Het verschil tussn NAP en TAW waterstanden


Als je langs de Maas woont gaat je interesse vanzelfsprekend uit naar de waterstand. De Maas is een regenrivier en haar debiet is dan ook afhankelijk van neerslag. De waterstanden in het voor en najaar zijn dan ook meestal hoog. Als zoals nu in deze periode de gevallen sneeuw smelt, samen met regenval fluctueert de maas in hoogte.
Om aan rampen, zoals in het verleden te ontkomen, pleegt men op dit moment werken uit aan de Maas. In België beperkt men zich tot de weerdverlagingen in de Hochterbampd en Herbricht. In Nederland zijn de werken meer uitgebreider en zullen er door afgraving een groot deel van de Landbouwgronden, tegenover Smeermaas en de Hochterbampd, een drastische weerverlaging ondergaan ten gevolge van Het Grensmaasproject.
Smeermaas ligt pal tegenover Borgharen. Als men in Smeermaas 43.50m meet, volgens het Belgisch referentiepunt TAW, dan zal Borgharen 41.17m boven het referentiepunt NAP meten.
Hoe is dat te verklaren?
Wij zochten het op.
NAP
Nederland hanteert als officiële referentiehoogte het Normaal Amsterdams Peil (NAP). Het nulniveau hiervan is gelijk aan het nulniveau van het Amsterdams Peil (AP) uit 1683. In dat jaar liet burgemeester Hudde (zie ingelaste foto Burg. Hudde) acht grote stenen inmetselen in sluizen in de dijk aan de zuidzijde van het IJ. Hierin was op zeedijkshoogte een horizontale groef aangebracht op negen voet en vijf duim boven het stadspeil of Amsterdams Peil. Uit dagelijkse metingen in 1683-1684 bleek dit peil vrijwel samen te vallen met de gemiddelde zomervloedstand van het IJ bij Amsterdam, en dus niet met het gemiddelde zeeniveau. Vanaf 1683 tot heden geldt als definitie van het Amsterdams Peil (en later het Normaal Amsterdams Peil): negen voet en vijf duim beneden het merk op de dijkpeilstenen van burgemeester Hudde. In de loop van de 18e eeuw is het AP door waterpassing vanuit Amsterdam overgebracht naar andere plaatsen in Nederland en daar door middel van peilmerken vastgelegd. Meetonnauwkeurigheden in het verleden waren in 1891 aanleiding om op een aantal plaatsen in Nederland nieuwe of verbeterde ('genormaliseerde') peilmerken aan te brengen. Sindsdien spreekt men van Normaal Amsterdams Peil (NAP).
(bron: De dijkpeilstenen van burgemeester Hudde en de geschiedenis van het Normaal Amsterdams Peil, door fysisch geograaf Frans J.P.M. Kwaad)
TAW
Vlaanderen hanteert de Tweede Algemene Waterpassing (TAW) uit 1946. In de sluis van Oostende is een klinknagel geklopt. Gedurende 10 jaar wordt het lage waterpeil van de zee gemeten. Het referentiepunt daarbij is de nagel. Het gemiddelde laagwaterpeil wordt daaruit genomen en dat staat voor het nulpeil in België. Daarna kwam er een waterpassing met het nulpeil van Oostende.
Het TAW-referentiepunt ligt 2,33 meter onder het NAP-referentiepunt. Het referentiepunt in België ligt dus lager dan in Nederland. Door dit lagere referentiepunt valt de aanduiding van niveaus in België juist hóger uit dan in Nederland: TAW = NAP - 2,33 m. Het hoogste punt van België, Signal de Botrange, ligt op 694 m hoogte (TAW), maar op 'slechts' 691,67 meter boven NAP.
Alle infrastructuurwerken die de lage landen uitvoeren in het kader van de strijd tegen overstromingen, n emen die punten als vaste referenties. Op basis van dergelijke punten kunnen op een rationele, rekenkundige manier constructies tot stand komen die de mens moeten behoeden voor rampen.


