodson, 1996, "The mysterious 2nd Dynastie", KMT 7:2 p.24<br>
15.R. Van Walsem, Phoenix 47, 1/2 2001 p. 68-89<br>
16. Voor de localisatie van zijn graf houde men in het achterhoofd
<ol><LI>Dat Sjeri de begrafenis-cultus van Sened leidde wat ons laat vermoeden dat zijn graf zich te Sakkara bevindt (cf. Kaiser, in: GM 122, 1991)<LI> Oeneg moet een figuur van belang zijn geweest tijdens de regering van Ni-Netjer (misschien zelfs zijn zoon) en dit des te meer als hij blijkt identiek te zijn met Oer-Maaoe Oeadj-sen, bekend van de inkt-inscripties op stenen vazen gevonden in het Djoser complex. Het zou dan logisch zijn dat hij zijn graf zo dicht mogelijk bij dit van zijn beroemde voorganger zou laten oprichten. <LI> De hoegergenoemde tichelsteen met de cartouche van Nefer-Sened-Ra (en die zowel uit de archaпsche periode als uit de tijd van de Ramsessiden kan stammen) zou er in het eerste geval op wijzen dat het graf van Sened ( die in dit geval vrijwel zeker identiek is met Nefer-Sened-Ra) niet ver uit de buurt van de vindplaats moet liggen. Het artikel in Orientalia 57, 1988 p.330 specifieert echter niet de exacte schrijwijze van de naam Nefer-Senedj-Ra.<br></OL>
17. A.Mariette 'Les Mastabas des l' Ancient Empire' 1889 p. 92-4; <br>
18. Moret,1922, op. cit. wijdt een ganse studie aan al deze stukken; Wildung 1969 op. cit. p.47 n4.<br>
19.F.Raffaele op zijn website <br>
20. Zoals gesugereerd door Grdseloff 1944, op.cit. 294<br>
21. W.Helck 1979, Z.Ä.S. 106 p. 132 <br>
22. P. Kaplony, 1965 , "Bemerkungen zu einigen Steingefässe mit archaischen Königsnamen, M.D.A.I.K. 20 , 1965 p. 1 -46<br>
23. D.Wildung ,1969, op.cit. p. 48<br>
24. B.Grdseloff, 1944, op. cit. p 294<br>
25. Verder nog W.Kaiser 'Zur Nennung von Sened und Peribsen in Sakkara B3' G.M 122, 1991 p. 49-55; W.Helck 'Thinitenzeit' p. 103-6; Vercoutter 'L'Egypte et la Vallee du Nil' t. I.


Geschreven door ramsesje om 00:00 Reageer op dit bericht

BA

Enkele bA-woorden

We gaven reeds eerder in deze rubriek een aantal woorden die met kA , de ziel begonnen. Nu geven we een aantal woorden die met bA een ander aspect van de ziel uitdrukt maar dat we voor het gemak ook met ziel zullen vertalen. Op de eerst regel zien we hoe de ziel zelf geschreven wordt met het bA teken dat een jabiroe voorstelt een soort kraanvogel, om zeer precies te zijn de ephipiorhynchus senegalensis. Als ideogram dus met een streepje achter wordt het teken dus gebruikt om de ziel uit te drukken. Een variant is zonder ideogram streepje maar met een wierookvatje voor. Dit zegt ook wat het dient te zeggen en nog een andere variant toont een vogel met een mensenhoofd wat ook een ( maar eerder de pictografische dan de klankvoorstellende) afbeelding van het "ba" aspect van de ziel was. Hier is dan zowel het wierookvatje als ideogramteken bij aangebracht.

Op de tweede regel gaat het om een meervoud met toch een wat bijzondere betekenis. Het wordt geschreven met drie jabiroevogels wat dus een gewone vorm van meervoud of met op het eind de meervoudsstreepjes. Verder is het woord identiek aan de laatste vorm van het enkelvoud maar komt er als determinatief of als ideogram een zittende koning bij. Het translitereert als bAw= baoe = en betekent de zielen van de overleden koningen van .....en wordt dan meestal gevolgd door de naam van een stad Ioenoe of Ion, Heliopolis bv.

Op de derde rij staat het werkwoord " zijn", " een ziel bezitten". Ik bezit een ziel dus ik ben. Descartes was dus niet de eerste met zijn "cogito ergo sum" ( ik denk dus ik ben)

bawoordencf1.jpg

Op de derde rij zien we dat "er zijn" voor de doorsnee Egyptenaar "werken" betekende vandaar bAk=werken met als determinatief een arm met de stok van de opzichter die zal slaan als het werk niet snel genoeg vordert . Verder de zelfstandigen naamwoorden bAK= dienaar , hij die werkt en met de vrouwelijke uitgang "t" erbij de dienares. Het geslacht kan ook afgelezen uit het determinatief man of vrouw aan het eind van het woord.

Op de volgende twee regels zijn het been (b) en de gier (A), fonetische complementen voor ba= luipaardhuid. Het stukje staart en huid staat hier als determinatief. Voor de penis of bAH is het orgaan zelf in volle werking determinatief de bAH staat zo (mede) aan de oorsprong van het ba of het zijn. Er moet gewerkt worden voor er een nieuwe ziel of zijn aangemaakt wordt.

Voegen we de bA-deel van de ziel (met het been (b) als fonetisch complement vooraan) bij het kA-deel van de ziel dan breekt er na de nacht ( ster als determinatief voor de tijd) een nieuwe morgen aan want BAkA betekent zowel "morgen" als de "morgen"

Tenslotte nog een woordspeling als we in het Nederlands bakbak doen dan bakken we in het Egyptisch een cake. Het korreltje staat hier als determinatief wellicht als graankorreltje met het meervoud erbij om aan te duiden dat een cake uit veel korreltjes graan gemaakt wordt.

Ik had wel graag eens geweten of jullie deze reeksen zinvol vinden. Mij lijkt het een aangname manier om wat woordenschat op te bouwen. Maar wat denken jullie daarvan. Ik heb nog nooit antwoord gekregen op mijn vragen maar ik blijf hopen.

Geschreven door ramsesje om 20:37 1 reactie Reageer op dit bericht

OENEG

OENEG

Men vermoedt, zoals hoger reeds werd aangegeven, dat er op het einde van Ni-Netjers regering een verzwakking van het centrale gezag is opgetreden met als gevolg een periode van troebelen, die pas een einde nam tegen het eind van de Tweede Dynastie. Het is zelfs niet onmogelijk dat het land uit elkaar viel en dat de nu volgende koningen niet over het ganse land heersten. Dit is mogelijks het geval voor Ni-Netjer's kandidaat opvolger Oeneg van wie er buiten Sakkara geen vondsten werden gedaan en wiens gezag zich mogelijks niet tot het zuiden uitstrekte. Over de oorzaken van deze crisis tasten we in het duister al kunnen de uiterst lage waterstanden bij de overstroming van de Nijl tijdens de laatste jaren van Ni-Netjer, zoals aangegeven op de Palermo steen, ons laten vermoeden dat mogelijks hongersnood of een andere economische factor aan de basis lag van de troebelen. Het is echter niet geweten of de opsplitisng , als er al een opsplitsing was, te wijten was aan een vreedzame opdeling van het land tussen b.v. twee broers of het gevolg van een oorlog.

W. Barta's reconstructie van de annalensteen 1 geeft vijf jaar voor de duur van de regering van Oeneg wat zeer aanvardbaar lijkt.Volgens Manetho regeerde Tlas met wie we deze koning zullen vereenzelvigen zeventien jaar.

NAMEN VAN DE KONING

  1. Nesoet-biti naam

    De nisoet-biti naam werd door B. Grdseloff2 gelezen als "Oeneg". Kaplony leest de naam als Sesjen of dus lotus bloem'3 .



    oeneg04zm2.jpg


    wneoeneg3jg0.jpg
    1.Naar Grdseloff (cfr voetnoot 2), 2 Naar T.Wilkinson4, 3. Naam zoals hij te vinden is op de Abydos lijst nr 12, 4. Naam zoals op de koningslijst van Sakkara nr 6

    Oeneg versus Oeadjes of Oeadnes, de naam zoals hij op de koningslijsten van Abydios en Sakkara voorkomt. Oeadj-nes is een verkeerde interpretatie van de naam door schrijvers van het Nieuwe Rijk. Dit is eenvoudig te verklaren het lotusbloemteken (Kahl S.A.H. m4, p.586), gelezen als Wng (oeneg) zou door de schrijvers van het Nieuwe Rijk verwisselt zijn het Gardiner M13 (wAD -oeadj) papyrus teken. In cursief schrift lijken de tekens ook heel sterk op elkaar. Mogelijks werden ook de fonetische complementen n+g in het Nieuwe Rijk omgedoopt tot n+s of het fonetisch complement g werd n+s. Op die manier ontstond dan het woord 'ns'. Oeadj-nes betekent in het Egyptisch 'fris van tong' en dit werd in het Grieks vertaald als "ougot-las" vanwaar de naam Tlas die Manetho gebruikt voor deze koning.Op de Sakkara lijst werd ns voorgesteld door een dierentong (Gardiner f20) die eveeens de fonetische waarde nes heeft.


    oeneg02tt1.jpg

    Maar er is nog een andere hypothese. Namelijk dat de naam Oer (of Hr=horus) Maaoe Oe-adjsen voorkomend op enkele inscripties van Ni-Netjers vazen aan de oorsprong zou liggen van Oe-adjes.


    Maar de interpretatie van Kaplony ( zie illustratie) namelijk dat bij de grote hiлroglief ( a.h.w. een aan de punt uitgerafeklde omgekeerde wortel) onderaan het Gardiner V7 teken zou staan ( met fonetische waarde sjen = boom) is niet overtuigdend. De fonetische complementen achter het teken zijn immers "s+n" en wanneer men Sesjen zou lezen zouden de fonetische complementen "sj + n" zijn en er kan geen twijfel over bestaan dat we hier een "s" hebben die volgt achter de grote hiлroglief, die op een boom maaar ook op papyruskolom en dus op een Oeadj lijkt. De lezing is dus Oeadj-sen of Oeadj-nes net zoals op de koningslijsten.


    Belangrijk om te vermelden is ook dat Oeneg de naam is van een godheid die voorkomt in de pyramidteksten.5


  2. Horus naam

    De Horus naam van deze koning is onbekend6


    D.Wildung en recent nog W. Barta1 associлren Oeneg - Oeadjnes met Horus Sechemib, bekend van de zegelafdrukken van uit het graf van Peribsen te Oemm el Qaab (Abydos). Zoals J.P. Lauer reeds aantoonde7 staat op de zegelafdrukken nergens de naam van Peribsen naast deze van Horus Sechemib zodat deze namen dus wel degelijk aan twee verschillende personen kunnen hebben toebehoord. Evenmin staat het onomstotelijk vast dat Horus Sechemib zijn naam veranderde in Seth Peribsen (zoals later Chasechem, Menthoehotep en Amenhotep IV hun naam zouden veranderen) en blijft dus alles mogelijk. Niettemin blijft de associatie Oeneg-Sechemib volledig speculatief en kunnen de drie namen evengoed aan drie verschillende personages hebben toebehoord.


    Daarnaast dient men ook rekening te houden met het feit dat Oeneg-Oeadjnes chronologisch dichter bij Ni-Netjer staat en Sechemib-Peribsen dichter bij Chasechem(oei).



    oeneg03az1.jpg
    Vazen met vermelding van de Hoet-ka Hor Sa


    W. Helck heeft betoogd 8dat de Horus naam van Oeneg wel eens Sa9zou kunnen zijn. Inscripties van stenen vazen uit de oostelijke gallerijen beneden het Djoser complex vernoemen een 'Hwt-k3 Hrw S3' (Hoet-ka Horoe Sa, de zieletempel van Horus Sa). Volgens Helck zouden deze inscripties uit het tijdperk na Ni-Netjer stammen10. Francesco Raffaele11denkt niet en wel om epigrafische redenen dat deze Horus Za  zou thuishoren in de reeks van efemere koningen die volgt op Qa'a ( met o.a. Sneferka, Ba/Vogel) omdat de epigrafie van hun inscripties schijnt uit te sluiten dat ze na Ni-Netjer zouden hebben geregeerd. Anderzijds lijken de inscripties van Horus Sa, waarin zijn Ka-huis vernoemd wordt, goed op de inscripties die het Hoet-Ka van Hetepsechemoei vernoemen. Volgens Raffaele moet 'Sa' een andere efemere koning zijn die korte tijd te Memfis zou hebben geregeerd na het overlijden van Ni-Netjer of Sened. Inderdaad de 39 van hem bekende inscripties zijn meestal gekoppeld aan de naam van de ambtenaar Chnoemenii ( uit het tweede deel van Ni-Netjers regering) wat eerder zou suggeren dat deze Horus naam aan Oeneg, aan Sened of aan een totaal andere koning zou behoren.12


    Een andere inscriptie die het 'Hwt Ka Hrw Za' vermeldt werd in de jaren 1980 gevonden bij het graf van Maya13 Dit zou er kunnen op wijzen dat het recent ontdekte koninklijke graf dat werd hergebruikt door Merire-Merineith uit de late Achtiende Dynastie dat van Horus Sa zou kunnen zijn.


    Peter Kaplony 14 dacht de Horus naam van Oeneg te moeten zien in de Oengsechemoei op de recto zijde van het Caпro fragment 1 van de Annalen op lijn 4,9, boven de ruimte van het derde jaar. Dit zou het probleem oplossen en SA zou dan elders moeten geplaatst worden. Terzelfdertijd zou dit betekenen, daar de naam zich boven de ruimte die het derde jaar aanduidt bevindt, dat de regering van Oeneg niet langer dan 10 tot 12 jaar zou hebben geduurd maar dat ze evenmin zeer kort van duur kan geweest zijn want in het geval van een regering van 5 jaar of zminder zou de naam entitel reeds boven het eerste jaar moeten aanvatten om genoeg plaats te bieden aan de volledige titulatuur.15


    Voor de vollediheid vermelden we nog een andere hypothese van Kaplony omtrent de identiteit van Horus Sa 16. Namelijk dat Sa, de Horus naam zou zijn van de koning met de nesoet-biti Oer-Za-Chnoem 17, Djoser's vader en voorganger na een interregnum van 2 jaar en d 23 dagen. Sa zou dan een koning vande Derde Dynastie zijn.


    Als laatste opmerking nog dit: het is absoluut uitgesloten dat de Horus namen van Horus Vogel(die onmiddellijk na Qa'a moet komen) en nog minder Horus Ba of Swelim ( die bij de Derde Dynastie hoort) zouden worden in verband gebracht met Oeneg, Sened, Noebnefer of Neferkaseker.


OBJECTEN VAN DEZE KONING

Gegraveerde inscripties op vazen uit Noord Sakkara



oeneg01ta2.jpg


  1. Vazen uit mastaba S3014:

    Het niet gepubliceerde graf S3014 te Sakkara18 ligt ergens in het centrale mastaba veld waar latere graven uit de Tweede en Derde Dynastie zoals S3012, 3009 19 in overvloed aanwezig zijn. Het ligt ongeveer 75 m ten zuidwesten van het graf van Hesire (S2405)20.De naam van de eigenaar is onbekend.


    Deze inscriptie werd niet gepubliceerd21 maar is zo gelijkvormig met een inscriptie van Ni-Netjer22dat men zich de vraag kan stellen of we hier niet opnieuw te doen hebben met een koning die een vaas van een voorganger liet herbewerken23


    Een andere stenen vaas uit deze tombe vermeldt de twee beschermgodinneen van Neder- en Opper-Egypte24, Oeadjet en Nechbet, zodat men zich kan afvragen of Oeneg toch niet over deze twee streken regeerde misschien alleen in het begin van zijn regering.


    F.Rafaele vermeldt zonder meer te specifiлren nog een derde inscriptie uit dit graf.


    Daarnaast dient men nog aan te stippen dat de tekening van een van de vazen in 1961 gepubliceerd door Lacau-Lauer,25 niet overeenkomt met deze die rond dezelfde tijd gepubliceerd werd door P. Kaplony 26 die een schets gebruikte die hem werd overhandigd door W.S. Smith27. Of is dit een andere inscriptie op dan een vierde vaas uit graf S3014?


    In de tekening van Kaplony (1) bevindt zich de t juist onder het nesoe teken, bij Lauer bevindt het zich meer naar links. (2) de bloesem van het oeng teken is eerder driehoekig dan ovaal gepunt. (3) de twee nebti tekens rechts zijn iets hoger gepositioneerd en niet kleiner van fromaat dan deze van de koningsnaam links (4) de nebti mandjes in de rechterkolom zijn verbonden met met de jz en de hoet tekens waarop ze geschreven zijn, waar ze dat bij Lacau-Lauer niet het geval is en waar het hoet teken ook twee Chekeroe's bezit; (5) de orientatie en orthografie van jz en hoet zijn volledig verschillend in de twee tekeningen (6) Oeadjet's mandje in de koningsnaam is getekend met twee lijnen erin waar bij Lacau-Lauer geen lijnen te zien zijn. Het kan bijna niet anders dan om een vierde vaas gaan ofwel moeten we veronderstellen dat W.S. Smith de schets zeer snel of uit het hoofd heeft gemaakt.


  2. Vazen uit het Djoser complex:

    De naam van Oeneg (nebti-nesoet-biti naam) komt voor op twaalf ( 7 volgens F. Raffaele)28 stenen vazen uit dit complex.29 Men dient er de nadruk op te leggen dat deze 7 inscripties "auf Rasur"30 gemaakt werden evenals deze van Qa'a, Hetepsechemoei, Nebra en Ni-Netjer en dat deze best nogmaals van nabij dienen te worden onderzocht en dat er nieuwere fotografische opnamen nodig zijn dan de foto's en tekeningen aanwezig in oudere publicaties31


  3. Vaas van onbekende oorsprong32

Inscripties in inkt

Andere stenen vazen met ditmaal inscripties in inkt en die gedateerd werden tijdens de regering van Ni-Netjer vermelden een Oer Maaoe Oe-adjnes of Oe-adsjen (wr mAAw waDns) die volgens Helck de volgende opvolger van Ni-Netjer zou kunnen zijn.


HET GRAF VAN OENEG

Het graf van deze koning werd nog niet gevonden. Het zou kunnen dat het zoals de graven van de eerdere koningen uit de Tweede Dynastie een reeks ondergrondse gallerijen bevat en kan zich dan mogelijks in het noordwesten onder het Noordelijke Plein van het Djoser complex bevinden. Een andere mogelijk is dat er ten zuiden van de gallerij-graven van Hetepsechemoei en Ni-Netjer nog koninklijke graven uit de Tweede Dynastie zouden bevinden, wat meteen zou verklaren waarom de afsluiting van Sechemchet trappenpyramide zich iets meer naar het westen bevindt. Beide areas zijn echter momenteel nog niet obderzocht en helaas werd de area ten oosten van Sechemchets trappenpyramide gedeeltelijk ontmanteld voor de aanleg van de pyramide en de verhoogde weg van Oenas


Daarnaast werd nog en ander gebied voorgesteld n.m.l.het noorwestelijk deel van de begraafplaast uit het Nieuwe Rijk ten zuiden van het Djoser complex ergens rond de tombe van Horemheb.


We herhalen nogmaals dat het graf van Merineith-Merire, hogepriester van Aton te Memfis en Achetaton tijdens de regering van Achnaton volgens de onderzoekers10 een hergebruikt graf is waarschijnlijk uit de periode van Oeneg en Sened en mogelijks zelfs het graf van ййn van beiden waarbij de voorkeur zou uitgaan naar Sened.



oeneg05pt5.jpg


Voor voetnoten en kleine tekst gebruik het vergrootglas aan 150 en 200 % boven in de linkerkolom





Voetnoten:
1. Barta, " Die Chronologie des 1. bis 5. Dynastie nach angaben des rekonstruierten Annalenstens' in Z.Д.S. 108, 1981 p. 11 ff en p. 19.
2. Grdseloff "Notes d'йpigraphie archaпque" 1944 ASAE 44 p.288-291.
3. Kaplony, "Inschriften der дgyptischen Frьhzeit" 1963, vol I p.638; Helck** 1987 p.103;-- Lacau an Lauer, "La Pyramide а Degrйs IV. Inscriptions Gravйes sur le Vases", 1959 Caпro, IFAO PDIV.1 n.101-107, PD IV.2 p. 50-53, PD V pl.11.
4. T.Wilkinson, "Early Dynastic Egypt", 1999 p. 87. geeft de naam van Oenag zoals hij afgebeeld is op een inscriptie naar tekening in Lacau en Lauer, 1959 (cfr infra) plaat V.4.
5. § 607d, 952 'want ik ben Oeneg, zoon van Ra, die de hemel ondersteunt, die de aarde geleidt en over de goden oordeelt' Faulkner A.E.P.T. p.164) in connectie met de God Ra (cfr. ook P. Kaplony in K.B.I.A.F. p.204 n.340).
6. Wildung, "Die Rolle дgyptischer Kцnige im Bewusstsein ihrer Nachwelt" 1969, Berlin: Bruno Hessling.MДS 17;- W.Helck "Die Datierung der Gefдssaufschriften der Djoserpyramide" 1979 in ZДS 106, p. 131.
7. in Orientalia 35 p.22.
8. W. Helck "Thinitenzeit", p. 103;
9. Hrw Z3 (Heroe Sa); Lacau Lauer op.cit PD V pl.6-7
10. Horus Za/Sa heeft zeker niets te maken met Sa-nacht van de Derde Dynastie. Helck Z.A.S.106 p.129 ff.
11. F.Raffaele, website, onder Wneg
12. T. Von der Way, Zur Datierung des "Labyrinth-Gebaudes" auf dem Tell el-Fara'in (Boeto), in: GM 157, 1997, 107-111.
13. J. van Wetering, The Royal Cemetery of the Early Dynastic Period at Saqqara and the Second Dynasty Royal Tombs, in: 'Proceedings of the Krakow Conference 2002); F.Raffaele, website onder Wneg.
14. in 'Steingefasse...' 1968 p. 67 n.135; Excursus I and II.
15. Wel is het zo dat we niet weten hoe op de Annalen de koningstitel en de naam van de moeder van de koning zouden aangebracht zijn als de koning slechts 1 of 2 jaar regeerde, een periode die de kort is om de volledige titulatuur in de beschikbare ruimte aan te brengen. Dit alles is moeilijk verifiлerbaar daar het Caпro 1 fragment in het museum met de recto zijde naar boven ligt en een goede foto niet beschikbaar is.F.Raffaele wensite onder Wneg
16. Kaplony I.A.F. p. 380, 468, 611.
17. Kaplony, R.A.R. I, 1977 p. 146-155.
18. F.Rafaelle. website Wneg, note: De ligging van graf S3014 kan mogelijks onmiddellijk ten oosten van S3019, in de groep graven ten westen van het graf van Hesire, gelocaliseerd worden. Dit wordt ondermeer gesteund door Helck Z.A.S. 106 p. 12 ofwel en misschien nog waarschijnklijker tussen S3010 en S3020 (zoals door Reisner wordt aangenomen (in Tomb Development, 1936, p. 385 and 386 "group c", grotendeels uit de derde Dynastie).Hoe dan ook S3014, ogenschijnlijk niet meer dan een put, is te zien op fig. 97 van Encyclopedia of the Archaeology ...1999 p. 701, door K.Bard, op zo een 100 m. ten westen van S2302, dat toebehoort aan Ruaben een ambetenaar van Ni-Netjer (artikel geschreven door A. Tavares). We weten echter dat op zijn minst in ййn geval een identiek nummer S3518 aan twee verschillende graven werd toegekend en dat anderzijds het nummer 3512 nooit aan een graf werd toegewezen. Ik (Raffaele) denk dus dat S3014 op Anna Tavares' plan ofwel een vergissing ofwel een duplicatie van nummer is. S3014 wordt nergens op een plan van N. Sakkara tenzij op dit van Tavares gespot. (Zie ook A.J. Spencer, Orientalia 43, 1974 figure inset, G.T. Martin, JEA 60, 1974 (my 3014 / pencil E of 3019) en andere kaarten van Noord-Sakkara.
19. met inscripties van Chnoemhotep, Lacau en Lauer op.cit. PD V, 5 fig. 10-11
20. Zie hiervoor pl. 18 in Emery J.E.A. 56, 1970; alsook W.Helck in Lex. Ag.V,1985 p.399 ; Quibell 'Archaic mastabas' 1932 pl. I,II; Mariette 1889.
21. Sakkara, 1930-31 onderzoek door C.B. Firth; 3 inscripties);--Lacau en Lauer, op.cit. IV. p 16 n.2.
22. Lacau en Lauer, op.cit. n68.
23. W.Helck,1979 op.cit. p. 124.
24. 6. P.Kaplony "Bemerkungen zu einigen Steingefдsse mit archaischen Kцnigsnamen", 1965 MDAIK 20: p.7 fig 6 & 8, p.16 n 6; --W.Helck op.cit. p. 131.
25. J. Kahl (1994) geeft 14 "Quellen" of bronnen voor Oeneg voor een totaal van 11 objecten (drie hiervan Quellen 2856-58, zijn stenen vazen met de gegraveerde nesoet-biti/nebti namen van graf S3014 in Lacau-Lauer, PD IV.2, 53; drie andere, 2859-61, zijn inkt inscripties van nummers/maten op dezelfde drie vazen. Lacau en Lauer, PD IV.2, 50 noemen zeven vazen uit de Trappenpyramide (allen op platen gereproduceerd) maar enkel lijnen verder lezen we dat het twaalf vazen zijn en het is naar dit laatste aantal, dat verkeerd moet zijn, waarnaar T. Wilkinson in "Early Dynastic Egypt", 1999, p. 88 refereert. 26. Lacau-Lauer, op. cit., fig. 5b.
27. P. Kaplony, ZAS 88, 1962, nr. 6.
28. 6a3. P.Kaplony, op. cit., 16.
29. Lacau en Lauer, op. cit. p.19, n.105, p.20 n. 101-107.
30. Lacau en Lauer op.cit. PD IV.1 platen 19-20 en Helck, in: ZAS 106.
31. Lacau-Lauer,op. cit. PD IV 2, 31, n. 3.
32. Kaplony, BK 1973, nr. 27.
Geschreven door ramsesje om 00:00 Reageer op dit bericht

Werkwoorden

De werkwoorden

Men onderscheidt verschillende klassen van werkwoorden in het Egyptisch. Maar laten we eerst het volgende zeggen: verschillende grammaticale begrippen in het Egyptisch komen niet overeen met de inhoud zoals wij die er aangeven. Een voorbeeld:

Wanneer wij spreken over de infinitief (de onbepaalde wijs) in het Egyptisch van b.v. "horen" heeft dit niet dezelfde betekenis als bij ons. De infinitief van een Egyptisch werkwoord kan bijna worden gelijkgesteld met een zelfstandig naamwoord (substantief) n.m.l. "het horen" of "een horen". In dit opzicht wordt de infinitief vaak gebruikt als toelichting bij een afbeelding a.h.w. de benoeming of ondertiteling van de momentopname van de afbeelding. Zie onderstaande afbeelding. Het binden ( snoeren) van een boot = spt smH (de boot is een determinatief) het teken ervoor lezen we als mH en de rest zijn éénlettertekens). In dezelfde betekenis kan het ook staan als inleiding van een hoofdstuk of als spreuk. Er zijn nog vele andere mogelijkheden maar we zullen ons in het begin op deze toeleggen.

hetsnoerenuh8.jpg

HOE VORMT MEN DE INFINITIEF

Wel dat zal afhangen van de klasse van het werkwoord. We zullen niet ingaan op alle klassen van werkwoorden maar in hoofdzaak vier klassen onderscheiden.

  • 1.De sterke werkwoorden met een stam bestaande uit twee of drie medeklinkers zoals dD (djed) spreken, sDm (sedjem) horen.Deze stam verandert over het algemeen niet in de infinitief en blijft dus sDm het horen

  • 2.De dubbelende werkwoorden met een stam die eindigt op een dubbele medeklinker zoals mAA (maä) zien. Houden in de infinitief hun dubbele eindmedeklinker ( in andere vormen echter zullen ze hem verliezen). Dus mAA het zien

  • 3.De zwakke werkwoorden die eindigen op een zwakke medeklinker i of w. Het moeilijke nu juist is dat deze i vaak niet geschreven wordt dit wordt aangegeven door in de transliteratie de i tussen haakjes te zetten. Enkel voorbelden zijn mr(i) (meri) liefhebben, Hsi (hesi) prijzen, in(i) (ini) gaan, iw(i) (i-oeï) vertrekken en iii (iïï) aankomen. Deze werkwoorden krijgen een t bij de stam. Mr(i).t ook mr.t geschreven in transliteratie. Hs.t, in.t, iw.t, ii.t.

    Deze t is hier een specifieke uitgang van de infinitief van deze werkwoorden en dus geen vrouwelijke uitgang t want iedere infinitief als zelfstandignaamwoord gebruikt is mannelijk.

  • 4.Het extra zwakke werkwoord (r)di (redi) geven. Het werkwoord is zwak en zou dus (r)d(i) moeten geschreven worden dit is niet echt exact want het teken met de arm en het brood of het brood staat voor "di" De r tussen haakjes aan het begin van het woord betekent dat de r soms ook niet geschreven wordt ( zie infra). Ook hier neemt de infinitief een t dus rdi.t of di.t

    werkwoorden1pt2.jpg
Geschreven door ramsesje om 23:12 Reageer op dit bericht

 

In Noord-Sakkara bevinden zich vijf graven van edelen met inhoud daterend uit de tijd van Ni-Netjer

Een relatieve datering werd opgesteld door Helck1.De opzichter van de beeldhouwers (medjh gnoetioe) Roeaben behoort tot het eerste gedeelte van de regering van Ni-netjer, opgevolgd door Nihptiptah en in het laatste gedeelte van de regering door Khnoemneferhotep (Nfr-htp-Khnemoe) en Khnoemenii (Ii-en-Khnemoe).1

  1. S 2171 (Sect. E1)І

    Hierin een zegelafdruk met Ni-Nether Horus naam, Grgt Nechbet (de naam van een stad), wijngaarden, een staande anthropomorf (=op een mens gelijkende) beeld van een godin met een anch teken en een wadj scepter, daarnaast ook 'Hoet-[Hor]-wa-Pe' wat de naam is van een koninklijk domein en de per dsjr (heilige huis) van dit domeinі.

    Dit graf bevindt zich onmiddellijk aan de westerzijde van het iets kleinere S2185, bij de oostelijke helling. Evenals dit laatste werd het gebouwd onder de regering van Djer's in de Eerste Dynastie. Maar ten tijde van Ni-Netjer werd S 2171 herbouwd voor een onbekende beamte van Ninetjer.

    DE bovenbouw bestaat uit een uit moddersteen (tichelsteen)opgebouwde mastabamet twee nissen in de oostelijke gevel, waarvan de zuidelijke meer complex is en een speciaal grondplan volgt.4 The superstructure of this tomb is a mudbrick mastaba with two niches on the east facade, the southern more complex and with a particular plan ; the tomb lacks the outer thick mudbrick wall that usually surrounds the other contemporary mastabas.

    Het ondergronds gedeelte is gedeeltelijk uitgegraven in de zandsteen die op deze plaats van het plateau de kalksteen bedekt. De trap verloopt rechtlijnig zoals bij sommige graven uit de Eerste en Derde Dynastie, van noord naar zuid om na een tiental meter het valhekken te bereiken. Een paar meter voor dit hekken bevinden zich vier kleine stapelruimten (twee aan de west- en twee aan de oostzijde). In de hoofdgang vinden we op enige afstand van elkaar nog een dergelijk twee koppel van opslagkamers. Na een korte afstand verbreeedt de gang omdan op het einde een kamer te vormen met twee stapelplaatsen aan de oostzijde een ruw gegraven aanhangsel in het zuiden en de begraafkamer in het westen.

    1.Helck Z.A.S. 106, 1979 p.120-132.; Kaplony I.A.F. I. 2.Quibell 'Archaic Mastabas' 1923 p.30 pl.XVII,3 ; P.M. Top. Bibl. 'Memphis' 1974 p.436; Kaplony I.A.F. III,748) 3.Kaplony I.A.F. I p.151-3) 4.Vandier 'Manuel d' Archaeologie Egyptienne' I p. 695-6, fig. 457 n.132 en 663 voor het ondergrondse)
  2. S 2302 sectoren G2-F21

    Het graf hoort toe aan Roe-aben (of Ni-roe-ab)2 . Het is een van de grootste private mastabagraven van de archaпsche begraafplaats van Noord-Sakkara. We vinden er acht inscripties met de namen Ni-netjer en Roe-aben, daarnaast ook de titel Hrp-nebi en het koninklijke domein 'Hoet sentjer netjeroe'; en een vaas uit gemarbreerde kalksteenІ draagt de titel Roeaben '[Medjeh]? -Qestioe of Gnoetioe)--Opzichter van de beeldhouwers4

    Dit zeer groot graf S2302 ligt ongeveer 100 m ten westen van de rotswand en 80 m zuidoostwaarts van Hesira's graf S2405; onmiddellijk ten oosten ervan vindt men ander mastaba's uit de Tweede en Derde Dynastie en een tachtigtal meters naar het zuidoosten toe ligt S2171.

    Beschrijving van het graf:5
    De bovenstructuur (58 x 32,64 m) gebouwd van moddersteen en gevuld met een zeer compacte zwarte klei. Een buitenmuur over de ganse omtrek van de mastaba laat alleen een nauwe gang tussen de binnemuur en de mastaba over. Zowel binnen en buitengevel van deze muur zijn vlak op twee nissen aan de oostzijde na. De ene bij de noordelijke hoek en een andere, meer complex van vorm, bij de zuidelijke hoek. Deze nissen (kapellen) zijn ook in de binnenste gevel aanwezig 6(zie de figuur hieronder).

    Het ondergrondse deel is van het Reisner Type IV A 7 (1): de trap die naar beneden leidt begint een zestal meter binnen de muur en is zoals de rest van de onderbouw volledig in de kalksteenrots uitgehouwen. Na ongeveer 10 meter bereikt de trap de noordelijke en westelijke kamers en naar het zuiden toe na opnieuw een korte trap een grote steen die de weg blokeert zoals een valhek,en toegang geeft tot een gang die verder zuidwaarts verloopt. Na twee stapelkamers (ййn aan elke zijde) bereikt deze gang een andere valsteen waarachter zich opnieuw voorradkamers bevinden aan twee aan elke zijde van de gang. Dan de laatste valsteen en enkele meter zuidwaarts ervan gaat de gang verbreden en drie opslagplaatsen monden daar aan de rechterkant ( d.i. de westelijke zijde) van de gang uit. Aan de oostzijde treft men eveneens drie kamers aan waarvan de meest zuidelijke in verbinding staat met de centrale kamer bij middel van een andere kamer. Tevens is deze zuidelijke kamer met de hoofdgang verbonden langs een smalle doorgang bij de ingang die communiceert met een complex van bad-en voorraadkamer en een latrine Deze laatste is immers ook toegankelijk via de hoofdgang. Op zich verbreedt de hoofdgang daar tot een echte centrale kamer waarin de drie meest zuidelijke kamers via een gemeenschappelijke gang uitmonden. Aan de westelijke zijde vinden we dan de begraafkamer met een ovale put, iets groter dan een meter, waarin de sarcofaag werd gezet. De kamers zijn 1,4 tot 1.8 m hoog.en vertonen sporen van deurstijlen en kalkbepleistering. Het complex latrine, wasplaats ( met een hol voor een waterkom in de grond, geplaatst in een soort niche gevormd door twee zuilen) vindt men nog al vrij veel terug in het zuidelijk of zuidoostelijk deel van de ondergrondse structuur van graven uit deze periode. Het is waaarschijnlijk eenafbeelding op kleiner schaal van de ruimtes voor dit doel bestemd het koninklijk paleis.7. Men vindt ze ook terug in het graf van Ni-Netjer en Hetepsechemoei.

    nieuweafbeelding8ay.jpg
    Plan van graf 2302 Het Oudste Egypte Emery p.80 aangepast
    1. Quibell loc.cit.; Kaplony I.A.F. I p. 151-3 ; II p.834-38; P.M. loc.cit.; Emery 'Het Oudste Egypte' 1963 p. 79-80-   2. Helck Z.A.S. 106, 1979  3. Kaplony I.A.F.S. p.(34 fig.1076) 4. Kahl S.A.H.1994 p.732-gnwty- and p.353-bronnen. 5. Vandier Manuel I p. 661; Emery loc.cit.; Quibell loc.cit.; alsook Helck L.A. V, 1984 p.387 en volgende. 6. Vandier 'Manuel' I p.695-6 en 7.idem p. 661-2 7. A.M. Roth JARCE 30, 1993, 40); 8.


  3. Graf S 2498 ,in sector H21

    Men kent vier inscripties uit deze mastaba het zijn alle zegelafdrukken. Eén ervan omvat alleen maar de naam van Ni-Netjer. De drie andere bestaan uit langere inscripties waarbij mogelijks ook de naam Nikara2 voorkomt. Het graf  bevindt zich een 150 m meer naar het noorden dan dit van Ruaben. Het is het kleinste van de vier hier besproken graven. Door een trap, die zoals gewoonlijk in de oost-west richting verloopt betreedt men het ondergrondse gedeelte. Na een valhekkensysteem komt men zo in de hoofdgang, die in feite een grote kamer is in noord-zuid richting en verder drie opslagplaatsen waarvan een aan de oosterzijde en twee aan de westelijke zijde, na een korte overgang, naar het zuiden toe, komt men in volledig naar het westen gerichte kamer die op haar uiteinde toegang verleent tot de begraafplaats

    1.Quibell op.cit. 44-5; P.M. op.cit. 440; Kahl op.cit. p.353; Kaplony I.A.F. I p.153; I.A.F. II p. 838/ 2.Kaplony I.A.F. II ,838 / 3.Vandier op. cit. p. 663.
    saqqara1234kh.jpg
    Uit te vergroten met vergrootglas op de zijstrook links
  4. Graf S 3009, in sector H31

    Dit graf dateert volgen sommigen2uit de Tweede Dynastie maar het is niet onmogelijk dat dit graf in werkelijkheid uit de Derde Dynastie zou stammen. Dit is trouwens de opinie van Helck3 en Reisner4. Het graf bevindt zich in de centrale begraafplaats (op ongeveer 60 m ten westen van de tombe van Hesira) in het centrum van een groep mastaba's uit de Tweede en Derde Dynastie. Men kent drie inscripties uit deze tombe. Op een stenen vaas komt de naam Ptahenhpti (Ni-hpti-Ptah) 5 voor naast de naam van Chnoemenii (Ii-n-Chnoem). Van dit laatste individu werden ook in graf S24296, daterend uit de Tweede Dynastie,inscripties gevonden op albasten vazen. Blijkbaar was het een man van standing en belang tijdens deze periode want zijn naam wordt nog teruggevonden op een toch belangrijk aantal vaten in het Djoser complex met betrekking tot het Heb-sed festival. Ook in graf S3009 vindt men inkt inscripties met zijn naam evenals op zegelafdrukken in Labyrinth van Boeto 7. Waarschijnlijk was hij het die een groot aantal vazen, afkomstig uit private graven van tijdens de Eerste Dynastie,  met naaminscripties van koningen uit deze dynastie verzamelde. Deze zouden dan later worden teruggevonden in de gallerijen VI-VII van het Djoser complex en in het graf van Sechemchet8.

    I. Regulski vindt in dit graf archeologische argumenten voor haar datering van de inkt inscripties van de stenen vazen afkomstig uit het Djoser complex . Haar datering van dit graf in een periode van de late Tweede Dynastie tot de vroege Derde Dynastie maakt van de hogergenoemde hoveling Chnoemenii een tijdgenoot van Chasechemoei. Hij zou dan waarschijnlijk gestorven tijdens de regering van Netjerichet Djoser of van Sechemchet.

    • 1.Kahl. op.cit. 353-4; Pyr.Deg. IV vol.1 pl. VI,8 ; id. V p.5 fig. 10,11/
    • 2.Pyr.Deg.V. p. 5/
    • 3. L.A. V,1984 p.399. Helck stelt trouwens in Z.A.S. 106 p. 12 dat graf S3009 zich in de omgeving van S3014(een graf uit de regering van Oeng) bevindt maar dit is waarschijnlijk onjuist daar dit laatste graf zich in werkelijkheid toch een hondertal meter ten westen van de zuidwesthoek van graf S2302 bevindt. /
    • 4.Tomb Dev. p.386 /
    • 5. Helck op.cit. 127/
    • 6. Gelegen op enkele meter ten zuidwesten van S2498 /
    • 7.GM 157, 107ff./
    • 8.Horus Sekhemkhet, 21, pl. 65
  5. Private graven te Gizeh en te Helwan

    In de zuidelijke begraafplaats te Gizeh werden door Petrie vijf verschillenden inscripties op 11 kruikzegels gevonden 1 Te Helwan was het Z. Saad die in graf 505 H4 er nog een paar andere vond. Bij geen van beide reeksen werd echter de naam van een hofbeambte vermeld maar op deze van Gizeh verschijnt wel de naam van het domein 'Hoet senter netjeroe' (tempel van de wierook der goden) en de Per-Desjer (Rode Huis) en Grgt Nekhbet. Bij de inscripties van Helwan vinden we een een domein in de oostelijke Deltaterug waarvan de naam niet bewaard is gebleven 2. (On the inscriptions from Saqqara, Giza and Helwan see

    • 1.Kaplony, IAF I, 151-3; id., IAF III, pl.124-5; Petrie, Gizeh and Rifeh, 1907, 7, pl. V
    • 2.Kaplony, IAF II, 838
    • Over de inscripties te Sakkara, Helwan en Gizeh raadplege men verder Kaplony, IAF I, 150-3; id., IAF II, 834-8; en voor het graf te Gizeh ook G.T. Martin, in: OrMonsp IX -Fs Lauer, 1997, 279-88 waar ook de kaart van Zuid-Gizeh door L. Covington's 1902-3 in gepubliceerd is.

    Samenvatting

    De regering van Ni-Netjer schijnt er een geweest te zijn van orde en stabiliteit. Daarvan getuigen de vele vondsten en inscripties ( ten minste indien ze binnen zijn regering dienen gedateerd te worden), zijn groot graf en de grote mastaba's van hofdignitarissen te Sakkara. Deze periode staat dan ook in sterk contrast met de hierop volgende periode die er een is van instabiliteit en wanorde.

Geschreven door ramsesje om 00:00 Reageer op dit bericht

Verder vervolg Ni-Netjer

 

vervolg NI-NETJER

Zegelafdrukken en het graf van Ni-netjer

Zegelafdrukken werden gevonden in zes private graven en graf V te Oem el Qaab en het koningsgraf B te Sakkara. De private graven zijn de nummers 2171, 2302, 2498, 3009 te Sakkara, een graf te Gizeh en graf 505 H 4 te Helwan. De zegels van Ni-netjers graf te Sakkara werden niet gepubliceerd in het artikel van Hassan over het graf (A.S.A.E. 38, 1938, 521) maar enkele ervan kan men vinden in Munro (S.A.K. 10, 1983 p. 279). Bij het zegel uit tombe V te Oem el Qaab ( Chasechemoei) kan men alleen het teken Netjer lezen in de Horus naam met ernaast nog "Baoe Pe" en theoretisch zou het dus ook nog om Netjerihet ( Djoser) kunnen handelen.

  1. Het graf van Ni-Netjer in Sakkara (B)

    Het omvangrijk complex gallerijen, die de ondergrondse structuur van Ni-Netjer's graf vormen, werd ongeveer 40 jaar na het graf van Hetepsechemoei (A) ontdekt. S.B. Hassan die de afbeeldingen van de verhoogde weg van Oenas bestudeerde noteerde immers in enkele lijntjes aan het eind van zijn artikel (ASAE 38, 1938, 521) dat een ander graf een beetje gelijkend op graf A, ontdekt door A. Barsanti in 1900, zich op een kleine afstand naar het oosten toe onder deze weg bevond. De ingangstrap begint onder de mastaba afkomstig van vizier Nebkaoehor uit de Zesde Dynastie (circa 150 meter verwijderd van de de ingang van het graf van Hetepsechemoei). De gang loopt eerst rechtdoor met een paar valhekkens en buigt dan naar het westen om uit te monden in de eerste groep van magazijnen en nabijgelegen gallerijen van het zogenaamde voorvertrek. Drie hoofdgallerijen vormen de hoofdas van dit ondergrondse van waaruit lange gangen zich afsplitsen om een groot labyrint te vormen vooralleer uiteindelijk in het uiterste zuid-westen uit te monden in de begraafkamer, waarvan het plafond bezweken was gedeeltelijk door putten die er later in de Saïtische en Perzische periode boven waren uitgegraven en gedeeltelijk door de slechte kwaliteit van de rots in dit deel van de site (Dodson in KMT 7:2, 1996 p. 19 en volgende). Voor dezelfde reden bestaat het grondpplan niet uit mooie rechte gangen en vierkante kamers, zoals trouwens te zien op het plan dat alleen het noord-westelijk deel voorstelt en gepubliceerd werd in GM 63.

    Het onderzoek van deze gallerijen werd pas in 1980 hervat door Schotse en Duitse onderzoekers. Men nam aan dat de area die zij onderzochten ongeveer overeenkwam met deze van tombe A maar recente onderzoekingen zouden er op wijzen dat nog een verdere 5000 m² van Ni-Netjer's graf veruit het grootste zouden maken maar dit moet echter nog definitief uitgemaakt worden.

    In recente jaren heeft echter ook G. Dreyer zijn activiteiten verlegd van de Oemm el-Qaab, naar de koninklijke necropolis van Sakkara maar buiten enkele aanwijzingen in een lezing "Aufgaben und Forschungsschwerpunkte der Abteilung Kairo" voor de 175e verjaardag van het DAI op 11.11.2004 is tot hier toe nog niets hierover gepubliceerd1

    De bovenbouw werd in het begin van de negentiger jaren van vorige eeuw onderzocht. Het is bijna niet mogelijk dat zo een grote oppervlakte overdekt was met een mastaba uit moddersteen omdat hiervoor een zeer grote hoeveelheid matriaal zou nodig geweest zijn. Dr. Munro's team bracht argumenten aan om aan te nemen dat de area op zijn minst in twee delen op te splitsen was. De ene startend bij de eerste 20 meter m. in het noorden was bedekt met compacte klei (mogelijks vormde dit een open hof aan de noordelijke ingang). Na een opstap van een meter hoog, bedekt met metselwerk uit lokale kalksteen,  begon een tweede langere area, een groter terras waarop mogelijks een mastaba of een andere structuuer heeft gestaan. Dit zuidelijke deel was mogelijks door een verborgen en dus sacraal gedeelte verbonden met de overeenkomstige ondergondse sector, waar de begraafkamer en de model appartementen gelegen waren.

    Er werd geen spoor van een omheiningsmuur gevonden maar wel een 'droge gracht" (dry moat zoals Dr. N.Swelim hem noemde) uitgehakt in de rots van west naar oost verlopend, juist tussen de verhoogde weg van Oenas en de zuidelijke muur van Djoser's complex. Deze gracht kan waarschijnlijk in verband gebracht worden met de graven uit de Tweede Dynastie en zou dan aangelegd zijn door Ni-Netjer die aldus een ruimte schiep waarin de bovenbouw van het graf van Hetepsechemoei (zijn vader of grootvader? en inspirator van deze grafvorm) begrepen was om zo een impressionant monumentaal geheel te vormen.

    Indien dit juist is dan zou deze noordelijke area van het complex overeenkomen met het meer profane gedeelte van het ondergrondse (de opslagplaatsen). Het open hof zou dan kunnen bestemd geweest zijn voor ceremoniële doeleinden zoals de grote omheiningen te Abydos (Talbezirke') en deze van Sakkara met in het bijzonder deze van het Djosercomplex. Zo werden in het koninklijke graf de complemantaire functies verenigd, die vroeger beoefend werden in afzonderlijk monument. De opslitsing ervan kwam echter terug onder Peribsen en Chasechemoei te Abydos. Op eenzelfde manier werden ook de private graven nu ruimtes niet alleen bestemd voor de doden maar ook voor de levenden. De ideale weg die wordt afgelegd in een mastaba als deze van Hesira (S2405), waar de bezoeker naar de offerplaats geleid wordt langs een serie van begeleidende afbeeldingen op de muur kan vergeleken worden met de eigentijdse (maar dan complexer en groter), in - en beneden in-  het koninklijke monument van Djoser te Sakkara.

    Veranderingen in de religieuze praktijken maar ook meer practische factoren ( een graf dat frequent bezocht werd was veiliger voor rovers dan een eenzaam en alleenstaand graf) leidden tot het concept hoe een graf gebouwd diende te worden en wat er zich in moest bevinden.

    Opgemerkt moet nog worden dat de bovenbouw van graf B zou kunnen wijzen op een onverwachte vroege evolutie het koninklijk begrafenismonument; namelijk de vereniging van de rituele vertrekken en de begraafvertrekken (waarvan men dacht dat dit slechts onder Djoser had plaats gevonden), zou dus een precedent gevonden hebben in de koninklijke graven van de vroege Tweede Dynastie te Sakkara, gelegen op een boogscheut van het trappyramidecomplex van diezelfde Djoser.. Aan de andere kant kan niemand zeggen wat er zich allemaal onder dit laatste complex bevindt of bevonden heeft (structuren in verband met de graven van Hetepsechemoei, Ni-netjer en anderen ?)

    • 1.Zie ook J. Van Wetering: " The Royal Cemetery of the Early Dynastic Period at Saqqara and the Second Dynasty Royal Tombs", in: Hendrickx en al. eds., Egypt at its Origins, 2004, 1065f.].
    • 2.[cf. J. Van Wetering, op. cit., 2004; D. O'Connor, in: Pyramid Origins: a New Theory, in: E. Ehrenberg (ed.), Leaving No Stones Unturned. Essays ... in Honor of D.P. Hansen, 2002, 169-182; W. Kaiser, Zur unterirdischen Anlage der Djoserpyramide und ihrer entwicklungsgeschichtilichen Einordung, in: Grammer-Wallert, Helck (eds.), Gegengabe ...., 1992, 167-190; P. Munro, SAK 10; P. Munro et al., DE 26, 1993, 46-58].


    Vervolg :Over de afdrukken in private graven en datering
Geschreven door ramsesje om 01:05 Reageer op dit bericht

Vervolg Ninetjer

vervolg NI-NETJER

Ninjeter's inscripties op fragmenten van stenen vazen

Abydos

Te Abydos werden twee inscripties gevonden : Eentje met de naam van het domein van Nebra 'Hoet-Ha-Sa' opnieuw beschreven door Ninetjer met "Iz i'a ra-neb Neswoet-biti Nebti Ninetjer" (Personeel van de dagelijkse reininging van Ninetjer.); op de ander staat de koning zijn nesoetbiti naam boven het teken van een boot. Beide komen uit de tombe van Peribsen (cfr. Petrie R.T. II pl. VIII, 12 and 13).

Afkomst onbekend

Zes stuks opgenoemd in het corpus van Kahl) : Kaplony 'Steingefasse' 39 (17) ; id. I.A.F. III, 862 ; id. M.D.A.I.K. 20 p. 26 n.50; id. I.A.F.Supp. 1074; id. K.B.I.A.F. 1137; Helck Z.A.S. 83 p. 94.

Uit het pyramide complex van Sechemhet te Sakkara

Een inscriptie aldaar (Goneim 1957 pl. 65 a) is mogelijks toe te schrijven aan een hofdignitaris van Ninetjer (de naam is echter niet bewaard) (Kahl corpus n.2822 en ook Goneim I , 21 tav. 25a ; Helck Z.A.S. 106 p. 125,130).

nintrvsslshl1.jpg
Tell el Fara'in - Boeto

Inscripties van een zekere Chnoemenii (Ij-n-Khnemoe) en Renoety werden gevonden te Boeto (P. Kaplony 'Archaische Siegel und Siegelabrollungen aus dem Delta...' in Van den Brink ed. The Nile Delta in Transition, 1992 p. 23-30; T. van der Way, 'Zur Datierung des "Labyrinth-Gebaudes" auf dem Tell el-Fara'in (Buto)' in G.M. 157, 1997 p.107-111).

In Djosers (Horus Netjerihet) trappenpyramide te Sakkara.

Deze site heeft sinds het eind van de twintigerjaren tot in de vijftiger jaren van vorige eeuw meer dan 20.000 fragmenten en honderden inscripties opgeleverd. (Gunn A.S.A.E.26 and 28 voor de twintiger jaren en Lacau-Lauer 'La Pyramide a Degrees' vol. IV, 1959- gebeitelde inscripties- en vol V, 1965-inscripties in inkt voor het vijfde decennium)

Zij vormen een van de voornaamste bronnen om inzicht te krijgen in het functioneren van de administratie in het Vroege Tijdperk. Een uiterst nauwkeurige cataloog ervan (dynastieën 0 tot 3) vinden we in het corpus (=verzamel werk, cataloog) van Kahl 1994.De vazen van Ninetjer die in Sakkara gevonden werden zijn genummerd 2104 tot 2821. De ganse verzameling van Ninetjer bestrijkt de nummers 2097 tot 2848. Van de 717 gevonden in de trappenpyramide zijn er maar 20 die de naam van de koning dragen de andere 700 werden door Helck aan zijn regering toegeschreven (Z.A.S. 106, 1979 p.120-32 expec. p.130).

Maar in ambitieus project, dat van start ging in 2002, om alle voorwerpen uit de koninklijke graven van de eerste dynastieën te Abydos, die bewaard worden in het Koninklijk Museum van Kunst en Geschiedenis te Brussel opnieuw te bestuderen werden door de ploeg van Hendrickx heel wat nieuwe bevindingen gedaan (Hendrickx, Van Winkel, Bull. MRAH, 64, 1993, 5-38; Hendrickx, Bielen, De Paepe, in: MDAIK 57, 2001, 73-108; S. Bielen, niet gepubliceerde MA thesis. S. Bielen, in: S. Hendrickx et al. (eds.), Egypt at its Origins, 2004, 621-635).

In het bijzonder gaat de aandacht naar het werk van Ilona Regulski, die data verzamelt voor haar doctoraatsthesis over Palaeografie (dit is een hulpwetenschap van de geschiedschrijving die zich bezig houdt met het bestuderen en ontcijferen van oude handschriften en archiefstukken) van het Vroeg Egyptisch schrift van Nagada IID-IIID tot Netjerichet-Djoser. In een recent artikel (2006) "Inkt inscripties van de Tweede Dynastie uit Sakkara (in: S. Hendrickx et al. (eds.), Egypt at its Origins, 2004, 949-970) stelt zij dat de grote massa van de stenen vazen, ook die afkomstig van het Vroeg-Dynastisch kerkhof te Sakkara en het trappenpyramide complex aldaar, origineel van Abydos afkomstig zouden zijn. Verder stelt zij nieuwe regels voor om de uit Sakkara afkomstige met inkt beschreven vazen te dateren. Voornamelijk deze afkomstig uit het de oostelijke gallerijen VI-VII van het TPC van Netjerichet/Djoser zou ze eerder tijdens de regering van Chasechemoei situeren dan tijdens deze van Ninetjer zoals eerder werd aangenomen door de studie van Helck We komen hier later nog op terug.

Het is onmogelijk om hier zelfs in algemene trekken een overzicht te geven over de verschillende aspecten van dit corpus. Het volstaat om te zeggen dat veel administratieve titels, topografische namen, domeinen, en namen van hofdignitarissen (Chnoemneferhotep, Chnoemenii), van enkel obscure koningen en verder namen van paleizen, goden en feesten genoemd worden. Deze kunnen min of meer geordend worden in een chronologisch raamwerk door paleografie en door het herhaald voorkomen van de namen van enkele stichtingen en domeinen. Het talrijk voorkomen van deze laatste tijdens de regering van Ninetjer getuigt van een uitzonderlijke graad van welvaart en een strikt georganiseerde staatsbureaucratie. Iets wat beter te vergelijken valt met de regeringen van Den en Qa'a dan met deze van zijn onmiddellijke voorgangers.

ninetersvizs9.jpg

Eigenaardig genoeg vinden we nergens een vermelding van het Heb-sed jubileumfeest dat hij toch minstens éénmaal moeten hebben gevierd. Maar sommige van de inkt-inscripties, die door Helck in het tweede deel van zijn regering werden gedateerd ( onder ambtenaar Chnoemenii) vermelden wel een Heb-sed feest alhoewel dit nergens direct verbonden is met de naam van de koning.(Pyr.Deg. V n. 273,4; cfr. Helck op.cit. p. 128).

Verschillende van deze vazen, meestal daterend uit de Eerste Dynastie, zouden door Ninetjer aan sommige hoge ambtenaren zijn geschonken als koninklijke gift. Enkele van deze vazen dragen dan ook in inkt aan de binnenzijde van de vaas inscripties van deze ambtenaren terwijl er aan de buitenzijde inscripties uit de Eerste Dynastie zijn ingegraveerd.(PD IV 22, 30, 41, 97).

De vrij ingewikkelde geschiedenis van deze vazen, ontdekt in het trappyramidecomplex van Djoser (Pyr.Deg. IV-voor de gegraveerde koningsnamen en Pyr. Deg. V - voor de inkt inscripties van private personen)werd gereconstrueerd door Helck 1979 in het van hem afkomstig en hogerop aangehaalde artikel (ZAS 106, 120ff.). Hij veronderstelt dat er op zijn minst drie groepen van vazen dienen te worden onderscheiden: de eerste en grootste groep uitgemaakt door deze die door Ninetjer in de tweede helft van zijn regering werden bijeen verzameld en daarna door Peribsen en later nog door Chasechemoei, naar alle waarschijnlijkheid uit magazijnen van Ninetjer's tombe of uit de bovenbouw ervan, werden ontvreemd om tenslotte definitief te belanden in de oostelijke gallerijen onder het TPC (trappyramidecomplex) van Djoser of elders waar ze door hem werden geplaatst in het eerste deel van zijn regering >

De befaamde Heb-sed albasten vaas uit het TPC (Cairo Museum JdE 64872; Firth-Quibell, Step Pyr., 1935, 135, pl. 104) vertoont een deel van een bijna uitgewiste inscriptie in inkt die verwijst naar het vierde feest van Sokar (cfr. de Palermo Steen voor de vorige vier feesten). Op een ander vaas komt een beter bewaarde inscriptie voor met een jaar dat naar de Shemsoe Hor, de zeventiende census van het vee, een aanduiding van de Oeadj-Hor phyle en van de Inj-Setjet (cfr. Peribsen) verwijst. [Lacau-Lauer, Pyr. Deg. V, 274, fig. 153]. Alhoewel geen koningsnaam voorkomt schijnt alles er toch op te wijzen dat deze vaas aan Ninetjer toebehoorde. [A.M. Roth, Egyptian Phyles...1991, 223; D. Gould, in: Bickel-Loprieno (eds.) Aeg. Helvet. 17, 31]. Onder meer de phyle naam, de "jaarfeiten" en andere epigrafische en stylistische argumenten samen met de vorm van de vaas ( zeer gelijkend op de eenhorige albasten vaas met de naam van Hetepsechemwoei cfr. PD IV, nr. 50) lijken in die richting te wijzen .

Vervolg ( zegelafdrukken en graf van deze koning ) binnenkort
Geschreven door ramsesje om 00:00 Reageer op dit bericht

Vervolg van Farao Ninetjer (Tweede Dynastie)

vervolg NI-NETJER



OBJECTEN VAN DEZE KONING

Het beeldje in de Michailidis collectie.

nintrsttvq8.jpg

Zoals hogerop reeds gezegd zou dit beeldje het eerste driedimensionaal portret zijn van een Egyptische farao, dat bewaard bleef en met zekerheid toe te wijzen is aan een specifieke koning omdat zijn naam er op voorkomt. Het ivoren beeldje van Narme, en delen van de houten beeldjes van Djer, Den Qa'a zijn ofwel zonder opschrift ofwel fragmentair odf de naam kan niet met zekerheid worden uitgemaakt zoals op de Min collossen of het beeldje uit het Mьnchener Museum.

Het beeld behoort tot een van de belangrijkste private collecties van Vroeg-Dynastische voorwerpen "Georges Michailides'. Het werd door W.K. Simpson in 1956 (JEA 42, 44-49) gepubliceerd maar recnete opmerkingen door G. Dreyer (Elephantine VIII, 1986, 65, n. 164) hebben een schaduw van twijel geworpen over de authenticiteit ervan (Kahl, Das System, 1994, 12, n.9).

Het beeldje heeft ee, basis van 8,8 x 4,8 cm en is 13.5 cm hoog. Het materiaal waaruit het gemaakt is werd door Simpson geïdentificeerd als een op albast gelijkende harde steen met een groen-gele schijn. Het oppervlak is gepolierd en de stat van bewaring behoorlijk goed.

De koning zit op een troon waarop aan beide zijden de inscriptie 'Nesoetbiti Nebti Ninetjer' voorkomt. De troon maakt een bocht juist achter de top van de witte kroon. De koning draagt het lange Heb kleed, de witte kroon van Boven-Egypte en houdt in zijn handel de gesel en staf die in relief op de borst voorgesteld worden. Een lange bard eindigt juist boven de rechterhand. Het algemeen voorkomen doet denken aan de beelden van Chasechem in Caпro en Oxfor meer deze zijn toch verfijnder en meer gepolierd en hebben niet het plompe gezicht en de plompe voeten van het Ni-netjer beeldje. Het gelijkt inderdaad meer op het ivoren beeldje van Choefoe van Abydos en nog meer op het hoofd in rood kwartsiet van Huni-Choefoe in Brookly. De auteur van het artikel vernoemt ook de sterke gelijkenis in houding en kleding van het beeldje met een beeld van Menkaoehor (Ve dynastie) afkomstig uit Rahinah.

Men kan niet besluiten dat het beeldje tijdens het Oude Rijk werd gemaakt of later als offerbeeldje voor deze koning daar men de algemene kenmerken van het beeldhouwwerk tijdens het Vroeg-Dynastisch tijdperk nog maar fragmentarisch en dus onvoldoende kent.

Ninetjer en de Analen van de Palermo steen

nintrpalstpu8.jpg

Palermo Steen - Recto, lijn 4 ( jaar 6-20 )

Vijftien jaar van Ninetjer's regering zijn bewaard op deze ananeln uit de vijfde dynastie. Volgens de voorgestelde reconstructie wordt deze regering als volgt ingedeeld 5 jaar (die ontbreken ) aan de rechter kant van de steen van Palermo, 15 jaar die bewaard bleven zijn, daarnaast 15 of 16 jaar ( die ontbreken) aan de linkerzijde van de steen en tenslotte de laatste negen jaar die bewaard bleven (maar zeer zwakjes en nauwelijks leesbaar ) op het Caпro 1 fragment; in totaal dus ongeveer 45 jaar (cf. Barta, ZAS 108, 11-23; Helck, MDAIK 30, 31-5; Kaiser, ZAS 86, 39-61; voor recente vertalingen leze men T. Wilkinson, Royal Annals, 2000, 119-129; 204-206; A. Jimenez Serrano, La Piedra de Palermo, 2004, 43-48).

Op de figuur ziet men het begin van het zesde jaar (half vergaan)Shemsoe Hor dit wil zeggen de volgelingen van Horus; [zesde (biлnnale) voorkomen van de telling (van het vee)]. Jaar 7 : Verschijning van de koning van Boven-Egypte; die de koor uitrekt voor de 'Hoet Heroe Ren' (gewoonlijk gelezen als [Ntr] r-n kan dit mogelijks ook verwijzen naar de 'Gouden Naam' in het bovenste register); de naam van het gebouw Hoet Renoe Ren werd door Helck beschouwd als deze van tombe B te Sakkara (oostelijke gallerijen). Jaar 8: Shemsoe Hor ; achtste census van het vee. Jaar 9 : Verschijning van de koning van Boven- en Benden-Egypt ; loop van de levende Apis (?) (Helck leest 'rondenloop van de Apis' (cfr. 'Thinitenzeit' 1987 p. 165); jaar 10: Shemsoe Hor ; vijfde voorkomen van de census. Jaar 11 : Verschijning van de koning van Benden-Egypte; Tweede festival van de Boot (van Sokar). Jaar 12 : Shemsoe Hor ; zesde census van het vee.

Jaar 13 : eerste feest van 'Hor sba pet' (Horus de ster van de hemel) (of ook Eerste reis naar [het gebouw] 'Hor doea pet') ; stichting van de domeinen 'Shem Ra en Mehoet' (De zon is gekomen en de Noordelijke). Bepaalde geleerden (van Schafer in 1902 tot recent nog in Wilkinson's 'Early Dynastic Egypt, 85) hebben voorgesteld om het tweede deel te lezen als " de aanval van de steden...." maar alhoewel de schoffel hiлroglief 'mer' vaak gebruikt wordt in de betekenis van 'verwoestend' (cfr het Libisch palet) dan schijnt de rechthoekige omheining op de Palermo Steen meer te duiden op een relatie met een gebouw, een paleis of een begraenis domein. Een alternatief is echter dat het hier om versterkte (buitenlandse ?) steden gaat en dan is het natuurlijk verleidelijk dit in verband te brengen met het mogelijks bestaan van een burgeroorlog die in het midden van de Tweede Dynastie zouden plaatsgevonden kunnen hebben en naar waar de analen aldus zouden verwijzen volgens de tweede lezing (W.B. Emery, Archaic Egypt, 1961, 93).

Maar er is ook een probleem wat betreft het eerste deel van dit jaar: Helck (op. cit., 66) leest het namelijk als een reis naar het begrafenis domein van de koning; het boot hiлroglief verschilt inderdaad met dit gebruikt als determinatief voor het Shemsoe Hor feest of andere ceremonieлn en dus zou het inderdaad kunnen beteken zeilen maar de naam van het begrafenis domein zou dan moeten omringd zijn met een rechthoekig teken, dat hier echter ontbreekt. Opmerking : in archaпsche inscripties worden de begrafenis domeineen -zoals Hor sba Het- geschrven binnen een circulair soms gekanteeld teken terwijl de koninklijke domeinen meestal binnen een eenvoudige rechthoek worden geschreven (T. Wilkinson op.cit.1999 hoofdstuk 4 fig. 4,1 en 4,2).

Jaar 14: Shemsoe Hor; zevende teeling van het vee. Wetenswaardig is de hoogte van de overstroming van de Nijl in dit jaar: slechts een een voorarmlengte (en ook de volgende jaren blijft het gemiddelde peil zeer laag ); dit zou een aanknopingspunt kunnen opleveren om de aard van de problemen die de volgende koningen moesten trotseren te bepalen en mogelijks ook de oorzaak van de crisis in de staat.

Jaar 15 :verschijning van de koning van Beneden-Egypte, Tweede race van de Apis stier. Jaar 16:Shemsoe Hor, achtste veetelling. Jaar 17: Verschijning van de koning van Neder-Egypte; derde viering van het festival van de Boot (Sokaris ? cfr. Kitchen-Gaballa in Orientalia 38 p. 13) ; Jaar 18 : Volgelingen van Horus; negende census; Jaar 19 : Verschijning van de koning van Beneden-Egypte; Offer voor de moeder van de koning; feest van de eeuwigheid (djet) (Helck cit. 166) ; de lezing 'Maa (n) Moet-Nesoet djet', die dan zou slaan op het overlijden van de koningin-moeder lijkt echter een meer logische lezing. Dit zou dan betekenen "De koningin-moeder ziet (kent of vervoegt) de eeuwigheid ". Helaas is het determinatief onder de djet groep niet dat van eeuwigheid maar dat van feest! J.D. Degreef meent dat Djet hier zou kunnen verband houden met papyrus [W.B. V, 511] en dat de zin zou slaan op het 'Snijden van de Papyrus', een later bekend Hathor-festival. Jaar 20 :Volgelingen van Horus; [Tiende telling van het vee].

wordt vervolgd

Geschreven door ramsesje om 01:44 Reageer op dit bericht

Het tweede kistje

VOOR HEN DIE ONGEDULDIG WORDEN Deel 2

Bekijken we nu het albasten kistje

kistjetoet1sp0.jpg akist1hu3.jpg>


De schrijfrichting is hier van links naar rechts in drie kolommmen van boven naar onder en dan een horizontale regel onderaan van links naar rechts. Er is een loepe links bovenaan het blog voor wie de tekens niet duidelijk mochten zijn

  1. We beginnen met het vlaggetje nTr=netjer of god
  2. Daarachter de luchtpijp-en-hart teken voor nfr= nefer = goed, mooi enz
  3. Daaronder het mandje nb=neb heer, meester
  4. Daaronder de twee streepjes met eronder de zandkorreltjes. Het tweemaal herhalen van het teken geeft aan dat het om een tweevoud gaat van het mannelijk woor ta=ta wat betekent land. Het mannelijk tweevoud heeft de uitgang wy=oei dus er staat ta.wy=taoei of twee landen. Dan volgt de cartouche.
  5. Er staat dus netjer nefer neb taoei of de god goed (van) twee landen. In goed Nederlands :(de) goede god (van de) twee landen. Dat de god netjer vooraan staat heeft twee redenen. Uit eerbied maar ook omdat netjer hier bijvoeglijk naamwoord is en dus achter het zelfstandig naamwoord staat.

Nu de cartouche

  1. Daarin staat de zon ra=re of ra. Ze staat als godheid vooraan
  2. Dan de kever met de meervooudstreepjes. Enkelvoud is xpr=cheper. Meervoud is xpr.w =cheperoe=vormen, verschijningen,transformaties.
  3. Daaronder het mandje nb=neb=heer, meester

Het geheel wordt dus niet gelezen als re-cheperoe-neb of cheperoe-neb-re zoals we zouden verwachten maar als neb-cheperoe-re wat betekent de heer van de verschijningen (vormen) van re. Het is de nesoebiti naam van deze koning.

Hierop volgt

  1. De gans=sa=zoon
  2. Het teken re=re of de god Ra
  3. Neb=heer teken
  4. Het volgende teken is gevolgd van drie streepjes en dus een meervoud. Het teken zelf is een heuvel met een rijzende zon erachter en staat voor xA=cha als werkwoord xA'i betekent dit "verschijnen" de zon die verschijnt achter de heuvels. Maar hier staat het in de betekenis van het zelfstandig naamwoord kroon. Dit is een mannelijk woord dus meervoud met w=oe, waaruit dus xa.w=chaoe=kronen. Dus de zoon van Ra, heer van de kronen en dan volgt de cartouche die identiek is aan deze die we bij het vorige kistje beschreven en dus beduidt Toet anch Amon de heerser van Thebe (heqa Ioenoe sjema). Het is dus de Sa-ra-naam of eigennaam of geboortenaam van de farao Toet anch Amon (het levende beeld van Amon).

De derde kolom is wat moeilijker opnieuw.

  1. We vinden allereerst het soe teken dat we verbinden met één van de twee t (broodje)-tekens onderaan het is een afkorting voor nesoet (nsw.t), wat de koning betekent. Uit eerbied voor de koning staat het weer vooraan.
  2. Dan het rieten mandje waarbij opnieuw een t hoort. Het is een twee letterteken n.m.l. Hm=hem gevolgd door de vrouwelijke t, Hm.t=hemet= de echtgenote.
  3. Daaronder staat een vogeltje het betekenis wr=oer=groot, de mond=r eronder is een fonetisch komplement. Met het vorige woord betekent het dus de grote echtgenote maar we missen hier de uitgang t bij oer. Grammaticaal moet het wr.t zijn want echtgenote is vrouwelijk en eindigt ook op een t. Maar we hebben reeds gezien dat grammaticale uitgangen nog al dikwijls eens moeten wijken voor plaatsbeperking. U zou ook een bovenstaande t kunnen lenen en zeggen dat de t bij nesoet is weggevallen. Dat kan ook. U ziet er zijn heel wat mogelijkheden om tot hetzelfde resultaat te komen. Het went op den duur wel! Net zoals men op de computer met de muis copy en paste aanklikt maar het evengoed met het toetsenbord kan doen door ctr-C of Ctr-V te drukken. Het geheel betekent dus de grote echtgenote van de koning wat de officiële titel was voor de eerste vrouw van de koning of de koningin.
  4. Dan vinden we haar naam in de cartouche. De vier eerste tekens lezen identiek aan deze van ToutanchAmon's eigennaam dus Imen anch
  5. dan vinden we nog het teken "s" en op de volgende rij het teken "n" . Dus imen-anch-s-n of wanneer imen die uit beleefdheid vooraan werd gezet op zijn plaats komt anch-s-n-imen of Anchesenamon, een dochter van de ketterse farao Achnaton.

Zo, we zijn al aan de onderste regel toe. Hier moeten we wat pragmatisch worden want het zijn geijkte uitdrukkingen

  1. Anch=leven is het eerste teken
  2. het broodje op de tweede plaats staat voor het werkwoor (r')di=redi=geven in zijn vorm van "zij of weze gegeven"
  3. de groep aangevoerd door de slang en alle tekens eronder en de daarop volgende groep, lont-zon-lont, beduiden alle twee hetzelfde "eeuwigheid". Men zou het kunnen vertalen door "voor eeuwig en altijd". Maar Dt=djet de eerste groep heeft eerder een notie van plaats en wordt misschien beter vertaald door overal. Dit wordt trouwens aangegeven door de groep ta, (streepje, dat in feite een langgerekt ovaaltje zou moeten zijn, met de zandkorreltjes) dat hier niet als ta=land staat maar als determinatief voor alles wat met land en dus ruimte te maken heeft.  De tweede groep wordt nHH=nehehe gelezen. De n wordt niet geschreven en de zon is een determinatief dat nu eens, wat hoogst uitzonderlijk is,  in het midden staat maar duidt op een tijdsnotatie. Het geheel is dus te vertalen als "leven zij hem gegeven voor eeuwig(overal) en eewig ". Het eigenaardige nu is dat de zin hier afbreekt juist onder de cartouches van Toet anch Amon de rest van de zin behoort tot de cartouche van zijn vrouw Anchesenimen of Anchesenamon. Over deze naam kunnen we nog het volgend kwijt de s hoort als bezittelijk voornaamwoord bij anch dit wordt weergegeven als anch=s en betelkent dus haar leven. Anch=f betekent dan zijn leven. We komen hier nog wel op terug. Dus haar naam betekent "Haar leven (is) van(voor) Amon". De n betekent immers als voorzetsel: van, voor , aan.

Hoe weten we dat nu dat dit deel van de zin bestemd is voor Anchesenamon. Wel het tweede teken achter de anch en het laatste teken is het teken "ti" ( het is de afbeelding van een stamper). Het is een teken dat als een grammaticaal einde kan beschouwd worden voor de derde persoon enkelvoud vrouwelijk dat men aan een werkwoord hangt om een wens uit te drukken. Maar gezien het vrouwelijk is kan het niet meer op Toetanchamon slaan. Het derde teken is het teken rnp (d.i. een palmtak ontdaan van zijn bladeren, werd gebruikt als kerfstok) het staat voor jong zijn. Dus de vertaling luidt moge zij leven moge zij jong blijven.

De ganse zin luidt dan :De goede god, heer van twee landen Neb-cheroe re, de zoon van Ra, heer van de kronen, ToetanchAmon, moge hij leven voor eeuwig en eenwig en de grote vrouw van de koning Anchesenamon, moge zij leven, moge zij jong blijven. Een hele boterham om dus weinig meer te zeggen dan de namen van de koning en de koningin.

Geschreven door ramsesje om 17:13 Reageer op dit bericht

Een beetje practijk

VOOR HEN DIE ONGEDULDIG WORDEN

Ik kan mij best voorstellen dat jullie wat ongeduldig worden en een beetje practijk zouden willen. We beginnen met een tweetal voorwerpen met inscripties uit het graf van .......Het zijn eenvoudige teksten.


kistjetoet2aa0.jpg

We beginnen met het eerste kistje. De bovenkant. Het kistje is ingelegd met ebbehout en ivoor. De leesrichting is van rechts naar links en boven naar onder. We ontmoeten achtereenvolgens :

  1. Een pluim die de letter i voorstelt
  2. het spelbord dat mn=men voorstelt
  3. het waterteken dat n betekent ( fonetisch complement bij men)
  4. samen dus imnn of dus imn=imen want de laatste n is een fonetisch complement en telt dus niet mee. Dit is de god die wij onder de naam Amon kennen.
  5. volgt een kwartelkuiken w=oe ingesloten tussen twee broodjes= t dus twt=toet. Dit betekent beeld, beeltenis, voorstelling
  6. dan volgt het Egyptisch kruis, of het sandaal-leertje (boot-strap) anX =anch wat betekent leven of levend.
  7. dan zien we de herderstaf die staat voor hkA of heka wat betekent heerser
  8. dan een kolom. Dit is een speciaal teken het is een afkorting voor Iwnw =Ioenoe of Heliopolis
  9. dan volgt niet het teken swt=soet (want als je goed kijkt zijn er bloeiende uiteinden aan de plant het is dus niet swt maar wel de heraldische plant Sma=sjema het embleem voor Opper-Egypte

Er staat dus imen toet anch heka ioenoe sjema. Het kistje zelf heeft de vorm van een cartouche. Dus het is een koningsnaam. Imen toet anch doet wel vreselijk denken aan Toet anch Amon en inderdaad de godheid Imen is hier uit eerbied vooraan geplaatst. Het is dus Toet anch Imen of of het beeld levend Amon. Het bijvoeglijk naamwoord staat in het egyptisch achter het zelstandig naamwoord dus in onze taal het levend beeld Imen. Maar we weten ook dat de genitief in het Nederlands uitgedrukt door " van" in het Egyptisch kan geschreven worden met het watertekentje (letter n) maar ook door twee zelfstandige naamwoorden gewoon na elkaar te plaatsen. Wat hier het geval is voor Toet (en zijn bijvoeglijk naamwoord anch) en Imen. Dus we lezen Toetanch Amon of "( het) levend beeld (van) Amon. Het lidwoord "het" staat tussen haakjes want lidwoorden worden niet geschreven in het Egyptisch.

hekA Ioenoe sjema zijn drie achter elkaar geschreven zelfstandige naamwoorden waarvan we de twee laatste als genetief beschouwen en dus vertalen als (de) heerser (van) Heliopolis (van) Opper-Egypte. Nu moet je weten dat met Heliopolis van Opper-Egypte de stad Thebe bedoeld werd. En de puzel is opgelost. Toet anch Amon ( het levende beeld van Amon), heerser van Thebe.

menix8.jpg men2qz4.jpg

Bekijken we nogmaals het "mn" teken. In zijn volledig uitgewerkte vorm en in zijn tradtionele vorm. Nu kunnen we ons inderdaad voorstellen dat het gaat om een bordspel. Het geeft ook een zeer karakteristiek effect weer van de Egyptische kunstregels. Men ziet het voorwerp van uit twee hoeken tegelijkertijd. Het spelbord van bovenaan met de de vierkantjes en de pionnen zijwaarts. Maar door de pionnen bovenop het spel te zetten wordt meteen aangegeven dat de pionnen op het bord horen. Perspectief was onbekend maar daar hadden de Egyptenaren het combinatie zicht voor uitgevonden.

Over het tweede kistje later
Geschreven door ramsesje om 13:16 Reageer op dit bericht

Meer van .

↑ Terug naar de berichten