Bekijk nu afbeeldingen van de figuren 49 en 50 aandachtig en zie bijvoorbeeld eens hoe de onderkant van de broekspijp op de schoen rust en dientengevolge een knik in de stof veroorzaakt . Te veel beginners maken , zonder de moeite te nemen om goed te kijken , de pijpen van een pantalon te recht en het lijkt dan meer op een plaatijzeren buis . Zorg er dus altijd voor dat de stof mooi soepel valt ( figuren , 50 ). Laten wij in dit hoofdstuk vooral de hoeden niet vergeten ( figuren . 51 ) . Hoe ingewikkeld zien de golvingen van de randen er vaak uit . Waneer U ze echter goed observeert zult U ontdekken dat het allemaal heel logisch verloopt . De lijn die de voorrand volgt , moet zich bijvoorbeeld noodzakelijkerwijs verbinden met die , welke overeenkomt met de achterrand , als hij de omwenteling om de bol heeft gemaakt . Wees hier vooral op uw hoede voor verraderlijke verkortingen ! Als U eenmaal de goede gewoonte genomen heeft om deze vormen te ontleden en te begrijpen , zult U de moeilijkheden snel overwonnen hebben . In het voorgaande betoog hebben wij als het ware de schets uit elkaar gehaald en ons deze keer niet toegelegd op de volledige beschrijving van een persoon in zijn geheel bezien . Bij deze studie ging het er dus om , dat , alvorens wij , de gehele figuur onder de loep namen , beseften hoe belangrijk de onderdelen zijn om de persoon te karakteriseren . Neem daarom alle tijd om te observeren en te schetsen en al werkende zult U ondekken dat U vlugger vooruit gaat dan je had durven dromen . Denk ook eens aan het plezier dat U heeft als je in staat zult zijn om - zoals vele leerlingen bereikt hebben - schilderachtige en interessante typen op papier te zetten . U vindt ze te allen tijde op straat , in de wachtkamers , op perrons . En zijn deze vluchtige notities vaak niet levendiger dan een foto ? Maar.... laten wij beginnen bij het begin . Begin eerst met de ledepoppen . Maakt uw eerste schetsen naar levend model zeer vereenvoudigd ; zoekt geen ingewikkelde standen . Tenslotte zal het U niet verboden zijn om de schtsen naar levend model verder uit te werken - hoewel dan de schets verandert in een echte tekening - als het model U de tijd er voor laat . Maar dit alles is pas te doen wanneer de praktische ervaring voldoende is ; wij zullen hierom terugkomen in de les over " Licht en Schaduw " . Voorlopig moet je hier echter nog niet teveel aan denken , maar zich uitsluitend bezighouden met een eenvoudige schets op de wijze zoals wij besproken hebben . Ook het schetsen uit geheugen dient U nog te laten rusten . Studeert eerst voldoende naar levend model . Een eenvoudige schets in een enkele lijn kan - ook zonder het aangeven van licht - en schaduwpartijen - zijn charme hebben , vooral wanneer je afwisseling in de lijndikte brengt . Hierover hebben wij uitvoerig gesproken in de eerste lessen " van hand en oog ". Aan de kant vanwaar het licht komt dus een licht lijn ; aan de schaduwkant een zwaardere . Zij moeten niet zo maar worden aangebracht , maar ten volle verantwoord . Let daarbij ook vooral op de accenten ; een zeer zware schaduwval bij plooien bijvoorbeeld wordt nog eens extra aangezet , evenals andere belangrijke details . Op deze wijze kunt je een levendig beeld laten ontstaan en zal de vorm als het ware ruimtelijk worden en van zijn achtergrond loskomen . Wij laten je enkele voorbeelden zien , in de figuren 52 , 53 , 54 , 55 en 56 . Hoe meer je tekent des te beter gaat U tekenen . In de figuren van 57 laten wij U de schetsen van het naakt onder de kleding zien .
Zorgt er voor steeds een schetsboekje bij de hand te hebben . De afmetingen daarvan kunnen verschillen naar behoefte , doch een prettig formaat is wel ( ca 14 x 21 cm ) . Zeer handig voor het doel zijn de schetsboekjes met een spiraalrug , omdat het geheel vlak omgeslagen kan worden en je dus een stevige ondergrond krijgt .
Desnoods kunt je tegen het achterkaft nog een extra stuk karton plakken , waardoor het geheel nog sterker wordt . Het papier behoeft niet te zwaar te zijn , maar wel een korrel te hebben . Glad papier werkt niet zo prettig ; het potlood \"glijd er op uit \" . Ja , met een potlood gaan wij onze schetsen maken, omdat het een gemakkelijk materiaal is . Welke soort je ook neemt , gewoon potlood , contépotlood of sanguine , denk er aan dat de stift zacht en breed moet zijn . De zachte soorten zullen altijd de dikste stift hebben . Zorg ook voor een scherp mesje , waarmee U gemakkelijk een punt kunt slijpen , zonder de stift te breken . Slijp het zo dat er een flink stuk van de stift vrij komt en slijp er een platte kant aan op een stukje schuurpapier . Schuur de stift echter zo bij dat u er ook een dun lijntje mee kunt trekken . Met de platte kant geeft je bredere streken . Aangezien wij snel moeten werken , heeft men op die manier het voordeel twee potloden in één te bezitten . Want , als U het bijna loodrecht op het papier houdt ( de gewone stand ) tekent je met de punt . Een kleine wending van de hand doet het potlood naar de zijkant buigen , zodat het vlak van de platte kant op het blad komt te rusten . Op die manier brengt men afwisseling aan in de lijnen . Gebruikt geen vlakgom ! Een schets moet niet worden gecorrigeerd ; men laat de foutieve lijn staan en men zet een andere , zuiverder bepaald , die de eerste min of meer overdekt . Veel leerlingen worden bij het schetsen niet alleen gehinderd door de moeilijkheden van het werk zelf , maar door de aanwezigheid van toeschouwers , waarvan zij de meer of minder welwillende nieuwsgierigheid duchten . Begin dan ook liever met het schetsen van huisgenoten en vrienden , hetgeen U thuis in een rustige omgeving kunt doen . Op deze manier kunt je zich alvast bekwamen om later met meer zelfvertrouwen buitenshuis te werken en onverschilliger te staan tegenover nieuwsgierigen . Maak dan schetsen in parken , op stations of op een terras . Dat zijn de plaatsen , vooral in de grotere steden , waar je , weggedoken in een hoekje , vaak de aardigste situaties kunt waarnemen . Ook op markten , maar ook , in steden of in dorpen vindt je veelal een goede gelegenheid om te werken . U ziet , er zijn mogelijkheden genoeg om zich te oefenen . Ga er dan ook op uit met uw schetsboek en teken ieder moment dat je de gelegenheid heeft . Om de onaangenaamheden te vermijden , doordat men bemerkt als model te dienen , kunt je het beste een donkere zonnebril opzetten . Dit heeft op het werk geen invloed omdat U toch geen kleur gebruikt . Richt uw gezicht ook nimmer op de persoon ; uw ogen natuurlijk wel , maar dit ziet men niet door de donkere glazen . Wij hebben er al dikwijls over gesproken en herhalen het nogmaals : ook zonder potlood kan men tekenen , namelijk door zich de lijnen \" in te denken \", wanneer men getroffen wordt door een bepaalde houding van één of meerdere personen . Probeer dan vooral de schematische vormen van het geraamte voor de geest te halen . Het schematisch getekende geraamte - of draadfiguur als je dat liever wilt - is immers de basis voor een goede schets ! Wanneer je op deze wijze studeert zult U bemerken dat het als het ware een opwindende jacht naar modellen wordt . Het zal je vaak een \" rijke buit \" opleveren en uw gehele ontwikkeling ten goede komen . U zult bemerken , dat uw hand zekerder wordt en dat je de lijnen meteen op hun goede plaats weet neer te zetten . Tenslotte nog een goede raad : tracht nimmer later een schets verder uit te werken . Dit loopt tien tegen één uit op mislukking . Liever een spontane schets met fouten , dan een gavere doch droge tekening . Natuurlijk kunt je de schetsen wel direkt in pen of penseel uitvoeren of zelf als gewassen tekening , doch vooreerst achten wij het niet nuttig , vooral waar het hier uitsluitend om snelle schetsen gaat . Houdt je dus bij het potlood . Een prachtig materiaal waarmee soepel en losjes gewerkt kan worden en ook met brede streken . Met een scherp mesje erbij is het absoluut voldoende ; het is een gereedschap dat weinig zorg vraagt en... je kunt het zo gemakkelijk meenemen .
Inleidende Begrippen : de lijn - het vlak - de omvang
Aan alles wat wij in de natuur zien , kunnen wij vier elementen ontdekken : LIJN , VLAK , INHOUD , KLEUR . Met het laatste zullen wij ons in de een volgende les gaan bezighouden . Maar of de kleur nu een rol speelt of niet , wij willen er wel op wijzen , dat als wij bepaalde onderwerpen , willen zien , deze in het licht moeten staan ; licht dan wel te verstaan als tegenstelling tot duisternis . De lijn bestaat niet als zodanig : de lijn volgt schijnbaar de omtrek der dingen , die er in werkelijkheid echter niet door begrensd wordt . De lijn kan echter helpen deze omtrek aan te geven , als mede de details binnen die omtrek . Wij spreken in dergelijke gevallen van een lijntekening en , zoals wij dit reeds in de eerste les gezegd hebben , krijgen dan , een betrekkelijk waarheidsgetrouw beeld . Niettemin zijn dergelijke beelden in staat ons een duidelijke omschrijving van het object te geven . Het vlak bestaat werkelijk . Het vlak komt overeen met de vorm , of gedeelte van de vorm van het object dat wij zien . Het is omsloten door de contour , of gedeelte hiervan . De omvang bestaat eveneens op zichzelf . Willen wij echter de omvang in onze tekening weergeven , dan zullen wij , eveneens als bij de weergave van het vlak , alle wetten van de perspectief in acht moeten nemen . De aanblik wordt daardoor blijkbaar gewijzigd . Deze gewijzigde vorm schijnt , hoe vreemd ook , in tegenspraak te zijn met het beeld dat wij van het voorwerp kennen . Toch beantwoordt dit beeld aan de wetenschappelijke regels welke wij bestudeerd hebben . De omvang is samengesteld uit een aantal vlakken . Wanneer wij dus het perspectivisch beeld van deze vlakken weten weer te geven , dan zijn wij ook in staat om met behulp van alle tekentechnieken de omvang uit de drukken . De lijn , het vlak en de perspectief kunnen echte niet op volmaakte wijze de omvang weergeven . Wij missen altijd nog de diepte , de ruimtelijke weergave . Deze moet onstaan door het modelé .
Wat verstaat men onder \" modelé \" Het begrip \" toonwaarde \"
Waaruit bestaat het modulé ? Uit het weergeven van alle schaduwpartijen - rekening houdend met hun verschillen in kracht - welke op het object voorkomen en uit de weergave van de schaduwen welke het object doet vallen op de aangrenzende vlakken , die niet tot deze zelf behoren . De schaduwen van de eerste soort noemen wij eigen schaduw ; die van de tweede slagschaduw . De verschillende in sterkte van deze beide soorten schaduwen noemen wij de toonwaarden . Alvorens wij verder gaan met deze uiteenzetting dienen wij het volgende goed te begrijpen . In het werk waarmee wij nu beginnen zullen wij niet alleen het modelé moeten weergeven van voorwerpen met witte vlakken , zoals bijvoorbeeld een gipsen beeldje . Op zo\'n beeldje zien wij de schaduwpartijen als meer of minder grijze vlakken , welke overeenkomen met de waarden waarover wij zojuist spraken . Wij zullen echter veel meer gekleurde voorwerpen moeten tekenen . In deze les evenwel werken wij nog niet met kleur . Wij werken slechts met materialen waarmee het mogelijk is een serie tinten weer te geven van donker tot licht . Met andere woorden gezegd ; wij houden ons in deze les bij het zwart , dat ons , later zullen wij zien hoe , een reeks grijzen oplevert van héél donker tot héél licht . Dit wil dus zeggen , dat wij ons zullen onthouden van de kleur als kleur - bijv. blauw , rood , groen - om slechts rekening te houden met de lichsterkte van dit blauw , dit rood , dit groen . Wij zullen dus de kleuren , welke dan ook , alleen maar weergeven door een schakering van zwart , of anders gezegd , door de toonwaarde , door een meer of minder donker grijs , al naar gelang de werkelijke kleur donkerder of lichter is . Maar hoe kunnen we een kleur , evenals trouwens de schaduw op een wit voorwerp , van dit gezichtspunt uit beoordelen , zonder vergelijking met een andere ? En dit is het dan ook wat ons de betrekkelijke waarde van het woord \" toonwaarde \" doet inzien : de toonwaarde - of deze zich nu voordoet op een wit of een gekleurd voorwerp - kan alleen bestaan in betrekking tot het omringende . Alleen wanneer wij in staat zijn om die onderlinge verhoudingen in de kracht van de tinten weer te geven , dan zal het object zich op een natuurlijke wijze aan ons oog voordoen .
HET LICHT
Natuurlijke en kunstmatige lichtbronnen
Wij kennen twee soorten lichtbronnen : ( 1 ) Natuurlijke lichtbronnen : de zon en de maan ; ( 2 ) Kunstmatige lichtbronnen : lamp , kaars , fakkel enz. De zon is , het is duidelijk , de lichtbron waarvan de tekenaar het meest gebruik maakt , vooral in zijn landschapstudies . En ook maken wij er gebruik van wanneer we een stilleven tekenen dat vlak bij een raam is opgesteld . Het zal ook wel eens voorkomen dat U zich laat verleiden door de bijzonder effecten van kunstmatige lichtbronnen . En dit dan niet ten onrechte . Dit licht kan zeer verrassend zijn . Vooral enkele oude meesters wisten dit te waarderen . Denken wij bijvoorbeeld aan onze 17e eeuwse schilder Gerard Dou of aan de franse schilder D . de La Tour (1600-1652 ) , van wie in het Louvre enige werken hangen . In de loop van deze les zullen wij je veel bijzonderheden van beide soorten verlichtingen vertellen . Maar eerst moeten wij onze aandacht schenken aan een apart hoofdstuk , namelijk de licht - en schaduwval bij zon - en kunstlicht .
Fig . 3 Kunstmatige lichtbron . De kaars is hier niet getekend . De kaarsvlam ligt in het punt F . De gestippelde lijnen vanuit F stellen de lichstralen voor ; in het betreffende hoofdstuk zal de betekenis van de andere stippellijnen uiteengezet worden .