D'n Adelaar van Harie (+)
Babbel met Piërre Habets op de markt in Lanaken.
Een gesprek met Piërre aanknopen is niet zo moeilijk want hij heeft tijd genoeg en is een praatgraag. Als wij een poosje gevorderd zijn in ons gesprek over koetjes en kalfjes blijkt dat Piërre een tijdlang in Smeermaas heeft gewoond en wel in de Sapstraat. Als ik zeg, dat ik ook in Smeermaas woon, steekt hij pas echt van wal.
Hij heeft gewoond aan het eind van de Sapstraat naast Jeng Fissette (+). Helemaal aan het eind van de Sapstraat, stond vroeger een schuur die na afbraak en nieuwbouw nu bewoond wordt door de fam. Bronckaerts-Bausmans. Voor die schuur stond er een heel lange bank die steevast bezet was met mensen van ‘Oonder de Brögk’ ien Smeirmaos’.o.a. Theirke (+) de schoenlapper, Jeng Stevens (Jeng van Sjeelke) (+), Fien (+), de moeder van mijn verhaalverteller, Jeng Fissette (+) en ook Harie Vanderhoven (+) waren de vaste bankzitters en er meestal terug te vinden.
“Er werd vaak een bak bier achterovergeslagen op die bank”zegt Piërre, “dan werd er in het cafe van ‘Nes’een bak bier gehaald, dat waren half-liter-flessen. “
Op een van die zonnige dagen in het duivenseizoen, zaten de mannen weer eens op de bank en de drank had niet alleen de keel gesmeerd maar tevens de geest verruimd. Hierdoor ging men van ‘nuchtere over op uchteren’, ‘als de drank is in de man, is de wijsheid in de kan’. Zoals zo vaak ging het gesprek ook nu weer over de duiven en de melkers. Het ene zijn verhaal was al sterker dan dat van de andere. Harie Vanderhoven (+) had aandachtig geluisterd naar de verhalen van zijn disgenoten en schoot aan de gang met zijn bijdrage.
” Mien doef d’n Adeleir is de rapste van de ganse Maakant. Heir is altied de ierste douf die te zeen is, hiej in de Smeirmaas. Iech ken ze al zeen met de verrekieker, és ze euver Mestreech aan kump gevloge, gein ander doef is dan in de wieje umtrék te zeen, allein d’n Adeleir. Mér dat bies wil mér neet binne kome, heer strik altied neer op de nok van ’t daak. En és de andere hun doeve, die allemaol väöl later zin és miene Adeleir, al geconstateerd höbbe, kump d’n Adeleir nao bénne gevloge” en maak dan geine platte pries mie.
Ën és geer dat neet geluift, dan moot geer mér ins kieken nao die nokpan boe ‘dein Hier, op neergestreke is, die nokpan is gans vergruzelt, toen heer zich dao op neergezat heit met zien sterreke klawwe.











